id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.760 Rolnummer: A. 132489/IX-3688 Zaak: Arrest 181760 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 07/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:52 Fiche Arrest nr 181.760 van 7 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.760 van 7 april 2008 in de zaak A. 132.489/IX-
- In zake : Axel ROSEEUW, die woonplaats kiest bij advocaat F. WILMET, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 149 bus 16 tegen : de Erkenningsraad voor Effectenmakelaars, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. LEROY, kantoor houdende te GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Axel ROSEEUW op 30 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de erkenningsraad voor effectenmakelaars van 15 januari 2003 waarbij hij met ingang van 2 oktober 2002 geschrapt wordt van de lijst der effectenmakelaars; Gelet op het arrest nr. 119.870 van 26 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 26 juni 2003 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; IX-3688-1/11 Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. MEESSEMAN, die loco advocaat F. WILMET verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat C. BEYAERT, die loco advocaat Ph. LEROY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Over de gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker was gedelegeerd bestuurder van de beursvennoot- schap NV Axel ROSEEUW & C/. Naar aanleiding van een fiscale controle en een bijzonder onderzoek van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (hierna: CBF) (thans: Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen) worden begin 2000 een aantal ongewone verrichtingen vastgesteld van de beursvennootschap met een buitenlandse wederpartij. Door het CBF wordt op 22 mei 2000 een bijzondere commissaris aangesteld en wordt de beursvennootschap verzocht om binnen een bepaalde termijn nieuwe bestuurders en aandeelhouders voor te stellen. Op 23 mei 2000 keurt de CBF de overdracht van het cliënteel van de beursvennootschap NV Axel ROSEEUW & C/ aan de beursvennootschap BVBA Leo STEVENS & Cie IX-3688-2/11 goed. Op 31 mei 2000 herroept de CBF de vergunning van de beursvennootschap van de NV AXEL ROSEEUW & C/. Op 13 juni 2000 schrapt de marktautoriteit van Brussels Exchanges de beursvennootschap NV Axel ROSEEUW & C/ als lid van de markten. De NV Axel ROSEEUW & C/ wordt ontbonden en op 27 december 2001 wordt de vereffening gesloten. 1.
- Op 20 augustus 2001 beslist de erkenningsraad voor effectenma- kelaars op grond van de artikelen 2, 17, 27 en volgende van het reglement van de erkenningsraad voor effectenmakelaars, om verzoekers titel van effectenmakelaar met ingang van 31 mei 2000 voor vijf jaar te schorsen. 1.
- Op 17 september 2001 beslist de erkenningsraad om de verzoeker op 17 oktober 2001 op te roepen en om eventueel na dat verhoor over te gaan tot zijn schrapping als effectenmakelaar. Bij brief van 19 september 2001 wordt de verzoeker zonder vermelding van de agenda uitgenodigd om zich op 17 oktober 2001 aan te bieden bij de erkenningsraad. In een brief van 9 oktober 2001 antwoordt de verzoeker dat hij aanwezig zal zijn maar dat hij wenst te vernemen wat besproken zal worden. Tevens vraagt hij inzage in het dossier. Bij brief van 12 oktober 2001 deelt de erkenningsraad mee dat de leden van die raad “het niet nuttig achten u de punten mee te delen die op uw verhoor aan bod zullen komen.” 1.
- Wegens allerlei redenen wordt het verhoor door de erkenningsraad uitgesteld naar respectievelijk 7 november 2001 en 27 november 2001, en ten slotte onbepaald. 1.
- Intussen heeft de voorzitter van de erkenningsraad in een brief van 15 november 2001 aan de voorzitter van de CBF gevraagd of de verzoeker nog de vereiste professionele betrouwbaarheid geniet en of de CBF over informatie beschikt die het dragen van de titel van effectenmakelaar aantast. IX-3688-3/11 Bij brief van 13 december 2001 antwoordt de voorzitter van de CBF dat om redenen van beroepsgeheim aan het verzoek om informatie geen gevolg kan worden gegeven. 1.
