id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.759 Rolnummer: A. 152898/IX-4566 Zaak: Arrest 181759 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 07/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:52 Fiche Arrest nr 181.759 van 7 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.759 van 7 april 2008 in de zaak A. 152.898/IX-
- In zake :
- de VZW CONFEDERATIE VAN IMMOBILIËNBEROEPEN VAN BELGIË - Vlaamse Gemeenschap (CIB Vlaamse Gemeenschap),
- Gustaaf BERGMANS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, thans minister van Zelfstandigen, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de CIB Vlaamse Gemeenschap VZW, eerste verzoekster, en Gustaaf BERGMANS, tweede verzoeker, op 18 juni 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 22 maart 2004 tot vaststelling van de procedure en de termijnen voor de Kamers van de Federale Raden en van de Federale Raden van Beroep van de landmeters- experten, zoals gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 19 april 2004; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4566-1/12 Gelet op de beschikking van 22 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Over de gegevens van de zaak. 1.
- Het beroep van landmeter-expert wordt geregeld door de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert. 1.
- Een afzonderlijke wet, van diezelfde datum, regelt de oprichting van federale raden van landmeters-experten, met name de Federale Raad van landmeters-experten en de Federale Raad van Beroep van landmeters-experten. De Federale Raad van landmeters-experten is onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige kamer die, luidens artikel 4 van die wet, tot taak hebben om uitspraak te doen over de aanvragen tot inschrijving op het tableau van de beoefenaars van het beroep dat zij bijhouden en elk jaar publiceren, ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze wet worden nageleefd en elke inbreuk aan te geven bij de gerechtelijke overheid, en, te waken over de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen. Daarnaast wordt, luidens artikel 14 van het bestreden besluit, aan de Raad bijkomend de bevoegdheid toegekend om uitspraak te doen over geschillen inzake erelonen. Tegen de beslissingen van de Kamers van de Federale Raad of tegen het uitblijven van een beslissing kan, luidens artikel 2 en artikel 5 van diezelfde wet, een beroep worden ingesteld bij de Federale Raad van beroep van landmeters-experten, die eveneens is onderverdeeld in een Nederlandstalige en Franstalige Kamer. De beslissing van de Federale Raad van beroep kan vervolgens voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. IX-4566-2/12 Voor wat betreft de inschrijvingen op het tableau van de titularissen kunnen de beslissingen van de Federale Raad van Beroep daarentegen worden aangevochten bij de Raad van State. Voorts bepaalt deze wet dat de procedure voor de Kamers van de Federale Raad en de Federale Raad van beroep, de termijnen, het huishoudelijk reglement en het bedrag van het presentiegeld dat wordt toegekend aan de voorzitters en aan de leden of assessoren die geen ambtenaar zijn, door de Koning dienen te worden vastgesteld. 1.
- Het bestreden koninklijk besluit van 22 maart 2004 tot vaststelling van de procedure en de termijnen voor de Kamers van de Federale Raden en van de Federale Raden van Beroep van de landmeters-experten geeft uitvoering aan deze laatste bepalingen.
- Over de ontvankelijkheid van de vordering. 2.1.
- In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij vooreerst het belang van de eerste verzoekster bij het ingestelde annulatieberoep. 2.1.
- In het auditoraatsverslag wordt geadviseerd om het beroep onontvankelijk te verklaren in hoofde van de eerste verzoekster. 2.1.
- In de laatste memorie van de verzoekende partijen wordt gevraagd te akteren dat de eerste verzoekster geen voortzetting van de procedure vraagt. Dit wordt gelijkgesteld met een vraag tot afstand van geding in hoofde van de eerste verzoekster. Er zijn geen redenen voorhanden die zich tegen de inwilliging van de afstand in hoofde van de eerste verzoekster verzetten. 2.2.
- De verwerende partij werpt eveneens op dat het beroep onontvan- kelijk dient te worden verklaard in zover het betrekking heeft op alle bepalingen van het bestreden besluit. 2.2.
