← België

Arrest 181542 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.542 Rolnummer: A. 187544/X-13697 Zaak: Arrest 181542 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:51 Fiche Arrest nr 181.542 van 28 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.542 van 28 maart 2008 in de zaak A. 187.544/X-13.697. In zake : 1. Willy THEUNIS, 2. Roeland VAN HOOF, die woonplaats kiezen bij advocaat I. DEDECKER, kantoor houdende te 3600 GENK, Stoffelsbergstraat 4 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. tussenkomende partij : de n.v. BELGACOM MOBILE, die woonplaats kiest bij advocaten H. DE BAUW en K. LEUS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Willy THEUNIS en Roeland VAN HOOF op 18 maart 2008 hebben ingediend, en waarin zij bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 12 maart 2008 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. BELGACOM MOBILE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een telecommunicatiestation op een perceel gelegen te Koersel, Guido Gezellestraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 246/b; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-13.697-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor verzoekers, van advocaat J. DECKMIJN, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. VAN HOECKE, die loco advocaten H. DE BAUW en K. LEUS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging De n.v. BELGACOM MOBILE heeft met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift gevraagd om in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. Over de thans voorliggende gegevens van de zaak 2.1. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft bij besluit van 4 oktober 2007 aan de n.v. BELGACOM MOBILE een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het oprichten van een telecommunicatiestation op een perceel gelegen te Koersel, Guido Gezellestraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 246/b. De plannen voorzien in de oprichting van een vakwerkpyloon met een hoogte van 30m met daarboven een topbuis van 3m waaraan de antennes worden bevestigd. De technische installaties van de drie GSM-operatoren worden voorzien in een cabine aan de voet van de mast. 2.2. Het bouwperceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen in agrarisch gebied. Het is tevens gelegen binnen de perimeter van een vogel- en habitatrichtlijngebied. X-13.697-2/11 2.3. De eerste verzoeker baat een landbouwbedrijf uit op een aanpalend perceel. De tweede verzoeker woont in de onmiddellijke nabijheid. 2.4. Bij arrest nr. 177.699 van 7 december 2007 werd de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van voormeld besluit van 4 oktober 2007 bevolen. 2.5. Het geschorste besluit van 4 oktober 2007 werd bij besluit van 16 januari 2008 ingetrokken. 2.6. Bij het thans bestreden besluit van 12 maart 2008 heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een telecommunicatiestation op een perceel gelegen te Koersel, aan de Guido Gezellestraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 246/b, opnieuw verleend. 3. Over de grondvoorwaarden tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid 3.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. Wat de aangevoerde middelen betreft 3.2.1.1. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de omzendbrief van 8 juli 1997, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel. “Doordat, eerste onderdeel, in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het bouwwerk verenigbaar is met de algemene bestemming van het gebied. X-13.697-3/11 En doordat, tweede onderdeel, in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het bouwwerk verenigbaar is met het architectonisch karakter van het gebied. E(

  1. n)doordat, derde onderdeel, niet wordt aangetoond dat er een dringende en absolute noodzaak is voor de toepassing van art. 20 KB ‘72 terwijl dit artikel de enige mogelijke wettelijke basis is voor het inplanten van openbare nutsvoorziening buiten gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of woongebied. Terwijl art. 20 KB ‘72 bepaalt dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden kunnen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied Terwijl de omzendbrief van 8 juli 1997 benadrukt dat art. 20 KB ‘72 een uitzonderingsbepaling is die slechts uitzonderlijk en in de absoluut noodzakelijke gevallen mag worden toegepast. Terwijl art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen”. In de toelichting bij het middel stellen de verzoekers dat het bestreden besluit de verenigbaarheid van de ontworpen constructie met de algemene bestemming van het gebied afleidt uit de vergelijkbaarheid van de constructie met zone-eigen constructies, de beperkte oppervlakte, de niet echt storende hoogte en de aanwezigheid van het bufferbekken en de bestemmingsongevoeligheid ervan, dat geen van de aangehaalde argumenten kunnen worden weerhouden want niet relevant of zelfs feitelijk niet correct, dat de bestreden beslissing nog steeds niet toelicht wat het architectonisch karakter is van het betrokken gebied en nog steeds niet concreet wordt onderzocht of de pyloon verenigbaar is met dit architectonisch karakter, en dat niet is aangetoond dat er een dringende en absolute noodzaak is voor de toepassing van artikel 20. 3.2.1.2. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. X-13.697-4/11 Het bestreden besluit stelt vooreerst vast dat “de aanvraag (...), strikt genomen, niet in overeenstemming (
