id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.861 Rolnummer: A. 139181/XIV-15959 Zaak: Arrest 181861 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.861 van 9 april 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.861 van 9 april 2008 in de zaak A. 139.181/XIV-15.959. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 14 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 18 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.959-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN NIJVERSEEL die, loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Oekraïense nationaliteit, is op 27 oktober 2000 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op dezelfde datum. 1.2. Op 7 mei 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 18 juni 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. U, een Oekraïns staatsburger van Roemeense afkomst, diende op 27 oktober 2000 een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. U werd diezelfde dag door de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte gebracht van het feit dat u zich opnieuw bij deze instantie moest melden voor een interview op 23 maart 2001. U ging zonder hiervoor een geldige reden op te geven niet in op deze uitnodiging, waardoor de Dienst Vreemdelingenzaken niet over de nodige inlichtingen beschikte ter beoordeling van uw asielaanvraag. Op 7 mei 2001 werd aangaande uw asielaanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing tot weigering van verblijf genomen. U diende vervolgens via uw advocaat Meester David Monfils een dringend beroep in tegen deze beslissing. U werd op 30 januari 2003 een eerste keer opgeroepen door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) via een brief die u op 21 januari 2003 aangetekend werd verstuurd. U ging niet in op deze uitnodiging, maar stuurde het CGVS wel een zeer summiere schriftelijke verklaring evenals een medisch attest afgeleverd door Dokter Dragan. Deze schriftelijke verklaring is echter te vaag en onvoldoende gedetailleerd om op basis hiervan een beoordeling te kunnen maken over de ontvankelijkheid van uw asielaanvraag. Het medisch attest dat u het CGVS opstuurde, werd door de door u geraadpleegde dokter opgesteld op 24 januari 2003 oftewel zes dagen voordat u werd verzocht zich op het CGVS te melden. Uit dit medisch attest valt niet af te leiden van wanneer tot wanneer de dokter oordeelde dat u niet in staat zou zijn zich te verplaatsen. Aangezien aan de hand van dit medisch attest niet duidelijk bleek hoelang u in de onmogelijkheid verkeerde zich bij het Commissariaat-generaal aan te melden, namen onze diensten op 6 februari 2003 contact op met de attesterende dokter. Volgens haar zou u één maand á anderhalve maand later XIV-15.959-2/9 wellicht wel in staat zijn om voor een gehoor naar het Commissariaat-generaal te komen. Hierop ontving u per aangetekende brief de dato 11 maart 2003 een tweede uitnodiging van de Commissaris-generaal om u op 20 maart 2003 bij hem voor gehoor aan te bieden. U ging evenmin op deze uitnodiging in, maar stuurde ons wederom een medisch attest opgemaakt door bovengenoemde dokter. Dit laatste medisch attest werd door uw dokter opgesteld op 12 maart 2003, terwijl u, zoals hierboven reeds aangegeven, verzocht werd zich op 20 maart 2003 op het Commissariaatgeneraal te melden. Uit dit tweede medisch valt niet precies op te maken wanneer u zich bij uw dokter aanbood. Hoewel uw dokter in dit tweede medisch attest wederom uitvoerig ingaat op uw medische historiek, komt uit dit attest niet duidelijk naar voren welk ziektebeeld u precies vertoonde op de dag dat u zich voor het laatst bij haar aanbood noch hoe lang de periode zou bedragen tijdens dewelke u niet in staat zou zijn zich bij onze diensten aan te melden. Uit het voorafgaande blijkt dat het door u laatst aangebrachte attest niet als een geldige reden kan worden aanzien zoals omschreven in artikel 52 § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet. Bovendien bestaat in hoofde van de kandidaat-vluchteling de verplichting de instantie die bevoegd is met de behandeling van diens asielaanvraag correct en nauwkeurig in te lichten van de redenen die hem beletten gevolg te geven aan de oproeping. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u heeft nagelaten te antwoorden aan de in de oproepingsbrief geformuleerde vraag om inlichtingen, zodat het niet kunnen oordelen over de ontvankelijkheid van de aanvraag op grond van inhoudelijke elementen eveneens aan uzelf te wijten is. Uit het bovenstaande blijkt dat u niet op rechtsgeldige wijze gevolg heeft gegeven aan de oproeping en noch aan de vraag om inlichtingen. Door uw toedoen verkeert de Commissaris-generaal bijgevolg in de onmogelijkheid om een beoordeling te maken van de motieven die u in het kader van uw asielaanvraag hebt ingeroepen. Uit hetgeen hieraan voorafgaat kan worden geconcludeerd dat u geen geldig gevolg hebt gegeven aan de oproeping van de Commissaris-generaal noch aan de vraag om inlichtingen waar u per aangetekende brief om werd verzocht . De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 11 maart 2003 op uw gekozen woonplaats.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “
- b)Tweede middel: = schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen = schending van het artikel 52.2.4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen In de aangevochten beslissing beschouwt het C.G.V.S. dat “het door U laatst aangebrachte attest niet als een geldige reden kan worden aanzien zoals omschreven in artikel 52.2.4 van de vreemdelingenwet”. Men dient eerst en vooral te verduidelijken dat, in tegenstelling tot wat het C.G.V.S. vermeldt in de beslissing, artikel 52.2.4. van de wet van 15 december 1980 geenszins omschrijft wat "een geldige reden" is. De door het C.G.V.S. ingeroepen elementen om tot dit besluit te komen zijn overigens niet gepast. Zo, ! “dit attest werd door uw dokter opgesteld op 12 maart 2003 terwijl u verzocht werd zich op 20 maart 2003 op het C.G.V.S te melden" XIV-15.959-3/9 Geen enkele beschikking vereist dat het medisch verslag opgesteld wordt op dat (
- de)datum waarop de patiënt zich voor de administratieve overheid dient aan te bieden. In dit geval heeft de dokter overigens een bepaald aantal ernstige kwalen opgesomd waar verzoeker aan lijdt en hij heeft op het einde van zijn verslag gesteld “de patiënt is niet in staat zich voor de Belgische administratieve overheden aan te bieden". Deze laatste zin laat noodzakelijkerwijze blijken dat de dokter door verzoeker werd geïnformeerd over de datum waarop deze laatste zich moest aanbieden bij de zetel van het C.G.V.S.!! Het belang van de kwalen die in het verslag van de dokter worden opgesomd («koortsige staat, hoest, moeilijkheid om te ademen, beven, problemen van de longen, niersteenvorming, maagzweer, urinaire problemen"), de verwijzing naar de inefficiëntie van de behandelingen die in gang waren (“de zweer waaraan hij lijdt is geopend toen hij probeerde bepaalde medicatie te nemen”), de raad die werd gegeven door de dokter ("ik heb hem aangeraden naar het ziekenhuis te gaan”) en de behandeling waartoe besloten werd ("ik heb hem een anti zweren versterkend antibioticum gegeven”) laten overigens noodzakelijkerwijze blijken dat de onbekwaamheid die op 12 maart 2003 werd vastgesteld, ging duren tot 20 maart 2003. ! "uit dit tweede medisch valt niet precies op te maken wanneer u zich bij uw dokter aanbood" Ook geen enkele bepaling vereist dat de datum waarop de patiënt zich bij zijn dokter meldde, vermeld wordt, zodat het besluit van de dokter wel degelijk is dat «de patiënt niet in staat is zich aan te bieden bij de Belgische administratieve overheden». Bovendien is de vaststelling onjuist in feite vermits het verslag de datum 12 