- Op 21 februari 2002 meldt de erkenningsraad aan de verzoeker dat de raad inzage wenst te hebben “in de briefwisseling die ontstaan is, ter gelegenheid van de stopzetting van (zijn) beursvennootschap, tussen hem(zelf) en de Commissie voor Bank- en Financiewezen, de fiscus en de bedrijfsrevisoren”. Bij brief van 22 maart 2002 herinnert de erkenningsraad aan zijn vraag van 21 februari 2002 en vraagt hij de bedoelde briefwisseling uiterlijk op 12 april 2002 over te maken. In een brief van 28 maart 2002 antwoorden de raadslieden van de verzoeker dat het “voorbarig” lijkt de briefwisseling tussen de beursvennootschap ROSEEUW & C/ en derden ter beschikking te stellen “zonder enige verdere precisering en zonder de beweegredenen te kennen van zulk ongewoon verzoek” en dat die communicatie slechts kan plaatsvinden mits eerbiediging van de rechten en belangen van de verzoeker. Op 6 mei 2002 schrijft de erkenningsraad het volgende aan de raadslieden van de verzoeker: “In antwoord op uw brief van 28 maart 2002 heb ik de eer u te laten weten wat volgt. Uw aandacht dient te worden gevestigd op twee bepalingen van het Reglement van de Erkenningsraad voor effectenmakelaars, goedgekeurd door het ministerieel besluit van 19 juni 2001:
- De Erkenningsraad is belast met ‘de titel van effectenmakelaar terug in te trekken of te schorsen, overeenkomstig het huidige Reglement, als de toekenningsvoorwaarden of behoudsvoorwaarden, voorzien in het huidige Reglement, niet meer vervuld zijn.’ (art. 2§2)
- ‘Het behoud van de titel van effectenmakelaar is onderworpen aan de voorwaarden die in artikel 12 en 17 van het huidige Reglement worden opgesomd en aan de verplichting de titel op eerbare wijze te dragen (art. 27).’ Momenteel is er een schrappingsprocedure aan de gang tegen de heer Axel Roseeuw. Deze procedure berust op een uittreksel van het jaarverslag 1999/2000 van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (Zie blz. 62 in bijlage). De Erkenningsraad is de mening toegedaan dat wat beschreven is een schending van het eerbare dragen van de titel inhoudt. Omwille van die redenen, lijkt het de Erkenningsraad aangewezen om over de volledige briefwisseling, tussen de Heer Roseeuw, de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, de Fiscus en de Bedrijfsrevisoren te beschikken om IX-3688-4/11 met kennis van zaken, een beslissing hierover, overeenkomstig zijn opdracht en het hierboven vermelde Reglement, - te nemen.” Als bijlage wordt volgende passus uit het Jaarverslag 1999-2000 van de CBF bij de brief gevoegd : “In een tweede dossier informeerde de commissaris-revisor van een beleggingsonderneming de Commissie over een aantal ongewone verrichtingen van de onderneming met een buitenlandse wederpartij. Na omstandige controles bleek het om fictieve transacties te gaan, die een bestuurder van de beleggings- onderneming had opgezet, onder meer in het kader van het fiscaal beheer van zijn patrimonium. Kort nadien stelde de revisor ook vast dat gelijkaardige verrichtingen uitgevoerd in het vorige boekjaar uit de boekhouding waren verwijderd. Aangezien het vertrouwen in de leiding van de vennootschap, die ook de controle erover uitoefende, door deze vaststellingen was ondermijnd, besliste de Commissie om met onmiddellijke ingang een bijzonder commissaris aan te stellen, aan wiens toestemming alle handelingen en beslissingen van de bestuursorganen moesten worden onderworpen. Tevens gaf zij de onderneming een korte termijn om nieuwe leiders en aandeelhouders voor te stellen. Nog vóór het verstrijken van bedoelde termijn besloot de onderneming haar activiteiten stop te zetten en stelde zij voor de cliënteel over te dragen aan een andere bemiddelaar. De Commissie stemde daarmee in en schortte met dit doel het bedrijf van de vennootschap op, met uitzondering van de verrichtingen die nodig waren voor de ordentelijke afwikkeling van de lopende verrichtingen en voor de overdracht van de cliënteel, waarna de vergunning definitief werd herroepen.” 1.
