← België

Arrest 181883 - Media - 10/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.883 Rolnummer: A. 123516/XII-3591 Zaak: Arrest 181883 - Media - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.883 van 10 april 2008 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.883 van 10 april 2008 in de zaak A. 123.516/XII-

  1. In zake :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Senaat,
  3. de SENAAT, die woonplaats kiezen bij advocaat bij het Hof van Cassatie J. Verbist, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13 tegen : de VLAAMSE REGULATOR VOOR DE MEDIA, voorheen de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie. tussenkomende partij : de NV VLAAMSE MEDIAMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiest bij advocaat F. Van Elsen, kantoor houdende te Antwerpen, Uitbreidingstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift, ingediend op 5 juli 2002, waarbij namens de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Senaat, en namens de Senaat de nietigverklaring wordt gevorderd van “de beslissing van de Vlaamse Geschillenraad voor Radio en Televisie nr. 1/2002 van 24 april 2002 (rolnummer 41) inzake de Belgische Senaat tegen de VMM, waarbij de klacht van verzoekers niet ontvankelijk werd verklaard”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 22 oktober 2002; Gelet op de beschikking van 8 november 2002 die de tussenkomst van de Vlaamse Mediamaatschappij toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; XII-3591-1\14 Gelet op de beschikking van 7 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Bourquelle, die loco advocaat J. Verbist verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct van de directeur M. Chatelet, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. De Bock, die loco advocaat F. Van Elsen verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  5. Op 21 december 2001 wordt namens de Senaat, vertegenwoordigd door zijn voorzitter, bij de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie klacht ingediend tegen het televisieprogramma “Alloo Undercover” dat op 8 december 2001 om 21.45 u werd uitgezonden door VTM en dat handelde over de werking van de Senaat. De klager voert aan dat de informatie eenzijdig, tendentieus en misleidend is en dat de kijker op grond hiervan ertoe wordt gebracht te geloven dat de Senaat een nutteloze instelling is. XII-3591-2\14 Met de thans bestreden beslissing van 24 april 2002 verklaart de Geschillenraad de klacht niet ontvankelijk. De determinerende motieven van die beslissing luiden : “7.
  6. De Senaat is een grondwettelijke instelling zonder rechts- persoonlijkheid, onderscheiden van die van de Belgische Staat. De Grondwet schrijft uitdrukkelijk voor, dat elke Kamer bij het begin van iedere zitting haar voorzitter en haar ondervoorzitters benoemt en haar bureau samenstelt (artikel 52). De bevoegdheden van deze grondwettelijke organen worden onder meer bepaald in het reglement van elke Kamer, in uitvoering van artikel 60 van de Grondwet. Aangenomen moet worden, dat alle bevoegdheden en prerogatieven van de Senaat die niet door een wet of door het reglement aan de voorzitter of aan het bureau werden gedelegeerd, bij de voltallige Senaat berusten. In het reglement van de Senaat wordt de bevoegdheid om een klacht of een vordering aanhangig te maken namens de Senaat bij enig rechtsprekend of bestuurlijk orgaan niet toegekend aan het bureau, noch aan de voorzitter. Deze laatste is weliswaar bevoegd het woord te voeren uit naam van de Senaat (artikel 13, eerste lid, in fine). Deze algemene bepaling zou, ruim geïnterpreteerd, kunnen betekenen dat de voorzitter dit klachtrecht heeft, indien hij daartoe de opdracht heeft gekregen van de voltallige Senaat. Dit is te dezen niet het geval. Op de plenaire vergaderingen van 13, 19, 20 of 21 december 2001 kwam de reactie op de kwestieuze uitzending van VTM niet ter sprake. Evenmin werd het beroep op de Geschillenraad later door de Senaat bekrachtigd. 7.
