id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.886 Rolnummer: A. 141383/XII-3933 Zaak: Arrest 181886 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.886 van 10 april 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.886 van 10 april 2008 in de zaak A. 141.383/XII-
- In zake : de GEMEENTE KRAAINEM, die woonplaats kiest bij advocaten J. Bourtembourg en A. Veulemans, kantoor houdende te Brussel, Zwitserlandstraat 24 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Kraainem op 8 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 juli 2003 waarbij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden de besluiten vernietigt van de gemeenteraad van Kraainem van 17 december 2002, houdende benoeming in vast verband van Françoise Paquet en Angélique Bossicard als onderwijzeres voor 12/24 lestijden en van Vanessa Mignolet als kleuteronderwijzeres a rato van 24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool met ingang van 1 januari 2003; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. Colin; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2008; XII-3933-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Vandevoorde, die loco advocaat J. Bourtembourg verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Bij besluit van 17 december 2002 van de gemeenteraad van Kraainem wordt Françoise Paquet met ingang van 1 januari 2003 benoemd in vast dienstverband als onderwijzeres verbonden aan de Franstalige gemeenteschool a rato van 12 lestijden per week. Bij besluit van dezelfde datum wordt Angélique Bossicard met ingang van 1 januari 2003 benoemd in vast dienstverband als onderwijzeres verbon- den aan de Franstalige gemeenteschool a rato van 12 lestijden per week. Bij besluit van dezelfde datum wordt Vanessa Mignolet met ingang van 1 januari 2003 benoemd in vast dienstverband als kleuteronderwijzeres verbonden aan de Franstalige gemeenteschool a rato van 24 lestijden per week. 1.
- Bij besluiten van 11 maart 2003 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant worden de drie voornoemde gemeenteraadsbeslissingen in hun uitvoering geschorst wegens hun strijdigheid “met de terzake geldende taalwetten”, met name omdat de in vast verband benoemden noch in het bezit zijn van het vereiste diploma waaruit blijkt dat zij het onderwijs in het Nederlands hebben genoten, noch van een getuigschrift van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door Selor. Over Angélique Bossicard wordt bijkomend overwogen dat uit het dossier weliswaar blijkt dat zij in het bezit is van een getuigschrift grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager XII-3933-2/9 onderwijs, afgeleverd door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap ingesteld ter uitvoering van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna : onderwijstaalwet), maar dat artikel 53 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : bestuurstaalwet), bepaalt dat alleen de Vaste Wervingssecretaris bevoegd is om bewijzen inzake taalkennis vereist door de bestuurstaalwet uit te reiken. 1.
- Op 29 april 2003 beslist de gemeenteraad de drie beslissingen tot vaste benoeming te bevestigen op grond van de overweging dat in de schorsings- besluiten “verkeerdelijk wordt geargumenteerd dat leerkrachten aan de bestuurstaalwet zijn onderworpen”. 1.
- Bij het thans bestreden ministerieel besluit van 8 juli 2003 worden de besluiten van 17 december 2002 van de gemeenteraad van Kraainem houdende benoeming in vast verband van Françoise Paquet, Angélique Bossicard en Vanessa Mignolet vernietigd. De ontvankelijkheid van het beroep
- Verwerende partij voert aan dat verzoekster de bestreden beslissing op 9 juli 2003 heeft ontvangen, dat de laatste dag om het verzoekschrift in te dienen derhalve 8 september 2003 is en dat het dan ook laattijdig is. Ter terechtzitting doet zij afstand van de exceptie. De gegrondheid van het beroep 3.
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 129, § 2, van de Grondwet, van artikel 1, 4/, van de bestuurstaalwet, van artikel 13, eerste lid, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van machtsmisbruik. Verzoekster zet uiteen dat de bestuurstaalwet niet van toepassing is op het onderwijs, dat een onderwijzer geen schooloverheid is, dat het onderwijs geen administratieve handelingen stelt, dat de benoeming van een onderwijzer uitgaat van de gemeentelijke overheid en geen administratieve handeling van een schooloverheid inhoudt, dat de onderwijstaalwet een speciale regeling is waarvoor de bestuurstaalwet moet wijken, dat de bedoelde onderwijzers een grondige kennis XII-3933-3/9 van het Frans moeten aantonen en dat enkel de bijzondere wetgever de taalwetten mag wijzigen in de faciliteitengemeenten. In de memorie van wederantwoord herneemt zij haar argumentatie, die volgens haar bevestiging vindt in arrest nr. 121/2003 van het Grondwettelijk Hof. Zij voegt er nog aan toe dat het gebrek aan kennisvereiste van de Nederlandse taal logisch is in hoofde van Franstalige onderwijzers in faciliteiten-gemeenten en vraagt zich af tot welk nut dergelijke talenkennis hun zou kunnen strekken. 3.
