← België

Arrest 181873 - Milieuvergunningen - 10/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:

van het decreet inzake Natuurbe- houd, er de voorkomingsplicht is voor de overheid; dat dit impliceert dat de overheid bij het beoordelen van vergunningsaanvragen er dient over te waken dat er geen vermijdbare schade aan de natuur wordt aangericht; dat op basis van de voorhanden zijnde gegevens bovenvermelde aanvraag dan ook in strijd is met de doelstellingen van het Natuurbehouddecreet; Overwegende dat er volgens het MER (pag. 135) in 1997 een 15-tal snuffelmetingen zijn uitgevoerd i.o.v. AMINAL omheen deze inrichting; dat het gebied waarbinnen gedurende twee percent van een jaar een geur waar- VII-25.087-7/28 neembaar is afkomstig van het bedrijf, vrij aanzienlijk was; dat dit gebied zich uitstrekte in noord-noordoostelijke sector tot over een afstand van ong. 2.000 meter en in de zuidwestelijke sector tot een afstand van ongeveer 1.200 meter; dat de recentste snuffelmeting (1999-2000) een beduidend kleiner gebied aangeeft, waarbij evenwel dient opgemerkt dat deze metingen in de winterperiode werden uitgevoerd, zijnde een periode met een geringere geurproductie; dat deze geurcontour meestal wordt beschouwd als zijnde het gebied waarbinnen geurhinder kan verwacht worden; dat in ieder geval dient besloten te worden dat minstens een relevant deel van de dorpskern van Borsbeke binnen de vermelde geurcontour valt; Overwegende dat er bijgevolg voldoende redenen zijn om vermelde aanvraag te weigeren; dat de melding van de bijhorende klasse drie-inrichtingen zonder voorwerp wordt verklaard, vermits deze onlosmakelijk met de geweigerde inrichting zijn verbonden; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd: - (...) - uit het MER blijkt inderdaad dat de ammoniakdepositie afkomstig van de inrichting een probleem stelt; daar het bedrijf echter ten gevolge van zijn omvang en niet-gesloten karakter zware structurele ingrepen zal dienen te ondergaan wil het voortbestaan na 31 december 2003, is het niet aangewezen bij het verlenen van de vergunning voor één jaar op proef vergaande zeer kapitaalsintensieve structurele maatregelen op te leggen; - het bedrijf is momenteel een storende factor in het landschap; er is geen afdoende groenscherm volledig rondom het bedrijf voorzien; - de benodigde investeringen om verdere maatregelen te nemen om de geurhinder voor de buurt te beperken zijn zeer groot en volgens het MER (pp. 87-94) ofwel technisch ofwel financieel niet haalbaar; de geurhinder voor de omgeving kan als reëel geëvalueerd worden; het verlenen van een vergunning voor één jaar op proef is enkel zinvol mits haalbare en efficiënte vergunningsvoorwaarden; gelet op het feit dat het bedrijf niet langer dan 1 januari 2004 kan worden geëxploiteerd (zie hoger) is het niet aangewezen nog dergelijke investeringen op te leggen; dit gegeven wordt bevestigd in het onontvankelijk beroep ingediend door raadsman Astère Patyn namens de exploitant; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen (...)";