  7. Hieruit leidt de Geschillenraad af dat de voorzitter of het bureau in de huidige stand van de regelgeving niet de vereiste hoedanigheid hebben om in naam en voor de Senaat op te treden voor de Geschillenraad”. De procedure
  8. Los van de hierna aan de orde te stellen vraag of het geding rechtsgeldig namens die partijen werd ingesteld, moet worden opgemerkt dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Senaat, en de Senaat slechts één verzoekende partij vormen. Er wordt immers niet betwist dat de Senaat geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft.
  9. Luidens artikel 17 van het decreet van 16 december 2005 houdende de oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse regulator voor de media en houdende wijziging van sommige bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, neemt de Vlaamse regulator voor de media alle rechten en plichten over van de Geschillenraad. De rechtsmacht van de Raad van State XII-3591-3\14 4.
  10. De verwerende partij werpt op dat de Raad van State niet bevoegd is om ten gronde van het beroep kennis te nemen, omdat de Geschillenraad geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en hij evenmin een administratief rechtscollege is in de zin van § 2 van dat artikel. Volgens verwerende partij is de Geschillenraad organiek een instelling of dienst die afhangt van het Vlaams Parlement. De leden van de Geschillenraad worden immers aangewezen door het Vlaams Parlement. De kredieten voor de werking van de Geschillenraad worden als dotatie door het Vlaams Parlement ter beschikking gesteld en komen niet ten laste van de begroting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering noch één van haar leden oefent enig bestuurlijk toezicht uit op de beslissingen van de Geschillenraad. De Geschillenraad stelt autonoom zijn huishoudelijk reglement op en dit reglement is niet aan de goedkeuring van de Vlaamse regering onderworpen. De inbreng van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in de werking van de Geschillenraad is beperkt tot de logistieke ondersteuning (correspondentieadres, vergaderruimte) en de terbeschikkingstelling van een ambtenaar die de functie van griffier uitoefent. De Geschillenraad is ook geen administratief rechtscollege. Zijn beslissingen hebben geen gezag van gewijsde. Hij doet geen uitspraak over geschillen over politieke rechten in de zin van artikel 145 van de Grondwet en ook niet in enig objectief contentieux. De decreetgever had overigens niet de bevoegdheid nieuwe administratieve rechtscolleges op te richten, zelfs niet met toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 4.
  11. In het auditoraatsverslag worden de argumenten in herinnering gebracht op grond waarvan een in identieke bewoordingen gestelde exceptie door de Raad van State werd verworpen bij arrest inzake VRT, nr. 160.106, van 15 juni 2006, om ook te dezen tot de rechtsmacht van de Raad van State te besluiten. Verwerende partij verwijst in haar laatste memorie met betrekking tot de rechtsmacht van de Raad enkel naar haar vorige stukken. De Raad van State ziet geen reden om voor deze zaak anders over zijn rechtsmacht te oordelen dan voorheen. De verwerende partij moet worden aangemerkt als een in artikel 14, § 1, XII-3591-4\14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde administratieve overheid. De exceptie wordt verworpen. XII-3591-5\14 De ontvankelijkheid van het beroep 5.
  12. In een eerste ontvankelijkheidsexceptie werpt de verwerende partij op dat de voorzitter van de Senaat, zelfs met machtiging van het bureau, niet de bevoegdheid heeft om een beroep tot vernietiging bij de Raad van State in te stellen namens de Senaat en a fortiori niet namens de Belgische Staat. Volgens de verwerende partij kan de voorzitter of de voorzitter in opdracht van het bureau de Senaat slechts vertegenwoordigen op voorwaarde dat de voltallige Senaat bij gewone meerderheid de opdracht heeft gegeven tot het instellen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State. Van die regel kan slechts worden afgeweken krachtens een uitdrukkelijke en voor eenieder toegankelijke rechtsregel. Het reglement van de Senaat verleent noch aan de voorzitter noch aan het bureau de bevoegdheid om namens de Senaat een klacht of een vordering bij enig rechtsprekend of ander orgaan aanhangig te maken. Bovendien kan ook uit artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek niet worden afgeleid dat de voorzitter gemachtigd is om zonder opdracht van de Senaat een beroep tot vernietiging bij de Raad van State of een andere vordering bij een rechtbank in te stellen namens de Senaat of namens de Belgische Staat. Ook de tussenkomende partij is van oordeel dat de voorzitter noch alleen handelend, noch handelend in samenspraak met het vast bureau bevoegd is om namens de Senaat rechtsvorderingen in te dienen. 5.
