← België

Arrest 181884 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.884 Rolnummer: A. 125195/XII-3621 Zaak: Arrest 181884 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.884 van 10 april 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.884 van 10 april 2008 in de zaak A. 125.195/XII-

  1. In zake : de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE, die woonplaats kiest bij advocaten A. Verriest en E. Jacubowitz, kantoor houdende te Brussel, Tedescolaan 7 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat W. Muls, kantoor houdende te Brussel, A. Dansaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Sint-Genesius-Rode op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 juni 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden houdende vernietiging van het besluit van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode houdende benoeming in vast verband van Sabine Santacreu als onderwijzeres voor 24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool met ingang van 1 januari 2002; Gelet op het arrest nr. 169.398 van 27 maart 2007 waarbij de debatten worden heropend en de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend auditoraatsverslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3621-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Maeyer, die loco advocaat A. Verriest verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. Staelens, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  3. Bij besluit van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van Sint- Genesius-Rode wordt Sabine Santacreu, geboren te Beaune (Frankrijk), vast benoemd als onderwijzeres aan de Franstalige gemeentelijke basisschool Vredelaan met een opdracht van 24 lestijden en dit met ingang van 1 januari
  4. Bij besluit van 21 maart 2002 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant wordt het raadsbesluit van 29 januari 2002 houdende benoeming van S. Santacreu in zijn uitvoering geschorst, op grond van de overweging dat het betrokken personeelslid noch in het bezit is van het vereiste diploma waaruit blijkt dat zij het onderwijs in het Nederlands heeft genoten, noch van een getuigschrift van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door Selor, en de gemeenteraadsbeslissing houdende haar benoeming in vast verband derhalve strijdig is met de terzake geldende taalwetten. Op 18 april 2002 beslist de gemeenteraad kennis te nemen van het schorsingsbesluit van 21 maart 2002 en zijn beslissing van 29 januari 2002 te handhaven. Bij het thans bestreden besluit van 11 juni 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden wordt het besluit van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode houdende benoeming in vast verband van S. Santacreu tot onderwijzeres voor 24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool vanaf 1 januari 2002, vernietigd. XII-3621-2/6 De gegrondheid van het beroep 2.
  5. In het tussenarrest nr. 140.805 van 17 februari 2005 heeft de Raad van State vastgesteld dat in het inleidend verzoekschrift twee middelen worden aangevoerd, waarbij het eerste middel drie onderdelen omvat. In datzelfde arrest worden vervolgens het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel verworpen. Ook het eerste middelonderdeel wordt ongegrond verklaard en het tweede middel wordt verworpen, evenwel onder voorbehoud van het antwoord dat gegeven zal worden door het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, op de aan dit Hof voor te leggen prejudiciële vragen. 2.
  6. De prejudiciële vragen hebben een antwoord gekregen bij arrest nr. 65/2006 van 3 mei
  7. 2.
  8. Het met het aanvullend onderzoek aangewezen lid van het auditoraat besluit in zijn aanvullend verslag met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel : “Nu de grondwettigheid van de in het arrest nr. 140.803 van 17 februari 2005 gegeven - en in het onderhavig tussenarrest nr. 140.805 van 17 februari 2005 bijgevallen - interpretatie van de artikelen 1, § 1, 1/, 23 en 27, eerste lid van de bestuurstaalwet is komen vast te staan, is, a fortiori, het eerste onderdeel van het eerste middel, omwille van de redenen die de Raad van State uitvoerig in zijn arrest nr. 140.803 van 17 februari 2005 heeft uiteengezet, niet gegrond”. Hij besluit met betrekking tot het tweede middel : “Nu is komen vast te staan dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is, is, a fortiori, meteen ook komen vast te staan dat, omwille van de redenen die de Raad van State reeds in zijn tussenarrest nr. 140.805 heeft uiteengezet, het tweede middel niet tot nietigverklaring kan leiden”. 2.
  9. In haar laatste memorie stelt verzoekster vast dat, op basis van de inhoud van voormelde arresten van de Raad van State en van het Grondwettelijk Hof “tegen de beoordeling van de opgeworpen middelen door het Auditoraat weinig in te brengen [valt] en het advies van het Auditoraat lijkt op dat punt correct te zijn”. Dat is inderdaad het geval.