  2. is)met de bestemming agrarisch gebied waarin zij volgens het gewestplan gelegen is”. Het oordeelt evenwel dat de aanvraag beantwoordt aan de voorwaarden gesteld bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, en op grond van deze bepaling kan worden verleend. Bedoeld artikel 20 luidt als volgt : “Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Het vereiste van de verenigbaarheid van een bouwwerk met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied moet zo worden begrepen dat het ontworpen bouwwerk, gelet op zijn functie en omvang, niet in strijd mag zijn met de algemene bestemming van het betrokken gebied, in dit geval agrarisch gebied, en met het daarmee gepaard gaande architectonisch karakter van dat gebied. Die beoordeling moet steunen op concrete en precieze gegevens die moeten blijken uit de motivering vermeld in het besluit zelf. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State zijn beoordeling van de verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het bestreden besluit leidt de verenigbaarheid van de ontworpen pyloon met de algemene bestemming van het betrokken agrarisch gebied onder meer af uit het feit dat in agrarische gebieden het oprichten van constructies niet is verboden, en uit “de vergelijkbaarheid van de constructie met zone-eigen constructies”. Wat betreft de verenigbaarheid met het architectonisch karakter van het gebied wordt naast een beschrijving van de ontworpen constructie, verwezen naar het aanwezige bufferbekken waarrond jonge hoogstammige bomen zijn aangeplant, de in de omgeving aanwezige hoogstammige bomen in lijnverband en X-13.697-5/11 de stal van het bedrijf van de eerste verzoeker met bijhorende voedersilo, waardoor de betrokken pyloon, hoewel met een totale hoogte van 33 m hoger dan de aanwezige constructies en daardoor zichtbaar voor de bewoners van het aanpalende woongebied met landelijk karakter, zich wegens zijn uitvoering in een ijle vakwerkconstructie toch laat integreren in de omgeving van het agrarisch bedrijf waar de stal domineert en de voedersilo in dezelfde materialen is opgetrokken. Geen van deze motieven lijken uit te gaan van onjuiste feitelijke gegevens. Evenmin lijkt de conclusie die de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar uit deze gegevens heeft getrokken naar de toepasselijkheid van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen toe, kennelijk onredelijk te zijn. Voorts hebben ministeriële omzendbrieven gericht aan administratieve overheden en die richtsnoeren bevatten nopens de interpretatie en toepassing van de bestaande wetten en verordeningen, geen enkel bindend karakter, ongeacht zij zijn bekendgemaakt of niet. De eventuele niet-naleving van de onderrichtingen vervat in de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 kan derhalve op het eerste gezicht niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden, zodat het onderdeel van het middel afgeleid uit de schending van deze omzendbrief op het eerste gezicht niet ontvankelijk is. Het middel is in al zijn onderdelen niet ernstig. 3.2.2.1. In een tweede middel roepen verzoekers de schending in van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel. “Doordat in de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat de installatie slechts een beperkte oppervlakte inneemt, de pyloon qua hoogte niet echt als storend te beschouwen is in dit specifieke gebied waarin ook reeds het vergunde Aquafin bufferbekken gelegen is, het volledige gebied wordt omzoomd door hoogstammige bomen in lijnvorm waardoor de visuele hinder wordt beperkt en door de gekozen typologie het profiel van de mast wordt beperkt en enige transparantie ten opzichte van de omgeving wordt gerealiseerd. Terwijl art. 4 DRO bepaalt dat de ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar X-13.697-6/11 worden afgewogen en dat rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen en dat op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. En terwijl art. 19 lid 3 KB ‘72 bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven wordt zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. En terwijl art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen”. In de toelichting bij het middel stellen de verzoekers dat geen van de in het bestreden besluit aangegeven argumenten een afdoende motivering vormt voor de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening, dat de voorgestelde bouwplaats zich bevindt in een zeer open, ongeschonden agrarisch gebied, dat het industrieel ogende karakter van de pyloon zich niet laat verzoenen met het natuurlijke karakter van de omgeving, en dat de oprichting van de betrokken pyloon in strijd is met de principes zoals vastgelegd in de Code voor een duurzame ruimtelijke inplanting van draadloze telecommunicatie-infrastructuur in Vlaanderen. 3.2.2.2. Daargelaten de vraag in hoeverre artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een bepaling bevat die niet enkel bij het opmaken van de plannen, maar ook bij het onderzoek van vergunningsaanvragen in acht moet worden genomen, blijkt uit het bestreden besluit in elk geval dat er voor het gebied waarin de ontworpen constructie gelegen is, geen goedgekeurd algemeen of bijzonder plan van aanleg bestaat en dat dit gebied evenmin is gelegen binnen een vergunde, niet vervallen verkaveling. In dat geval is het de taak van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar om geval per geval te onderzoeken of de aanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Om te voldoen aan de door de wet van 29 juli 1991 opgelegde motiveringsverplichting dient de vergunningverlenende overheid, wat de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening betreft, in de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen te vermelden waarop haar beslissing steunt. X-13.697-7/11 Uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening heeft betrokken bij de beoordeling van de verenigbaarheid met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Hij erkent dat de pyloon hoger is dan de aanwezige constructies in het agrarisch gebied en daardoor deels zichtbaar zal zijn voor de bewoners in het aanpalende woongebied met landelijk karakter doch meent dat dit niet noodzakelijk betekent dat de betrokken constructie zich niet zou integreren in de omgeving of onaanvaardbare visuele hinder zou veroorzaken voor de omwonenden. Daartoe wijst de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op