  13. Op het ogenblik van het instellen van het beroep bepaalde artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek wat volgt : “De betekeningen worden gedaan : 1/ aan de Staat, op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar, indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de griffie van de betrokken vergadering, onverminderd de in artikel 705 gestelde regels; [...] De natuurlijke personen, organen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat, zijn de voorzitters ervan, of de griffier wanneer de vergadering ontbonden is of verdaagd of wanneer de zitting gesloten is”. Artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek luidt : “Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen”. XII-3591-6\14 5.
  14. Het instellen van rechtsvorderingen door de federale wetgevende kamers wordt thans geregeld door de wet van 26 mei 2003 tot regeling van de vertegenwoordiging van de federale wetgevende kamers in en buiten rechte. Artikel 2, tweede lid, van die wet bepaalt dat de rechtsgedingen door de wetgevende kamers namens de Staat als eiser of als verweerder worden gevoerd ten verzoeke van de voorzitter of, wanneer de assemblee ontbonden dan wel verdaagd is of wanneer de zitting gesloten is, van de griffier. Alhoewel het annulatieberoep dateert van voor de wet van 26 mei 2003 is de parlementaire voorbereiding van die wet verhelderend voor de interpretatie die aan de voormelde artikelen 42 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek moet worden gegeven. In de toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de wet van 26 mei 2003 heeft geleid, werd in verband met het optreden in rechte van de federale wetgevende kamers onder meer het volgende gesteld : “Wanneer de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat als eisende partij optreden, is de situatie minder duidelijk. Er is ook bijna geen jurisprudentie in deze. Artikel 42, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt evenwel dat ‘de natuurlijke personen, organen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat, zijn de voorzitters ervan, of de griffier wanneer de vergadering ontbonden is of verdaagd of wanneer de zitting gesloten is’. Samengelezen met artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek, volgens welke bepaling ‘rechtspersonen in rechte optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen’, volgt daaruit dat de voorzitters van de Kamer en van de Senaat de vereiste hoedanigheid hebben om in naam van respectievelijk de Kamer en van de Senaat in rechte op te treden. Artikel 42, tweede lid, juncto artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek verleent aan de voorzitters van de Kamer en van de Senaat niet enkel de bevoegdheid om hun respectieve wetgevende vergadering in rechte te vertegenwoordigen, maar eveneens de bevoegdheid om de beslissing te nemen om de vordering in te stellen. Geen enkele wettelijke bepaling schrijft immers voor dat de voorzitters gemachtigd moeten worden, bv. door het bureau of de plenaire vergadering om in naam van hun wetgevende vergadering in rechte op te kunnen treden”. Het voormeld artikel 2, tweede lid, van de wet wordt in de toelichting als volgt verduidelijkt : “De voorzitters van de Kamer en van de Senaat hebben niet enkel de bevoegdheid om hun respectieve wetgevende vergadering in rechte te vertegenwoordigen, maar eveneens de bevoegdheid om de beslissing te nemen om de vordering in te stellen. Deze bevoegdheid betreft bovendien alle procedure-handelingen (bv. beslissing om hoger beroep in te stellen of om bijkomende conclusies in te dienen). Het gaat hier om een bevestiging, maar tevens om een verduidelijking van de bestaande regeling”. XII-3591-7\14 Bij artikel 3 van dezelfde wet werd het tweede lid van artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek opgeheven. De toelichting bij het wetsvoorstel stelt daaromtrent het volgende : “In artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het tweede lid opgeheven. Zoals hierboven werd opgemerkt moet deze bepaling worden samengelezen met artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek. Zodoende bepaalt artikel 42, tweede lid, juncto artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek dat de voorzitter, of de griffier, de assemblee