id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.823 Rolnummer: A. 185496/XIV-29825 Zaak: Arrest 181823 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.823 van 8 april 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.823 van 8 april 2008 in de zaak A. 185.496/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 15 oktober 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 1610 van 11 september 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1441 van 26 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. FLACHET, die loco advocaat J. DE LIEN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-29.825-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied , het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Schending van art. 4 en art. 2§1 het Ministerieel besluit houdende delegatie van bevoegdheid van de minister, inzake de toegang tot het grondgebied , het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dd. 17.mei
- Schending van art. 39/65 van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing werd genomen door attaché Katrien Meekers. Artikel 9 van de vreemdelingenwet kent de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing omtrent een aanvraag tot machtiging tot verblijf toe aan de ‘Minister of zijn gemachtigde’. Met Ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de Minister inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt wie deze gemachtigde van de Minister zijn. Dit Ministerieel Besluit noch enig onder besluit voorziet in de overdracht van bevoegdheid van de Minister aan een attaché. Bij een beslissing omtrent de aanvraag tot machtiging verblijf in toepassing van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet, kan de bevoegdheid worden overgedragen aan de beambten van de Dienst vreemdelingen die titularis zijn van een graad die minstens in rang 10 is ingedeeld. (cfr. Artikel 4 en artikel 2§1 van het ministerieel Besluit van 17 mei 1995). Dat het bestreden arrest vermeldt dat het attest neergelegd door gedaagde partij waarin vermeldt wordt dat de attaché contractueel tewerkgesteld is bij de Dienst Vreemdelingen voldoende is om aan te duiden dat het hier gaat om een ambtenaar die gemachtigd is dergelijke beslissingen te nemen. Uit niets en zeer zeker niet uit het attest blijkt tot welke rang attaché Katrien Meekers is ingedeeld. Attaché Lysbeth Rebiens is geen beambte titularis van een graad die minstens in rang 10 is ingedeeld. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen art. 9 van de Vreemdelingenwet en de artikelen uit het Ministerieel besluit foutief toegepast. Dat het arrest duidelijk met foutieve redenen werd omkleed en derhalve art. 39/65 van de Vreemdelingenwet geschonden werd. Dat het arrest om deze redenen dient te worden vernietigd.”; 1.
- Overwegende dat artikel 4 van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de minister, inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door het ministerieel besluit van 27 mei 2004, bepaalt welke ambtenaren gemachtigd zijn inzake artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat, ingevolge het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel, het begrip “niveau 1” werd vervangen XIV-29.825-2/5 door het begrip “niveau A”, dat het begrip “rang” werd geschrapt, dat ambtenaren binnen het niveau A voortaan in een vakklasse worden benoemd en dat de ambtenaren, benoemd in de vakklassen A1 of A2, de titel dragen van attaché; dat de verzoekende partij niet betwist dat mevrouw Katrien Meekers als attaché is tewerkgesteld bij de dienst Vreemdelingenzaken; dat zij, als attaché, een ambtenaar van ten minste niveau A, vakklasse A1 is en als dusdanig gemachtigd is om de bestreden beslissing te nemen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van de motiveringsverplichring van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van arrikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshande- lingen. Schending van art
- 3 van de Vreemdelingenwet van 15.12.
- Schending van art. 3 EVRM. Schending van art. 39/65 van de Vreemdelingenwet. Artikel 62, 1 ste lid van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 schrijft voor dat de administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn. Aan de motiveringsplicht is in casu door de Dienst Vreemdelingen geenszins voldaan. Verzoeker zal aantonen dat de motivering van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenza- ken deels onjuist is en deels niet afdoende is en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onterecht oordeelt dat de beslissing correct werd gemotiveerd.