  1. Ten gronde 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van artikel 24, §1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet en van artikel 52, 1/, a), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I); dat zij het onderdeel als volgt adstrueert : VII-25.087-8/28 "(...) De overheid is niet blijven stilstaan bij de vraag of de indiener van het beroep (de VZW 't Uilekot) wel enig rechtstreeks belang kan laten gelden bij het aanvechten van de beslissing van de Bestendige Deputatie. Dit niettegenstaande dat het in casu niet evident is dat het beroep van de VZW 't Uilekot zonder meer en automatisch ontvankelijk verklaard wordt, nu niet aangetoond is dat de overheid op enig ogenblik de statutaire doelstellingen van de VZW en de noodzakelijke representativiteit van de vereniging in de streek onderzocht heeft en nu niet blijkt of één van de leden van de VZW rechtstreekse hinder kan ondervinden van de inrichting van verzoekster. De VZW 't Uilekot van haar kant heeft ook niet aangetoond dat zij tgv. de vestiging en de exploitatie van de inrichting van verzoekster hinder kan ondervinden, noch dat zij zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door deze hinder kan getroffen worden. Alleszins bevat het dossier geen enkel stuk waaruit blijkt wat het maatschappelijk doel is van de VZW, noch of deze onder zijn leden natuurlijke personen telt die door de beweerde hinder van verzoekster haar (in eerste aanleg vergunde) inrichting kunnen worden getroffen. Aldus kon de overheid in beroep niet rechtens het door deze vereniging ingediend beroep ontvankelijk verklaren. (...)"; dat zij in een tweede onderdeel de schending aanvoert van artikel 13 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen; dat zij uiteenzet wat volgt : "(...) De bestreden beslissing heeft het administratief beroep ontvankelijk verklaard zonder dat blijkt dat de persoon die het beroepschrift ondertekend heeft (de voorzitter) , op het ogenblik van het indienen van het beroepschrift, bevoegd was om namens de VZW administratief beroep aan te tekenen tegen het Besluit van de Bestendige Deputatie bij de Provincieraad van Oost- Vlaanderen, houdende de hernieuwing van de milieuvergunning gedurende één jaar op proef. Met name werd aan het administratief beroep geen enkel stuk toegevoegd waaruit blijkt dat de voorzitter tijdig gemachtigd werd door de beheerraad om de vereniging te vertegenwoordigen. Derhalve is het administratief beroep onontvankelijk. (...)"; 2.1.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord op het eerste onderdeel antwoordt dat het administratief beroep werd ingediend door de tussenkomende partij samen met het "Anti-stankkomitee Borsbeke", dat "het actiecomitee (...) leden onder zich (heeft) die wel degelijk woonachtig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting" en die aldus rechtstreeks en onmiddellijk worden geconfronteerd met hinder van de inrichting, waardoor zij in hun woongenot worden geschaad; dat zij daaraan toevoegt wat volgt : VII-25.087-9/28 "Uit de statuten van VZW 't Uilekot blijkt dat een van de hoofdlijnen uit het maatschappelijk doel de bescherming van het leefmilieu in het algemeen is. Uit de verschillende arresten van Uw Raad blijkt dat nooit enige betwisting is gerezen omtrent de statutaire doelstellingen en de noodzakelijke representativiteit van de VZW, wanneer zij een vordering instelt teneinde de vernietiging van een milieuvergunning te bekomen. Door het maatschappelijk doel in vraag te stellen, pleegt verzoekende partij een inbreuk op het gezag van gewijsde van de door Uw Raad reeds uitgesproken arresten"; dat, wat het tweede onderdeel betreft, de verwerende partij doet gelden : "Een basisbeginsel luidt dat een VZW als rechtspersoon slechts kan deelnemen aan het rechtsverkeer middels de natuurlijke of rechtspersonen die haar als organen ten aanzien van derden vertegenwoordigen. Het spreekt voor zich dat de raad van bestuur moet samengesteld zijn uit leden die regelmatig benoemd zijn. Uit de publicatie in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad blijkt dat de aldaar vermelde bestuurder rechtsgeldig werd benoemd"; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij, met betrekking tot het eerste onderdeel, in haar memorie van wederantwoord verwijst naar de statuten van de tussenkomende partij, waarin als maatschappelijk doel onder meer wordt vermeld "de bescherming van het leefmilieu in het algemeen en op het grondgebied van het arrondissement Aalst in het bijzonder"; dat zij stelt dat het arrondissement Aalst tien gemeenten omvat, met een gezamenlijke oppervlakte van 47.277,55 hectare, dat de tussenkomende partij "onbetwistbaar geen milieuvereniging met lokale werking, maar een milieuvereniging met regionale werking" is, dat de tussenkomende partij in een van de voorgelegde persknipsels zichzelf een regionaal actiecentrum noemt, dat zij haar argumentatie over het belang van milieuverenigingen bij annulatieberoepen uit de rechtspraak van de Raad van State haalt en dat als volgt toelicht : "(...) Uw Raad wijst in de regel de vereniging af waarvan het maatschappelijk doel een werking beoogt op een territorium dat ruimer is dan datgene wat bestreken wordt door de bestreden bestuurshandeling (BAERT J. en DEBERSAQUES G, Raad van State, Afdeling Administratie,
  5. Ontvankelijkheid, Die Keure, 1996, 397 e.v.). De bestreden bestuurshandeling betreft de exploitatie van een inrichting op een perceel gelegen te Borsbeke (deelgemeente Herzele). De mogelijke hinder voor het leefmilieu die inherent is aan deze exploitatie overschrijdt onbetwistbaar het lokale niveau niet; het tegendeel blijkt noch uit het MER-rapport, noch uit het verzoekschrift administratief beroep van de tussenkomende partij dat de inrichting van verzoekster bovenlokale milieuverstorende effecten teweegbrengt of zal teweegbrengen. Op niveau van het werkgebied van de tussenkomende partij 47.255,77 ha., zal de kwaliteit van het leefmilieu dus zeker niet aangetast worden door de exploitatie van de inrichting van verzoekster. Derhalve kon het bestrijden van de beslissing houdende het verlenen van de hernieuwing van de milieuvergunning van verzoekster op proef gedurende één jaar niet ingepast worden binnen het statutair doel van de tussenkomende partij VII-25.087-10/28 (een milieuvereniging met regionale werking), doch enkel binnen het statutair doel van een milieuvereniging met lokale werking (bv. een actiecomitée/milieuvereniging wiens werkingsgebied beperkt was tot de deelgemeente Borsbeke). Dit impliceert dat de tussenkomende partij overeenkomstig haar statuten niet het vereiste voldoende specifieke belang had om administratief beroep aan te tekenen tegen het besluit van de Bestendige Deputatie houdende het verlenen van de hernieuwing van de milieuvergunning op proef gedurende één jaar, voor de inrichting van verzoekster. Door dit administratief beroep niettemin toch ontvankelijk te verklaren schendt de bestreden beslissing art. 24 §1, 5/ Milieuvergunningsdecreet en art. 52, 1/, a van het Vlarem I. (...) Er bestaan wel uitzonderingen op hoger vermelde rechtspraak, doch de tussenkomende partij voldoet niet aan aan de voorwaarden die terzake dienen vervuld te zijn (BAERT J. en DEBERSAQUES G, o.c., 400 e.v.). Zo ambieert ze geen specifiek aspect van het leefmilieu, waaraan het verlenen van de hernieuwing van de milieuvergunning op proef gedurende één jaar afbreuk zou doen. Wel integendeel: - volgens haar statuten heeft zij tot doel de bescherming van het leefmilieu in het algemeen. - uit haar verzoekschrift administratief beroep blijkt evenmin dat zij een specifiek aspect van de bescherming van het leefmilieu ambieert. Verder bewijst ze evenmin dat de inrichting van verzoekster een milieuverstorend effect heeft dat het lokale niveau ervan overstijgt (...). Het is duidelijk dat de inrichting van verzoekster enkel lokale belangen raakt en geen milieuverstorende effecten zal teweegbrengen die van aard zijn de kwaliteit van het leefmilieu aan te tasten op niveau van het werkgebied van de tussenkomende partij, 47.255,77 ha. (...) Tenslotte blijkt ook niet dat de tussenkomende partij een voldoende penetratiegraad/leden heeft in de deelgemeente Borsbeke om deze te vertegenwoordigen in een administratief beroep gericht op de bescherming van het plaatselijk leefmilieu. (...) Het besluit is dat de tussenkomende partij niet de vereiste kwaliteit, noch de vereiste representativiteit heeft om de milieuvergunning welke verleend werd aan verzoekster dmv. een administratief beroep aan te vechten. Aldus kon de overheid in beroep niet rechtens het door deze vereniging ingediend beroep ontvankelijk verklaren"; dat de verzoekende partij voorts stelt dat de overweging in het schorsingsarrest "dat de raadsman van verzoekster prima facie niet kan worden gevolgd in zijn betoog ter terechtzitting dat het werkgebied van de tussenkomende partij dermate ruim is dat zij niet kan worden aangemerkt als 'een rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door deze hinder kan worden getroffen', zoals omschreven in art. 24 §1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985", ten gronde niet gehandhaafd kan blijven en dat de verwijzing naar het beroep ingediend door het "Anti-stankkomitee Borsbeke" niet ter zake doet; 2.1.
