id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.885 Rolnummer: A. 135039/XII-3827 Zaak: Arrest 181885 - Media - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.885 van 10 april 2008 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.885 van 10 april 2008 in de zaak A. 135.039/XII-
- In zake : de NV VLAAMSE RADIO- EN TELEVISIEOMROEP, die woonplaats kiest bij advocaten D. Lindemans en F. De Preter, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen :
- de VLAAMSE KIJK- EN LUISTERRAAD VOOR RADIO EN TELEVISIE, thans DE VLAAMSE REGULATOR VOOR DE MEDIA,
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Vlaamse radio- en Televisieomroep (VRT) op 3 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “de beslissing van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad voor Radio en Televisie van 4 februari 2003 waarbij de klacht van de heer Ludwig Caluwé in verband met het op 26 december 2002 uitgezonden Radio 1 programma ‘Café Terminus’, inzonderheid met betrekking tot het onderdeel van het programma waarbij de heer Chris Dusauchoit, als gast in het programma, zich uitspreekt over de moord op Pim Fortuyn, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, en aan de openbare omroep VRT de verplichting wordt opgelegd om deze uitspraak uit te zenden”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; XII-3827-1/20 Gelet op de beschikking van 7 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. De Preter, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Op 26 december 2003 wordt door Radio 1 tussen 11 en 13 uur het programma “Café Terminus” uitgezonden, gepresenteerd door Ben Crabbé. In dat programma was Chris Dusauchoit te gast, bij het publiek evenzeer bekend als VRT- presentator. Kort voor de nieuwsuitzending van 13 uur wordt tussen beiden het volgende gesprek gevoerd : - Ben Crabbé: “Waar ben je hard van geschrokken dit jaar ?” - Chris Dusauchoit: “Waar ik hard van geschrokken was, Ben, was het plotse heengaan van de heer Fortuyn, Pim.” - Ben Crabbé: “Dat was niet zo om te lachen, hé?” - Chris Dusauchoit: “Euh ... wel laat me zeggen dat ik daar toch een kleine bedenking bij had. Ik herinner mij dat toen het nieuws mij bereikte - ik was aan het koken - en ik had er toch geen slecht gevoel bij. Ik dacht van : erger kwaad is voorkomen.” - Ben Crabbé: “Meen je dat nu echt?” XII-3827-2/20 - Chris Dusauchoit: “Ja dat meen ik echt. Ik dacht, eigenlijk dacht ik om eerlijk te zijn: one down, twenty to go. Het heeft mij verwonderd dat de zaak zo snel geïmplodeerd is.” (stilte) - Ben Crabbé: “Ik zwijg ...” - Chris Dusauchoit: “Ja, het wordt stil op de radio.” - Ben Crabbé: “... om te zien wat je daar verder op gaat zeggen.” - Chris Dusauchoit: “Ik vond dat daarmee de zaak snel was afgehandeld.” - Ben Crabbé: “Daar kun je je toch nooit achter scharen ?” - Chris Dusauchoit: “Nee natuurlijk niet.” - Ben Crabbé: “Een politieke moord, dat kan toch niet ?” - Chris Dusauchoit: “Nee natuurlijk niet. Maar ik vond het toch, laat ons zeggen, een oplossing waar ik op termijn misschien toch de positieve kanten van ga inzien”. 1.
- Op 7 januari 2003 dient Vlaams volksvertegenwoordiger Ludwig Caluwé bij de Vlaamse Kijk- en Luisterraad voor radio en televisie klacht in tegen de uitspraken van de heer Dusauchoit. Die klacht wordt als volgt gemotiveerd : “De woorden van de heer Dusauchoit kunnen duidelijk geïnterpreteerd worden als een oproep tot geweld tegen mensen met wiens ideeën men het niet eens is. In die zin kunnen deze woorden schade toebrengen aan de mentale ontwikkeling van minderjarigen. Dat de heer Dusauchoit presentator is van programma’s die gericht zijn op kinderen en jongeren of die door een groot aantal kinderen bekeken worden, vormt daarbij een verzwarende omstandigheid. Ik denk bijvoorbeeld aan ‘Huisje Weltevree’ en aan ‘Dieren in Nesten’. Hierdoor kunnen zijn woorden, ook al zijn ze dan geuit in andere programma’s, bij kinderen en jongeren een grotere invloed hebben. Daarom lijken mij zijn verklaringen op 26 december in strijd met artikel 78 §1 van de gecoördineerde mediadecreten. Op grond hiervan leg ik dan ook formeel bij u klacht neer als volksvertegenwoordiger, als burger en als vader tegen de betrokkene en tegen de VRT, uitzender van de verklaringen en werkgever van de betrokkene”. Nadat hij van de klacht in kennis werd gesteld, antwoordt de VRT met een brief van 20 januari 2003 dat de klacht niet ontvankelijk is omdat de klager geen belang of benadeling aantoont. De VRT wijst er op dat het programma “Café Terminus” zich richt tot een volwassen publiek en het zo goed als uitgesloten is dat minderjarigen van de controversiële uitspraken kennis hebben genomen. De VRT betwist ook dat in het programma werd opgeroepen tot geweld ten aanzien van personen met wier ideeën men het niet eens is. 1.
