← België

Arrest 181887 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.887 Rolnummer: A. 150415/XII-4121 Zaak: Arrest 181887 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.887 van 10 april 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.887 van 10 april 2008 in de zaak A. 150.415/XII-

  1. In zake : Lutgard ALLIET, wonende te Oostkamp, Dalevijversstraat 10 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 25 Brugge-Oostkust, dat woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Hove, Lintsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lutgard Alliet op 31 maart 2004, op 5 april 2004 ter post afgegeven, heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de op 9 februari 2004 bevestigde beslissing van 15 december 2003 van de raad van bestuur van de Scholengroep 25 Brugge-Oostkust waarbij Caroline Van Doorsselaer vanaf 1 januari 2004 een mutatie krijgt in de betrekking nr. 10034 kleuteronderwijzeres aan de basisschool te Ruddervoorde en verzoeksters aanvraag voor vaste benoeming in diezelfde betrekking wordt afgewezen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4121-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Ingevolge een oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten (niveau BAO/BUBAO/DKO/autonome internaten) op 1 januari 2004 dient verzoekster op het daartoe bestemde formulier op 27 oktober 2003 een aanvraag in voor een vaste benoeming als kleuteronderwijzeres in de betrekking nr 10034 aan de BSGO Malpertuis te Ruddervoorde. Naar later zal blijken nummert ze die betrekking verkeerdelijk als “10041”. Betrekking nr 10041 betreft een betrekking voor kinderverzorgster aan het MPI te Oedelem, waarvoor verzoekster naar eigen zeggen zelfs niet kan kandideren, aangezien ze niet over het aldaar vereiste diploma beschikt. 1.
  4. Op 18 november 2003 deelt de algemeen directeur van de scholengroep 25 verzoekster mee : “U heeft een aanvraag ingediend voor een vaste benoeming in een wervingsambt met ingang dd 01/01/
  5. Uw aanvraagformulier werd foutief ingevuld, nl het betrekkingsnummer klopt niet met de omschrijving van de aangevraagde betrekking. Dit kan leiden tot het afwijzen van uw kandidatuur conform de omzendbrief ‘Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten’ (niveau BAQ/BUBAO/DKO/autonome internaten) op 01/01/2004 dd 15 oktober
  6. De voorzitter van de Raad van Bestuur heeft de administratie van de scholengroep meegedeeld dat het u vrij staat ‘onder voorbehoud’ aan de procedure voor een vaste benoeming voor de personeelsbeweging van 01/01/2004 deel te nemen. De Raad van bestuur zal in zijn vergadering van 15 december 2003 een definitieve beslissing nemen over de foutieve aanvragen. XII-4121-2/10 Gelieve vóór vrijdag 21 november 2003 aangetekend de gevraagde betrekking met omschrijving mee te delen aan de Algemeen directeur Rijselstraat 3 B 8200 St.-Michiels”; 1.
  7. Op 28 november 2003 neemt verzoekster met de andere kandidaten deel aan het interview. Na het interview rangschikt de selectiecommissie de kandidaten als volgt :
  8. Alliet Lutgard
  9. Caroline Van Doorsselaer
  10. P. D. 1.
  11. Op 15 december 2003 beslist de raad van bestuur van de scholengroep als agendapunt 6 om de kandidaten uit het basisonderwijs, die geen kandidatuur hebben ingediend die voldoet aan de vormvereisten, niet te laten meedingen voor een vacante betrekking van de personeelsbewegingen met ingang van 1 januari
  12. Vervolgens beslist diezelfde raad als agendapunt 7 over de toewijzing van de vacantverklaarde betrekkingen, waarbij hij beslist om de voordracht voor de betrekking in BS Ruddervoorde niet te volgen en de betrekking toe te wijzen aan Caroline Van Doorsselaer, de tweede gerangschikte kandidaat. Bij schrijven van 16 december 2003 geeft de algemeen directeur van de scholengroep verzoekster te kennen dat de raad van bestuur op 15 december 2003 heeft beslist dat aan haar aanvraag voor vaste benoeming in de betrekking als kleuteronderwijzeres aan de BSGO Malpertuis te Ruddervoorde geen gunstig gevolg kan worden gegeven omdat het gevraagde betrekkingsnummer niet overeenstemt met de omschrijving van de betrekking. Bij schrijven van 22 december 2003 dient verzoekster bij de algemeen directeur van de scholengroep een bezwaar in tegen de voornoemde beslissingen. 1.
