← België

Arrest 181867 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.867 Rolnummer: A. 152548/X-11933 Zaak: Arrest 181867 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.867 van 9 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.867 van 9 april 2008 in de zaak A. 152.548/X-11.

  1. In zake : Tony CAMPAILLA, die woonplaats kiest bij advocaat I. TRAEST, kantoor houdende te 9000 GENT, Gouvernementstraat 20 tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tony CAMPAILLA op 7 juni 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 maart 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de niet-inwilliging van zijn beroep tegen het besluit van 11 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij hem de vergunning wordt geweigerd tot het voorzien van een dakterras (voorstel tot regularisatie), op een perceel gelegen te Gent, Prinses Clementinalaan 9, kadastraal bekend sectie I, nr. 683/b2; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2007; X-11.933-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. TRAEST, die verschijnt voor de verzoeker, en van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, daartoe gemachtigd bij beslissing van de adjunct-auditeur-generaal van 22 maart 2007, in haar eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Over de betichting van de valsheid 1.
  3. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker het volgende : “Het verslag van de auditeur besluit tot de onontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van verzoeker. Om tot dat besluit te komen, analyseert de auditeur het stuk 2 van het dossier dat verzoeker bij zijn verzoekschrift voegde en stuk 7 van het administratief dossier. De vergelijking van beide stukken, zonder acht te slaan op andere, is evenwel ongegrond en kan niet dienen om de bewijskracht van het ene te prefereren boven het andere. Dienaangaande wenst verzoeker volgende bemerkingen te maken: • Het is bevreemdend vast te stellen dat de verwerende partij slechts een copie voorlegt van een beweerd door verzoeker ondertekend ontvangstbewijs van aangetekende zending. Nochtans lijkt precies de verwerende partij degene te zijn die in staat moet zijn het origineel daarvan voor te leggen - quod non. De verwerende partij verklaart niet nader waarom zij geen origineel stuk voorlegt. De auditeur kan bijgevolg niet zomaar bewijswaarde hechten -laat staan méér bewijswaarde dan aan de stukken van verzoeker- aan een copie waarvan het origineel niet wordt voorgelegd. • De handtekening op de betreffende copie (stuk 7 van het administratief dossier) stemt niet overeen noch met die op het origineel ontvangst- bewijs dat verzoeker als zijn stuk 2 bij zijn dossier voegde, noch met de handtekening van verzoeker onder het stuk 4 van het administratief dossier van verwerende partij zelf. Deze vergelijking is blijkbaar door de auditeur niet gebeurd. Het verschil tussen enerzijds de handtekening op de copie van het ontvangstbewijs dat de verwerende partij onder stuk 7 van het administratief dossier voorlegt en anderzijds de handtekeningen van verzoeker zowel op het ontvangstbewijs dat hij zelf in origineel voorlegt onder zijn stuk 2 als X-11.933-2/7 zijn handtekening onder stuk 4 van het administratief dossier (en vergelijk de handtekening van verzoeker onder zijn oorspronkelijke aanvraag -stuk 7 van het stukkenbundel van verzoeker), is met het blote en on-schrift-deskundig oog eenvoudig waar te nemen. Aangezien en tot zolang geen origineel exemplaar wordt voorgelegd van de copie die de verwerende partij als stuk 7 van haar administratief dossier voorlegt, kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de handtekening daarop gelijkaardig is aan de twee andere en dus met zekerheid van de hand van verzoeker zouden zijn. • Het staat vervolgens onmiskenbaar vast dat de inhoud van beide stukken geenszins overeenkomt én niet toelaat meer bewijswaarde te hechten aan de copie van ontvangstbewijs van stuk 7 van het administratief dossier dan aan stuk 2 van het stukkenbundel van verzoeker. Immers, op de copie van het ontvangstbewijs dat het stuk 7 van het administratief dossier uitmaakt, staat de rubriek ‘De hierboven vermelde zending werd behoorlijk 0 afgeleverd 0 uitbetaald 0 ingeschreven op RCR’ niet ingevuld, terwijl dat het wel het geval is op het origineel ontvangstbewijs dat verzoeker heeft voorgelegd. Hetzelfde moet worden gesteld met betrekking tot de datum naast de handtekening, die alleen figureert op het stuk 2 van verzoeker. • Uit hetgeen