- Op 4 februari 2003 worden de vertegenwoordigers van de klager en de VRT door de Vlaamse Kijk- en Luisterraad gehoord. Eveneens op 4 februari 2003 neemt de Vlaamse Kijk- en Luisterraad de volgende beslissing : XII-3827-3/20 “
- De klager voert aan dat de woorden van de heer Dusauchoit kunnen worden geïnterpreteerd als een oproep tot geweld ten aanzien van personen met wiens ideeën men het niet eens is. Dat de heer Dusauchoit presentator is van programma’s die gericht zijn op kinderen en jongeren of die door een groot aantal kinderen en jongeren bekeken worden, vormt hierbij een bezwarende omstandigheid. De klager is van mening dat hierdoor zijn woorden, ook al zijn deze geuit in een programma dat zich niet specifiek op kinderen richt, bij kinderen en jongeren een grote invloed kunnen hebben. Hij voegt hier nog aan toe dat de bewuste uitzending plaatsvond op een tijdstip dat kinderen kunnen meeluisteren. Hij voegt hier nog aan toe dat de heer Dusauchoit werknemer is bij de VRT en dus niet zomaar als een toevallige gast in het programma kan worden beschouwd. De klacht werd door de klager ingediend als vader en als volksvertegenwoordiger. De klager stelt zich hierbij de vraag in hoeverre een politicus nog vrijuit voor zijn mening kan uitkomen zonder daarbij het risico te lopen te worden vermoord.
- De verwerende partij voert aan dat de klacht onontvankelijk is daar geen persoonlijk belang wordt aangetoond. De VRT betreurt de uitspraken van de heer Dusauchoit, maar is echter niet van oordeel dat dit programma een inbreuk vormt op de mediaregelgeving. De VRT wijst erop dat het hier ging om een live-uitzending en dat de geviseerde uitspraken omtrent het overlijden van de heer Fortuyn door de interviewer onmiddellijk in vraag werden gesteld. Radio 1 heeft geen profiel voor kinderen, de VRT acht het dan ook quasi uitgesloten dat veel kinderen van deze uitspraken kennis hebben genomen. Volgens de VRT moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verantwoordelijkheid van de omroep en deze van de gast. BESLISSING VAN DE RAAD: De klacht zoals deze is ingediend is ontvankelijk om reden dat de klager als volksvertegenwoordiger en als vader wel degelijk belang heeft bij de uitspraken uit de gewraakte uitzending. De klacht is ook gegrond om reden dat de VRT als openbare omroep de verantwoordelijkheid draagt over de inhoud van de uitzending en de wijze waarop de uitzending overkomt bij het publiek. Het betrokken programma dat voor iedereen toegankelijk is, ook voor kinderen, is wel degelijk van die aard om de geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig aan te tasten in het kader van nodeloos geweld. Rekening gehouden met de omvang en de wijze van de gewraakte inbreuk dringt zich een sanctie op. Deze sanctie bestaat erin dat aan de openbare omroep de verplichting wordt opgelegd deze uitspraak van de Kijk- en Luisterraad uit te zenden, op kosten van de omroep zelf, en legt op dat deze uitzending dient te gebeuren in een nieuwsuitzending, zo dicht mogelijk bij het tijdstip van uitzending van de gewraakte uitzending en dit binnen de 10 dagen na kennisgeving van deze beslissing. OM DIE REDENEN: De klacht is ontvankelijk en gegrond. De Kijk- en Luisterraad legt aan de openbare omroep VRT de verplichting op deze uitspraak uit te zenden op kosten van de omroep zelf en legt op dat deze uitzending van de uitspraak dient te gebeuren in een nieuwsuitzending, zo dicht mogelijk bij het tijdstip van de uitzending van de gewraakte uitzending en dit binnen de 10 dagen na kennisgeving van deze beslissing”. XII-3827-4/20 Het is van deze beslissing dat de nietigverklaring gevorderd wordt. XII-3827-5/20 De procedure
- Luidens artikel 17 van het decreet van 16 december 2005 houdende de oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse regulator voor de media en houdende wijziging van sommige bepalingen betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, neemt de Vlaamse regulator voor de media alle rechten en plichten over van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad voor radio en televisie. Bijgevolg dient thans de Vlaamse regulator voor de media als verwerende partij in de zaak te worden betrokken en moet de Vlaamse Gemeenschap buiten de zaak worden gesteld. De rechtsmacht van de Raad van State