- Aangaande de tweede exceptie van de verwerende partij, merkt de tweede verzoeker op dat het voor zich spreekt dat de vernietiging van een beperkt aantal bepalingen van het besluit de eenheid van het besluit ernstig zou aantasten. Op deze manier zou men een onsamenhangende tekst creëren die onmogelijk in het rechtsverkeer zou kunnen behouden blijven. De tweede verzoeker stelt dat bij vernietiging van een aantal bepalingen een volledige vernietiging van het besluit zich onvermijdelijk opdringt. IX-4566-3/12 2.2.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de middelen die de tweede verzoeker aanhaalt slechts betrekking hebben op enkele artikelen van het bestreden besluit, doch geenszins op het gehele besluit. In tegenstelling tot wat de tweede verzoeker voorhoudt zijn de door de middelen geviseerde bepalingen niet onlosmakelijk met de rest van het koninklijk besluit verbonden en zijn zij ervan afsplitsbaar. Zij bepalen immers niet mede de inhoud van het gedeelte van het besluit dat, na vernietiging van de bedoelde bepalingen, in het rechtsverkeer zou overblijven. Het beroep is dan ook slechts ontvankelijk voor wat betreft de artikelen 3, tweede lid, 7 en 14 van het koninklijk besluit van 22 maart
- Ten gronde. 3.1.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 6.
- van het E.V.R.M. en van de artikelen 148 en 149 van de Grondwet. Artikel 3 van het bestreden besluit bepaalt dat “de zittingen van de Raden niet openbaar zijn”, wat, volgens de tweede verzoeker, indruist tegen het vereiste van openbaarheid van de zitting en de uitspraak zoals vervat in artikel 6.
- van het E.V.R.M. Deze bepaling is volgens de tweede verzoeker van toepassing op de Raden die optreden als administratieve rechtbanken en een jurisdictionele functie waarnemen, waarbij de procedures moeten beschouwd worden als procedures inzake de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.
- van het E.V.R.M. De bestreden bepaling zou daarnaast ook de artikelen 148 en 149 van de Grondwet schenden, die bepalen dat de terechtzittingen van de Rechtbanken openbaar zijn en dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken. 3.1.
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij vooreerst dat er op traditionele wijze een zekere discretie wordt gehanteerd inzake de organisatie van tuchtprocedures die verenigbaar zou zijn met artikel 6.
- van het E.V.R.M. en de artikelen 148 en 149 van de Grondwet. Hoewel artikel 6.
- van het E.V.R.M. toepasselijk kan zijn inzake tuchtprocedures, zou dit niet het geval zijn bij betwistingen die slechts betrekking hebben op lichtere tuchtsancties en/of die niet doorslaggevend zijn voor de burgerlijke rechten omdat ze onder meer geen patrimoniale gevolgen hebben. Verder wijst de verwerende partij op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens en de Raad van State dat de vereisten van artikel 6.1 van het E.V.R.M. niet in elk stadium van de procedure moeten gegarandeerd worden, doch dat het volstaat dat deze garanties in de laatste aanleg worden geboden. Aangezien ter zake beroep mogelijk is bij het Hof van Cassatie of bij de Raad van State zou aldus voldaan zijn aan artikel 6.
- van het IX-4566-4/12 E.V.R.M. Daarnaast merkt de verwerende partij aangaande de openbaarheid van de uitspraken op dat deze niet toepasselijk zou zijn op alle rechtbanken en slechts een substantiële vormvereiste zou uitmaken wanneer dit uitdrukkelijk wordt voorge- schreven. In ondergeschikte orde, stelt de verwerende partij ten slotte dat voor zover de Raad van State dit middel gegrond zou bevinden, dit niet kan leiden tot de nietigverklaring van het besluit in zijn geheel. 3.1.
- In zijn memorie van wederantwoord betoogt de tweede verzoeker vooreerst dat de openbaarheid van de behandeling de regel is en dat de behandeling achter gesloten deuren slechts in uitzonderlijke gevallen en op uitdrukkelijke, vrijwillige en ondubbelzinnige vraag van de in het geding betrokken personen kan toegestaan worden. Bovendien zou het verweer van de verwerende partij uitsluitend betrekking hebben op tuchtzaken, terwijl de betrokken Raden eveneens bevoegd zijn voor de behandeling van administratieve dossiers zoals inschrijvingen, weglatingen, en dergelijke. Verder stelt de tweede verzoeker dat, aangezien de bepalingen van het bestreden besluit onderling verbonden zijn, een integrale nietigverklaring van het besluit te verkiezen is boven een gedeeltelijke vernietiging. 3.1.
- Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten is de wetgever ervan uitgegaan dat de Federale Raad en de Federale Raad van Beroep van landmeters- experten administratieve rechtscolleges zijn. (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2002-2003, nr. 50 - L 151/1, p. 1; inleidende uiteenzetting door de minister bevoegd inzake middenstand, verslag, Parl. St., Kamer, 2002-2003, nr. 50 - L 151/3, p. 4). De Federale Raad van landmeters-experten is bevoegd om uitspraak te doen over de aanvragen tot inschrijving op het tableau van de beoefenaars van het beroep, om ervoor te zorgen dat de bepalingen van de wet van 11 mei 2003 worden nageleefd en om elke inbreuk aan te geven bij de gerechtelijke overheid en om te waken over de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak te doen in tuchtzaken. Daarnaast werd aan de Raad bijkomend de bevoegdheid toegekend om uitspraak te doen over geschillen inzake erelonen. De Federale Raad van Beroep is bevoegd om uitspraak te doen over de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de kamers van de Federale Raad, of tegen het uitblijven ervan. De beslissing van de Federale Raad van beroep kan vervolgens voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorge- schreven vormen. Voor wat betreft de inschrijvingen op het tableau van de IX-4566-5/12 titularissen kunnen de beslissingen van de Federale Raad van Beroep daarentegen bij de Raad van State worden aangevochten. De artikelen 148 en 149 van de Grondwet zijn slechts van toepassing op de rechtbanken in de zin van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, met andere woorden op de vonnisgerechten van de rechterlijke macht. Zij zijn slechts van toepassing op administratieve rechtscolleges wanneer een bijzondere wetsbepaling dit voorziet. In casu is dergelijke bijzondere wetsbepaling niet voorhanden zodat de artikelen 148 en 149 van de Grondwet niet van toepassing zijn. Hoewel aldus blijkt dat de Federale Raden niet onderworpen zijn aan de verplichtingen inzake de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak overeenkomstig de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, dient alsnog onderzocht te worden of zij hiertoe gehouden zijn op grond van artikel 6.
- van het E.V.R.M. Daarbij dient met de tweede verzoeker vastgesteld te worden dat de geschillen waarover de Federale Raad en de Federale Raad van Beroep uitspraak doen, vallen onder het toepassingsgebied van artikel 6.1.van het E.V.R.M. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn geschillen in verband met de inschrijving van een kandidaat-beroepsbeoefenaar op een tableau immers geschillen over burgerlijke rechten, in de zin van artikel 6.
- van het E.V.R.M. Hetzelfde geldt voor tuchtprocedures die kunnen leiden tot een tijdelijk of definitief verlies van het recht om een vrij beroep uit te oefenen. Ook geschillen over het ereloon van de beoefenaar van een vrij beroep kunnen worden geacht geschillen over burgerlijke rechten te zijn. Wanneer de raden van beroep optreden als administratief rechtscolle- ge en er enkel een cassatievoorziening bij het Hof van Cassatie kan worden ingesteld, volstaat dit cassatieberoep niet om te voldoen aan de vereiste van openbaarheid bepaald in artikel 6.
- van het E.V.R.M. Bijgevolg is artikel 3, tweede lid, van het bestreden besluit, in de mate ook voor de aangelegenheden waarin enkel een cassatievoorziening mogelijk is, strijdig met artikel 6.
- van het E.V.R.M. Aangezien artikel 3, tweede lid, van het bestreden besluit, echter op algemene wijze en zonder onderscheid in functie van de aard van het geschil de openbaarheid van de zittingen uitsluit van zowel de Federale Raden als de Federale Raden van Beroep, schendt deze bepaling artikel 6.1.van het E.V.R.M. Het middel is gegrond. IX-4566-6/12 IX-4566-7/12 Zoals blijkt uit punt 2.2.3., is artikel 3, tweede lid, van het bestreden besluit niet onlosmakelijk met de rest van het koninklijk besluit verbonden en kan de gegrondheid van dit middel dus geen aanleiding geven tot een vernietiging van het gehele besluit. 3.2.
- In een tweede middel voert de tweede verzoeker een schending aan van artikel 838 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 7 van het bestreden besluit spreekt de Raad zich uit over het verzoek tot wraking van een lid van diezelfde Raad. Dit zou strijdig zijn met de in artikel 838 Ger.W. opgenomen algemene regel dat steeds een hogere instantie zich dient uit te spreken over de ingeroepen wraking. Overeenkomstig deze regel zou volgens de tweede verzoeker de Raad van Beroep zich dienen uit te spreken over de vraag tot wraking van een lid van de Federale Raad en het Hof van Cassatie over dergelijke vraag met betrekking tot een lid van de Raad van Beroep. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt dat de Federale Raden als administratieve instanties niet onderworpen zijn aan het Gerechtelijk wetboek en dat het beginsel geviseerd in artikel 838 Ger.W. evenmin een algemeen rechtsbeginsel is. Er zouden tal van procedures zijn waar dit beginsel niet geldt. 3.2.