  6. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst, met betrekking tot het eerste onderdeel, stelt dat uit de neergelegde stukken, persknipsels, blijkt dat zij zeer actief is rond het kwestieuze bedrijf van de VII-25.087-11/28 verzoekende partij, dat zij in het verleden onder meer acties, persconferenties, informatievergaderingen en een klachtenbank heeft georganiseerd, dat zij de laatste twee jaren zeer actief is geweest rond de stankproblematiek van het bedrijf van de verzoekende partij, en dit in het kader van het maatschappelijk doel "bescherming van het leefmilieu in het algemeen en in het arrondissement Aalst in het bijzonder"; dat de tussenkomende partij, met betrekking tot het tweede onderdeel, doet gelden dat op 10 maart 2001 de raad van bestuur heeft beslist tot het instellen van het beroep bij de verwerende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, dat dit ook blijkt uit een verslag ondertekend door haar voorzitter en door haar secretaris, dat, gelet op de statuten van de vereniging, en meer bepaald artikel 11 -bevoegdheid raad van beheer- en de benoeming van de voorzitter en de secretaris tot beheerders op 13 januari 2001, de beslissing om beroep in te stellen bij de verwerende partij derhalve rechtsgeldig is genomen, dat het beroepschrift rechtsgeldig werd ondertekend door de voorzitter, als lid van de raad van bestuur; 2.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat de hinder die voortspruit uit de exploitatie van de inrichting lokaal is en blijft, terwijl het actieterrein van de tussenkomende partij niet lokaal, maar regionaal is, dat de tussenkomende partij overeenkomstig haar statuten niet het vereiste voldoende specifieke belang had om administratief beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; 2.1.6.
  8. Overwegende dat luidens artikel 24, § 1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet ten tijde van de bestreden beslissing "elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door (de) hinder kan worden getroffen" een beroep kan indienen bij de bestendige deputatie van de provincieraad; dat hieruit kan worden afgeleid dat dergelijke rechtspersonen hun rol mogen vervullen in het milieubeleid; dat het doel van de verenigingen met rechtspersoonlijkheid weliswaar op meer dan een algemene wijze gericht moet zijn op het, in voorkomend geval, getroffen leefmilieu; dat deze vereiste evenwel, opdat de regeling van voornoemd artikel 24, § 1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet werkzaam zou zijn, op een brede interpretatie moet kunnen rekenen; dat in dezen de tussenkomende partij het grondgebied van haar activiteiten in het bijzonder omschrijft tot het arrondissement Aalst; dat de inrichting van de verzoekende partij gelegen is in het arrondissement Aalst en dat de verzoekende partij dat grondgebied becijfert op 47.277,55 hectare; dat zulks overeenkomt met de uitgestrektheid van een grondgebied van iets minder dan 22 km; dat uit de bestreden beslissing wordt VII-25.087-12/28 afgeleid dat de inrichting gelegen is op een vrij korte afstand van gevoelige gebieden; dat de minder aanzienlijke hinder zich bijgevolg nog verder uitstrekt zodat er geen merkelijke wanverhouding bestaat tussen het grondgebied waarover de hinder zich kan uitstrekken en het doelgebied van de tussenkomende partij; dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; 2.1.6.
  9. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de tussen- komende partij een verslag van haar raad van bestuur van 10 maart 2001 neerlegt, dat de weergave bevat van de beslissing van de raad van bestuur tot het instellen van een beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 februari 2001; dat uit de neergelegde stukken ook blijkt dat de voorzitter die het beroepschrift heeft ondertekend, bestuurder is van de tussenkomende partij en dat hij overeenkomstig artikel 11 van de statuten daartoe gemachtigd is; dat het tweede onderdeel van het eerste middel evenmin gegrond is; 2.2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 52, 1/, c), en 28, § 4, van Vlarem I; dat zij in een eerste onderdeel doet gelden dat de kennisgeving van het administratief beroep bij brief van 3 april 2001 niet te beschouwen is als een kennisgeving in de zin van artikel 52, 1/, c), van Vlarem I aangezien dit artikel slaat op de kennisgeving van het ontvankelijk beroep, terwijl in casu het beroep waarvan kennis werd gegeven nog niet ontvankelijk was bevonden, want nog onvolledig, dat de kennisgeving bij brief van 15 juni 2001 laattijdig was daar de termijn van kennisgeving verstreken was sinds 18 april 2001, dat dit tot gevolg heeft dat zij over een veel kortere termijn beschikte dan de termijn gewaarborgd door artikel 52, 1/, c), van Vlarem I om zich voor te bereiden op de hoorzitting die doorging op 2 juli 2001, dat zij zich aldus niet behoorlijk op deze hoorzitting heeft kunnen voorbereiden, dat meer bepaald de termijn van 14 dagen voor haar raadsman onvoldoende was om onder meer het MER grondig door te nemen en kritisch te analyseren en aldus op pertinente wijze haar visie op de problematiek van de hinder ten gevolge van de ammoniakemissie, van de geurhinder en van de visuele hinder door de exploitatie van het bedrijf uiteen te zetten, dat dit tot gevolg heeft dat zij niet met kennis van zaken heeft kunnen reageren op de tegen de afgegeven vergunning aangevoerde middelen en argumenten en dat de overheid de diverse hinderaspecten verkeerd heeft ingeschat en op basis van deze verkeerde inschatting de vergunning heeft geweigerd; dat zij er op wijst dat de vergunningverlenende overheid de termijn voor behandeling van het beroep met één maand diende te verlengen en na ontvangst van alle adviezen twee maanden nodig heeft gehad om het bestreden besluit te nemen; dat zij besluit VII-25.087-13/28 dat aldus het bestreden besluit tot stand is gekomen met miskenning van een in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I voorgeschreven substantiële vormvereiste, namelijk de kennisgeving van het ontvankelijk beroep binnen veertien dagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 van Vlarem I; dat het tweede onderdeel betrekking heeft op artikel 28, § 4, van Vlarem I; dat de verzoekende partij desbetreffend betoogt dat het hoorrecht werd geschonden daar zij niet voldoende tijd had om de hoorzitting grondig voor te bereiden; 2.2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij, wat het eerste onderdeel betreft, zich afvraagt of de verzoekende partij belang heeft bij het middel, omdat de door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleende vergunning hoe dan ook een precair karakter had gezien het slechts een vergunning op proef betrof, teneinde de aanwezige hinderfactoren en de efficiëntie van de opgelegde vergunningsvoorwaarden te kunnen evalueren; dat zij op grond van volgend betoog meent dat alle pleegvormen met de nodige zorgvuldigheid werden nageleefd : "(...) Overeenkomstig artikel 19bis van het Milieuvergunningsdecreet beschikte de beroeper nog over veertien kalenderdagen na het indienen van het beroepschrift om aanvullende stukken te bezorgen. Verzoekende partij kreeg kennis dat beroep werd aangetekend tegen de haar afgegeven milieuvergunning op 3 april
  12. Op 15 juni 2001 wordt kennis gegeven aan verzoekende partij van het aangevulde ontvankelijk bevonden beroep. (...) De artikelen 50 en 52 Vlarem I die de kennisgeving van het beroep aan de verzoekende partij voorschrijven binnen een termijn van veertien kalender- dagen na de periode van bekendmaking zijn niet afgestemd op artikel 19bis Milieuvergunningsdecreet. Wanneer toepassing wordt gemaakt van de mogelijkheid vervat in voormelde decreetsbepaling kan het gebeuren dat op het ogenblik (dat) het document wordt toegevoegd, de door voornoemde Vlarem I - bepalingen opgelegde termijn verstreken is. (...) Noch in het Milieuvergunningsdecreet, noch in het Vlarem I wordt uitdrukkelijk een sanctie voorzien op het niet onmiddellijk overleggen van de documenten die als bijlage bij het beroepschrift dienen te worden gevoegd. (...) Het is een loutere hypothese dat de hinder ten gevolge van ammoniak- emissie, de geurhinder en de visuele hinder verkeerd is ingeschat door de overheid, en dit zogezegd ten gevolge van de niet grondige voorbereiding van de hoorzitting. Deze verkeerde inschatting zou als gevolg hebben dat de hernieuwing van de milieuvergunning is geweigerd geweest. Uit het voorlig- gende administratief dossier blijkt dat verwerende partij bij haar beoordeling van het beroep, de gevolgen van de milieuvergunningsaanvraag beoordeelt in de globale omgeving rekening houdend met de invloed ervan"; dat de verwerende partij voorts verwijst naar het arrest over de vordering tot schorsing; dat, wat het tweede onderdeel betreft, de verwerende partij antwoordt dat uit artikel 13 van het milieuvergunningsdecreet en uit artikel 28, §4, van Vlarem I VII-25.087-14/28 volgt dat het onderdeel "niet dienstig is, minstens (...) niet ernstig"; dat zij voorts naar het arrest over de vordering tot schorsing verwijst; 2.2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij, in haar memorie van wederantwoord, met betrekking tot het tweede onderdeel nog toevoegt dat de hoorplicht eveneens is geschonden doordat het bestreden besluit plots de hernieuwing van de milieuvergunning op proef voor de duur van één jaar weigert op grond van "de artt.