- Het betoog van verzoekster gaat uit van een reeds eerder door de Raad van State verkeerd bevonden premisse, dat haar onderwijzend personeel enkel onderworpen is aan de onderwijs(taal)wetgeving en niet aan de bestuurstaalwet, om daaruit het besluit te trekken dat op dit onderwijzend personeel geen regel van toepassing is die hun oplegt de kennis van het Nederlands aan te tonen. Zoals de Raad van State immers heeft uiteengezet, onder meer in zijn arrest nr. 140.803, gemeente Wezembeek-Oppem, van 17 februari 2005 waarvan hij de overwegingen hier als herhaald beschouwt : S regelt de onderwijstaalwet het gebruik van de talen uitsluitend in verband met het verstrekken van onderricht; S sluit de toepassing van de onderwijstaalwet niet de gelijklopende toepassing van andere taalregelingen uit; S is een gemeentelijke basisschool een openbare dienst van de gemeente als bedoeld in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet en zijn de onderwijzende personeelsleden van die school onmiskenbaar een gemeenteambtenaar, waarop luidens artikel 143, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet de bepalingen van de nieuwe gemeentewet met betrekking tot het personeel behoudens uitdrukkelijke afwijking toepasselijk zijn; S kan het stilzwijgen van de onderwijstaalwet niet in die zin worden geïnterpreteerd dat daardoor in het Nederlandse taalgebied -een eentalig gebied- een regime wordt ingesteld waardoor de taal van dat gebied in een plaatselijke dienst niet langer de status van officiële taal zou hebben; integendeel moeten de zogenaamde “faciliteiten” die de taalwetgevingen invoeren, en die zich voordoen als uitzonderingen op de algemene regel dat het Nederlands de officiële taal is en bijgevolg onderwijstaal en bestuurstaal, restrictief worden geïnterpreteerd. XII-3933-4/9 Ten overvloede kan hierbij worden aangestipt dat het Grondwettelijk Hof bij het arrest nr. 65/2006 eveneens heeft overwogen dat de toekenning van die faciliteiten in de randgemeenten “niet ertoe [kan] leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de vereisten betreffende het gebruik van de taal van het taalgebied en aan de vereiste taalkennis binnen de diensten van die gemeenten in het algemeen, en ten aanzien van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen op hun grondgebied in het bijzonder” en dat “[v]an de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in gemeenten die in het Nederlandse taalgebied zijn gelegen, zoals de randgemeenten, mag worden aangenomen dat zij het Nederlands gebruiken ‘in [hun] betrekkingen met de diensten waaronder [zij] ressorteren en [hun] betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad’. Het is evenmin onevenredig hun een taalkennis op te leggen die hen in staat moet stellen aan hun verplichtingen inzake het taalgebruik te voldoen”. Kortom, opdat geen afbreuk zou worden gedaan aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied en aan de grondwettelijke voorrang die het Nederlands blijkens artikel 4 van de Grondwet in dat taalgebied geniet, moet artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet in die zin worden uitgelegd dat : S de gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente inzake het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs onderworpen zijn aan de onderwijstaalwet, hetgeen impliceert dat het personeel van een dergelijke onderwijsinrichting waarvan de onderwijstaal het Frans is, slechts kan worden aangeworven indien het het bewijs heeft geleverd van een grondige of, voor leraars in andere levende talen, voldoende kennis van die onderwijstaal (artikel 13 van de onderwijstaalwet); S diezelfde gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente, voor zover zij inzake het gebruik van de talen niet beheerst worden door de onderwijstaalwet, zoals voor de te gebruiken taal in de binnendiensten, in de betrekkingen met de diensten waaronder zij ressorteren en in de betrekkingen met andere diensten of met particulieren in het algemeen, beheerst worden door de bestuurstaalwet, hetgeen impliceert dat een gemeentelijke schoolinrichting van een randgemeente, ook al verstrekt zij onderwijs in het Frans, voor de binnendienst uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt (artikel 23 van de bestuurstaalwet) en, a fortiori, dat in een dergelijke onderwijsinrichting niemand XII-3933-5/9 tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent (artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet). Eenmaal vastgesteld dat onderwijzers in het gemeentelijk basisonderwijs van een randgemeente, als gemeenteambtenaren, hoe dan ook moeten voldoen aan artikel 27 van de bestuurstaalwet, is de vraag of die gemeente- ambtenaren tevens als schooloverheden in de zin van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet te beschouwen zijn irrelevant. Al even irrelevant zijn, in het licht van die vaststelling, de twee overige argumenten die verzoekster aanvoert om haar eerste middel te onderbouwen, met name dat de benoeming van een onderwijzer geen administratieve handeling van een schooloverheid inhoudt en dat de drie door de bestreden beslissing geraakte personen op grond artikel 13 van de onderwijstaalwet een grondige kennis moeten hebben van het Frans. 3.
