id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.546 Rolnummer: A. 163771/IX-4960 Zaak: Arrest 181546 - Personeel van de rechterlijke orde - 31/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:51 Fiche Arrest nr 181.546 van 31 maart 2008 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.546 van 31 maart 2008 in de zaak A. 163.771/IX-
- In zake : Jan VAN DEN BERGHE, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en K. LEUS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 99 tussenkomende partij : André SIMONS, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan VAN DEN BERGHE op 29 juni 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 31 mei 2005 waarbij André SIMONS aangewezen wordt tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde voor een mandaat van zeven jaar; Gelet op het arrest nr. 150.236 van 17 oktober 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 14 november 2005 door de verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 januari 2006; IX-4960-1/12 Gelet op de beschikking van 27 januari 2006 die de tussenkomst van André SIMONS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 25 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE SUTTER, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verzoeker, van advocaat K. LEUS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. DEVERS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker is bij koninklijk besluit van 10 oktober 1991 benoemd tot rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Voordien was hij gedurende zes jaar advocaat bij de balie te Oudenaarde. IX-4960-2/12 De verzoeker in tussenkomst is bij koninklijk besluit van 8 juli 1988 benoemd tot rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Bij koninklijk besluit van 4 augustus 1996 wordt hij er benoemd tot ondervoorzitter. Voordien was hij gedurende dertien jaar advocaat bij de balie te Gent en plaatsvervangend vrederechter sedert 7 oktober
- In het Belgisch Staatsblad van 29 september 2000 wordt de vacature bekendgemaakt van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Drie personen, waaronder de verzoeker en de tussenkomende partij, stellen zich kandidaat. Over de kandidatuur van de verzoeker worden de volgende adviezen gegeven : - De stafhouder van de balie te Gent geeft op 28 november 2000 advies over de verzoeker. Gelet op de beperkte kennis en informatie waarover hij beschikt, verwijst hij naar de adviezen van de korpschefs. - De voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent geeft op 4 december 2000 een zeer uitgebreid advies. Als bijlage wordt tevens een advies gevoegd van 4 december 2000 van de voorzitter van de tiende kamer van het Hof van Beroep te Gent, die in hoger beroep zaken van stedenbouw- en milieurecht behandelt. In deze adviezen worden de uitgebreide juridische kennis van de verzoeker, onder meer in milieuzaken, en zijn werklust en rechtgeaardheid geloofd. De verzoeker wordt echter ook beschreven als weinig soepel en te gedreven, voornamelijk bij de toepassing van de milieuwetgeving. - De waarnemend voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde geeft op 7 december 2000 een gunstig advies. In een brief van 20 december 2000 aan de minister van Justitie maakt de verzoeker een uitvoerige reeks opmerkingen bij de adviezen van de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent en de voorzitter van de tiende kamer van het Hof van Beroep te Gent. Over de kandidatuur van de tussenkomende partij worden de volgende adviezen gegeven : - De stafhouder van de balie te Oudenaarde geeft op 17 november 2000 een uitgebreid en zeer lovend advies. IX-4960-3/12 - De waarnemend voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde geeft op 22 november 2000 een zeer gunstig advies. Op 6 februari 2001 beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, na de kandidaten op die dag te hebben gehoord, om de tussenkomende partij voor te dragen. Die voordracht wordt aan de kandidaten meegedeeld. Met een brief van 13 februari 2001 meldt de verzoeker aan de minister van Justitie dat hij op de hoorzitting heeft vastgesteld dat niet alle leden van de benoemingscommissie kennis hadden van het advies van 7 december 2000 van de waarnemend voorzitter van de Rechtbank van Oudenaarde, en dat de benoemingscommissie evenmin kennis had van het uitgebreid dossier dat hij op 20 december 2000 samen met zijn opmerkingen had gezonden. Bij koninklijk besluit van 6 maart 2001 wordt de tussenkomende partij aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde voor een mandaat van zeven jaar. Bij arrest nr. 136.607 van 25 oktober 2004 wordt dit koninklijk besluit door de Raad van State vernietigd, op grond dat "niet blijkt, noch uit de motivering van de voordracht zelf, noch uit de gegevens van het dossier, dat de kandidaten getoetst werden aan het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13 van het Gerechtelijk Wetboek".