§1Decr.

VI. Parl. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu", terwijl deze wetsbepalingen noch in het administratief beroepschrift van de tussenkomende partij, noch op de hoorzitting ter sprake gekomen zijn, dat zij zich aldus niet heeft kunnen verdedigen, noch haar visie op deze weigeringsgrond heeft kunnen geven, dat dit eveneens een schending van de hoorplicht en van artikel 28, § 4, van Vlarem I is; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat, gezien de belangen die op het spel staan bij een administratief beroep, de voorbereiding van dergelijk beroepsdossier altijd een zeer grondige voorbereiding en dossierkennis vergt, niet alleen van de aanvrager van de vergunning, maar ook van zijn technische en juridische raadslieden, dat de hieraan verbonden kosten navenant zijn, dat het niet opgaat de aanvrager van de vergunning te verplichten deze zware kosten te maken zolang het niet zeker is dat het administratief beroep ontvankelijk is, dat dit zeer nefast is voor de competitiviteit van de ondernemingen, dat vandaar in onderhavige zaak, waarin vaststaat dat het bestuur niet behoorlijk heeft gehandeld door pas twee maanden na het verstrijken van de periode van bekendmaking en nauwelijks veertien dagen voor de hoorzitting haar in te lichten dat het beroep ontvankelijk was, moet worden aangenomen dat niet is voldaan aan de verplichting binnen de veertien dagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking kennis te geven van het ontvankelijk beroep; dat de verzoekende partij, met betrekking tot het tweede onderdeel, doet gelden dat het argument dat de mogelijkheid dat het administratief beroep niet meer zou worden vervolledigd, haar niet kan hebben belet reeds kennis te nemen van het beroep, niet opgaat, dat het onverantwoord is om bedrijven onnodig op kosten te drijven door hen op te leggen procedures administratief beroep te gaan voorbereiden, zolang zij niet in kennis zijn gesteld dat het administratief beroep ontvankelijk is, dat het argument dat de aanvrager mag worden geacht het dossier voldoende te kennen, niet opgaat, dat zij er niet bij gebaat is te worden gehoord, als zij niet de tijd krijgt om de hoorzitting grondig voor te bereiden; dat de verzoekende partij volhardt dat de hoorplicht eveneens is geschonden doordat het bestreden besluit plots de hernieuwing van de VII-25.087-15/28 milieuvergunning op proef voor de duur van één jaar weigert op grond van de "artt.

§1Decr.

Vl. Parl. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu", dat dit geen nieuw middel, maar wel een bijkomend argument is tot staving van de schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van een wettelijke bepaling waarvan zij reeds eerder de schending heeft ingeroepen; 2.2.5.

  1. Overwegende dat wanneer een administratief beroep tegen een in eerste aanleg verleende vergunning onvolledig is, het bestuur niet wordt ontslagen van de verplichting het binnen de termijn ter kennis te brengen van de aanvrager; dat binnen de termijn, voorgeschreven bij artikel 52, 1/, c), van Vlarem I, aan de verzoekende partij is meegedeeld dat administratief beroep werd ingesteld tegen de in eerste aanleg op proef verleende vergunning en dat haar een volledig afschrift van het beroepschrift is toegezonden; dat aldus aan de doelstellingen van artikel 52, 1/, c), van Vlarem I is tegemoetgekomen, met name: het inlichten van de exploitant aangaande het precaire karakter van zijn in eerste aanleg verleende vergunning, en de kennisgeving aan de exploitant van de argumenten die door de beroepsindiener tegen de verleende vergunning worden aangebracht, teneinde hem toe te laten met kennis van zaken daarop te reageren; dat het louter gegeven dat op het ogenblik van de toezending het ingediende beroep nog niet ontvankelijk is bevonden, niet inhoudt dat de doelstellingen niet zijn bereikt; dat het feit dat de verwerende partij zo lang heeft gewacht alvorens de verzoekende partij te laten weten dat het beroep vervolledigd was, de verzoekende partij niet in de waan kan hebben gebracht dat de vergunning toch definitief was geworden; dat dit ten andere blijkt uit de brief van 11 juni 2001 van de raadsman van de verzoekende partij; dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is; 2.2.5.
  2. Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, vastgesteld wordt dat reeds op 3 april 2001 aan de verzoekende partij een afschrift werd bezorgd van het beroepschrift; dat de mogelijkheid dat het beroep niet meer zou worden vervolledigd, haar evenwel niet kan hebben belet reeds kennis te nemen van het beroep; dat zij als aanvrager van een vergunning moet worden geacht haar dossier voldoende te kennen, zeker als bij de aanvraag een MER werd gevoegd; dat derhalve het feit dat de verzoekende partij pas bij brief van 15 juni 2001 werd uitgenodigd voor een hoorzitting van 2 juli 2001, niet als een inbreuk op het recht om te worden gehoord kan worden beschouwd; dat het tweede onderdeel van het tweede middel, zoals aangevoerd in het verzoekschrift, niet gegrond is; VII-25.087-16/28 Overwegende dat wat in de memorie van wederantwoord aan het onderdeel wordt toegevoegd een nieuw middel is, dat reeds in het verzoekschrift had kunnen worden aangevoerd; dat dit bijgevolg niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; dat het bijgevolg niet ontvankelijk is; 2.3.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de "Verkeerde toepassing van art.

§1Decr.

Vl. Parl. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (kort: Decreet natuurbehoud). Dwaling omtrent de feiten. Schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel" aanvoert; dat zij in een eerste onderdeel doet gelden dat genoemde artikelen van het "Decreet natuurbehoud" betrekking hebben op ingrepen in de natuur en in het landschap, terwijl de hernieuwing van de milieuvergunning van een bestaand vergund bedrijf geen ingreep in de natuur of het landschap is, en dat bijgevolg de artikelen

niet van toepassing zijn op onderhavige zaak en de milieuvergunning niet kon worden geweigerd op basis van deze artikelen; dat in een tweede onderdeel het gaat om de "Verkeerde toepassing van art.

§1Decreet natuurbehoud.