- In de memorie van antwoord werpt verwerende partij op dat de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van het voorliggend beroep. In haar laatste memorie stelt zij evenwel ’s Raads rechtsmacht niet meer te betwisten en zich niet op enige exceptie te beroepen om zich aan het toezicht van de Raad van State te onttrekken. Hetgeen de Raad als een afstand van de exceptie noteert, zoals de verwerende partij ter terechtzitting overigens bevestigt. De ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt op dat verzoekende partij geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat die beslissing door de uitzending van de uitspraak van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad volledig werd uitgevoerd. Verzoekster heeft zelfs geen poging ondernomen om de beslissing geschorst te zien worden en zij heeft daarenboven in een persbericht kunnen aangeven het niet eens te zijn met de wijze waarop de Vlaamse Kijk- en Luisterraad zijn toezichtsbevoegdheid had uitgeoefend. Inhoudelijk betreurt verzoekster de verklaring van Chris Dusauchoit en distantieert zij zich ervan. Ook in de aard van de ingeroepen rechtsmiddelen bespeurt verwerende partij niets dat het bestaan van een bijzonder moreel nadeel kan doen vermoeden. Er valt niet in te zien welk moreel belang door een nietigverklaring nog gediend wordt: het enige morele leed lijkt dat verzoekster moet omroepen dat een ander orgaan zegt wat zijzelf eigenlijk ook vindt. XII-3827-6/20 XII-3827-7/20 4.
- De Vlaamse Kijk- en Luisterraad voor radio en televisie werd opgericht bij decreet van 30 maart 1999 houdende wijziging van de artikelen 78 en 79 van de decreten betreffende de radio- en televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995 (ofschoon de mediadecreten op 4 maart 2005 opnieuw zijn gecoördineerd, wordt hierna met de verwijzing naar “de gecoördineerde mediadecreten” de op 25 januari 1995 bedoelde coördinatie bedoeld, in de versie van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing). Luidens artikel 116nonies decies van de gecoördineerde media- decreten doet de Vlaamse Kijk- en Luisterraad uitspraak naar aanleiding van de toepassing van artikel 78, § 1, van de gecoördineerde mediadecreten, hetzij op eigen initiatief, hetzij naar aanleiding van een klacht die kan worden ingediend door elke natuurlijke persoon of rechtspersoon. Artikel 78, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde mediadecreten bepaalt dat de omroepen die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap vallen, geen programma’s mogen uitzenden die de fysieke, lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, inzonderheid programma’s met pornografische scènes of met nodeloos geweld. Artikel 78, § 1, tweede lid, preciseert dat deze bepaling ook geldt voor programma’s waarop het voorgaande niet van toepassing is, maar die toch schade kunnen toebrengen aan de fysieke, mentale of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen, tenzij door de keuze van het tijdstip van uitzending of door technische maatregelen gewaarborgd wordt dat minderjarigen in het zendgebied die programma’s normaliter niet kunnen zien of beluisteren. Indien dergelijke programma’s ongecodeerd worden uitgezonden, moet een auditieve waarschuwing eraan voorafgaan. De Vlaamse regering kan luidens artikel 78, § 3, van de gecoördineerde mediadecreten het doorgeven van een programma schorsen op voorstel van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad voor radio en televisie wanneer dit een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk vormt op de bepalingen van artikel 78, § 1, eerste of tweede lid. De Vlaamse Kijk- en Luisterraad kan luidens artikel 116nonies decies, § 4, ook zelf de volgende sancties opleggen, indien hij een overtreding op de bepalingen van artikel 78, § 1, vaststelt : “1/ de waarschuwing met de vraag de overtreding stop te zetten; 2/ de verplichting de uitspraak van de Kijk- en Luisterraad uit te zenden op het tijdstip en de wijze te bepalen door de Kijk- en Luisterraad, op kosten van de in gebreke gestelde overtreder. Indien de uitspraak niet wordt XII-3827-8/20 uitgezonden op het tijdstip zoals voorzien, wordt van rechtswege een administratieve geldboete opgelegd zoals voorzien in 4/; 3/ de verplichte publicatie van de uitspraak in dag-en/of weekbladen, op kosten van de in gebreke gestelde overtreder; 4/ het opleggen van een administratieve geldboete gaande van 1.250 tot 125.000 euro”. 4.
- Uit de sub 4.