- Wat betreft het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ De motivering van de bestreden beslissing vermeldt: De aangehaalde elementen vormen geen uitzonderlijke omstandigheid waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland.. De Dienst Vreemdelingenzaken stelt immers dat de in de aanvraag vermelde motieven ‘op zich niet uitzonderlijk zijn’. Verzoeker kan niet uitmaken of deze elementen in aanmerking genomen werden als buitengewone omstandigheid of niet. Immers de begrippen uitzonderlijk en buitengewoon zijn verschillend van elkaar. uit-zon-der-lijk (bn.) 1 een uitzondering vormend = > exceptioneel bui-ten-ge-woon (bn.) 1 van het gewone afwijkend = > bijzonder 2 in hoge mate = > zeer Door het begrip buitengewoon te vervangen door het begrip uitzonderlijk heeft de Dienst Vreemdelingenzaken een foutieve toepassing gemaakt van art. 9.3 Vreemdelingenwet. Verzoeker meent verder dat de motivering ten zeerste niet afdoende is daar zij niet kan uitmaken of de aangehaalde motieven in aanmerking genomen werden en onderzocht werden als buitengewone omstandigheid. Verzoeker verwijst in dit verband naar de rechtsleer die het volgende stelt: ‘Een motivering die slechts rekening houdt met bepaalde elementen een dossier (ten nodele van de betrokkene) en niet met andere fundamentele elementen, is niet afdoende.’ (OPDEBEEK, XIV-29.825-3/5 I, COOLSAET, A, Formele motivering van bestuurshandelingen, Die Keure, Brugge, 1999, nr. 189) De beslissing is manifest foutief gemotiveerd. Dat wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in hoor arrest vermeldt dat de begrippen door de Dienst vreemdelingenzaken door elkaar worden gebruikt en dezelfde betekenis hebben, verzoeker niet kunnen afleiden welke betekenis vermeld in het Van Dc~e woordenboek welke eveneens een rechtsbron is, dan wel gehanteerd wordt. Dat wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat verzoekers niet in concreto kunnen aantonen of er een verkeerde toepassing werd gemaakt van het begrip is net het punt dat verzoekers trachten aan te tonen. Door de gebrekkige motivering zijn zij niet in staat dergelijke toets te maken. Dat de motiveringsplicht wel degelijk geschonden is en dat de Raad voor Vreemdelingenbet- wistingen hiervan een verkeerde toepassing maakt. Dat de motivering van het bestreden arrest faalt in recht en dat derhalve art. 93/65 van de Vreemdelingenwet geschonden is.
- Wat betreft de problemen in het land van herkomst. De Dienst Vreemdeiingenzaken motiveert de beslissing hieromtrent als volgt: Wat de vermeende schending van art. 3 van het EVRM betreft dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via art. 3 van het EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. Hiervoor dient verzoeker zijn beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde artikel
- De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigensituatie. De loutere vermelding van het artikle3 EVRM volstaat dus niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Tot slot hebben de problemen in zi n land van herkomst reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag van art.
- van de wet in te dienen. Verzoeker stelt dat een loutere verwijzing naar de asielprocedure ten zeerste onvoldoende is om te besluiten tot het feit dat er geen sprake kan zijn van buitengewone omstandigheden. Verzoeker haalt een voorbeeld uit de vaste rechtspraak van de Raad van State aan: Het toepassingsgebied van art. 9, lid 3 Vreemdelingenwet verschilt van dat van de bepalingen van het Internationaal Verdrag van Genève 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Een omstandigheid die wordt aangevoerd tot staving van een aanvraag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en die als dusdanig wordt verworpen kan de indiening in België wettigen van een aanvraag tot een verblijf van meer dan drie maanden. Uitzonderlijke omstandigheden zijn geen omstandigheden van overmacht, maar het volstaat dat de vreemdeling aantoont dat het hem onmogelijk of bijzonder moeilijk is terug te keren om in zijn land van herkomst of in een land waar het hem is toegestaan te verblijven, de bedoelde machtiging aan te vragen. (R.v.St. (11e k.) nr. 92.410, 18 januari 2001, A.P.M. 2001 (samenvatting), 33) De motivering is dan ook duidelijk op dit punt manifest onjuist. Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen foutief oordeelt dat motivering van de bestreden beslissing niet gebrekkig is. Desalniettemin bevat het arrest geen letter over het punt welke verzoeker aanhaalde in zijn verzoekschrift met name het verschillend karakter van de beoordeling in het licht van een asielaanvraag en de beoordeling in het licht van art. 3 EVRM. Dat in eik geval de vraag of verzoeker een mensonterende behandeling zou riskeren te ondergaan, openblijft.”; 2.
- Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet derhalve niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-29.825-4/5 Overwegende dat het tweede middel er voor het overige toe strekt de appreciatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd is om zelf in de beoordeling van die feiten te treden; dat het tweede middel ook in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht april tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.825-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.