Dwaling omtrent de feiten. Schending van de formele en materiële motiveringsverplichting (cf. infra vijfde middel)"; dat de verzoekende partij haar toelichting in vier "argumenten" indeelt; dat als eerste argument wordt aangevoerd dat het feit dat er in de omgeving van de inrichting nog biologisch waardevolle en biologisch zeer waardevolle gebieden werden gevonden, en dit bij het opmaken van de waarderingskaarten in 1979 tot 1982 en in 1985, en bij het opstellen van het gemeentelijk natuurontwikkelingsplan in 1996 tot 1997, terwijl de inrichting "op dezelfde schaal als vandaag, reeds tientallen jaren in exploitatie is", bewijst dat geen schade wordt aangericht aan de natuur; dat een tweede argument luidt dat de vermeende schade door ammoniakdepositie een abstracte veronderstelling is, waarvan de realiteit nooit werd aangetoond in een concrete appreciatie, en die in het administratief beroep niet werd aangevoerd; dat een derde argument luidt als volgt : "Waar de overheid in de bestreden beslissing op basis van gemiddelden aanneemt dat in drie van de zeven voornaamste biologisch waardevolle gebieden, de kwaliteitsdoelstellingen ( = streefwaarden !!!) vermeld in het MINA-plan 2000 (worden) overschreden, kan op basis van de voorhanden zijnde concrete gegevens maar aangenomen worden dat in één van de zeven voornaamste biologisch waardevolle gebieden, de kwaliteitsdoelstellingen vermeld in het MINA-plan 2000 (worden) overschreden. De negatieve impakt van verzoekster haar inrichting wordt aldus overschat in de bestreden beslissing. Uit het MER-rapport blijkt dat de Nederlandse norm van een jaarlijkse maximale depositie van 30 mol zuureq./ha./j. (voor nieuwe stallen) slechts geldt VII-25.087-17/28 voor 7 van de 61 waardevolle gebieden in een straal van 1,5 km rond het bedrijf van verzoekster (stuk 9 MER-rapport p. 123). Deze norm geldt niet voor bestaande stallen (zoals deze van verzoekster) !!! In Vlaanderen gelden enkel streefwaarden. Van de 7 waardevolle gebieden waarop volgens de Nederlandse wetgeving de norm van een jaarlijkse maximale depositie van 30 mol zuureq./ha./j. van toepassing is voor nieuwe stallen zijn er 2 waarvan de streefwaarde 1400 Zeq./ha./j. en 5 waarvan de 700 Zeq./ha./j. is (stuk 9 MER-rapport p. 123): - gebied 8 en 12 hebben een streefwaarde van 1400 Zeq./ha./j. en een depositie van respectievelijk 460,43 Zeq./ha./j. en 143,17 Zeq./ha./j. - gebied 24, 31, 35, 40 en 53 hebben een streefwaarde van 700 Zeq./ha./j. en een depositie van respectievelijk 136.508,22 Zeq./ha./j., 74,44 Zeq./ha./j., 229,12 Zeq./ha./j., 216,93 Zeq./ha./j. en 160,59 Zeq./ha./j. Maw. de streefwaarde wordt slechts voor één van de 7 gebieden overschreden. Uitgaande van de vaststelling dat ammoniak slechts 28,9% van de verzurende emissies vormt (MER-rapport p. 67) wordt in het MER-rapport evenwel aangenomen dat de verzurende emissies van de landbouw in het totaal theoretisch niet hoger mogen gaan dan 420 Zeq./ha./j. voor de gebieden 8 en 12 (ipv 1400 Zeq./ha./j.) (

  1. en)210 Zeq./ha./j. voor de overige gebieden (ipv 700 Zeq./ha./j.) om het landsgemiddelde niet te overschrijden (stuk 9 MER- rapport p. 123). Ten onrechte. Voor de beoordeling van de situatie ter plaatse is immers niet het landsgemiddelde van belang maar de concrete situatie van ter plaatse. Immers indien er ter plaatse minder depositie in mol zuurequivalenten per ha. en per jaar is uit andere sectoren dan de landbouw (bv. omdat er minder industrie en minder verkeer is), dan kan (
  2. de)depositie in mol zuurequivalenten per ha. en per jaar uit de landbouw hoger zijn dan het gemiddelde zonder dat de streefwaarde in het gedrang gebracht wordt. Daaruit kan maar één conclusie getrokken worden; nl. dat de overheid de negatieve impakt van verzoekster haar bedrijf op de natuur overschat door in haar redenering gemiddelden te verwerken ipv. te vertrekken van de concrete situatie van ter plaatse. Wat een vertekend beeld geeft van de impakt van het bedrijf op de omgeving"; dat als vierde argument de verzoekende partij betoogt dat het overschrijden van een streefwaarde niet noodzakelijk tot schade aan de natuur leidt; dat zij besluit dat uit deze vier argumenten volgt dat het motief dat de verdere exploitatie van de inrichting zal leiden tot vermijdbare schade aan de natuur, niet juist is, minstens niet voldoende onderbouwd en bijgevolg niet afdoende is; dat het derde onderdeel het opschrift "Schending van het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel" draagt; dat de verzoekende partij dat onderdeel als volgt adstrueert : "Alhoewel een preventieve maatregel in bepaalde gevallen nuttig en doeltreffend kan zijn voor de bescherming van de natuur, dient hij ook aangepast te zijn aan de ernst van de schade aan de natuur die hij wil voorkomen en wel in die zin dat er evenredigheid moet zijn tussen, enerzijds de beperking die door de overheid wordt opgelegd aan de uitoefening van een vrijheid, in dit geval de vrijheid van handel en nijverheid, en, anderzijds, de schade die moet worden vermeden. Waar het in casu helemaal niet vaststaat dat de verdere exploitatie van verzoekster haar bedrijf gedurende één jaar op proef, schade aan de natuur zal VII-25.087-18/28 veroorzaken (...) en waar blijkt dat verzoekster een volledig nieuw en veelbelovend bedrijfsconcept aan het uitwerken is (met vermindering van de ammoniakemissie met 95%, vermindering van de geuremissie met 83,6%) te realiseren binnen twee tot maximaal drie jaar (...), onderwerpt het besluit van de overheid waarbij de hernieuwing van de milieuvergunning voor één jaar op proef wordt geweigerd, de vrijheid van handel en nijverheid aan beperkingen die geenszins in verhouding staan tot de noodzaak schade aan de natuur te voorkomen. Temeer, nu de weigering van de hernieuwing van de milieuvergunning op proef de vrijheid van handel en nijverheid in extreme mate beperkt: (
  3. a)het bedrijf wordt volledig ontwaard (een bedrijf zonder milieuvergunning is niets waard) (
  4. b)het bedrijf kan geen inkomsten meer genereren (tgv. het exploitatieverbod), kan zijn engagementen tov. de bank en de schuldeisers niet meer nakomen en is alzo gedoemd tot een faillissement (...) (
  5. c)tgv. het verval van de milieuvergunning zal het bedrijf volgens de thans geldende wetgeving niet opnieuw aan een milieuvergunning kunnen geraken (zie art. 33 ter 1, c Meststoffendecreet). Gezien de extreme beperking die het bestreden besluit oplegt aan de vrijheid van handel en nijverheid geenszins in verhouding staat tot de noodzaak schade aan de natuur te voorkomen, kan het bestreden besluit geen rechtsgrond vinden in art.

§1- 2 Decreet natuurbehoud"; 2.3.2.

Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel als volgt antwoordt : "(...) In haar besluit verwijst de Vlaamse Minister naar het advies van AMINAL dat meer bepaald stelt: 'Overwegende dat bijgevolg gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, zelfs mits naleving van op te leggen milieuvergunningsvoorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.' Deze overweging is gebaseerd op artikel 3 milieuvergunningsdecreet. Derhalve is het deze bepaling van het Milieuvergunningsdecreet waarin het bestreden besluit draagkracht vindt. Bovendien en onverminderd de bepalingen van het Milieuvergunnings- decreet, dient de overheid alsook een beleid te voeren ter vrijwaring van het natuurlijk milieu gericht op de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur, op de handhaving en het herstel van de daartoe vereiste milieukwaliteit. (...) Artikel 8 van het Natuurbehouddecreet stelt : 'De Vlaamse Regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat [betreft] de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur.' Uit de redactie van voormeld artikel 8 dient te worden afgeleid dat de (in casu) artikelen

Natuurbehouddecreet op supplementaire wijze worden aangevoerd ten opzichte van de algemene bepalingen van het milieuvergunningsdecreet, Vlarem I en Vlarem II. (...) De voornaamste eindconclusies van het milieu-effectenrapport met betrekking tot (...) de voorgenomen exploitatie luidt als volgt : VII-25.087-19/28 '- (...) het gebied waar 2% van de tijd geurwaarnemingen te verwachten zijn (98-percentiel) strekt zich uit in de noord-noordoostelijke sector tot over een afstand van ongeveer 900m en in de zuidwestelijke sector tot een afstand van ongeveer 500m; (...) - ammoniak: de verzurende depositie van ammoniak werd berekend voor een aantal biologisch waardevolle gebieden in de omgeving; voor een drietal gebieden wordt de kwaliteitsdoelstelling voor verzurende deposito (MINA-plan 2000) overschreden; - qua geluidshinder kunnen de transporten voor aan- en afvoer als mogelijke bron worden aangeduid'; (...) Het stond aldus aan de overheid overeenkomstig het artikel

§1

-2 van het Natuurbehouddecreet, erover te waken dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag er geen verdere vermijdbare schade aan de natuur wordt aangericht. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens, heeft de overheid terecht beslist dat de aanvraag in strijd is met de doelstellingen van het Natuurbehouddecreet"; dat, wat het tweede onderdeel betreft, zij betoogt : "(...) Uitgaande van de vaststellingen van het milieu-effectenrapport en uitgaande van de adviezen (worden) in het bestreden besluit zorgvuldig de mogelijke gevolgen van de inrichting voor de omwonenden en het milieu en de afweging van deze ten opzichte van het belang van de exploitant van de inrichting onderzocht. In het bestreden besluit worden alle bij de zaak betrokken aspecten en belangen beoordeeld"; dat de verwerende partij, wat het laatste onderdeel betreft, verwijst naar het arrest over de vordering tot schorsing; 2.3.