- Met een aangetekende brief van 24 maart 2005 vraagt de minister van Justitie aan de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie om een nieuwe voordracht te doen, op basis van de bestaande adviezen. Op 19 april 2005, na de verzoeker en de tussenkomende partij te hebben gehoord, draagt de benoemings- en aanwijzingscommissie de tussenkomende partij opnieuw voor tot het ambt van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. De ter zake relevante motivering van die voordracht luidt als volgt: “André Simons behaalde in 1974 het diploma van licentiaat in de rechten. Na zijn studie was hij 13 jaar advocaat. IX-4960-4/12 In 1983 werd hij benoemd tot plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het vierde kanton te Gent. Sedert 1988 is hij rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. In 1996 werd hij benoemd tot ondervoorzitter in deze rechtbank. De rechtbank van eerste aanleg is een relatief kleine rechtbank met een beperkte personeelsformatie. Uit de stukken van het voorliggende benoemingsdossier blijkt dat André Simons zeer goed vertrouwd is met alle aspecten van de werking van deze rechtbank en van het contentieux dat door deze rechtbank moet worden beoordeeld. André Simons krijgt over de hele lijn lovende adviezen. Uit deze adviezen blijkt dat André Simons over ruime leidinggevende capaciteiten beschikt, met zin voor diplomatie en relativeringsvermogen. In zijn realistisch en rationeel beleidsplan heeft André Simons niet enkel oog voor de middelen tot verbetering van de werking van en de rechtsbedeling door een rechtbank van eerste aanleg zoals deze te Oudenaarde, maar schenkt hij bovendien, als enige van de kandidaten, de nodige aandacht aan een aantal concrete problemen waaraan in deze rechtbank het hoofd zou moeten worden geboden. Daarnaast heeft hij in zijn beleidsplan ook oog voor een klantgerichte en kwaliteitsvolle openbare dienstverlening. Zijn beleidsplan getuigt aldus niet enkel van een duidelijke visie op de werking van een rechtbank van eerste aanleg, maar tevens van een duidelijk aanwezig omgevingsbewustzijn. Gelet op de kleine personeelsformatie dient de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde zijn ambt te combineren met de uitoefening van jurisdictionele taken. Uit de individuele adviezen blijkt dat André Simons een bekwaam magistraat is die tevens geschikt is om in alle materies zitting te houden. De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat André Simons ongetwijfeld in staat moet worden geacht om op een integere wijze en met visie de groepsgerichte leiding van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde op zich te nemen. Het dossier en de persoonlijkheid laten dan ook toe vast te stellen dat André Simons de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om de functie van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde met succes uit te oefenen. [...] Jan Van den Berghe kan bogen op zijn ruime relevante ervaring. In zijn beleidsplan heeft Jan Van den Berghe de nodige aandacht voor overleg en samenwerking, en toont hij aan dat hij beschikt over een duidelijke visie op de werking van een rechtbank van eerste aanleg als die van Oudenaarde. André Simons onderscheidt zich van deze kandidaat door zijn degelijker en realistischer beleidsplan waaruit een groter omgevingsbewustzijn blijkt dan uit het beleidsplan van Jan Van den Berghe. Bovendien bevat het dossier van Jan Van den Berghe een aantal opmerkingen over een mogelijk gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen. De door Jan Van den Berghe geformuleerde tegenargumenten kunnen de commissie niet volledig overtuigen, waardoor de commissie van oordeel is dat het profiel van André Simons in IX-4960-5/12 grotere mate aansluit bij het standaardprofiel voor een voorzitter [van de] rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Uit wat voorafgaat blijkt dat André Simons de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor deze vacante plaats.” Bij koninklijk besluit van 31 mei 2005 wordt de tussenkomende partij aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde voor een termijn van zeven jaar. Het besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging. De motivering van de voordracht van de benoemings- en aanwijzingscommissie wordt integraal overgenomen. Het genoemde besluit vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Onderzoek van het enig middel