- In een brief van 10 juni 2002 wijst de erkenningsraad er de verzoeker op dat hij nagelaten heeft de gevraagde briefwisseling over te maken vóór 12 april 2002 en vraagt hij dat de verzoeker zich op 25 juni 2002 zou aanmelden met de bedoelde briefwisseling. De raadslieden van de verzoeker schrijven in een brief van 21 juni 2002 aan de erkenningsraad dat de zitting van 25 juni 2002 “voortijdig” is en dat de verzoeker zich niet zal aanmelden. Zij betogen dat de schrappingsprocedure die tegen de verzoeker werd ingezet onwettig is omdat het reglement van de erkennings- raad ratione temporis niet toepasselijk is en omdat de rechten van de verdediging op verschillende punten niet gerespecteerd werden. 1.
- Op 25 juni 2002 beslist de erkenningsraad dat, indien na een nieuwe uitnodiging de briefwisseling niet binnen de acht dagen aan het secretariaat van de erkenningsraad wordt overgemaakt, hij zal overgaan tot de intrekking van verzoekers titel van effectenmakelaar. Die beslissing wordt aan de verzoeker meegedeeld bij brief van 3 juli
- IX-3688-5/11 Bij brief van 11 juli 2002 maken de raadslieden van de verzoeker een aantal documenten over aan de erkenningsraad. Zij vragen een antwoord op de argumenten ingeroepen in hun brief van 21 juni 2002 en verklaren zich bereid voor de erkenningsraad te verschijnen. Tijdens zijn vergadering van 18 september 2002 stelt de erkenningsraad vast dat de overgemaakte stukken onvolledig zijn. Beslist wordt een laatste bijkomende termijn van acht dagen te verlenen om de gevraagde briefwisse- ling volledig over te maken. Die beslissing wordt meegedeeld bij brief van 23 september
- In een brief van 30 september 2002 antwoorden de raadslieden van de verzoeker aan de erkenningsraad hetgeen volgt: “Onze cliënte is bereid U inlichtingen te verschaffen maar deze communica- tie kan slechts plaatsvinden mits eerbiediging van de rechten en belangen van onze cliënt. Wij beschouwen dat de procedure voor de Erkenningsraad onregelmatig is aangezien onze cliënt niet in kennis wordt gesteld van de feiten die hem ten laste worden gelegd en geen inzage heeft gekregen van de stukken van het dossier. Ons standpunt en de juridische grondslag ervan werden reeds toegelicht in ons schrijven van 21 juni
- Vanzelfsprekend zijn wij bereid vóór de Erkenningsraad te verschijnen om het standpunt van onze cliënt hieromtrent verder uiteen te zetten. Onze cliënt verzaakt op geen enkele wijze aan zijn recht om door de Erkenningsraad gehoord te worden indien deze laatste oordeelt dat de tuchtprocedure ingediend tegen hem verdergezet moet worden. Wij verzoeken U tevens ons een kopie te versturen van de notulen van de zitting van de Erkenningsraad gehouden op 18 september 2002 en van alle andere zittingen waarin onze cliënt betrokken werd. Wij richten een kopie van onderhavig schrijven tot de Regeringscommisaris, de heer Marc Monbaliu.” 1.