maart 2003 draagt en het door de dokter in handen van verzoeker is gegeven - zodat het duidelijk genoeg blijkt dat het op deze datum is dat de patiënt gezien is door de dokter. ! “Hoewel uw dokter in dit tweede medisch attest wederom uitvoerig ingaat op uw medische historiek, komt uit dit attest niet duidelijk naar voren welk ziektebeeld u precies vertoonde op de dag dat u zich voor het laatst bij haar aanbood" Niets verplicht een dokter in een medisch certificaat het ziektebeeld dat een patiënt heeft te verduidelijken. Het gaat daar zelfs om informatie die onder het medisch geheim valt en die de dokter zelfs normaal niet mag blootgeven aan derden. ! "hoewel uw dokter in dit tweede medisch attest wederom uitvoerig ingaat op uw medische historiek, komt uit dit attest niet duidelijk naar voren hoe lang de periode zou bedragen tijdens dewelke u niet in staat zou zijn zich bij onze diensten aan te melden " Tenslotte verplicht niets een dokter ertoe de periode van onbekwaamheid van zijn patiënt te vermelden. Dit is des te meer waar aangezien een dokter vaak de wijze niet kent waarop de gezondheidssituatie van zijn patiënt zal evolueren. Bovendien is de vaststelling van het C.G.V. S. niet helemaal juist aangezien dokter Dragan in het eerste attest (attest van 24 januari 2003) reeds vermeldde "hij is niet in staat zich aan de Belgische administratie aan te bieden tot zijn genezing" - hetgeen de enige aanduiding is die de dokter in werkelijkheid kan geven. Het spreekt voor zichzelf dat deze aanduiding die in het eerste attest van de dokter wordt gegeven eveneens geldt voor het tweede aangezien wel degelijk wordt aangeduid in dit laatste attest dat de patiënt niet genezen is.”; XIV-15.959-4/9 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2 In het tweede middel roept verzoeker de schending in van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet, als ook de schending artikel 52.2.4 van de Vreemdelingenwet. 2.2.1. Betreffende de specifieke motiveringsplicht zoals vervat in de Vreemdelingenwet en de algemene motiveringsplicht, zoals vervat in de Uitdrukkelijke Motiveringswet van 29 juli 1991, wenst verweerder op te merken dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, hem een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. 2.2.2 Verweerder stelt vast dat de Commissaris-generaal op grond van artikel 52, § 2, al. 4 van de Vreemdelingenwet heeft besloten dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk is aangezien verzoeker binnen de maand na verzending van deze oproepingsbrief hieraan, zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven, noch aan de oproeping, noch aan de vraag om inlichtingen erin vervat. Het voorgelegde attest van 12 maart 2003 van verzoeker geeft geen reden van overmacht op waarom verzoeker niet kan verschijnen voor zijn gehoor op 20 maart 2003. Daarnaast verzaakte verzoeker om te antwoorden op de vraag om inlichtingen. 2.2.3 Over het feit dat het attest van de dokter werd opgesteld op 12 maart 2003 terwijl verzoeker werd verzocht op 20 maart 2003 naar het Commissariaat-generaal tekomen, stelt verzoeker dat geen enkele beschikking vereist dat het medisch verslag dient opgesteld worden op de dag van het gehoor. Dat in het medisch verslag bepaalde ernstige kwalen zouden beschreven zijn en dat er zou staan hij zich niet bij de Belgische administratieve overheden kan aanbieden. Dat verzoeker de dokter zou geïnformeerd hebben dat hij naar het Commissariaat-generaal moest komen. En dat uit het medische verslag zou blijken dat hij onbekwaam was om op interview te komen zou duren tot 20 maart 2003. Verweerder antwoordt dat in dit medische verslag van 12 maart 2003 ernstige kwalen worden beschreven waaraan verzoeker heeft geleden en geen ernstige kwalen worden beschreven waaraan verzoeker zou leiden toen hij zijn arts consulteerde. Er wordt met andere woorden uitvoerig ingegaan op