voorafgaat, dient te worden besloten dat er bijgevolg geen redenen bestaan, althans geen voldoende eenduidige redenen om meer bewijswaarde te hechten aan het stuk 7 van het administratief dossier dan aan stuk 2 van verzoeker. Een aantal elementen zijn klaarblijkelijk door het auditoraatsverslag niet onderzocht, zodat het besluit ervan in de feiten zou neerkomen op een vermoeden van onontvankelijkheid van de vordering van verzoeker, hetgeen uiteraard door de Raad van State niet kan worden gehonoreerd. Verzoeker ontkent bijgevolg de handtekening op de copie van ontvangstbewijs dat het stuk 7 van het administratief dossier uitmaakt. Hij voegt bij onderhavige memorie aan specimen van zijn handtekening dd. 13 juni
  4. Hij is aldus verplicht de valsheidsprocedure met betrekking tot de copie van de ontvangstkaart dat stuk 7 van het administratief dossier uitmaakt, in te stellen, overeenkomstig art. 895 Ger. W. e.v. Verzoeker vraagt dat de Raad van State de nodige onderzoeksmaatregelen zou bevelen die de wet aldus voorziet en in afwachting daarvan de procedure ten gronde op te schorten. Verzoeker behoudt zich tevens het recht voor desgevallend strafklacht neer te leggen tegen onbekenden wegens valsheid”. 1.
  5. Artikel 51 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) luidt als volgt : “Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de staatsraad of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er van gebruik te maken. X-11.933-3/7 Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen. Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is. Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden. Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan”. De partij die beweert dat een overtuigingsstuk vals is, moet ten laatste op de datum van de terechtzitting dat stuk van valsheid hebben beticht, wat betekent dat hij door het indienen van een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter of minstens door een formele klacht bij de procureur des Konings een strafonderzoek op gang moet hebben gebracht. De verzoeker heeft niet op die wijze gehandeld. Er is derhalve geen grond om ter zake toepassing te maken van artikel 51 van het algemeen procedurereglement.
  6. Over de ontvankelijkheid 2.
  7. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering stelt de verzoeker in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring dat “de bestreden beslissing aan verzoeker (is) ter kennis gebracht met een aangetekende brief dd. 11 maart 2004, ontvangen door verzoeker op 7 april 2004, zodat huidige vordering tot nietigverklaring tijdig wordt ingediend”. 2.
  8. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de volgende exceptie van onontvankelijkheid op : “Artikel 4 van het besluit van de regent 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalt onder meer dat de beroepen bedoeld bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Het besluit van 4 maart 2004 van de bestendige deputatie werd bij aangetekend schrijven van 11 maart 2004 - verzonden op 12 maart 2004 - betekend aan de heer Campailla, aan het college van burgemeester en schepenen van Gent en aan de gemachtigde ambtenaar van de administratie Ruimtelijke Ordening. De brieven voor het schepencollege en voor de gemachtigde ambtenaar werden op de begeleidende roze kaart van de post voor ontvangst afgetekend op 15 maart
  9. Op de kaart van de post, die de heer Campailla voor ontvangst heeft afgetekend, werd evenwel geen datum vermeld. We gaan er derhalve van uit dat hij het besluit eveneens ontvangen heeft op X-11.933-4/7 15 maart
  10. In dat geval verstreek de beroepstermijn op 14 mei 2004 en dan is de vordering zeker laattijdig. Verzoekende partij schrijft echter in haar verzoekschrift dat zij het aangetekend schrijven van 11 maart 2004 pas heeft ontvangen op 7 april 2004 en dat het annulatieberoep derhalve tijdig is ingediend. Indien verzoekende partij het aangetekend schrijven inderdaad heeft ontvangen op 7 april 2004, dan nam de beroepstermijn derhalve een aanvang op 8 april
  11. Op de griffie van de Raad van State hebben wij vernomen dat de postdatum van het verzoekschrift 7 juni 2004 is en dat de vordering bij de Raad van State is ingekomen op 8 juni 2004, dit is 62 dagen nadat de heer Campailla kennis nam van de beslissing van de bestendige deputatie. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het verzoekschrift laattijdig werd ingediend. De bestendige deputatie is dan ook van oordeel dat het annulatieberoep onontvankelijk is”. 2.