- geschetste regelgeving blijkt dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad door de decreetgever in het leven is geroepen met de specifieke opdracht te waken over de negatieve invloed van omroepprogramma’s op de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen. Als deze instantie in de uitvoering van haar taken een inbreuk vaststelt en aan een omroep een sanctie oplegt, heeft die uitspraak in de eerste plaats tot doel officieel uitdrukking te geven aan het feit dat de overheid een bepaalde gedraging van die omroep laakbaar en dus af te keuren vindt. De bestreden beslissing waarbij de Vlaamse Kijk- en Luisterraad een overtreding van de gecoördineerde mediadecreten vaststelt en als sanctie oplegt om deze uitspraak uit te zenden op kosten van de omroep zelf, raakt de betrokken omroep rechtstreeks en ongunstig. Het rechtens vereiste belang bij een annulatieberoep, dat er in bestaat dat nadeel ongedaan te maken, gaat in de regel niet teloor door het enkele feit dat de bestreden beslissing is uitgevoerd en op die manier haar effect heeft gehad. De uitvoering van de opgelegde sanctie -uitzending van de uitspraak- doet het bestaan van de beslissing zelf -gegrondverklaring van de klacht- niet teniet. Verzoekster heeft de uitspraak moeten ondergaan. De Raad ziet in het enkele feit dat de sanctie, zoals verzoekster overigens verplicht was, werd uitgevoerd dan ook geen reden om te dezen af te wijken van de regel en aan verzoekster belang te ontzeggen om met de gevorderde nietigverklaring die officiële afkeuring te doen vervallen. De exceptie is niet gegrond. De gegrondheid van het beroep
- Verzoekster voert drie middelen aan. XII-3827-9/20 Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), doordat aan de VRT, openbare omroep van de Vlaamse Gemeenschap, een sanctie wordt opgelegd wegens de mening die door een gast in één van zijn programma’s wordt geuit. De VRT die de taak heeft om informatie en ideeën te verspreiden, terwijl het publiek bovendien het recht heeft om die te ontvangen, kan deze taak niet vervullen indien hij gestraft kan worden voor meningen die in rechtstreekse programma’s worden verkondigd door derden, in omstandigheden waarbij de media geen enkele verantwoordelijkheid hebben voor meningen en er zich zelfs uitdrukkelijk van distantiëren. Volgens verzoekster volgt uit artikel 10 EVRM dat de omroep in principe niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor de verklaringen van derden. Dit blijkt uit het arrest van 22 augustus 1994 van het Europees Hof voor de rechten van de mens inzake Jersild tegen Denemarken, waarin slechts een uitzondering op dit principe wordt aanvaard wanneer er ernstige redenen zijn om dit te doen. In deze zaak wijzen de concrete omstandigheden van de zaak geenszins op ernstige redenen om het principe van de onverantwoordelijkheid voor de uitspraken van de geïnterviewde personen te doorbreken. De VRT wist niet en kon ook niet weten dat dergelijke uitspraken door een gast zouden worden gedaan, de presentator van het programma heeft er alles aan gedaan om zich van deze uitspraken te distantiëren en de VRT kon de uitzending ervan niet verhinderen omdat het om een rechtstreekse uitzending ging. Indien het in die omstandigheden toch mogelijk zou zijn een sanctie op te leggen zou het voor de media onmogelijk zijn nog interviews uit te zenden en zou hun taak als “waakhond” ernstig in het gedrang worden gebracht. In haar memorie van wederantwoord beklemtoont verzoekster dat in het middel niet wordt aangevoerd dat artikel 78 van de gecoördineerde mediadecreten strijdig zou zijn met artikel 10 EVRM, maar wel dat de beslissing XII-3827-10/20 van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad in dit concrete geval strijdig is met artikel 10 EVRM. Zij wijst er nogmaals op dat haar een sanctie wordt opgelegd voor een uitspraak die door een derde werd gedaan in een rechtstreekse uitzending, zonder dat op voorhand geweten kon zijn dat die uitspraak zou worden gedaan en zonder dat die uitspraak werd uitgelokt. De presentator van het programma is bovendien tegen deze uitspraak ingegaan. Ook het argument dat Chris Dusauchoit een “bekend VRT-figuur” is kan de beslissing niet verantwoorden, aangezien hij geen werknemer is van de VRT en uit de beslissing overigens blijkt dat de sanctie niet werd opgelegd omdat één van haar medewerkers een onaanvaardbare uitspraak heeft gedaan, maar wel omdat in één van haar uitzendingen door een derde een onaanvaardbare uitspraak werd gedaan. In haar laatste memorie onderstreept verzoekster dat artikel 78 zich in het geheel niet richt tot Chris Dusauchoit, of deze nu een al dan niet zelfstandige VRT medewerker of iemand anders is, maar tot de omroepen, dus te dezen de VRT. Verzoekster wijst andermaal op de eigenheid van een rechtstreekse uitzending, het