- Het middel is ongegrond. 4.
- Een tweede middel put verzoekster uit de schending van artikel 129, § 2, van de Grondwet, van artikel 53 van de bestuurstaalwet, van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de bestuurstaalwet, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van machtsmisbruik. Volgens verzoekster voorziet geen enkele bepaling van de bestuurstaalwet in een taalexamen voor de schooloverheden zodat Selor onbevoegd is om voor de schooloverheden taalproeven te organiseren op basis van deze wet. 4.
- Ook dit middel gaat uit van dezelfde niet relevante premisse als zouden de leden van het onderwijzend personeel van de gemeentelijke basisschool “schooloverheden” zijn waarop de bestuurstaalwet niet van toepassing zou zijn. Verwerende partij merkt in de memorie van antwoord dan ook terecht op dat het tweede middel een “doorslagje” is van het eerste middel, in die zin dat verzoekster opnieuw - en enkel - stelt dat de bestuurstaalwet niet van toepassing is op het onderwijs. XII-3933-6/9 Het middel faalt in rechte. 5.
- Tussen partijen wordt niet betwist dat Françoise Paquet en Vanessa Mignolet niet beschikken hetzij over een diploma of getuigschrift waaruit zou blijken dat zij onderwijs in het Nederlands hebben genoten of waaruit anderszins de kennis van deze taal blijkt, hetzij over enig ander getuigschrift of bewijs van enige kennis van het Nederlands door een examen. Anders is het evenwel voor Angélique Bossicard, die in het bezit is van het getuigschrift “grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs”, afgegeven door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap ingesteld ter uitvoering van artikel 15 van de onderwijstaalwet en waarin wordt verklaard dat, aangezien zij geslaagd is voor een aanvullend examen over de kennis van de Nederlandse taal, zij bekwaam is het Nederlands als wettelijk verplichte tweede taal te onderwijzen in de Franstalige lagere scholen. 5.
- In de laatste memorie voert verzoekster een nieuw middel aan, geput uit de schending van de artikelen 27 en 53 van de bestuurstaalwet en uit machtsoverschrijding, doordat de bestreden handeling de raadsbeslissing van 17 december 2002 vernietigt waarbij de gemeenteraad Angélique Bossicard benoemt als onderwijzeres, terwijl uit het arrest nr. 65/2002 van 3 mei 2006 nochtans volgt dat artikel 53 van de bestuurstaalwet in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de kandidaten voor een functie als lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeenteschool van een randgemeente die aan de bevoegde examencommissie het bewijs hebben geleverd van een grondige kennis van het Nederlands, vrijgesteld worden van het examen georganiseerd door Selor, zodat Angélique Bossicard voldoet aan het voorschrift van artikel 27 van de bestuurstaalwet. 5.
- Het in de laatste memorie aangevoerde middel is geput uit de schending van een bepaling van de bestuurstaalwet, welke de openbare orde raakt. Dergelijke schending zou desgevallend door de Raad van State zelfs ambtshalve aangevoerd moeten worden, zodat verzoekster dit in de laatste memorie nog op ontvankelijke wijze mag doen. Het middel is ontvankelijk. XII-3933-7/9 5.
- In zijn arrest nr. 65/2006 van 3 mei 2006 heeft het Grondwettelijk Hof onder meer voor recht gezegd dat artikel 53 van de bestuurstaalwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het niet toestaat dat de kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente, die voor de bevoegde examencommissie het bewijs hebben geleverd van “grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs”, worden vrijgesteld van het door Selor georganiseerde examen. Verzoekster wordt bijgevallen in haar stelling dat, gelet op het door het Grondwettelijk Hof gewezen arrest, aan artikel 53 van de bestuurstaalwet enkel een grondwetsconforme uitleg wordt gegeven voor zover aangenomen wordt dat kandidaten die het bewijs hebben geleverd van “grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs” voor de bevoegde examencommissie, geacht worden te voldoen aan artikel 27 van de bestuurstaalwet. Er moet in de huidige zaak dan ook worden vastgesteld dat verwerende partij zich niet wettig op artikel 53 van de bestuurstaalwet heeft gesteund om uit het niet bezitten van het in die bepaling bedoelde, door Selor uitgereikte bewijs van taalkennis, tot de onwettigheid te besluiten van de benoeming van Angélique Bossicard wegens het niet voldoen aan artikel 27 van de bestuurstaalwet. 5.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 juli 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, in zoverre hij daarbij het besluit vernietigt van de gemeenteraad van Kraainem van 17 december 2002 houdende benoeming in vast verband van Angélique Bossicard als onderwijzeres voor 12/24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool met ingang van 1 januari
- XII-3933-8/9 Artikel
- Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3933-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.