de medische historiek van verzoeker maar nergens uit dit medische verslag valt op te maken waaraan verzoeker zou leiden op het ogenblik dat het medisch verslag werd opgemaakt. Voorts vermeldt dit attest nog dat aan verzoeker een antibioticum werd voorgeschreven door de behandelde arts. Wanneer dit antibioticum werd voorgeschreven blijft onduidelijk. Dit alles blijkt uit het gesprek dat een medewerker van het Commissariaat-generaal met de dokter had, het verslag van dit gesprek bevindt zich in het administratief dossier. De arts stelde dat verzoeker in 2000 een maagzweer had en dat hij leed aan "ischias rénal" en nierstenen. In 2001 heeft verzoeker volgens de arts een longontsteking gehad. Dat er ook vermoedens waren dat verzoeker aan tbc leed maar dit door het ziekenhuis niet werd bevestigd. Dat de behandelde arts verzoeker een antibioticum heeft voor geschreven en dat verzoeker vanaf midden maart 2003 naar zijn gehoor kon komen. Indien zich een niercrisis zou voordoen moest verzoeker zich aanmelden bij het ziekenhuis. Uit het medische verslag van 12 maart 2003 blijkt echter niet dat er zich een niercrisis zou hebben voorgedaan of verzoeker een andere crisis zou hebben gekregen of aan één of andere ziekte leed. Voorts merkt verweerder op dat verzoekers opmerking, dat hij de dokter zou hebben ingelicht dat hij naar het Commissariaat-generaal moest, een loze bewering is waarvan verzoeker geen enkel begin van bewijs levert. Verweerder stelt vast dat het medisch verslag niet vermeldt waarom verzoeker op consultatie is gekomen. Daarnaast kan uit het medisch verslag niet opgemaakt worden dat verzoeker niet naar zijn gehoor kon komen op 20 maart 2003 wegens onbekwaamheid. Er wordt trouwens in dit attest ook niet vermeld dat verzoeker onbekwaam (ziek) is, laat staan dat verzoeker op 20 maart 2003 onbekwaam zou zijn geweest de dag dat hij diende te verschijnen voor zijn gehoor in dringend beroep. Verweerder is dan ook van mening dat uit dit attest niet af te leiden valt dat verzoeker in staat van overmacht verkeerde op 20 maart 2003. Bovendien stelt verweerder vast dat verzoeker in het kader van zijn asielvraag nog nooit is verschenen XIV-15.959-5/9 voor een interview. Ook voor zijn interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken daagde verzoeker niet op. Wat betreft verzoekers opmerking dat hij zich wel degelijk op 12 maart 2003 bij zijn arts heeft aangeboden, antwoordt verweerder dat verzoeker hier nergens een bewijs voor levert en dit ook niet werd vermeld op het medisch verslag. Dat dit medisch attest enkel vermeldt dat het werd opgemaakt op 12 maart 2003 wat dus allerminst impliceert dat verzoeker op 12 maart 2003 op consultatie is geweest bij de arts. Wat betreft verzoekers opmerking dat een arts niet verplicht is om het ziektebeeld te verduidelijken en dit onder het medisch geheim valt, antwoordt verweerder dat de arts wel vermeldt wel ziektes verzoeker in het verleden had (meer bepaald in 2000 en 2001) maar niet vermeldt dat verzoeker aan één of andere ziekte/ aandoeding leed toe hij op consultatie was. Het medisch attest moet daarentegen wel uitsluitsel geven over het feit dat verzoeker het gehoor al dan niet kon bijwonen (RvSt. 119.007, 6 mei 2003). Het attest van 12 maart 2003 geeft geen uitsluitsel over de mogelijkheid van verzoeker om zich naar het Commissariaat-generaal te begeven. Uit het telefonisch gesprek met de behandelde arts bleek dat verzoeker naar het Commissariaat-generaal kon komen op 20 maart 2003. De beslissing is voldoende gemotiveerd. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.3.1. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker besluit omdat deze, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de oproeping, noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die hem aangetekend werd verstuurd op 11 maart 2003 op zijn gekozen woonplaats; 2.3.2. Overwegende dat verzoeker stelt dat de door de Commissaris-generaal ingeroepen elementen om tot het besluit te komen dat hij geen geldige reden heeft aangebracht ter rechtvaardiging van zijn afwezigheid op het voorziene gehoor niet gepast zijn, dat geen enkele beschikking vereist dat een medisch verslag wordt opgesteld op de datum waarop de patiënt zich voor de administratieve overheid dient aan te bieden, dat de Commissaris-generaal had vastgesteld dat het medisch attest van verzoeker werd opgesteld op 12 maart 2003, terwijl het gehoor was voorzien op 20 maart 2003, dat de dokter door verzoeker zou zijn geïnformeerd over de datum waarop hij voor de Belgische asielinstanties diende te verschijnen, dat volgens de Commissaris-generaal uit het attest niet valt op te maken wanneer verzoeker zich bij zijn dokter heeft aangeboden, dat ook dit in geen enkele beschikking wordt bepaald, dat het voldoende is dat vastgesteld werd dat “de patiënt niet in staat is zich aan te bieden bij de Belgische administratieve overheden”, dat uit de datum zou blijken dat de behandelende arts verzoeker toen gezien heeft omdat het attest toen in zijn handen werd gegeven; dat uit het attest dat werd voorgelegd volgens de Commissaris- generaal niet precies blijkt welk ziektebeeld verzoeker vertoonde op het moment dat hij zich bij zijn arts aanbood; dat verzoeker stelt dat niets een dokter verplicht het ziektebeeld dat een patiënt heeft te verduidelijken; dat deze informatie zelfs onder het medisch geheim zou vallen; dat de Commissaris-generaal heeft opgemerkt dat in het bewuste attest wel uitvoerig wordt ingegaan op de medische historiek van verzoeker maar dat er niet duidelijk uit blijkt hoe lang de periode zou bedragen tijdens dewelke verzoeker niet in staat zou zijn zich bij de Belgische asielinstanties aan te melden; dat verzoeker stelt dat niets de dokter daar toe XIV-15.959-6/9 verplicht en dat deze bovendien zelf vaak de wijze niet kent waarop een gezondheidssituatie zal evolueren; 2.3.3. Overwegende dat de opmerkingen van de Commissaris-generaal hebben geleid tot de conclusie dat het door verzoeker neergelegde medisch attest van 12 maart 2003 geen geldige reden bevatte waarom hij niet in staat zou zijn geweest om zich aan te bieden voor het vooropgestelde gehoor; dat het standpunt van verzoeker er op neerkomt dat hij wel degelijk over een geldige reden beschikte; 2.3.4. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker een eerste maal werd opgeroepen voor een gehoor bij de Commissaris-generaal op 30 januari 2003; dat hij niet kon aanwezig zijn op dit gehoor wegens ziekte en een medisch attest van 24 januari 2003 en een korte schriftelijke verklaring bezorgde waarin hij stelde dat hij asiel vroeg omwille van redenen die te maken hebben met zijn Roemeense afkomst; dat op 6 februari 2003 een medewerker van het Commissariaat-generaal met de behandelende arts van verzoeker belde; dat daarbij een overzicht werd gegeven van de medische problemen die verzoeker in het verleden heeft gekend en de dokter stelde dat zij haar patiënt had aangeraden om in de warmte te blijven, antibiotica te nemen en veel te drinken; dat hij hiermee zijn huidige niersteencrisis te boven zou komen; dat volgens de dokter haar patiënt na één à anderhalve maand wel naar het gehoor bij de Commissaris-generaal zou kunnen komen, tenzij hij weer een niersteencrisis zou krijgen in welk geval hij zich wellicht rechtstreeks tot het ziekenhuis St.