prompt reageren van Ben Crabbé, haar distantiëring na de uitzending en het risico van een zogenaamd “chilling effect” indien voor dergelijke uitzendingen dermate streng wordt opgetreden als hier het geval is geweest. De enige laakbare gedraging die de de Vlaamse Kijk- en Luisterraad in aanmerking kan nemen is de uitzending van de VRT, want het is op die uitzending, niet op de loutere verklaring van Chris Dusauchoit maar op het aan de VRT toerekenbare karakter van de handelingen, dat artikel 78 van toepassing is. De beslissing van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad doorstaat volgens verzoekster niet de proportionaliteitstoets die artikel 10 EVRM vereist. Niet de uitspraak zelf, maar de uitzending ervan moet laakbaar zijn, wil een bestraffing van de omroep op grond van artikel 78 van de gecoördineerde mediadecreten mogelijk zijn. Het programma is geen kinderprogramma, maar een “typisch oudejaarsprogramma op een zender die niet echt op jongeren is gericht”. Ook het statuut van Chris Dusauchoit is daarbij van belang. Wat werknemers van de VRT verklaren kan aan de VRT toegeschreven worden; verklaringen van derden kunnen daarmee niet worden gelijkgesteld. De bestreden beslissing doet dit nochtans wel, door zonder enige nuance te stellen dat de VRT de verantwoordelijkheid draagt over de inhoud van de uitzending. XII-3827-11/20 Beoordeling
- Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 124/2000 van 29 november 2000 geoordeeld dat artikel 78 van de gecoördineerde mediadecreten overeenstemt met de beperkingen die artikel 10 EVRM toestaat, aangezien die bepaling is ingegeven door de bekommernis een kwetsbare groep in de samenleving te beschermen en de vrijheid van meningsuiting van de betrokken omroepen niet op onevenredige wijze wordt aangetast. Verzoekster betwist dit niet, maar zij is niettemin van oordeel dat de in deze zaak bestreden beslissing artikel 10 EVRM schendt, aangezien de sanctie niet nodig zou zijn in een democratische samenleving maar integendeel de goede werking van de media zou belemmeren. De zaak waarover de Vlaamse Kijk- en Luisterraad in de bestreden beslissing uitspraak deed verschilt fundamenteel van het door verzoekster genoemde arrest van 23 september 1994 van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaak Jersild tegen Denemarken. In die zaak oordeelde het Hof dat de bestraffing van een journalist voor het uitzenden van racistische uitspraken van geïnterviewde jongeren in een televisiereportage in een democratische samenleving niet nodig was voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen nu aan de journalist zelf geen racistische oogmerken konden verweten worden. Het Hof wees daarbij onder meer op de “waakhondfunctie” van de pers en stelde dat het bestraffen van een journalist voor het verspreiden van verklaringen die door een derde in een interview zijn gedaan de bijdrage van de pers aan het publiek debat ernstig zou belemmeren, zodat die bestraffing slechts zou kunnen worden aanvaard ingeval er bijzonder ernstige redenen zijn. Anders dan de verzoekende partij betoogt, kan Chris Dusauchoit tegen wiens verklaringen de klacht gericht was, niet worden beschouwd als een derde voor wiens verklaringen zij niet moet instaan. De VRT werd door de klager aangesproken omdat Chris Dusauchoit VRT-presentator is en zich als zodanig te houden heeft aan de bepalingen van de gecoördineerde mediadecreten. Dat hij het programma “Café Terminus” niet zelf presenteerde maar er als geïnterviewde te gast was, doet daaraan geen afbreuk. Het programma was immers geen informatief programma waarin een journalist derden interviewde, maar met de woorden van verzoekster zelf “een typisch oudejaarsprogramma”. In dit ontspanningsprogramma nemen bekende VRT-personaliteiten het woord. De omstandigheid dat hierbij voor een format gekozen wordt van een interview, waarbij de ene VRT-personaliteit de XII-3827-12/20 rol aanneemt van de interviewer en de andere die van geïnterviewde maakt van de uitzending geen journalistiek werkstuk als bedoeld in de zaak Jersild, waarbij derden aan het woord worden gelaten. De vraag of, en in welke mate, de omroep verantwoordelijk gesteld kan worden voor uitspraken van derden is hier niet aan de orde. Ook het feit dat Chris Dusauchoit geen werknemer is van de VRT, maar op zelfstandige basis zijn medewerking verleent, is niet relevant. De gecoördineerde mediadecreten maken immers, evenmin trouwens als de luisteraars, terzake geen onderscheid. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden beslissing niet uitsluit dat interviews worden uitgezonden waarin door derden onaanvaardbare verklaringen worden gedaan. Het middel vertrekt van een verkeerde premisse en is bijgevolg ongegrond. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 116nonies decies, §§1 tot 3 van de gecoördineerde mediadecreten. In het eerste onderdeel van het middel wordt gesteld dat de klacht die werd ingediend “als volksvertegenwoordiger, als burger en als vader” ten onrechte ontvankelijk werd verklaard, aangezien een klacht slechts kan worden ingediend door een belanghebbende die een belang aantoont dat onderscheiden is van het algemeen belang. De klager bewijst niet en beweert ook niet dat zijn kinderen de bewuste uitzending hebben gehoord. Er wordt ook niet aangetoond hoe de klager als volksvertegenwoordiger een belang kan hebben dat onderscheiden is van het algemeen belang. In het tweede middelonderdeel wordt gesteld dat de bestreden beslissing niet antwoordt op de opmerkingen die de VRT in dat verband heeft gemaakt, terwijl het recht om gehoord te worden impliceert dat met ingediende argumenten rekening wordt gehouden. XII-3827-13/20 Het middel wordt in het auditoraatsverslag onderzocht en ongegrond geacht omdat het middel er blijkens artikel 116nonies decies, § 1 en § 2, van de gecoördineerde mediadecreten ten onrechte van uitgaat dat de indiener van een klacht een belang moet aantonen. In de laatste memorie stelt verzoekster vast dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad zelf klachten afgewezen heeft op grond van de afwezigheid van een belang. Zij verklaart zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen “wat dit middel betreft voor het overige”. Beoordeling
- Uit artikel 116nonies decies, §1 en § 2, van de gecoördineerde mediadecreten blijkt dat voor het indienen van een klacht niet vereist is dat de indiener ervan blijk geeft van een benadeling of een belang. Het middel faalt in zoverre naar recht. “Wat dit middel betreft voor het overige” dan, acht de Raad het wijs om het auditoraatsverslag bij te vallen en het middel ongegrond te verklaren. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- In een derde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 116nonies decies, § 1, en 78, § 1, van de gecoördineerde mediadecreten en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In het eerste onderdeel van het middel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing, zonder verdere motivering, stelt dat het betrokken programma dat voor iedereen toegankelijk is, ook voor kinderen, van aard is om de geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig aan te tasten “in het kader van nodeloos geweld”. Volgens verzoekster kan de Vlaamse Kijk- en Luisterraad enkel een sanctie opleggen wanneer de omroep een programma uitzendt dat de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zou kunnen schaden, inzonderheid programma’s met pornografische scènes of met nodeloos geweld. Het programma “Café Terminus” bevat geen nodeloos geweld, maar wel een ongevraagde en onaangekondigde opmerking van een gast over “geweld” zodat de beoordeling hieromtrent niet of minstens niet afdoende is gemotiveerd. XII-3827-14/20 In de toelichting bij het middelonderdeel wijst verzoekster er op dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad een specifieke samenstelling en een specifieke bevoegdheid heeft om te kunnen uitmaken of een programma al dan niet voor minderjarigen aanvaardbaar is. In artikel 78, § 1, worden in hoofdzaak programma’s met een pornografische inslag of nodeloze geweldscènes bedoeld en niet programma’s waarin daaromtrent meningen worden verkondigd. De specifieke doelstelling van artikel 78 maakt het overigens moeilijk toepasbaar op radioprogramma’s. Alleszins mag de Vlaamse Kijk- en Luisterraad enkel oordelen over wat specifiek voor minderjarigen onaanvaardbaar is en niet over meningen die ten aanzien van iedereen, volwassenen en kinderen, onaanvaardbaar zouden zijn. Het volstaat niet dat minderjarigen toegang hebben tot een programma om een dergelijk programma onder de bevoegdheid van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad te brengen. Daarbij komt dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad zonder enige motivering stelt dat het programma de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zou kunnen schaden omwille van nodeloos geweld, terwijl dit door verzoekster in haar verweernota betwist werd en men van een orgaan waarin personen zitting hebben die over een bijzondere expertise beschikken mag verwachten dat zij hun oordeel dat een bepaald programma de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig kan schaden, “enigszins” onderbouwen. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoekster aan dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad niet gekozen heeft voor de lichtste straf, maar voor een relatief zware straf, met name de voorlezing van de uitspraak. De Kijk- en Luisterraad had de keuze van de straf moeten motiveren. Dit geldt des te meer daar de VRT verplicht werd om de uitspraak uit te zenden in de loop van een nieuwsuitzending, waarvoor overeenkomstig de artikelen 23, tweede lid, en 33 van de gecoördineerde mediadecreten de regel van de redactionele onafhankelijkheid geldt. De verplichting tot het voorlezen van de uitspraak tijdens een nieuwsuitzending zou dan ook enkel kunnen worden opgelegd indien daarvoor zeer bijzondere redenen gelden. 