  1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie niets meer toevoegt aan haar uiteenzetting betreffende het eerste onderdeel; dat, wat het tweede onderdeel betreft, zij als volgt op het arrest over de vordering tot schorsing reageert : "Gezien de inrichting van verzoekster een bestaande inrichting is die al decennia lang ter plaatse geëxploiteerd wordt, kon de verweerster de hernieuwing van de milieuvergunning voor één jaar niet weigeren op grond van de overweging dat dit zou leiden tot het ontstaan van vermijdbare schade aan de natuur, zonder dat zij over concrete gegevens beschikt waaruit blijkt dat er zich effectief vermijdbare schade aan de natuur voordoet. Die gegevens liggen niet voor: - noch in het verzoekschrift administratief beroep van de tussenkomende partij, noch in het MER- rapport, noch in de bestreden beslissing wordt gesteld dat er vastgesteld is dat de nabije biologisch waardevolle gebieden schade opgelopen hebben door de exploitatie van de inrichting van verzoekster; zelfs niet schade die te groot is om aanvaardbaar te zijn, maar die niet groot genoeg is opdat het statuut biologisch waardevol zou teloorgaan. - verzoekster trekt de bevindingen van het MER niet in twijfel, zij wijst er enkel op dat de overheid deze bevindingen niet correct geïnterpreteerd heeft. Dit is heel wat anders dan de bevindingen van het MER-rapport in twijfel trekken!!! VII-25.087-20/28 bv. * het gaat niet op, de hernieuwing van een milieuvergunning voor één jaar te weigeren ogv. normen waarvan in het MER-rapport gesteld wordt dat zij volgens de Nederlandse wetgeving alleen voor nieuwe stallen gelden en niet voor bestaande (zoals de stallen van verzoekster)... * het gaat niet op, de hernieuwing van een milieuvergunning voor één jaar te weigeren ogv. gegevens die in het MER 'theoretische maxima' of 'landsgemiddelden' genoemd worden, terwijl niet nagegaan is, of rekening houdende met de concrete situatie ter plaatse, de maxima overeenstemmen met de theoretische maxima dan wel of het landsgemiddelde al of niet relevant is... * het gaat niet op, zomaar aan te nemen dat het overschrijden van een streefwaarde leidt tot schade aan de natuur, terwijl geenszins blijkt uit het MER-rapport of het overschrijden van de streefwaarde al of niet geleid heeft tot schade aan de natuur"; dat zij voor het tweede onderdeel concludeert dat zij volhardt dat het motief dat de verdere exploitatie van haar inrichting zal leiden tot vermijdbare schade aan de natuur, niet juist, minstens niet voldoende onderbouwd en bijgevolg niet afdoende is, en dat de hernieuwing van de milieuvergunning bijgevolg niet kon worden geweigerd op grond van "art. 14 en/of 16 decreet natuurbehoud"; dat, wat het derde onderdeel betreft, niets meer wordt toegevoegd; 2.3.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat de Vlaamse regering in uitvoering van artikel 16, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), nog geen richtlijnen heeft gegeven voor het beoordelen van het vermijdbare en onherstelbare karakter van bepaalde activiteiten of categorieën van activiteiten; dat zij, met betrekking tot het tweede onderdeel, stelt dat zij niet kan meegaan in de redenering dat, alhoewel de formele motivering inzake de verzurende depositie voor kritiek vatbaar is, dit niet kan leiden tot de gegrondheid van het middel omdat zij bij haar aanvraag niet heeft gewezen op het feit dat de conclusie van het door haar overgelegde MER moet worden genuanceerd, dat, immers, bij een aandachtige lezing van het MER elke normaal zorgvuldige overheid, bevoegd voor het verlenen van milieuvergunningen, dezelfde conclusie als haar zou hebben gemaakt; 2.3.5.
  3. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet als volgt luidt : "Als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid, dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, draagt deze overheid er zorg voor door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan"; VII-25.087-21/28 dat deze bepaling er geen twijfel laat over bestaan dat ze van toepassing is op de beslissing over de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij; dat het eerste onderdeel van het derde middel dan ook niet gegrond is; 2.3.5.
  4. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verzoekende partij in haar eerste argument eraan voorbijgaat dat een biologisch waardevol gebied schade kan oplopen die te groot is om aanvaardbaar te zijn, maar dat die schade evenwel niet zo groot is dat het statuut biologisch waardevol volledig verdwijnt; dat wordt vastgesteld dat de overige argumenten er op neerkomen dat de verzoekende partij de bevindingen van het MER, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in twijfel trekt; dat nochtans de verzoekende partij het MER bij haar vergunningsaanvraag heeft gevoegd, zonder dat zij desbetreffend enige opmerking of bezwaar heeft geuit; dat de verwerende partij zich dan ook op de bevindingen van het MER mocht steunen, zodat, indien de verzoekende partij thans beweert dat het MER onjuistheden of foutieve uitgangspunten of gevolgtrekkingen bevat, zij zelf de verwerende partij in dwaling heeft gebracht; dat zij, in het kader van de behandeling van het administratief beroep, op het MER zelf geen kritiek heeft uitgeoefend ofschoon het MER er ruimschoots aan bod is gekomen, zowel in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie als in dat van de afdeling Milieuvergunningen; dat waar de verwerende partij stelt dat uit het MER blijkt dat voor drie van de zeven voornaamste biologisch waardevolle gebieden in de omgeving van de inrichting de kwaliteitsdoelstelling vermeld in het MINA-plan 2000 wordt overschreden, terwijl het MER vermeldt dat voor drie van de zeven de doelstelling wordt gerespecteerd, dit betekent dat voor vier van de zeven gebieden de kwaliteitsdoelstelling niet wordt gerespecteerd; dat zulks bijgevolg het standpunt van de verwerende partij nog versterkt; dat de bestreden beslissing voorts steunt op de besluiten van het MER en dat de verzoekende partij zelf die besluiten voordien nooit in twijfel heeft getrokken of nader heeft toegelicht overeenkomstig een door haar aangekleefde zienswijze; dat de naderhand, op de valreep, aangebrachte toelichting en zienswijze niet overtuigt; dat het tweede onderdeel van het derde middel niet gegrond is; 2.3.5.
  5. Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de overheid bij het nemen van een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag onder meer moet onderzoeken en beoordelen of de hinder voor mens en milieu veroorzaakt door de exploitatie binnen aanvaardbare perken blijft; dat indien de vergunningverlenende overheid op goede gronden van oordeel is dat dit niet het geval is, zij correct handelt door de vergunning te weigeren, ongeacht de economische gevolgen die de VII-25.087-22/28 weigering teweegbrengt voor de vergunningsaanvrager en die overigens kunnen verschillen naargelang de persoonlijke situatie van de aanvrager; dat, bijaldien, kan worden opgemerkt dat de verzoekende partij het alleen heeft over de door het bestreden besluit verwachte schade aan de natuur in de omgeving in verhouding tot haar persoonlijk economisch belang, en volledig voorbijgaat aan het feit dat het bestreden besluit nog een ander decisief weigeringsmotief bevat, te weten de geurhinder voor een "relevant deel van de dorpskern van Borsbeke"; dat het derde onderdeel van het derde middel niet gegrond is; 2.4.
  6. Overwegende dat het vierde middel het opschrift draagt "Dwaling omtrent de feiten. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel"; dat het eerste onderdeel betrekking heeft op het aspect geurhinder; dat de verzoekende partij doet gelden dat voor de evaluatie van de geurhinder de overheid uitgaat van "snuffel- metingen" die in 1997 zijn uitgevoerd door AMINAL om het gebied af te bakenen waarbinnen gedurende twee percent van een jaar een geur waarneembaar is afkomstig van het bedrijf, dat gesteld wordt dat dit gebied beschouwd wordt als zijnde het gebied waarbinnen geurhinder kan worden verwacht, dat een relevant deel van de dorpskern van Borsbeke in dit gebied valt, dat er bijgevolg voldoende redenen zijn om de vergunning op proef te weigeren, dat evenwel uit het MER blijkt dat het betreffende gebied volgens de metingen in 1999-2000 aanzienlijk kleiner was, hetgeen te wijten is aan een andere bedrijfsvoering, zoals onder meer aan de samenstelling van het voedsel, en niet aan de buitentemperatuur tijdens de metingen; dat zij daarop volgend betoog houdt : "Dit impliceert dat voor de evaluatie van de geurhinder om het gebied af te bakenen waarbinnen gedurende twee percent van een jaar een geur waarneembaar is afkomstig van het bedrijf, niet moet uitgegaan worden van 'snuffelmetingen' die in 1997 zijn uitgevoerd door AMINAL, maar wel van de snuffelmetingen die in 1999-2000 werden uitgevoerd. Uitgaande van de resultaten van de snuffelmetingen die in 1999-2000 werden uitgevoerd : - is het gebied waarbinnen gedurende twee procent van het jaar een geur waarneembaar is van het bedrijf veel kleiner dan het gebied dat afgebakend werd ogv. de snuffelmetingen uitgevoerd in