- In zijn memorie van wederantwoord verwijst de tweede verzoeker naar een aantal arresten van het Hof van Cassatie, evenals naar een advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, waaruit zou blijken dat artikel 838 Ger.W. wel degelijk van toepassing is in tuchtprocedures en het in dit artikel neergelegde principe eveneens beschouwd kan worden als een algemeen rechtsbeginsel. 3.2.
- Reeds in een arrest van 12 november 1990, met rolnummer 7093, oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de op dat ogenblik geldende regeling vervat in artikel 838 Ger.W: “dat die regel, ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, ook geldt ten aanzien van een wraking van een lid van tuchtrechtelijke rechtscolleges”. Dit arrest werd door het Hof met betrekking tot de nieuwe regeling vervat in artikel 838 Ger.W. in het arrest van 21 mei 1999, met rolnummer C990163, als volgt bevestigd: IX-4566-8/12 “Overwegende dat ingevolge de wijziging aangebracht aan het Gerechtelijk Wetboek bij wet van 12 maart 1998 aan de regels over de wraking en inzonderheid aan artikel 838 van dat wetboek, de beoordeling van de wraking- gronden niet meer behoort aan de rechtsinstantie waarvan de leden gewraakt worden, maar aan de onmiddellijk hogere rechtsinstantie; Dat met die wetswijziging de vroegere bevoegdheidsregeling, krachtens welke het recht de wraking te beoordelen toekomt aan het rechtscollege waartoe het gewraakte lid behoort, werd opgeheven; dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever die wijziging beschouwde als een belangrijk element van het recht van verdediging; Dat die regeling tot gevolg heeft dat het uitvoeringsbesluit van de wet van 26 juni 1963 geen gelding meer kan hebben in zoverre het onbestaanbaar is met de algemene wettelijke regeling die ingevolge de wet van 12 maart 1998 toepasselijk wordt; Dat mitsdien het Hof bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot wraking van een lid van de raad van beroep van de Orde van architecten;” In het arrest van het Hof van Cassatie van 1 juni 2006, met rolnummer C050440, oordeelde het Hof in dezelfde zin voor wat betreft een evaluatieprocedure van een college van evaluatoren-magistraten: “De in het Gerechtelijk wetboek gestelde regels, inclusief die inzake de wraking vervat in de artikelen 828 en volgende, zijn krachtens artikel 2 van hetzelfde wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. De evaluatie van de magistraten moet worden aangemerkt als een rechtspleging in de zin van voormeld artikel
- Deze rechtspleging wordt niet geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbe- ginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. De appelrechters konden op grond van de door hen aangehaalde redenen niet beslissen dat de regels in zake wraking bedoeld in de artikelen 828 tot 847 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn op de evaluatie van magistraten.” In verband met het toepassingsgebied van artikel 838 van het Gerechtelijk Wetboek, stelde de Raad van State, afdeling wetgeving, in zijn advies nr. 37217/3 van 8 juni 2004, bovendien het volgende: “Artikel 838 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat over de wraking uitspraak wordt gedaan door de rechtbank van eerste aanleg, door het hof van beroep, door het arbeidshof of door het Hof van Cassatie, naargelang van het geval, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen. Ingevolge de wijziging aangebracht in artikel 838 van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 12 maart 1998, behoort de beoordeling van wrakings- gronden niet meer aan de rechtsinstantie waarvan de leden gewraakt worden, maar wel aan de onmiddellijk hogere rechtsinstantie. Die bepaling, die de IX-4566-9/12 wetgever beschouwt als een belangrijk element van het recht van verdediging, heeft een algemene strekking en is, overeenkomstig artikel 2 van het Gerechte- lijk Wetboek, in beginsel toepasselijk op alle tuchtrechtsplegingen van jurisdictionele aard . (...) Indien de stellers van het ontwerp van deze regeling wensen af te wijken, is een optreden van de wetgever vereist. Zo zou geopteerd kunnen worden voor een regeling als vervat in de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten. In deze wet is de wetgever afgeweken van de gemeenrechtelijke wrakingsprocedure en heeft hij bepaald dat over de wraking wordt beslist door de tuchtcommissie zelf, in een andere samenstelling.” Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 838 Ger.W. krachtens artikel 2 van hetzelfde wetboek eveneens van toepassing is op de rechtsplegingen die gevoerd worden voor de Federale Raden en de Federale Raden van Beroep van landmeters-experten, behoudens indien een uitdrukkelijke wetsbepaling hiervan zou afwijken. Noch in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, noch in de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van de federale raden van landmeters-experten is dergelijke afwijkende wettelijke regeling voorzien. Artikel 7 van het bestreden besluit schendt dan ook artikel 838 Ger.W. en het erin vervatte beginsel in de mate het ook de rechtspleging regelt van de Federale Raden en de Federale Raden van Beroep zetelend als administratief rechtscollege. Het middel is gegrond. Ook hier dient vastgesteld te worden dat artikel 7 van het bestreden besluit niet onlosmakelijk met de rest van het koninklijk besluit verbonden is en dat de gegrondheid van dit middel dus geen aanleiding kan geven tot een vernietiging van het gehele besluit. 3.3.