in rechte vertegenwoordigen. Dit wordt nu echter in algemene termen geregeld in artikel 2 van dit wetsvoorstel. Bijgevolg kan het tweede lid van artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek worden opgeheven, zonder dat dit enige wijziging inhoudt van de bestaande situatie”. Deze toelichting werd bij de bespreking van het wetsvoorstel niet tegengesproken. De parlementaire voorbereiding van de wet van 26 mei 2003 laat derhalve toe te besluiten dat uit de lezing van het thans opgeheven artikel 42, tweede lid, in samenhang met artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek, volgt dat de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat niet enkel bevoegd zijn om hun respectieve wetgevende vergadering in rechte te vertegenwoordigen, maar dat zij eveneens bevoegd zijn om de beslissing te nemen om de vordering in te stellen. De voorzitters kunnen namens hun wetgevende vergadering in rechte treden zonder dat zij daartoe door het bureau of de plenaire vergadering gemachtigd moeten worden. 5.
  15. Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. Zelfs aangenomen dat het Gerechtelijk Wetboek niet van directe toepassing is op de Raad van State, toch kunnen de regelen van burgerlijk proces- recht als regelen van aanvullend recht worden beschouwd indien voor een bepaald aspect van de procesvoering voor de Raad van State geen eigen regeling bestaat. Aangezien terzake voor de Raad van State geen specifieke regeling bestaat, dient overeenkomstig de artikelen 42, tweede lid, en 703 van het Gerechtelijk Wetboek te worden aangenomen dat de voorzitter van de Senaat over de vereiste hoedanigheid beschikte om het vernietigingsberoep namens die instelling bij de Raad van State in te stellen. XII-3591-8\14 De besproken exceptie van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.
  16. Verwerende partij werpt nog als excepties op, eensdeels, dat het voorwerp van het beroep geen aanvechtbare rechtshandeling is en, anderdeels, dat verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep. In het auditoraatsverslag wordt na beredeneerd onderzoek van de beide excepties besloten dat ze dienen te worden verworpen. Nu verwerende partij in de laatste memorie deze excepties niet meer te berde brengt en al zeker geen tegenargumenten formuleert, wordt aangenomen dat zij niet langer aandringt. De Raad ziet overigens geen reden om het belang van verzoekende partij of de aanvechtbaarheid van de bestreden beslissing ambtshalve in vraag te stellen. De gegrondheid van het beroep Uiteenzetting van het middel
  17. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 17, 42 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 116octies decies, § 2, van de mediadecreten 1995 en van artikel 2, 2/, van het Reglement van orde en procedure van de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie van 17 mei
  18. Zij ontwikkelt het middel als volgt : “Artikel 116octies decies, § 2, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995, bepaalt dat eenieder die blijk geeft van een benadeling of een belang op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk de vijftiende dag na de datum van de uitzending van het programma, een betwisting aanhangig kan maken bij de voorzitter van de Geschillenraad via een aangetekend verzonden verzoekschrift. Artikel 2 van het Reglement van orde en procedure van de Vlaamse Geschillenraad voor Radio en televisie van 17 mei 2000 bepaalt dat een klacht die bij de Geschillenraad wordt ingediend, om onontvankelijk te zijn, aan de volgende voorwaarden moet beantwoorden : [...] 2/ de naam, de hoedanigheid en het adres van de klager vermelden. Nu noch de gecoördineerde decreten, noch het Reglement van orde en procedure, noch enige andere bepaling, een bijzondere bepaling met betrekking tot de hoedanigheid van de klager bevatten, is het gemeen recht van toepassing. XII-3591-9\14 Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Opdat een vereniging in rechte zou kunnen optreden is vereist dat deze rechtspersoonlijkheid bezit. Overeenkomstig artikel 703, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek treedt de rechtspersoon in rechte op door tussenkomst van zijn bevoegde organen. De handelingen van het orgaan gelden als handelingen van de rechtspersoon zelf. Indien