het materiaalgebruik en de vormgeving van de pyloon, de aanwezigheid van hoogstammige bomen in lijnverband, de bundeling met het bestaande AQUAFIN-bufferbekken met zijn opvallend hoge draadomheining en aanplantingen, de aanwezigheid van groenvoorzieningen en de afstand tot de woningen in relatie tot de hoogte van de pyloon. In tegenstelling tot hetgeen verzoekers voorhouden, lijkt het bestreden besluit op voldoende concrete gegevens te steunen en lijken deze motieven de beslissing te kunnen dragen. De Code voor een duurzame ruimtelijke inplanting van draadloze telecommunicatie-infrastructuur in Vlaanderen heeft op het eerst gezicht geen reglementair karakter doch bevat enkel beleidsintenties met betrekking tot de inplanting van dergelijke infrastructuur. Een eventuele niet naleving ervan kan op het eerste gezicht niet tot vernietiging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning leiden. Het tweede middel is niet ernstig. 3.2.3.1. In een derde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 23, eerste lid en derde lid, 2/ en 4/ van de Grondwet, artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het voorzorgsbeginsel, “Doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vergunningverlenende overheid er in alle redelijkheid kan van uitgaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is doordat het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz dient te worden gerespecteerd en het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat. Terwijl art. 23 lid 1 GW bepaalt dat ieder recht heeft om een menswaardig leven te leiden, terwijl art. 23 lid 3.2/ bepaalt dat die rechten inzonderheid het recht op de bescherming van de gezondheid bevatten en terwijl art. 23 lid 3.4/ X-13.697-8/11 GW bepaalt dat die rechten inzonderheid het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu omvatten. En terwijl art. 1.2.1. § 1.2/ van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene beginselen inzake milieubeleid onder meer bepaalt dat het milieubeleid, ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties, de bescherming tegen verontreiniging van mens en milieu tot doel heeft, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven en terwijl art. 1.2.1. § 2 bepaalt dat het milieubeleid, op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten, streeft naar een hoog beschermingsniveau en onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt en terwijl art. 1.2.1. § 3. bepaalt dat de hiervoor bepaalde doelstellingen en beginselen in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden moeten worden geïntegreerd en dat bij de uitvoering van het beleid rekening wordt gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. En terwijl het voorzorgbeginsel vereist dat een overheid een correcte inschatting maakt van de effecten van de risico's die een bepaalde constructie met zich brengt opdat zij zou kunnen anticiperen op de mogelijke negatieve gevolgen en deze moet verbieden indien deze onaanvaardbare gevolgen zou hebben voor mens en/of milieu”. 3.2.3.2. Het bestreden besluit overweegt in verband met mogelijke risico’s voor de gezondheid dat “kan verwezen worden naar het Koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz dat door de federale overheid werd uitgevaardigd (, dat) dit Koninklijk besluit (...) gezondheidsnormen vast(legt) die 4 keer strenger zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en 200 keer strenger dan de effectieve risicogrens (zodat) het voorzorgsprincipe volledig (wordt) gerespecteerd (
  3. en)alle nieuwe en bestaande installaties (...) aan de normen van dit Koninklijk besluit (moeten) voldoen (, dat) het BIPT (...) tot taak (heeft) via metingen toe te zien op de naleving ervan (
  4. en)de vergunningverlenende overheid (...) er dan ook in alle redelijkheid (kan) van uit gaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat”. In zoverre gesteund op artikel 23 van de Grondwet, kan het middel op het eerste gezicht niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit, aangezien deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft. Luidens bedoeld artikel 23 moet het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu immers worden gewaarborgd door de wet of het decreet. X-13.697-9/11 Voorts en daargelaten de vraag of artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid rechtstreekse werking heeft, kan de overheid die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening wat betreft de beoordeling van de risico’s van een constructie voor de gezondheid waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt gevraagd op het eerste gezicht volstaan met een verwijzing naar de normering die is uitgevaardigd door de ter zake bevoegde overheid. Dienaangaande wordt in het bestreden besluit verwezen naar het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, dat door de federale overheid is uitgevaardigd en dat gezondheidsnormen vastlegt die vier keer strenger zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en 200 keer strenger dan de effectieve risicogrens. Aldus lijkt het voorzorgsprincipe te zijn gerespecteerd en heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het mogelijk gevaar voor de gezondheid van de omwonenden in de beoordeling van de aanvraag betrokken. Het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning stelt de vergunninghouder niet vrij van de naleving van de in voormeld koninklijk besluit vastgestelde normen. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State om de normering vastgesteld in dat koninklijk besluit, te toetsen aan de huidige stand van de wetenschap. Het middel is niet ernstig. 3.3. Er is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BELGACOM MOBILE in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-13.697-10/11 Artikel 2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. J. BOVIN. X-13.697-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.542 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.