10.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoordt de verwerende partij in essentie dat ook radioprogramma’s en niet alleen programma’s met pornografische scènes of met nodeloos geweld de lichamelijke, geestelijke of XII-3827-15/20 zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kunnen aantasten en derhalve aan artikel 78, § 1, van de gecoördineerde mediadecreten getoetst kunnen worden. Voorts is het niet omdat een uitzending onaanvaardbaar zou zijn voor volwassenen, dat zij niet schadelijk zou kunnen zijn voor minderjarigen. De verzoekende partij heeft trouwens zelf erkend dat zij de geviseerde uitspraken onaanvaardbaar vindt. Door te verkondigen dat een politieke moord ook positieve kanten heeft, wordt de democratie zelf aangevallen. Determinerend is bovendien dat die uitspraken werden gedaan door een VRT-presentator van programma’s die gericht zijn op kinderen en jongeren of die door een groot aantal kinderen en jongeren worden bekeken. De Vlaamse Kijk- en Luisterraad beschikt bij zijn beoordeling trouwens over een discretionaire bevoegdheid. Er blijkt niet dat die Raad op kennelijk onredelijke wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft wijst de verwerende partij op de discretionaire bevoegdheid van de Kijk- en Luisterraad. In de motivering van de bestreden beslissing wordt pertinent gesteld dat rekening werd gehouden met de omvang en de wijze van de inbreuk om een sanctie op te leggen. De verzoekende partij stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de sanctie verder formeel gemotiveerd moet worden. Het ligt immers voor de hand dat publiekelijk onderstreept wordt dat een dergelijke duiding van politiek geweld in een democratische samenleving ook ten aanzien van minderjarigen niet aanvaardbaar is. De sanctie strekt tot herstel, nu het antwoord moet worden voorgelezen op een tijdstip dat de uitzending van de gewraakte verklaring zo dicht mogelijk benadert. 10.
- In haar memorie van wederantwoord betoogt verzoekster wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat het in deze zaak om een ander probleem gaat dan bedoeld is in artikel 78, § 1, van de gecoördineerde mediadecreten. Het volstaat immers niet dat minderjarigen toegang kunnen hebben tot een programma om een dergelijk programma onder de bevoegdheid van de Vlaamse Kijk- en Luisterraad te brengen. Artikel 78, § 1, strekt er immers toe om aan minderjarigen een bijkomende bescherming te verlenen die volwassenen niet hoeven te krijgen. Voorts is het niet omdat iemand in een programma onaanvaardbare uitspraken doet, dat onmiddellijk ernstige schade wordt toegebracht aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen, temeer daar de presentator van het programma onmiddellijk tegen die uitspraken is ingegaan. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, is zij de mening toegedaan dat de verwijzing naar de omvang XII-3827-16/20 en de wijze van de gewraakte inbreuk niet volstaat om de keuze van een bepaalde sanctie te verantwoorden. 10.
- In de laatste memorie van verzoekster wordt nog uiteengezet dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad in de eigenlijke motivering van zijn beslissing, waar hij enkel stelt dat de uitzending “toegankelijk” is voor kinderen, nergens uitlegt waarom deze uitzending onaanvaardbaar is, uitgaande van de specifieke invalshoek van de bescherming van minderjarigen. Ook ontbreekt elke motivering omtrent de ernst van de inbreuk. Artikel 78, § 1, eerste en tweede lid, van de mediadecreten maken evenwel onderscheid tussen “schade” en “ernstige” schade. Een uitdrukkelijke motivering is dan ook vereist. Voor de motieven van de beslissing mag geen rekening worden gehouden met de stelling van de partijen zoals die is uiteengezet voor de eigenlijke motivering van de Kijk- en Luisterraad. Wat het tweede middelonderdeel betreft, argumenteert verzoekster dat de door de decreetgever ingestelde hiërarchie van de sancties en de gekozen formulering niet verhindert dat de lichtste sanctie ook wordt opgelegd voor eenmalige inbreuken. 10.
- In de laatste memorie van verwerende partij wordt tegengesproken dat een aantal motieven niet zouden zijn vervat in het betwiste besluit zelf. Verzoekster gaat uit van een al te letterlijke lezing van het besluit, dat in de context moet worden gesitueerd. De relevante elementen van de verklaringen van de verschillende partijen waren precies met het oog op de oordeelsvorming als dusdanig samengevat. Beoordeling 11.