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van : - het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald artikel 259quater, § 3, tweede lid, juncto artikel 259ter, § 4, eerste lid; artikel 259quater, § 3, tweede lid, juncto de artikelen 259ter, § 4, vierde lid, en 259quater, § 3, tweede lid, 4/; artikel 259quater, § 2, derde lid; artikel 259quater, § 3, tweede lid, juncto artikel 259ter, § 4, tiende lid; artikel 259quater, § 3, tweede lid, juncto artikel 259ter, § 5; - het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen; - de “standaardprofielen voor de functies van korpschef”, vastgesteld door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000 (B.S., 16 september 2000); - het adagium “patere legem quam ipse fecisti”; - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; - de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de materiële motiveringsverplichting. De verzoeker wijst erop dat het dossier dat door de minister van Justitie aan de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie werd overgemaakt onvolledig was, aangezien de bijlagen bij zijn brief van IX-4960-6/12 20 december 2000 aan de minister van Justitie niet aan de commissie werden meegedeeld. Volgens de verzoeker bestonden die bijlagen uit vier kaften, met de volgende inhoud: “- een bijlage met een overzicht van resultaten in hoger beroep tegen burgerlijke vonnissen (30 uitspraken werden in hoger beroep integraal bevestigd, 9 werden deels bevestigd, 11 werden hervormd waarvan 2 op juridische gronden en de overige op grond van een feitelijke appreciatie); - een bijlage met (straf)vonnissen (met vrijspraken); - een bijlage met o.a. de schriftelijke, individuele reacties van de collega’s- magistraten over de samenwerking met de verzoeker, die quasi unaniem positief zijn; en tevens van parketmagistraten, griffiepersoneel, boden, academici, advocaten; - een bijlage met strafvonnissen ter illustratie van de invulling van de motiveringsverplichting, van de uitgesproken effectieve gevangenisstraffen, van strafverzwaring en bevestiging in hoger beroep.” De verzoeker voert in de eerste plaats aan dat de voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie is gebeurd op basis van een onvolledig aanwijzingsdossier. In dit verband roept de verzoeker de schending in van de in het middel aangehaalde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, het koninklijk besluit van 15 maart 2000 en de door de Hoge Raad voor de Justitie vastgestelde standaardprofielen voor de functies van korpschef. Voorts voert de verzoeker aan dat in de voordracht en in het bestreden besluit wordt overwogen dat zijn dossier een aantal opmerkingen over een mogelijk gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen bevat, en dat de door hem geformuleerde tegenargumenten de benoemings- en aanwijzingscommissie niet volledig kunnen overtuigen, terwijl de commissie niet tot die conclusie kon komen zonder kennis van de inhoud van de bijlagen bij zijn brief van 20 december 2000, waarin de bedoelde tegenargumenten geformuleerd werden. De beslissing is derhalve gebaseerd op onvolledige feitelijke gegevens. In dit verband roept de verzoeker de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van het beginsel van de materiële motiveringsverplichting. 5.
- De verwerende partij werpt in de eerste plaats een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, in zoverre het is gesteund op het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien de verzoeker niet aangeeft in welk opzicht die rechtsregelen geschonden zouden zijn. IX-4960-7/12 5.