  7. Zie figuur 10 in het MER- rapport p. 86 (...). - is de bewering dat een relevant deel van de dorpskern van Borsbeke in dit gebied valt totaal achterhaald. Zie figuur 10 in het MER-rapport p. 86 (...). Zie ook MER-rapport p. 109 : 'Aan de hand van de topografische kaart wordt het aantal woningen in de buurt van de Kruising Kampenstraat met de Holestraat in dit gebied geschat op 45'. Maw. bij de evaluatie van de geurhinder gaat de overheid uit van verkeerde gegevens (m.n. van verouderde gegevens uit 1997), waardoor de geurhinder sterk overschat wordt. Bovendien wordt in het bestreden besluit ook over het hoofd gezien dat er op de gemeente Herzele geen klachten bekend zijn ingevolge geuroverlast van VII-25.087-23/28 verzoekster haar bedrijf, dat de woningen in de buurt van de Kruising Kampenstraat met de Holestraat gelegen zijn in een gunstige windrichting tov. het bedrijf van verzoekster, waardoor de mogelijkheid van geurhinder tot een minimum beperkt wordt én dat er tijdens de procedure administratief beroep een meer aangepaste erfbeplanting voorgesteld werd wat nogmaals het risico op geurhinder vermindert"; dat het tweede onderdeel, dat betrekking heeft op het groenscherm, luidt als volgt: "In het bestreden besluit wordt aangenomen dat het bedrijf momenteel een storende factor is in het landschap; dat er geen afdoende groenscherm volledig rond het bedrijf voorzien is. Dit is in strijd met wat vermeld wordt op p. 40 van het MER-rapport (...): Rond het bedrijf is een uitgebreid groenscherm aangelegd dat hoofdzakelijk bestaat uit populieren (inheems), japanse sierkers, schietwilgen (inheems) en coniferen. Zie ook p. 72 van het MER-rapport (...) : 'De reeds aangelegde beplanting zorgt voor een onttrekking van het bedrijf aan het zicht waardoor de visuele hinder beperkt wordt'. Zie ook p. 127 van het MER-rapport: 'Het bedrijf vormt, rekening houdend met het uitgebreide groenscherm, geen storend element in het landschap (zie ook foto’s 10 - 15). Er dringen zich bijgevolg geen noodzakelijke remediërende maatregelen op'. Bovendien heeft verzoekster hangende de procedure administratief beroep nog een voorstel ingediend om het groenscherm nog te verbeteren. (...)"; 2.4.
  8. Overwegende dat de verwerende partij, wat het eerste onderdeel betreft, antwoordt dat het bestreden besluit niet alleen steunt op de meetresultaten van 1997, maar ook op deze van 1999-2000, dat met beide resultaten rekening werd gehouden, gezien er geen zekerheid was omtrent de oorzaken voor de verschillende resultaten, dat volgens deze metingen nog een 45-tal woningen, gelegen in de richting van de overheersende zuidwestenwinden, zich bevinden binnen de 98- percentiel contour en dat in ieder geval dient te worden besloten dat minstens een relevant deel van de dorpskern van Borsbeke binnen de vermelde geurcontour valt; dat, wat het tweede onderdeel betreft, zij doet gelden wat volgt : "(...) In de omgeving van de inrichting liggen volgende gebieden - woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter op circa 175 m ten zuiden van de stallen; - woonuitbreidingsgebied op circa 250 m ten zuiden van de stallen; - natuurgebied op circa 200 m ten zuidwesten van de stallen. Uit het bestreden besluit blijkt : '(...)Overwegende dat binnen een straal van 1500 meter omheen het bedrijf, er 61 biologisch waardevolle gebieden gelegen zijn, waarvan er 18 als biologisch zeer waardevol zijn geklasseerd; Overwegende dat het MER duidelijk stelt (pag. 134-135) dat er voor drie van de zeven voornaamste biologisch waardevolle gebieden in de omgeving van het bedrijf, de kwaliteitsdoelstelling vermeld in het MINA- plan 2000 wordt overschreden;' VII-25.087-24/28 (...) Gelet op bovenstaande gegevens staat het vast dat de inrichting een storende factor is in het landschap. Tevens is volgens het milieu- effectenrapport de inrichting onvoldoende voorzien van groenbeplanting"; dat de verwerende partij, met betrekking tot de voornoemde snuffelmetingen, verwijst naar het arrest over de vordering tot schorsing; 2.4.
  9. Overwegende dat volgens de verzoekende partij, in haar memorie van wederantwoord, de 45 woningen aan het kruispunt Kampenstraat-Holestraat niet "een relevant deel van de dorpskern van Borsbeke" vormen, omdat ze niet in de dorpskern staan, maar langs een invalsweg naar de dorpskern en omdat in die woningen minder dan 7% van de totale bevolking woont; dat zij voorts stelt dat de ligging van een woning in de 98-geurpercentiel niet inhoudt dat deze woning voortdurend last heeft van geurhinder, wel dat zij gedurende 2% van de tijd (175 uren per jaar = 1 week/jaar), meer dan toelaatbare geurbelasting ondervindt, dat de 140 bezwaren van slechts 7,3% van de 1.909 inwoners van de deelgemeente Borsbeke komen, dat de gemeente Herzele 16.475 inwoners telt, dat buiten het openbaar onderzoek, geen klachten over geurhinder bekend zijn; dat aan de uiteenzetting van het tweede onderdeel niets meer wordt toegevoegd; 2.4.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat de 45 woningen die zich binnen de 98% geurpercentiel situeren, vrij dicht bij de rand gelegen zijn, dat aldus de werkelijkheid vrij goed aansluit bij haar stelling; 2.4.5.
  11. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat het bestreden besluit luidt als volgt : "Overwegende dat er volgens het MER (pag. 135) in 1997 een 15-tal snuffelmetingen zijn uitgevoerd i.o.v. AMINAL omheen deze inrichting; dat het gebied waarbinnen gedurende twee percent van een jaar een geur waarneembaar is afkomstig van het bedrijf, vrij aanzienlijk was; dat dit gebied zich uitstrekte in noord-noordoostelijke sector tot over een afstand van ong. 2.000 meter en in de zuidwestelijke sector tot een afstand van ongeveer 1.200 meter; dat de recentste snuffelmeting (1999-2000) een beduidend kleiner gebied aangeeft (...)"; dat daarop de verwerende partij haar opinie geeft over de oorzaak van de verschil- lende resultaten, te weten "(...) dat deze metingen in de winterperiode werden uitgevoerd, zijnde een periode met een geringere geurproductie", maar dat zij zich uiteindelijk steunt op de voor de aanvrager meest gunstige meting, waar zij stelt "dat in ieder geval dient besloten te worden dat minstens een relevant deel van de VII-25.087-25/28 dorpskern van Borsbeke binnen de vermelde geurcontour valt (...)"; dat in het MER een kaart steekt waarop de gebieden afgebakend aan de hand van de twee metingen zijn aangeduid en dat een deel van de dorpskern van Borsbeke binnen het kleinste gebied is gelegen; dat, uit die elementen samengenomen, blijkt dat wel degelijk rekening werd gehouden met de recentste en meer gunstige snuffelmetingen van 1999-2000; dat in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, uit de bij het MER gevoegde kaart blijkt dat de betrokken huizen in de dorpskern van Borsbeke wel degelijk in de ongunstige zuidwestelijke windrichting zijn gelegen; dat overigens de invloed van de overheersende windrichting reeds zijn weerslag vindt in de overgelegde meetresultaten; dat het gegeven dat er volgens het MER bij het gemeentebestuur geen klachten bekend zouden zijn over geurhinder, de meetresultaten niet weerlegt en ook niet wegneemt dat er tijdens het openbaar onderzoek 140 bezwaren werden ingediend; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat een verbetering van het groenscherm de geurhinder op doorslaggevende wijze zou verminderen; dat het enige wat relevant is voor dit weigeringsmotief de omstandigheid is dat er een aantal in woongebied gelegen woningen zijn waar de geurhinder onaanvaardbaar groot wordt geacht; dat de omstandigheid of men die woningen in de dorpskern dan wel in een invalsweg naar de dorpskern situeert, irrelevant is, evenals de vraag om welk percentage van de woningen van de deelgemeente het gaat; dat de argumentatie van de verzoekende partij met betrekking tot de ongeschiktheid van de 98%-percentiel om de geurhinder te evalueren, misleidend is omdat haar argumentatie enkel geldt voor een woning die op de grens van het aldus afgebakende gebied staat; dat woningen die dichter bij de inrichting staan, gedurende beduidend langere periodes onaanvaardbaar geachte geurhinder ondervinden; dat het hanteren van deze geurcontouren, overgenomen uit het door de verzoekende partij voorgelegde MER, niet kennelijk onredelijk is; dat het eerste onderdeel van het vierde middel niet gegrond is; 2.4.5.
  12. Overwegende dat, wat het groenscherm betreft, het MER en het bestreden besluit inderdaad met elkaar in tegenspraak zijn; dat, voor zover het beweerde gebrekkige groenscherm al als een weigeringsmotief zou zijn bedoeld, het een overtollig motief vormt dat niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; 2.5.
  13. Overwegende dat het vijfde middel het opschrift draagt "Schending van substantiële of op straffe van nietigverklaring voorgeschreven vormen; de motiveringsplicht"; dat het betoog van de verzoekende partij er op neerkomt dat uit de gegrondheid van het derde en het vierde middel volgt dat de wet VII-25.087-26/28 van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is geschonden; 2.5.
  14. Overwegende dat de verwerende partij verwijst naar hetgeen is uiteengezet bij de bespreking van het derde en het vierde middel; 2.5.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niets meer toevoegt aan hetgeen reeds in het verzoekschrift was uiteengezet; 2.5.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat bij de bespreking van het derde en het vierde middel tot nietigverklaring werd aangetoond dat noch het risico tot schade aan de natuur, noch het risico op geurhinder in redelijkheid kunnen worden weerhouden als motief om de hernieuwing van de milieuvergunning gedurende een termijn van één jaar op proef te weigeren, dat de verwerende partij in het bestreden besluit geen enkel ander argument heeft aangevoerd tot weigering van de hernieuwing van de milieuvergunning voor één jaar op proef, dat bijgevolg de weigering van de hernieuwing van de milieuvergunning gedurende een termijn van één jaar op proef niet is gemotiveerd; 2.5.
  17. Overwegende dat, aangezien het derde en het vierde middel niet gegrond zijn bevonden, het vijfde middel dat louter uit die middelen is afgeleid, eveneens ongegrond wordt bevonden, BESLUIT: Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. VII-25.087-27/28 Artikel
  19. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.087-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.873 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.