← België

Arrêt / Arrest 181752 - Divers (étrangers) / Varia (vreemdelingen) - 04/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.752 Rolnummer: A. 134335/V-1720 Zaak: Arrêt / Arrest 181752 - Divers (étrangers) / Varia (vreemdelingen) - 04/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-29 07:52 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 181.752 van 4 april 2008 Vreemdelingen - Varia (vreemdelingen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.752 van 4 april 2008 in de zaak A. 134.335/V-1720 In zake : Sandrine TSHIMAMA KITENGE, die woonplaats kiest bij advocaat V. LURQUIN, kantoorhoudende te BRUSSEL, Gentsesteenweg 1206 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sandrine TSHIMAMA KITENGE, van Kongolese nationaliteit, op 4 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide aan verzoekster betekend op 5 februari 2003; Gelet op de beschikking van 8 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; V-1720-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 6 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN LUTSEM, die loco advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :

  1. De gegevens van de zaak Sandrine TSHIMAMA KITENGE, afkomstig uit de Democratische Republiek Kongo, is België binnengekomen op 31 maart 1998 en verklaarde zich op 6 april 1998 vluchteling. Op 18 december 2000 nam de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de beslissing tot weigering van de erkenning van hoedanigheid van vluchteling. Op 18 juni 2002 verwierp de Raad van State bij arrest nr. 107.938 het door verzoekster ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 18 december
  2. Op 11 januari 2002 diende verzoekster in de gemeente Merchtem een aanvraag in om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). V-1720-2/5 Op 27 januari 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering als volgt luidt: “MOTIEVEN: er wordt geen enkele uitzonderlijke omstandigheid aangevoerd. Immers, verzoekster steunt in haar verzoekschrift op het feit dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten is nadat zij een opleiding schoonmaken in een verpleeginrichting had genoten en een proeftijd had doorgemaakt. Het uitoefenen van een beroepsactiviteit was haar evenwel alleen toegestaan voor de duur van de ontvankelijkheid en het onderzoek ten gronde van haar asielaanvraag. Die aanvraag is evenwel uitgelopen op een beslissing d.d. 21.12.2000 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Daarenboven staat op de voorlopige arbeidsvergunning die van 21.12.2001 tot 20.12.2002 geldig was, duidelijk vermeld dat het document alle geldigheid verliest zodra haar de status van vluchteling wordt geweigerd, wat in casu op 21.12.2000 is gebeurd. Aldus wist verzoekster, toen zij op 06.12.2001 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ondertekende, dat zij zulks niet meer mocht doen, waardoor zij het nadeel dat ze aanvoert dus zelf veroorzaakt heeft. Overigens brengt het verkrijgen van een machtiging tot verblijf niet ipso facto enig recht op verblijf mee. De machtiging tot verblijf is immers een bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken en staat los van de procedure voor het verkrijgen van een arbeidsvergunning, waarvoor de gewestelijke minister van Werk bevoegd is. Bijgevolg staat de beslissing die de gewestelijke minister van Werk genomen heeft los van de beslissing die de minister van Binnenlandse Zaken zal nemen inzake de aanvraag van een machtiging tot verblijf (Raad van State, 26.03.1997, arrest nr. 65.666). Het bestaan van een arbeidsovereenkomst vormt dan ook geen uitzonderlijke omstandigheid waardoor een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst onmogelijk of moeilijk zou worden gemaakt, aangezien die overeenkomst niet op regelmatige wijze gesloten is en niet in overeenstemming is met een arbeidsvergunning die op regelmatige wijze door de bevoegde overheid is afgegeven (Raad van State, 02.12.2002, arrest nr. 113.416). Bijgevolg belet niets de betrokkene om zich te gedragen naar de geldende wetgeving inzake toegang tot, verblijf op en vestiging op het Belgische grondgebied, namelijk: de vereiste vergunningen afhalen bij de diplomatieke autoriteiten die bevoegd zijn voor de plaats van verblijf.(vertaling)”. Op 5 februari 2003 werd verzoekster tevens het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing die als volgt luidt: “Betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig art. 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft (wet 15/12/80 - art.7 al.1,2/)”. V-1720-3/5
  3. De procedure Verzoekster voert geen kritiek aan tegen de motieven van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op dit bevel.
  4. Ten gronde In de twee middelen voert verzoekster in essentie aan dat “de kwestieuze beslissing voor zijn motivatie verwijst naar een in bijlage toegevoegde beslissing, dewelke integraal in het Frans is opgesteld”, terwijl de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken voorschrijven dat de plaatselijke diensten uitsluitend de taal van hun gebied gebruiken voor hun betrekkingen met de particulieren. Wat de motiveringsplicht betreft verwijst verzoekster naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling. De verwerende partij, zijnde de minister van Binnenlandse Zaken, is geen plaatselijke, maar een centrale dienst, zodat artikel 41, § 1, van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken van toepassing is. Op grond van deze bepaling maken de centrale diensten voor hun betrekking met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster haar aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet in het Frans heeft ingediend, zodat de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken in het Frans moest worden genomen, zodat er te dezen geen schending is van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken en van de motiveringsverplichting. De middelen zijn niet gegrond. V-1720-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april 2008, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. V-1720-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.