- Voorts voert de verwerende partij aan dat de verzoeker er ten onrechte van uitgaat dat zijn zogenaamd gebrek aan soepelheid het doorslaggevend motief zou zijn voor zijn niet-benoeming. Uit de motivering van de voordracht van de benoemingscommissie blijkt dat het beleidsplan van de verzoeker tot tussenkomst, de unaniem lovende adviezen die over hem zijn gegeven, en de omstandigheid dat zijn dossier en zijn persoonlijkheid aantonen dat hij over de nodige competenties beschikt om de opdracht van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde te vervullen, de eerste motieven vormen. Het is slechts in bijkomende orde dat iets wordt gezegd over een mogelijk gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen bij de verzoeker. In zoverre het middel is ontleend aan een vermeende schending van het recht van de verzoeker om opmerkingen te maken of van de hoorplicht, merkt de verwerende partij op dat die beginselen slechts van toepassing zijn wanneer ten opzichte van iemand een ernstige maatregel wordt genomen die wordt verantwoord door het persoonlijk gedrag van de betrokkene. De bestreden beslissing tot benoeming van een derde tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde kan niet als een dergelijke maatregel worden beschouwd. In zover het middel is ontleend aan de schending van de formele motiveringsplicht, volstaat de motivering dat de tussenkomende partij een degelijker en realistischer beleidsplan heeft ingediend waaruit een groter omgevingsbewustzijn blijkt om de bestreden beslissing te verantwoorden. Het zogenaamde gebrek aan soepelheid van verzoeker moet als een overtollig motief worden beschouwd, dat niet in aanmerking moet worden genomen om de wettigheid van de bestreden beslissing te verantwoorden. In elk geval vloeit uit de formele motiveringsplicht niet voort dat de verwerende partij ertoe gehouden zou zijn om in de motivering uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de bijlagen bij de brief van de verzoeker van 20 december
- Het ontbreken van bepaalde stukken heeft de inhoud van de voordracht van de benoemingscommissie en derhalve van de bestreden beslissing niet kunnen beïnvloeden. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat vooral het beleidsplan van de tussenkomende partij en met name het feit dat het gaat om een “degelijker en realistischer beleidsplan waaruit een groter omgevingsbewustzijn blijkt dan uit het beleidsplan van (de verzoeker)” de keuze voor de tussenkomende partij heeft verantwoord. Het gevolg daarvan is dat, zelfs indien de benoemings- en aanwijzingscommissie kennis zou hebben gehad van de bijlagen bij de door de IX-4960-8/12 verzoeker geformuleerde tegenargumenten en zelfs indien de commissie zich door die tegenargumenten zou hebben laten overtuigen, zij op grond van het beleidsplan nog steeds de voorkeur zou hebben gegeven aan de tussenkomende partij. Tenslotte, zelfs indien het vermeende gebrek aan soepelheid van de verzoeker wel als een doorslaggevend motief zou te beschouwen zijn, is het niet aannemelijk dat de bijlagen bij de brief van 20 december 2000 een invloed zouden hebben gehad op de voordracht van de benoemings- en aanwijzingscommissie en op de bestreden beslissing. De verzoeker blijft kennelijk in gebreke aan te tonen dat de beweerde ontbrekende stukken de beslissing van de commissie beïnvloed zouden hebben.
- De tussenkomende partij sluit zich in haar eerste memorie aan bij de argumentatie van de verwerende partij. In haar laatste memorie voert de tussenkomende partij aan dat het middel gericht is tegen een overtollig motief, en dat de verzoeker bijgevolg geen belang heeft bij het middel.
- In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie betwist de verzoeker dat het beweerde gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen als een overtollige of bijkomende reden beschouwd zou kunnen worden. De benoemings- en aanwijzingscommissie stelde immers vast, enerzijds, dat de tussenkomende partij een degelijker en realistischer beleidsplan had, en anderzijds, dat het profiel van de tussenkomende partij in grotere mate aansloot bij het standaardprofiel voor een voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, gelet op de opmerkingen over gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen van de verzoeker. Het tweede motief is geenszins ondergeschikt aan het eerste. De commissie kwam tot dit tweede motief omdat de tegenargumenten van de verzoeker haar niet overtuigden. Indien de ontbrekende stukken wel bij de bespreking waren betrokken, dan zouden de tegenargumenten van de verzoeker de commissie desgevallend wel hebben kunnen overtuigen en zou de commissie tot de conclusie zijn kunnen komen dat het profiel van de verzoeker in grotere mate aansloot bij het standaardprofiel voor een voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Er kan dus niet gesteld worden dat dezelfde beslissing zou zijn genomen indien de commissie de bijlagen bij de brief van 20 december 2000 had kunnen onderzoeken. IX-4960-9/12 Wat betreft het in ondergeschikte orde door de verwerende partij aangevoerde argument dat het niet aannemelijk is dat de bijlagen bij de brief van 20 december 2000 een invloed op de voordracht en dus de bestreden beslissing gehad zouden hebben, merkt de verzoeker op dat het de Raad van State niet toekomt om in de plaats van het bestuur te beoordelen welke invloed de bijlagen bij de voormelde brief op de uiteindelijke beslissing zouden hebben gehad.