-Pieter in Brussel zou wenden; dat zij verklaarde niet te weten of haar patiënt zich momenteel kon verplaatsen daar zij hem sinds de laatste consultatie niet meer gezien had; dat op 11 maart 2003 de Commissaris-generaal verzoeker opnieuw oproept om te verschijnen voor een verhoor op 20 maart 2003; dat op die dag ook zijn raadsman per fax kennis kreeg van deze oproeping; dat verzoeker op 4 april 2003 een medisch verslag indient waaruit moet blijken dat hij zich op de voorziene datum niet kon aanbieden op het gehoor wegens ziekte; dat dit medisch verslag van 12 maart 2003 een overzicht geeft van verzoekers medische historiek en besluit met de vaststelling dat verzoeker niet in staat is zich aan te bieden voor de Belgische administratieve overheden; dat op 18 juni 2003 de bestreden beslissing wordt genomen; dat de Commissaris-generaal hierin stelt dat in het medische attest uitvoerig wordt ingegaan op de medische historiek van verzoeker maar dat niet duidelijk naar voren komt 1) wanneer verzoeker zich bij de dokter aanbood 2) welk ziektebeeld verzoeker precies vertoonde op de dag waarop hij zich voor het laatst bij zijn arts aanbood en 3) hoe lang de periode zou bedragen tijdens dewelke verzoeker niet in staat zou zijn zich bij de diensten van de Commissaris-generaal aan te melden; dat hieruit volgt dat dit attest niet als een geldige reden kan worden aanzien zoals omschreven in artikel 52 § 2, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat om zijn afwezigheid op het interview van 20 maart 2003 te rechtvaardigen verzoeker een nieuw medisch attest van 12 maart 2003 van XIV-15.959-7/9 Dr. M. DRAGAN heeft voorgelegd; dat volgens de verwerende partij in dat attest niet wordt vermeld dat verzoeker onbekwaam is, laat staan dat hij op 20 maart 2003 onbekwaam zou zijn geweest te verschijnen voor het gehoor in dringend beroep; dat de verwerende partij hierbij voorbijgaat aan het laatste deel van het medisch attest dd. 12 maart 2003 waarin Dr. M. DRAGAN uitdrukkelijk stelt dat haar patiënt omwille van medische problemen niet in staat is zich bij de Belgische administratieve overheden aan te bieden; dat hoewel niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar het interview van 20 maart 2003, gelet op de datum waarop het attest werd opgemaakt -onmiddellijk na het oproepingsbericht en één week voor het geplande interview- bezwaarlijk kan worden betwist dat het werd opgesteld met het oog op het verhoor van 20 maart 2003; dat de verwerende partij inroept dat uit een telefonisch gesprek met de behandelende arts bleek dat verzoeker op 20 maart 2003 naar het Commissariaat-generaal kon komen; dat dit telefoongesprek dateert van 6 februari 2003 dit is meer dan een maand vóór het nieuw medisch attest; dat wanneer ter rechtvaardiging van de afwezigheid een attest van een geneesheer wordt voorgelegd de overheid de geldigheid van de aangevoerde medische redenen slechts kan beoordelen indien zij zelf hierover vooraf doktersadvies heeft ingewonnen; dat de verwerende partij zonder bijkomend doktersadvies het medisch attest van 12 maart 2003 van Dr. M. BRAGAN niet naast zich kon neerleggen; dat wat de afwezigheid van een precieze vermelding van het actueel ziektebeeld betreft, verzoeker terecht wijst op het medisch geheim van de geneesheer; dat in de redengeving van de bestreden beslissing wordt gewezen op de verplichting in hoofde van een kandidaat- vluchteling om het bestuur correct en nauwkeurig in te lichten omtrent de redenen die hem beletten gevolg te geven aan de oproeping; dat door de toezending van het medisch attest van 12 maart 2003 van Dr. M. DRAGAN verzoeker genoegzaam te kennen heeft gegeven dat medische redenen hem verhinderden op het interview te verschijnen; dat een precisering van deze medische redenen van hem niet kon geëist worden; dat de bestreden beslissing niet genoegzaam is gemotiveerd door het motief, ontleend aan de afwezigheid zonder geldige reden van een antwoord op het verzoek om inlichtingen; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 mei 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten aan verzoeker aangetekend verzonden op 18 juni 2003. XIV-15.959-8/9 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen april tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.959-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div