← België

Arrest 181544 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 31/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.544 Rolnummer: A. 71790/IX-2112 Zaak: Arrest 181544 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 31/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 07:51 Fiche Arrest nr 181.544 van 31 maart 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.544 van 31 maart 2008 in de zaak A. 71.790/IX-

  1. In zake : Leo DE JONGH, wonende te DEURNE, Lakborslei 82 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leo DE JONGH op 26 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de BBI Antwerpen van 29 augustus 1996 waarbij na heroverweging geweigerd wordt inzage te verlenen in een dossier waarin zich een akkoord zou bevinden dat gesloten werd tussen het ABVV en de fiscus betreffende in het “zwart” uitbetaalde lonen en pensioenen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2008; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; IX-2112-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE SMET, die loco advocaat D. VAN BELLE verschijnt voor de verzoeker en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op 28 februari 1994 vordert de Procureur des Konings te Antwerpen een onderzoeksrechter tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek tegen de Bediendenbond Antwerpen (hierna: BBTK Antwerpen). Op 27 juli 1994 en 20 april 1995 verleent de Procureur-Generaal te Antwerpen aan de BBI Antwerpen de toelating tot inzage en kopiename van het gerechtsdossier op naam van BBTK Antwerpen, bekend bij het parket onder notitienummer F 1313/
  3. 1.
  4. Op 28 maart 1996 zendt de BBI Antwerpen aan de verzoekende partij berichten van wijziging van aangifte met betrekking tot de aanslagjaren 1989 tot en met 1994 in de personenbelasting. In die berichten van wijziging van aangifte wordt onder meer gesteld dat uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat de verzoekende partij bovenop een brugpensioen vergoedingen heeft ontvangen waarop geen bedrijfsvoor- heffing werd ingehouden en die door de verzoekende partij niet werden vermeld in de aangifte in de personenbelasting. 1.
  5. Bij brief van 24 april 1996 meldt de raadsman van de verzoekende partij aan de BBI Antwerpen dat de verzoekende partij niet akkoord gaat met de in de berichten van wijziging van aangifte vermelde taxaties. IX-2112-2/8 1.
  6. Eind juni wordt in enkele kranten bericht dat tussen het ABVV en de fiscus een akkoord werd gesloten waardoor voor 454 miljoen frank in het zwart uitbetaalde lonen en pensioenen worden belast. Op 6 augustus 1996 wordt in dat verband een parlementaire vraag gesteld waarop de minister van Financiën onder meer antwoordt dat de door de BBI uitgevoerde herzieningen slaan op de door het ABVV, het ACOD en een aantal andere centrales voor een totaal bedrag van 436 miljoen BEF uitbetaalde belastbare bezoldigingen en dat de aanslagen ten bedrage van in totaal 189 miljoen werden gevestigd met akkoord van de externe vertegenwoordigers van de voormelde belastingschuldigen en betrekking hebben op de aanslagjaren 1991 tot
  7. 1.
  8. Bij brief van 9 juli 1996 vraagt de raadsman van de verzoekende partij naar aanleiding van de bovenvermelde persberichten, aan de BBI Antwerpen of een akkoord werd gesloten omtrent belastingelementen die werden opgenomen in de aan zijn cliënt toegestuurde berichten van wijziging van aangifte en in bevestigend geval inzage te verlenen “van het integrale dossier dat op uw diensten omtrent de hiervoorvermelde aangelegenheid wordt gehouden”. 1.
  9. Bij aangetekende brief van 16 juli 1996 antwoordt de BBI Antwerpen dat ingevolge de door artikel 337 WIB '92 opgelegde plicht van geheimhouding op de vraag niet kan worden geantwoord en dat het verzoek om inzage overeenkomstig artikel 6, § 2, 1/, van de wet van 11 april 1994 niet kan worden ingewilligd. 1.
  10. Bij brief van 22 juli 1996 dient de raadsman van de verzoekende partij een verzoek tot heroverweging in bij de BBI Antwerpen en richt hij een vraag om advies tot de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten. 1.