- Wat betreft de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van gedeeltelijke onontvankelijkheid van het middel, moet vastgesteld worden dat de verzoeker inderdaad niet uiteenzet waarin de schending van de door de verwerende partij aangehaalde bepalingen en beginselen bestaat. De exceptie is dan ook gegrond. 9.
- Wat betreft de overige bepalingen en beginselen die in het middel worden ingeroepen, dient uitgegaan te worden van het feitelijk gegeven dat de verzoeker met een aangetekende brief van 20 december 2000 overeenkomstig artikel 259ter, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de minister van Justitie zijn opmerkingen heeft meegedeeld op het advies dat de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent op 4 december 2000 over zijn kandidatuur heeft uitgebracht. Uit de brief van 20 december 2000 blijkt dat daarbij vier kaften als bijlagen werden gevoegd. Door de verwerende partij wordt niet betwist dat die bijlagen niet aan de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie zijn medegedeeld. Uit artikel 259quater, § 3, tweede lid, juncto artikel 259ter, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de minister van Justitie voor elke kandidaat het aanwijzingsdossier aan de benoemings- en aanwijzingscommissie dient toe te zenden. Dit aanwijzingsdossier dient luidens artikel 259quater, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek onder meer “de schriftelijke adviezen [...] en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat” te bevatten. Op grond van die bepalingen dienden niet alleen de brief van de verzoeker van 20 december 2000, maar ook de bijlagen bij die brief aan de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie te worden medegedeeld. IX-4960-10/12 9.
- De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie steunt evenwel op de volgende overwegingen : “De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat André Simons ongetwijfeld in staat moet worden geacht om op een integere wijze en met visie de groepsgerichte leiding van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde op zich te nemen. Het dossier en de persoonlijkheid laten dan ook toe vast te stellen dat André Simons de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om de functie van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde met succes uit te oefenen. [...] Jan Van den Berghe kan bogen op zijn ruime relevante ervaring. In zijn beleidsplan heeft Jan Van den Berghe de nodige aandacht voor overleg en samenwerking, en toont hij aan dat hij beschikt over een duidelijke visie op de werking van een rechtbank van eerste aanleg als die van Oudenaarde. André Simons onderscheidt zich van deze kandidaat door zijn degelijker en realistischer beleidsplan waaruit een groter omgevingsbewustzijn blijkt dan uit het beleidsplan van Jan Van den Berghe. Bovendien bevat het dossier van Jan Van den Berghe een aantal opmerkingen over een mogelijk gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen. De door Jan Van den Berghe geformuleerde tegenargumenten kunnen de commissie niet volledig overtuigen, waardoor de commissie van oordeel is dat het profiel van André Simons in grotere mate aansluit bij het standaardprofiel voor een voorzitter [van de] rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Uit wat voorafgaat blijkt dat André Simons de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor deze vacante plaats.” Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat de benoemings- en aanwijzingscommissie op grond van twee redenen de voorkeur heeft gegeven aan de tussenkomende partij boven de verzoeker: in de eerste plaats op grond van het degelijker en realistischer beleidsplan van de tussenkomende partij, waaruit volgens de commissie een groter omgevingsbewustzijn blijkt dan uit het beleidsplan van de verzoeker, en in de tweede plaats (“bovendien”) op grond van een mogelijk gebrek aan soepelheid en aanpassingsvermogen van de verzoeker. Beide motieven kunnen de bestreden beslissing dragen. De in het middel ingeroepen grief blijkt enkel betrekking te hebben op het tweede motief, met name op de onvolledigheid van het dossier waarop de commissie haar beoordeling terzake steunt. De verzoeker rept daarentegen met geen woord over het eerste motief. Aldus blijkt het middel gericht te zijn tegen een ten overvloede gegeven reden van het bestreden besluit. IX-4960-11/12 In die omstandigheden kan de Raad van State niet anders dan vaststellen dat de in het middel aangevoerde grief, ook al zou ze gegrond zijn, niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. In dit opzicht is het middel dus eveneens onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4960-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.546 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.