- Artikel 75 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten treedt op 1 november 2002 in werking. Daarom vraagt de erkenningsraad in een brief van 18 november 2002 opnieuw aan de CBF of de verzoeker, bestuurder van de vroegere beursvennoot- schap Axel ROSEEUW & C/, nog genoot van de hoedanigheid “fit and proper” en of zij informatie bezat die het eervol dragen van de titel van effectenmakelaar zou kunnen aantasten. IX-3688-6/11 In een brief van 24 december 2002 verstrekt de CBF precieze inlichtingen aan de erkenningsraad. Er wordt onder meer gewag gemaakt van enkele bijzondere transacties en van onregelmatigheden in de boekhouding van de beursvennootschap Axel ROSEEUW & C/. 1.
- Bij aangetekende brief van 15 januari 2003 deelt de voorzitter van de erkenningsraad aan de verzoeker mee dat voornoemde raad op 15 januari 2003 beslist heeft hem vanaf 2 oktober 2002 te schrappen van de lijst der effectenmake- laars. In die brief wordt volgende motivering opgegeven voor de beslissing tot schrapping : “Het spijt mij u te laten weten dat de Erkenningsraad van effectenmakelaars, - gelet op zijn Reglement, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 19 juni 2001, met name artikel 2§2 dat stelt dat de Erkenningsraad ‘is belast met de titel van effectenmakelaar terug in te trekken of te schorsen, overeenkomstig het huidig Reglement, als de toekenningsvoorwaarden voorzien in het huidige Reglement niet meer vervuld zijn’ en artikel 27 dat stelt dat ‘het behoud van de titel van effectenmakelaar is onderworpen aan de voorwaarden die in de artikelen 12 en 17 van het huidige Reglement worden opgesomd en aan de verplichting de titel op eerbare wijze te dragen’; - gelet op het feit dat de passage uit het verslag 1999-2000 van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, met de beschrijving van de omstandigheden waarin de vennootschap Axel Roseeuw en Co de intrekking van haar vergunning heeft gevraagd, voldoende ernstige feiten bevat die de stelling rechtvaardigen dat het eerbaar dragen van de titel van effectenmakelaar ernstig is aangetast; - gelet op de taak van de Erkenningsraad, diende de eventuele weerslag van de beslissing van de CBF op het dragen van uw titel van effectenmakelaar te worden beoordeeld; - gelet op het feit dat u deze passage niet heeft betwist; dat in kader van de voorstelling van de feiten tegenstrijdigheden met die passage aan het licht zijn gekomen, en de Erkenningsraad zich vragen stelde over, meer bepaald, uw relaties met de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, de revisor en de fiscale administraties; - gelet op het feit dat u niet bent verschenen voor de raad, dat u overigens in een eerste tijd geweigerd heeft de gevraagde stukken te overhandigen, u er vervolgens bent op ingegaan, maar volgens de raad slechts gedeeltelijk gelet op het feit dat er geen enkele verwijzing is naar de in het verslag van de CBF aangehaalde grieven, met als gevolg de raad opzettelijk een onvolledig zicht te geven op het dossier; - gelet op het feit dat de Erkenningsraad de mening is toegedaan dat uw verweerrechten, in tegenstelling tot hetgeen beweerd werd door uw raadslieden en overeenkomstig hetgeen hen werd geantwoord op 3 juli 2002, niet IX-3688-7/11 geschonden werden, gelet op het feit dat u werd uitgenodigd enerzijds op een verhoor waarop u mondeling toelichting kon komen verschaffen en waarop u niet verschenen bent, en anderzijds alle stukken te bezorgen die deze zaak konden ophelderen, wat u, volgens de Raad, slechts gedeeltelijk heeft gedaan; - gelet op het feit dat er geen gevolg werd gegeven aan de verschillende termijnen die de Raad u heeft toegestaan om de documenten te bezorgen; - gelet op de door de CBF verstrekte informatie, in uitvoering van artikel 75, §1, 15/ van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, dat in werking is getreden bij koninklijk besluit van 29 oktober 2002; in zijn vergadering van 15 januari 2003 heeft beslist u te schrappen van de lijst der effectenmakelaars vanaf 2 oktober 2002.” Dit is de bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van het beroep 2.