geen enkele bepaling voorschrijft dat het orgaan een machtiging dient te bekomen om in rechte op te treden, moet het orgaan niet van enige machtiging doen blijken. Zelfs in de gevallen waar een machtiging vereist is doet het gebrek aan machtiging overigens geen afbreuk aan de hoedanigheid om in rechte op te treden. In rechtspraak en rechtsleer wordt aangenomen dat de wetgevende kamers niet over rechtspersoonlijkheid beschikken. Derhalve dient de Belgische Staat als eiser of als verweerder in een rechtsgeding op te treden. Artikel 42, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt verder dat: ‘De natuurlijke personen, organen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat, zijn de voorzitters ervan, of de griffier wanneer de vergadering ontbonden is of verdaagd of wanneer de zitting gesloten is.’ Artikel 42, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt aldus in algemene bewoordingen dat de voorzitter het orgaan van de Senaat is. Uit de samenlezing van de artikelen 42 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de voorzitter de vereiste hoedanigheid heeft om in naam van de Senaat in rechte te treden. Zijn handelingen gelden als de handelingen van de Senaat zelf. Artikel 42, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek verleent aan de voorzitter niet enkel de bevoegdheid om de Senaat in rechte te vertegenwoordigen, maar eveneens de bevoegdheid om de beslissing te nemen om de vordering in te stellen. Nu verder geen enkele bepaling voorschrijft dat de voorzitter gemachtigd moet worden om in naam van de Senaat in rechte te treden, dient hij niet van een dergelijke machtiging te doen blijken. A fortiori kan de voorzitter namens de Senaat optreden voor het indienen van een klacht bij een administratieve overheid. Door te beslissen dat de klacht niet ontvankelijk is, op grond dat de voorzitter, die namens de Senaat een klacht indiende, hiertoe vanwege de voltallige Senaat geen opdracht heeft gekregen, schendt de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen”. In haar memorie van wederantwoord beklemtoont verzoekende partij vooreerst dat de procedure voor de Geschillenraad beschouwd moet worden als een rechtspleging in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 42, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft volgens haar overigens een algemene draagwijdte en is niet beperkt tot de rechtsplegingen in de strikte zin XII-3591-10\14 van het woord. Door de voorzitter van de Senaat aan te wijzen als orgaan en hem aldus de bevoegdheid te verlenen om in rechte op te treden, als eiser of als verweerder, kent artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek de voorzitter eveneens de macht toe de beslissing te nemen om in rechte op te treden. In haar laatste memorie argumenteert verzoekende partij dat artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op alle rechtsplegingen, dus ook wanneer een administratieve overheid uitspraak doet over een betwisting en zij hiervoor een welbepaalde procedure volgt. Zij ziet een bevestiging van die zienswijze in het arrest van 1 juni 2006 waarin het Hof van Cassatie besloot dat de evaluatie van magistraten door het college van evaluatoren-magistraten een rechts- pleging is in de zin van voormeld artikel
  19. Dat de Geschillenraad geen rechts- college is, neemt niet weg dat de voor die raad gevoerde procedure jurisdictioneel van aard is en een rechtspleging in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Subsidiair herhaalt verzoekende partij dat artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek een algemene draagwijdte heeft. Beoordeling
  20. Luidens het aangevoerde artikel 116octies decies, § 2, van de gecoördineerde mediadecreten

(1995)kan eenieder die blijk geeft van een benadeling of een belang op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk de vijftiende dag na de datum van de uitzending van het programma, een betwisting aanhangig maken bij de voorzitter van de Geschillenraad via een aangetekend verzonden verzoekschrift. Artikel 2 van het reglement van orde en procedure van de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie van 17 mei 2000 bepaalt dat een klacht die bij de Geschillenraad wordt ingediend, om ontvankelijk te zijn, onder meer “de naam, de hoedanigheid en het adres van de klager” moet vermelden. Aan die bepalingen ontleent de Geschillenraad de bevoegdheid om de ontvankelijkheid van de klacht, inzonderheid het belang en de hoedanigheid van de klager, te onderzoeken. De genoemde bepalingen geven echter geen uitsluitsel over de vraag welk orgaan bevoegd is om namens een rechtspersoon een klacht bij de Geschillenraad in te dienen. XII-3591-11\14