- In een derde middel beroept de tweede verzoeker zich op machtsoverschrijding en een schending van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een rechter onpartijdig moet zijn. Inzonderheid zou uit artikel 14 van het bestreden besluit kunnen worden afgeleid dat de Voorzitter van de Federale Raad reeds een standpunt inneemt wanneer hij een verslaggever aanduidt. De mogelijk- heid om een verslaggever aan te duiden en dus ook om geen gevolg te geven aan de klacht, zou verder gaan dan een loutere onderzoeksmaatregel. Doordat de voorzitter nadien toch deelneemt aan de beraadslaging, zou voormeld algemeen rechtsbeginsel zijn geschonden. IX-4566-10/12 3.3.
- De verwerende partij antwoordt dat de loutere omstandigheid dat de voorzitter een werkend of plaatsvervangend lid kan aanduiden niet betekent dat de voorzitter aan het onderzoek deelneemt, doch louter zal beslissen of de klacht, de inlichting of het geschil al dan niet vatbaar is voor verder onderzoek. De argumenta- tie van de verzoeker zou voorts irrelevant zijn, omdat zij slechts betrekking heeft op de louter theoretische hypothese dat de voorzitter geen gevolg zou geven aan de klacht, de inlichting of het geschil. Hoe dan ook zou dit in dat laatste geval uitsluitend kunnen gebeuren bij met reden omklede beslissing die vatbaar is voor beroep bij de Federale Raad voor Beroep. Aldus zou de onpartijdigheid hoe dan ook gewaarborgd zijn. 3.3.
- In de memorie van wederantwoord repliceert de tweede verzoeker vooreerst dat de beslissing omtrent een verder onderzoek of niet wel degelijk een belangrijke appreciatie inhoudt in hoofde van de voorzitter die zijn onpartijdigheid in een later stadium onmogelijk maakt. Verder volstaat het feit dat er alsnog een beroep openstaat bij de Federale Raad van Beroep volgens de verzoeker niet, aangezien de rechten van verdediging zouden voorzien in een dubbele aanleg. 3.3.
- Artikel 14 van het bestreden besluit luidt als volgt: “De voorzitter van de Federale Raad, ingelicht over een tekortkoming of bij wie een klacht in tuchtzaken of een geschil inzake erelonen aanhangig is gemaakt, kan een werkend of plaatsvervangend lid van de Raad aanwijzen om de zaak te onderzoeken. Dat lid brengt verslag uit aan de voorzitter. De verslaggever kan worden gehoord door de Raad; hij neemt niet deel aan de beraadslagingen.” Het loutere feit dat de voorzitter een werkend of plaatsvervangend lid van de Raad kan aanwijzen om de zaak te onderzoeken, impliceert niet dat de voorzitter als dusdanig met het onderzoek wordt belast. Doordat artikel 14 uitdrukkelijk voorziet dat de verslaggever die met het onderzoek belast is geweest, niet deelneemt aan de beraadslagingen, wordt voldaan aan het vereiste van onpartijdigheid. Er is terzake dan ook geen sprake van een cumul van verschillende functies binnen een tuchtprocedure. Bovendien is het niet de voorzitter, doch wel de Federale Raad van landmeters-experten die een uitspraak zal doen, ook over het eventueel geen gevolg geven aan een bepaalde klacht. Het middel is ongegrond. IX-4566-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De afstand van het geding in hoofde van de eerste verzoekster wordt ingewilligd. Artikel
- Vernietigd worden de artikelen 3, tweede lid, en 7 van het koninklijk besluit van 22 maart 2004 tot vaststelling van de procedure en de termijnen voor de Kamers van de Federale Raden en van de Federale Raden van Beroep van de landmeters-experten. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS staatsraad, P. LEFRANC staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4566-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.759 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.