  11. Bij brief van 20 augustus 1996 deelt de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten het volgende advies mee aan de BBI Antwerpen: IX-2112-3/8 “De commissie heeft over deze zaak op 2 augustus beraadslaagd. Zij is van mening dat uit de brieven van het advocatenkantoor blijkt dat de betrokken belastingplichtigen het voorwerp uitmaken van een strafonderzoek en dat de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 10 september 1996 moet beslissen of deze belastingplichtigen al dan niet voor de correctionele rechtbank zullen moeten verschijnen. Het geheim van het onderzoek verzet zich dan ook tegen de mededeling van de stukken van het strafdossier. In dit stadium kunnen de betrokkenen enkel de mededeling ervan vragen aan de Procureur-generaal of aan de Procureur des Konings die hiervoor machtiging heeft ontvangen. Wat de mededeling betreft van het akkoord dat tussen de werkgever van de belastingplichtigen en de fiscus werd gesloten, dient gesteld dat in zoverre de stukken geen deel uitmaken van een strafdossier, het beroepsgeheim – waartoe de ambtenaren van de fiscale administratie gehouden zijn – zich verzet tegen het openbaarmaken van fiscale documenten die derden aanbelangen, behalve in geval van uitdrukkelijke wettelijke uitzonderingen. De betrokkenen kunnen evenwel steeds de stukken opvragen bij de onderzoeksrechter of de raadkamer.” 1.
  12. Bij aangetekende brief van 29 augustus 1996 deelt de BBI Antwerpen aan de verzoeker in verband met zijn aanvraag tot heroverweging samengevat het volgende mee : - gelet op het beroepsgeheim bepaald in artikel 244 WIB (artikel 337 WIB '92) kan het al dan niet bestaan van het akkoord, noch bevestigd noch ontkend worden; - het belang om zich te verdedigen op strafrechtelijk vlak, is vreemd aan de openbaarheid van bestuur; - wanneer de inkohiering is gebeurd, kan een bezwaarschrift worden ingediend bij de gewestelijke directeur directe belastingen en bestaat mogelijkheid tot inzage van het taxatiedossier op grond van artikel 374, derde alinea, WIB '92); - artikel 6, § 2, 2/, van de wet van 11 april 1994 heeft een absoluut karakter zodat geen inzage kan worden verleend. 1.10 Op 17 september 1996 verwijst de Raadkamer de verzoeker door naar de correctionele rechtbank. 1.
  13. Bij aangetekende brief van 26 oktober 1996 wordt de nietigverklaring gevorderd van de beslissing van de BBI Antwerpen van 29 augustus 1996 waarbij na heroverweging het verzoek tot inzage wordt verworpen. 1.
  14. Eind 1996 worden in hoofde van de verzoeker en zijn echtgenote met betrekking tot de aanslagjaren 1989 tot en met 1994, aanvullende aanslagen gevestigd in de personenbelasting. Bij brief van 6 december 1996 wordt namens de IX-2112-4/8 verzoekende partijen tegen die aanslagen bezwaar ingediend bij de gewestelijke directeur directe belastingen Antwerpen. 1.
  15. Bij tussenvonnis van 23 oktober 1998 heeft de correctionele rechtbank te Antwerpen de strafzaak in hoofde van de verzoeker uitgesteld tot een einde wordt gesteld aan de fiscale betwistingen door een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de administratie der directe belastingen. Tegen dat tussenvonnis werd hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. 1.
  16. In een reactie op een vraag van de voorzitter van de Raad van State naar een stand van zaken in het dossier en naar het actueel belang van de verzoeker, wordt op 5 november 2007 geantwoord dat de fiscale betwisting nog steeds aanhangig is voor de burgerlijke rechter en dat de verzoeker nog steeds een belang heeft. Over de bevoegdheid van de Raad van State. 2.
  17. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij laat gelden dat de verzoekende partij bij de gewestelijke directeur, wiens beslissingen van jurisdictionele aard zijn, tegen de aanslagen bezwaar heeft ingediend. Voorts stelt zij vast dat de verzoeker strafrechtelijk vervolgd wordt. De verwerende partij meent dat het verzoek tot inzage van het ABVV-dossier ertoe strekt om documenten voor de fiscale rechter en de strafrechter te doen neerleggen waarvan deze rechters zelf de neerlegging kunnen bevelen. De verwerende partij voert aan dat noch uit de wet van 11 april 1994 noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat de door die wet georganiseerde procedure kan worden ingesteld bovenop de procedures welke toepasselijk zijn voor de fiscale rechter en de strafrechter. De verwerende partij besluit dan ook dat de Raad van State geen kennis kan nemen van onderhavig beroep op het gevaar af inbreuk te maken op de bevoegdheid van de fiscale en de strafrechter. 2.