  12. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker als volgt : “Ten onrechte en in strijd met de stukken van het dossier, werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift tot nietigverklaring laattijdig zou zijn ingediend. Vooreerst dient te worden gewezen op stuk 2 van het dossier van de verzoekende partij, waaruit blijkt dat zij de kennisgeving van de beslissing slechts op 7 april 2004 heeft ontvangen. Dat andere geadresseerden vroeger ervan zouden kennis hebben genomen, wordt, bij gebrek aan administratief dossier, niet bewezen en is ten andere irrelevant. De termijn van 60 dagen van art. 4 van het Procedurereglement ging dus pas in vanaf 7 april 2004 (kennis van de bestreden beslissing door de verzoekende partij), dus op 8 april
  13. De 60ste dag die daarop volgde was 6 juni
  14. Aangezien 6 juni 2004 een zondag was, werd de termijn verlengd tot de eerste werkdag, nl. maandag 7 juni 2004, datum waarop het verzoekschrift per aangetekende post is verzonden. Er is van enige laattijdigheid geen sprake en de berekeningen van de verwerende partij zijn niet correct, houden minstens geen rekening met de verlenging van de termijn, die eindigt op een zaterdag, zondag of feestdag. Het verzoekschrift is tijdig neergelegd en de exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond”. 2.
  15. Krachtens artikel 4, derde lid van het algemeen procedurereglement moest het voorliggend annulatieberoep op straffe van niet- ontvankelijkheid worden ingesteld binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing werd betekend. De verwerende partij brengt een kopie van het ontvangstbewijs van de zending waarmee zij de verzoeker in kennis stelde van de bestreden beslissing bij. Dit stuk vermeldt de verzoeker als geadresseerde van de zending. De datum van afgifte, zijnde 11 maart 2004, stemt zowel overeen met de datum van de kennisgeving op de bijlage bij de bestreden beslissing, als met de data op de X-11.933-5/7 ontvangstbewijzen van de andere instanties die van de bestreden beslissing in kennis werden gesteld. Uit al deze elementen volgt dat de kopie van het ontvangstbewijs, zoals voorgelegd door de verwerende partij, dient te worden beschouwd als een rechtsgeldig bewijs van de betekening van de bestreden beslissing aan de verzoeker. Wat de effectieve datum van kennisname betreft, dient te worden vastgesteld dat op het ontvangstbewijs door de verzoeker geen datum werd ingevuld. Het ontvangstbewijs bevat evenwel een poststempel van het kantoor dat het bericht terugzond, die als datum “15.03.04” draagt. De verzoeker werd aldus ten laatste op die dag in kennis gesteld van de bestreden beslissing. Hieruit volgt dat het op 7 juni 2004 ingestelde annulatieberoep buiten de beroepstermijn werd ingesteld. De omstandigheid dat de verzoeker blijkbaar op 7 april 2004 een tweede maal in kennis werd gesteld van de bestreden beslissing, vermag daar niets aan te veranderen. Wanneer een beslissing een eerste maal regelmatig aan een belanghebbende wordt betekend, gaat de beroepstermijn in en doet een eventuele tweede betekening geen nieuwe beroepstermijn ingaan. Een dergelijke tweede betekening is irrelevant. De exceptie is bijgevolg gegrond en het beroep onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.933-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.933-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.867 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.