  10. Toch ontwapent verzoekster niet. Zij meent immers in de overwegingen B.27.1 tot B.27.3 van het arrest nr. 65/2006 van het Grondwettelijk Hof munitie te vinden om een nieuw middel aan te voeren, dat haar inziens de XII-3621-3/6 openbare orde raakt. Dit nieuwe middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel, en uit machtsoverschrijding, aangezien in de bestuurstaalwet geen mogelijkheid wordt geboden om S. Santacreu aan een aangepast niveau van taalkennis te toetsen, gelet op de aard van de door haar uitgeoefende functie. Verzoekster verzoekt om desgevallend een nieuwe vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. 4.
  11. Vooreerst merkt de Raad van State op dat noch het gelijkheidsbeginsel, noch de formele-motiveringsplicht, noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geacht worden de openbare orde te raken, zodat alleen reeds daarom het middel moet worden afgewezen als laattijdig en dus onontvankelijk. 4.
  12. Daarenboven merkt de Raad nog op dat het Grondwettelijk Hof wel geoordeeld heeft dat artikel 53 van de bestuurstaalwet -dat de bewijsvoering van de taalkennis regelt- niet in overeenstemming is met de Grondwet. Het Hof heeft evenwel evenzeer voor recht gezegd dat artikel 27 van de bestuurstaalwet -dat de taalkennis zelf regelt- noch artikel 24, noch artikel 30 van de Grondwet schendt, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen. Naar de eis van dit artikel 27 van de bestuurstaalwet kan in de plaatselijke diensten van de randgemeenten niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden indien hij de Nederlandse taal niet kent. Mét het Grondwettelijk Hof, overweging B.10, stelt de Raad vast : “Als basisbeginsel geldt hoe dan ook dat elke kandidaat voor een dergelijk ambt of betrekking dient aan te tonen, op basis van de vereiste diploma's of studiegetuigschriften, dat hij zijn onderwijs in het Nederlands heeft genoten of, bij ontstentenis ervan, dat zijn taalkennis reeds door een examen is bewezen”. Verzoekster bewijst geenszins dat door S. Santacreu op het ogenblik van haar benoeming, op welke wijze ook de kennis van de Nederlandse taal “reeds door een examen is bewezen”. Integendeel, in het tussenarrest van 17 februari 2005 wordt in het feitenrelaas opgemerkt : “Tussen partijen wordt niet betwist dat S. Santacreu niet beschikt hetzij over een diploma of getuigschrift waaruit zou blijken dat zij haar onderwijs in het XII-3621-4/6 Nederlands heeft genoten of waaruit anderszins de kennis van deze taal blijkt, hetzij over enig ander getuigschrift of bewijs van enige kennis van het Nederlands door een examen”. Meer nog : verzoekster levert zelfs geen begin van bewijs dat S. Santacreu toentertijd ook maar enige noties van het Nederlands had kúnnen bewijzen. In hetzelfde arrest merkt de Raad immers nog op (randnummer 3.1.1.) dat “niet [wordt] aangevoerd, laat staan aangetoond, dat S. Santacreu op het ogenblik van haar benoeming de Nederlandse taal kent” en, nogmaals (randnummer 3.2.2.), dat “S. Santacreu niet aan de vereisten van artikel 27 van de bestuurstaalwet voldoet en dat dit laatste als feitelijk gegeven niet wordt tegengesproken”. Tot heden spreekt verzoekster dat nog steeds niet tegen.
  13. Nu S. Santacreu op het ogenblik van haar benoeming hoe dan ook niet voldeed aan artikel 27 van de bestuurstaalwet, kan verzoekster geen baat hebben bij een middel dat een lacune in de wetgeving aanklaagt voor hen die wél aan de taalkennisvereiste voldoen, maar beweerdelijk niet in staat zouden zijn om zulks ter dege door een examen te bewijzen. Zelfs als het nieuwe middel tijdig ware geweest, kan het niet tot nietigverklaring leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XII-3621-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3621-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.884 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.805 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.