  18. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat op het ogenblik dat het verzoekschrift werd ingediend, de betwisting zich in een puur administratief stadium bevond en geen enkele jurisdictie was gevat. De belastingadministratie had zelfs nog geen aanslagen gevestigd. De verzoeker had dan ook niet de mogelijkheid aan de fiscale rechter om inzage van het bewuste document te vragen aangezien hij nog geen aanslagen ontvangen had. De verzoeker IX-2112-5/8 stelt dat alleen in het kader van een hangende bezwaarprocedure de argumentatie van de verweerder kan opgaan. Hij stelt dat zijn enige mogelijkheid om inzage te krijgen erin bestond een verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen. Aangezien de bezwaarprocedure niet was ingeleid op het ogenblik dat de verzoeker zijn beroep instelde, had en heeft hij het recht om bescherming bij de Raad van State te zoeken. Het gegeven dat de administratie aangekondigd had dat er aanslagen zouden volgen doet volgens de verzoeker niet ter zake aangezien hij geen garantie had dat er daadwerkelijk aanslagen zouden gevestigd worden, noch op welk tijdstip dit zou gebeuren. Met betrekking tot de mogelijkheid om de overlegging van het bewuste document aan de strafrechter te vragen stelt de verzoeker dat hij reeds op 7 mei 1996, moment waarop hij voor de raadkamer diende te verschijnen, inzage kreeg in het strafdossier maar dat het document zich niet in het dossier bevond en dat het strafdossier dat de geadieerde strafrechter onder zich had, aldus geen oplossing kon bieden. Ook een vraag tot overlegging werd geweigerd daar “in de huidige stand van de procedure het al dan niet bestaan van een overeenkomst tussen verdachten en de fiscus van generlei belang is”. 2.
  19. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker in essentie dat uit de rechtspraak blijkt dat de gewestelijke directeur die over een bezwaarschrift uitspraak doet geen rechtsprekende handeling verricht. Hij meent dat de Raad van State in die interpretatie wel degelijk bevoegd is om over het onderhavig beroep te oordelen, temeer omdat hij zijn annulatieberoep heeft ingesteld op een moment waarop nog geen aanslagen waren gevestigd. 2.
  20. De verwerende partij repliceert in haar laatste memorie dat in elk geval de fiscale strafrechter gevat is zodat de zaak voor een rechtscollege van de rechterlijke orde aanhangig is. De verwerende partij meent dan ook dat de Raad van State niet langer bevoegd is wanneer er procedures lopende zijn waarvan de wettigheid beoordeeld wordt door rechtscolleges van de rechterlijke macht. De verwerende partij stelt dat het feit dat de procedure in casu is aangevat vooraleer de aanslag was gevestigd en de georganiseerde bezwaarprocedure werd aangevat, in de huidige stand van het geding niet langer relevant is. 2.
  21. De wijzen van openbaarmaking van bestuursdocumenten, geregeld bij de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur zijn niet van toepassing wanneer een zaak voor een rechtscollege wordt gebracht waarvan dat rechtscollege zelf de overlegging van die documenten kan bevelen. Indien de Raad van State met toepassing van artikel 8, § 2, vierde lid, van IX-2112-6/8 voormelde wet toch zou bevelen dat bepaalde stukken worden overgelegd, zou deze zich mengen in het verloop van een juridische procedure waarvan de wettigheid beoordeeld wordt door de rechtscolleges van de rechterlijke orde. Noch uit de wet van 11 april 1994, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat de bij die wet geregelde procedures een overlapping zouden zijn van de procedures die van toepassing zijn voor de rechtscolleges. De bevoegdheid van de Raad van State, hem verleend bij artikel 8, § 2, vierde lid van de wet van 11 april 1994 houdt dus op te bestaan op het ogenblik dat een rechtscollege wordt geadieerd dat zelf de neerlegging van documenten met inachtneming van de rechten van verdediging kan bevelen. Weliswaar bestaat er geen garantie dat de fiscale rechter en/of de strafrechter de neerlegging van deze stukken zal bevelen, maar tegen die beslissing bestaan beroeps- en cassatie-mogelijkheden. Het komt de Raad van State niet toe het risico van een mogelijke verwerping van het verzoek tot neerlegging of inzage te voorkomen. Het is dan ook niet relevant te betogen dat op het ogenblik dat een annulatieberoep werd ingesteld een ander rechtscollege nog niet was geadieerd. Te dezen kan worden vastgesteld dat de vraag van de verzoekende partij om heroverweging op 29 augustus 1996 werd afgewezen. Op 17 september 1996 werd de verzoeker door de raadkamer doorverwezen naar de correctionele rechtbank. De verzoeker heeft op 6 december 1996 bezwaarschriften ingediend. Deze bezwaarschriften werden blijkbaar verworpen, vermits de raadsman van verzoeker in zijn schrijven van 5 november 2007 meedeelt dat “de fiscale betwisting van cliënt nog steeds aanhangig is voor de burgerlijke rechter”. Dienvolgens is de exceptie van onbevoegdheid gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. IX-2112-7/8 Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. M.-R. BRACKE. IX-2112-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.