- In het eerste onderdeel van het middel wordt vooreerst aangevoerd dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad de gewraakte uitlatingen van Chris Dusauchoit ten onrechte beschouwd heeft als een inbreuk op het verbod tot het uitzenden van “programma’s die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, inzonderheid programma’s met pornografische scènes of met nodeloos geweld” omdat de specificiteit van de wettelijke opdracht van de Kijk- en Luisterraad daaraan in de weg staat. Verzoekster benadrukt terecht dat de Kijk- en Luisterraad een specifieke bevoegdheid heeft, gericht op de bescherming van minderjarigen. Anders dan zij aanvoert, sluit het feit dat een programma ook ten aanzien van volwassenen XII-3827-17/20 niet aanvaardbaar is, echter niet uit dat de Kijk- en Luisterraad mag oordelen dat dergelijk programma eveneens inbreuk maakt op de specifieke bescherming van minderjarigen die door artikel 78, §1, van de gecoördineerde mediadecreten wordt beoogd. Het feit dat het zou gaan om uitspraken die ten aanzien van eenieder, dus ook volwassenen, niet aanvaardbaar zijn, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Kijk- en Luisterraad. Overigens sluit artikel 78 geenszins radioprogramma’s van dergelijke toetsingsbevoegdheid uit. In zoverre kan het eerste middelonderdeel niet worden aangenomen. 11.
- Nog in verband met de toepasselijkheid van artikel 78, § 1, van de gecoördineerde mediadecreten stelt de verzoekende partij dat niet is gemotiveerd waarom de bedoelde uitspraken de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig kunnen schaden. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster in haar antwoord aan de Kijk- en Luisterraad op de klacht van L. Caluwé reeds deed gelden dat kinderen of jongeren geenszins tot het doelpubliek behoren en dat het quasi uitgesloten is dat zij kennis hebben genomen “van de controversiële uitspraken van de heer Dusauchoit”. De bestreden beslissing heeft dit bezwaar uitdrukkelijk afgewezen met als motief dat het bedoelde programma “voor iedereen toegankelijk is, ook voor kinderen”. In zoverre kan verzoekster evenmin worden bijgevallen. 11.
- Bij de beoordeling van de motivering dient ook rekening te worden gehouden met de motivering van de klacht zoals die in de bestreden beslissing wordt weergegeven. In de klacht was aangevoerd “dat de woorden van de heer Dusauchoit kunnen worden geïnterpreteerd als een oproep tot geweld ten aanzien van personen met wiens ideeën men het niet eens is”. Bovendien werd als bezwarende omstandigheid aangevoerd “[d]at de heer Dusauchoit presentator is van programma’s die gericht zijn op kinderen en jongeren of die door een groot aantal kinderen en jongeren bekeken worden”. XII-3827-18/20 Door de klacht zonder voorbehoud “gegrond” te bevinden heeft de Vlaamse Kijk- en Luisterraad zich die motieven eigen gemaakt. Het hoeft voorts geen betoog dat de gewraakte uitspraken over de moord op Fortuyn een op zijn minst impliciete goedkeuring inhouden van politiek geweld tegenover personen met wier ideeën men het niet eens is en dus schade kunnen toebrengen aan de mentale of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen zoals die in een vrije en democratische samenleving vorm moet krijgen. De Kijk- en Luisterraad kon dan ook terecht oordelen dat die uitspraken vanwege een bij het jonge publiek bekende VRT-presentator een inbreuk vormen op artikel 78, § 1, van de gecoördineerde mediadecreten. Ook dit aspect van het eerste middelonderdeel is ongegrond. 11.
- In het tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat de keuze van de sanctie niet gemotiveerd werd. De Raad van State bedenkt evenwel dat de lichtste sanctie die de Kijk- en Luisterraad kan opleggen -“de waarschuwing met de vraag de overtreding stop te zetten”- in de onderhavige zaak bezwaarlijk als een passende sanctie beschouwd zou kunnen worden, aangezien de vraag om de inbreuk stop te zetten op het ogenblik van de uitspraak uiteraard zonder voorwerp zou zijn. De Vlaamse Kijk- en Luisterraad diende verder ook niet specifiek te motiveren waarom de uitzending van de uitspraak in een nieuwsuitzending diende te gebeuren. De maatregel beoogt immers de uitzending van wat evident een nieuwsgegeven is, in een nieuwsuitzending, zo dicht mogelijk bij het tijdstip van de uitzending van de gewraakte uitspraken. Nogmaals kan worden opgemerkt, ten slotte, dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad door de klacht zonder voorbehoud gegrond te verklaren zich de motieven van de klacht zoals weergegeven in de bestreden beslissing eigen heeft gemaakt. Dit betekent dat de Vlaamse Kijk- en Luisterraad bij de beoordeling van “de omvang en de wijze van de gewraakte inbreuk” ook rekening heeft gehouden met de in de klacht aangevoerde bezwarende omstandigheid “[d]at de heer Dusauchoit presentator is van programma’s die gericht zijn op kinderen en jongeren of die door een groot aantal kinderen en jongeren bekeken worden”. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. XII-3827-19/20 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De Vlaamse Gemeenschap wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Vlaamse regulator voor de media. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3827-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.885 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.346 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.