- De verzoeker voert een eerste middel aan waarin hij in het derde onderdeel ondermeer de schending aanvoert van het recht om gehoord te worden. Het recht om gehoord te worden, alvorens de bestreden beslissing wordt genomen baseert de verzoeker op artikel 29, § 2, van het reglement van de erkenningsraad voor effectenmakelaars, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 19 juni
- Dit artikel luidt als volgt : “Geen enkele disciplinaire sanctie mag opgelegd worden zonder dat de effectenmakelaar of zijn vertegenwoordiger is gehoord of ten minste regelmatig werd opgeroepen met een bij ter post aangetekende brief of met een brief met ontvangstbewijs. De betrokkene kan zich laten bijstaan door een effectenmake- laar of een advocaat.” De verzoeker stelt meer algemeen dat degene tegen wie een maatregel wordt overwogen die hem nadeel berokkent en die gesteund is op een gegeven dat hem als tekortkoming wordt aangerekend, vooraf in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn standpunt ter zake naar voren te brengen. Van deze verplichting kan slechts worden afgeweken indien de voorgenomen maatregel overwogen wordt op grond van een feit dat voor directe, eenvoudige vaststelling door de overheid vatbaar is, wanneer de noodzaak bestaat om snel op te treden of wanneer diegene tegen wie de maatregel overwogen wordt niet binnen een redelijke termijn bereikt kan worden. In beginsel kan tegen niemand een ernstige maatregel IX-3688-8/11 worden genomen zonder dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt naar voor te brengen. De verzoeker zet ter zake uiteen dat hij op 20 augustus 2001 gehoord werd, waarna hij geschorst werd als effectenmakelaar. Vervolgens werd hij opgeroepen voor hoorzittingen op 17 oktober, 7 en 27 november
- Elk van deze vergaderingen werd echter om verschillende redenen uitgesteld. Toen de verzoeker bij brief van 9 oktober 2001 vroeg om op de hoogte gesteld te worden van de agendapunten van de vergadering werd hem dit geweigerd. Op 9 oktober 2001 wenste de verzoeker opnieuw op de hoogte te worden gesteld van de reden van zijn oproeping voor de erkenningsraad, wat hem op 12 oktober 2001 geweigerd werd. Op 10 juni 2002 werd de verzoeker opnieuw uitgenodigd om zich op dinsdag 25 juni 2002 te melden. Bij brief van 21 juni 2002 hebben zijn raadslieden, de erkenningsraad laten weten dat de verzoeker niet aanwezig kon zijn omdat de brief van de raadsman van 28 maart 2002 pas voor het eerst door de raad beantwoord werd op 6 mei
- Deze brief wordt door de erkenningsraad beantwoord op 3 juli 2002, zonder dat een nieuwe datum voor een hoorzitting wordt vastgesteld. Bij brief van 11 juli 2002 laten de advocaten van de verzoeker de erkenningsraad weten dat de verzoeker bereid is op een hoorzitting te verschijnen vanaf half september
- De erkenningsraad organiseert geen nieuwe hoorzitting. Bij brief van 30 september 2002 geven de raadslieden van de verzoeker nogmaals diens bereidheid te kennen om door de erkenningsraad gehoord te worden. De erkenningsraad heeft de inhoud van deze brief evenwel naast zich neergelegd daar zij de verzoeker niet meer opriep en op 15 januari 2003 de bestreden beslissing nam. 2.
- Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 29, § 2, van het reglement antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker tijdig en rechtsgeldig werd opgeroepen om gehoord te worden zodat wel degelijk een disciplinaire sanctie op grond van artikel 29, § 2, van het reglement kon worden opgelegd. Zij betoogt dat de verzoeker bij aangetekend schrijven op 19 september 2001 verzocht werd om zich op 17 oktober 2001 te willen aanbieden. Bij schrijven van 15 oktober 2001 liet de erkenningsraad echter weten dat het verhoor werd uitgesteld tot op een nader te bepalen datum. Bij brief van dezelfde dag werd de verzoeker verzocht zich op 7 november 2001 te willen aanbieden, maar de verzoeker vroeg de erkenningsraad bij brief van 25 oktober 2001 om uitstel van de zitting, waarop de erkenningsraad liet weten dat de zitting zou doorgaan op IX-3688-9/11 27 november
- Bij brief van 23 november 2001 liet de erkenningsraad de verzoeker weten dat de zitting sine die werd uitgesteld. Ondertussen hadden de raadslieden van de verzoeker de erkenningsraad aangeschreven teneinde meer duidelijkheid te krijgen omtrent de aan hun cliënt ten laste gelegde feiten. In een uitvoerig schrijven van 6 mei 2002 werd door de erkenningsraad alle noodzakelijke informatie omtrent de feiten en de juridische grondslag van de betichting verschaft teneinde de raadslieden van de verzoeker de mogelijkheid te bieden een verweer te kunnen voorbereiden. Bij schrijven van 10 juni 2002 verzocht de erkenningsraad de verzoeker om zich te melden op 25 juni
- De raadslieden van de verzoeker hebben hierop evenwel geantwoord dat hun cliënt zich niet zou aanbieden. 2.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het hoorrecht bedoeld in artikel 29, § 2, van het reglement werd geschonden. Hij verwijst naar zijn uiteenzetting van feiten in het verzoekschrift en stelt dat een zuiver formalistisch standpunt, zoals dat van de erkenningsraad die beweert dat de verzoeker zou hebben verzaakt aan het hoorrecht, onaanvaardbaar is en strijdig met zowel de tekst als de geest van artikel 29, § 2, van het reglement. De verzoeker wijst erop dat het algemeen aanvaard is dat, zelfs indien geen wetsbepaling erin voorziet, een persoon tegen wie een zware sanctie wordt overwogen, zoals in casu, het recht moet hebben om te worden gehoord. 2.
- In haar laatste memorie, met betrekking tot de aangevoerde schending van de hoorplicht, voert de verwerende partij aan dat de verzoeker zelf heeft beslist om zich niet te verweren op de hoorzitting van 25 juni 2002 en daarenboven alle medewerking geweigerd heeft om relevante stukken mee te delen zodat hij nu niet meer kan aanvoeren dat de hoorplicht werd miskend. 2.
- Het staat vast dat de verzoeker door de erkenningsraad op verschillende tijdstippen werd uitgenodigd om zijn standpunt te komen uiteenzetten en dat de verzoeker daar om uiteenlopende redenen niet is op ingegaan. Als reden werd onder meer opgegeven dat de feiten die hem ten laste werden gelegd, niet nauwkeurig werden omschreven. Uit het administratief dossier blijkt dat de feiten die de verzoeker ten laste werden gelegd hem slechts op een vage en indirecte wijze ter kennis werden gebracht door toezending van een uittreksel uit het jaarverslag 1999-2000 van de CBF. De bestreden beslissing werd door de erkenningsraad genomen nadat de feiten geconcretiseerd werden in een brief van 24 december 2002 van de CBF aan de erkenningsraad. De erkenningsraad heeft de verzoeker evenwel niet in kennis gesteld van die brief van de CBF en heeft hem niet de gelegenheid IX-3688-10/11 geboden om zijn standpunt naar voor te brengen over die concrete tenlasteleggingen. Uit de bestreden beslissing blijkt echter dat de erkenningsraad wel degelijk steunt op de informatie die de CBF met de bedoelde brief heeft verstrekt. De hoorplicht is derhalve geschonden. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de erkenningsraad voor effectenmakelaars van 15 januari 2003 waarbij de verzoeker met ingang van 2 oktober 2002 geschrapt wordt van de lijst der effectenmakelaars. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3688-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.760 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.870 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.