  1. Bij het onderzoek van de ontvankelijkheid hiervoor, werd vast- gesteld dat uit de lezing van het thans opgeheven artikel 42, tweede lid, in samenhang met artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de voorzitter van de Senaat niet enkel bevoegd was om de Senaat in rechte te vertegenwoordigen, maar dat hij eveneens bevoegd was om de beslissing te nemen om de vordering in te stellen. Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet-uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. De bepalingen van artikel 42, tweede lid, en artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek gelden derhalve in principe ook in andere “rechtsplegingen” dan die waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet, zo bijvoorbeeld wanneer de Senaat voor een administratief rechtscollege in rechte treedt. Zij gelden daarentegen niet wanneer de Senaat in een niet- jurisdictionele procedure optreedt.
  2. Dat artikel 42, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek geen algemene draagwijdte heeft werd impliciet bevestigd bij de parlementaire voorbereiding van de reeds meermaals vermelde wet van 26 mei
  3. Artikel 2, derde lid, van die wet bepaalt: “Het orgaan bevoegd om, namens de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, buiten rechte op te treden wordt aangewezen door het reglement van de assemblee”. De regel dat de wetgevende vergadering door de voorzitter vertegenwoordigd wordt, geldt derhalve alleen voor het optreden in rechte en heeft geen algemene draagwijdte. Zoals hiervoor reeds werd vermeld, werd artikel 42, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek door de wet van 26 mei 2003 opgeheven. Luidens de hiervoor geciteerde toelichting bij het wetsvoorstel houdt die opheffing geen wijziging in van de bestaande situatie. Het wetsvoorstel gaat er derhalve van uit dat de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat krachtens artikel 42, tweede lid, bevoegd waren om namens hun assemblee in rechte op te treden, maar dat die bepaling hun niet de bevoegdheid verleende om namens de XII-3591-12\14 Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat buiten rechte op te treden. Artikel 42, tweede lid, heeft met andere woorden geen algemene draagwijdte. Was dat wel zo dan zou de opheffing van artikel 42, tweede lid, wel een wijziging hebben ingehouden van de bestaande situatie, meer bepaald de afschaffing van de wettelijke bevoegdheid van de voorzitters om namens de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat buiten rechte op te treden. Niets wijst er op dat de wetgever met artikel 2, derde lid, van de wet van 26 mei 2003 de voorzitters van de federale wetgevende vergaderingen wettelijke bevoegdheden in verband met de vertegenwoordiging van die vergaderingen buiten rechte heeft willen ontnemen.
  4. Het indienen van een klacht bij de Geschillenraad kan niet beschouwd worden als een “rechtspleging” in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De Geschillenraad is geen administratief rechtscollege maar een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Artikel 2 is niet van toepassing op de procedure voor een orgaan van het actief bestuur, zelfs niet in het kader van een administratief beroep. Het feit dat de Geschillenraad uitspraak doet over een betwisting en een sanctie kan opleggen doet daaraan geen afbreuk. De artikelen 42, tweede lid, en 703 van het Gerechtelijk Wetboek waren derhalve in de onderhavige zaak niet van toepassing. Het enig middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Belgische Senaat. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-3591-13\14 Het door de verzoekende partij teveel gekweten zegelrecht van 175 euro dient haar te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3591-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.883 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.