  13. Op 6 januari 2004 deelt de algemeen directeur verzoekster mede : “Ik ontving uw bezwaarschrift dd. 22 december 2003 tegen de niet- toekenning van uw benoeming. De Raad van Bestuur heeft in zijn zitting van 15 december 2003 een definitieve beslissing genomen over de onvolledig of foutief ingevulde aanvraagformulieren. XII-4121-3/10 De raad wenst de algemene richtlijnen zoals vermeld in de omzendbrief dd. 15 oktober 2003 met referentie PVIAV103-332 consequent toe te passen en geen uitzonderingen toe te staan. Wenst u tegen de genomen beslissing van de Raad van Bestuur toch nog beroep aan te tekenen, dan kan u een gemotiveerd en aangetekend schrijven aan de voorzitter van de Raad van Bestuur richten ...”; Bij schrijven van 13 januari 2004 tekent verzoekster, conform het schrijven van 6 januari 2004 van de algemeen directeur, bij de voorzitter van de raad van bestuur bezwaar aan tegen de door de raad van bestuur genomen beslissing. 1.
  14. Op 9 februari 2004 notuleert de raad van bestuur de volgende beslissing : “De Raad van Bestuur van Scholengroep 25 Brugge-Oostkust heeft het bezwaarschrift van mevr. Alliet besproken en brengt betrokkene schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing. Een kopie van het schrijven wordt als bijlage aan deze beslissing toegevoegd (ref: PV/AV/04-029 dd. 10 februari 2004)”. Bij schrijven van 10 februari 2004 wordt verzoekster van de voornoemde beslissing in kennis gesteld en dit in navolgende bewoordingen : “In antwoord op uw bezwaarschrift dd 13.01.2004 dat ik heb ontvangen via uw raadman Kris Vyncke wens ik u mee te delen dat de Raad van Bestuur in zijn zitting van 09 februari 2004 de eerder genomen beslissing van 15/12/2003 wenst te handhaven. De Raad van Bestuur is tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om de genomen beslissing te wijzigen en dit om volgende redenen: De genomen beslissing gebeurde consequent conform de omzendbrief dd 15/10/2003 met referentie PV/AV/03-332 ‘Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in aanwervingsambten (niveau BAQ/BUBAO/DKO/autonome internaten) op 01-01-2004’ (bijlage l) U diende op 03/11/2003 aangetekend een aanvraag in voor een vaste benoeming. Het aanvraagformulier werd foutief ingevuld, nl. het betrekkingnummer klopte niet met de omschrijving (bijlage2). Hoofdstuk 4 ‘Algemene richtlijnen voor het invullen van de aanvraagformulieren’ van de omzendbrief meldt duidelijk dat onvolledig of foutief invullen kan leiden tot de afwijzing van de kandidatuur. Na overleg met de centrale administratie van de scholengroep Brugge - Oostkust heb ik toen besloten dat het u vrij stond ‘onder voorbehoud’ de selectieprocedure verder te doorlopen omdat deze procedure in alle scholen tegen 01/12/2003 afgerond moest zijn. De Raad van Bestuur zou immers pas in zijn vergadering van 15 december 2003 een definitieve beslissing nemen over de geldigheid van uw ingediende kandidatuur en tegelijkertijd over de toewijzingen voor de persoonsbewegingen m.i.v. 01/01/
  15. In het schrijven dat de Scholengroep naar u richtte op 18/11/2003 stond duidelijk vermeld dat de Raad de procedure kon doorlopen. Er kan hier geen sprake zijn van valse hoop (bijlage 3). De definitieve beslissing werd u meegedeeld op 16/12/2003 (bijlage 4). XII-4121-4/10 U heeft op 22/12/2003 tegen de niet-toekenning van een vaste benoeming een bezwaarschrift ingediend (bijlage 5). De algemeen directeur, dhr Vanhaverbeke, heeft in een schrijven dd. 06/01/2004 met referentie PV/AV/04-003 meegedeeld dat de Raad van Bestuur de algemene richtlijnen zoals vermeld in de omzendbrief dd. 15/10//2003 wenste toe te passen en dit zonder uitzonderingen (bijlage 6). Op 16 december 2003 werd u door uw voormalige directie, mevrouw Defoort, op de hoogte gebracht van de beslissing van de Raad van Bestuur. Mevrouw Defoort heeft op woensdag 17/12/2003 contact opgenomen met de centrale administratie van de scholengroep Brugge-Oostkust en deelde mee dat zij de toegewezen kandidaat in dienst wenste te nemen met ingang van 01/01/
  16. De algemeen directeur en de centrale diensten van de scholengroep hebben prioriteit gegeven aan deze probleemsituatie en hebben een nieuwe aanstelling gezocht binnen de scholengroep. Er werd u een betrekking van kleuteronderwijzer aan de BS Beernem aangeboden vanaf 01/01/2004 voor 21/
  17. Voor de overige 03/24 werd u vanaf 02/02/2004 opgenomen in de vervangingspool. Op vrijdag 19112/2003 werd u door mevrouw Defoort, directeur van de BS Ruddervoorde, vrijgesteld van toezicht om kennis te maken met de directie van de BS Beernem. Bovenstaande argumenten hebben ons ertoe doen besluiten niet terug te komen op onze eerder genomen beslissing. De beroepsprocedure binnen de scholengroep is uitgeput. Indien u dit wenst, kunt u een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging indienen bij de Raad van State binnen een termijn van zestig kalenderdagen. De termijn begint te lopen vanaf ontvangst van deze brief. De procedure heeft geen opschortende werking”. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen
  18. Verzoekster voert een schending van de motiveringsplicht aan, zowel uit formeel (eerste middel) als uit materieel (tweede middel) oogpunt. Zij betoogt dat, waar de algemene richtlijnen voor het invullen van de aanvraagformulieren stellen dat het onvolledig of foutief invullen “kan” leiden tot de afwijzing van de kandidatuur, het bestuur over een discretionaire bevoegdheid beschikt, die bij weeromstuit meebrengt dat het bestuur in concreto dient te motiveren waarom voor de ene dan wel de andere mogelijkheid werd gekozen. In casu heeft de raad van bestuur, noch bij het nemen van de beslissing van 15 december 2003, noch bij die van 9 februari 2004, gemotiveerd waarom het foutief invullen van het betrekkingsnummer -de omschrijving van de functie was correct- tot de afwijzing van haar kandidatuur heeft geleid, aldus verzoekster. Hoogstens wordt in de beslissing van 15 december 2003 gesteld dat het formulier foutief werd ingevuld en wordt verwezen naar de omzendbrief, die echter XII-4121-5/10 discretionaire bevoegdheid laat aan het bestuur. De verwerende partij had dus moeten motiveren waarom zij deze en geen andere beslissing heeft genomen. De beslissing van 9 februari 2004 geeft louter een opsomming van het feitenrelaas en van de doorgelopen procedure en verwijst naar het feit dat verzoekster een betrekking heeft aangeboden gekregen aan de basisschool te Bornem vanaf 1 januari
  19. Men zegt dus niet waarom het niet correct invullen heeft moeten leiden tot de afwijzing van de kandidatuur. Verzoekster betoogt : “Bovendien zal in casu de formele motiveringsplicht nog strenger zijn daar het in casu gaat om een niet voor de hand liggende beslissing. Men beslist immers de kandidatuur van verzoekster af te wijzen wegens het niet correct invullen van het aanvraagformulier terwijl het in casu toch wel heel duidelijk was om welke betrekking verzoekster kandideerde en uit verschillende elementen blijkt dat de Raad van bestuur wist voor welke betrekking verzoekster kandideerde. Zo heeft verzoekster zich vergist inzake het betrekkingnummer bij het invullen van het aanvraagformulier. In plaats van 10034 vulde zij het nummer in van de betrekking op de volgende pagina op dezelfde plaats, namelijk
  20. Dit laatste was een betrekking als kinderverzorgster, iets waar verzoekster geen bekwaamheidsattest voor heeft en dus zeker niet voor in aanmerking kon komen. Daarnaast werd zij door de algemeen directeur van de scholengroep gecontacteerd aangaande de vergissing waarna verzoekster onmiddellijk bij wege van brief d.d. 20 november 2003 de vergissing heeft recht gezet en duidelijk heeft gezegd om welke betrekking het gaat. Men kan dus bezwaarlijk stellen dat men niet wist voor welke betrekking verzoekster kandideerde. Daarnaast heeft verzoekster nog eens duidelijk aangegeven op haar aanvraagformulier om welke betrekking het ging, enkel het betrekkingnummer was fout. Bovendien heeft men verzoekster laten deelnemen aan de procedure voor een vaste benoeming als kleuteronderwijzeres wat erop wijst dat men wist om welke betrekking het ging. Ook verzendt op 11 december 2003 de directie van de BS Ruddervoorde een e-mail aan de Scholengroep 25 waarin gesteld wordt dat er geen twijfel kan bestaan over de betrekking waarvoor gekandideerd werd en pleit voor vaste benoeming (cfr. bijlage 5). Uit al deze elementen blijkt dus duidelijk dat men wist voor welke betrekking verzoekster kandideerde. Het ligt dan ook niet voor de hand dat men de kandidatuur van verzoekster afwijst door louter te verwijzen naar de omzendbrief en het niet correct invullen van het aanvraagformulier. Deze afwijzing had men uitvoerig dienen te motiveren daar men wist om welke betrekking het ging en men deze kandidatuur dan toch om een onverklaarbare reden afwijst. Het feit dat er in casu uitvoerig diende gemotiveerd te worden wordt nog versterkt door het feit dat na het vergelijkend interview verzoekster als eerste werd gerangschikt voor benoeming. Zulke niet voor de hand liggende beslissing had dan ook uitvoerig gemotiveerd dienen te worden wat in casu niet gebeurd is zodat de formele motiveringsplicht werd geschonden. Daar de eerste bestreden beslissing een schending inhoudt van de formele motiveringsplicht en de tweede bestreden beslissing voortvloeit uit de eerste bestreden beslissing (verzoekster was immers als eerste gerangschikt maar haar kandidatuur werd afgewezen wegens niet correct invullen aanvraagformulier zodat Van Doorsselaer Caroline die als tweede werd gerangschikt gemuteerd XII-4121-6/10 werd) zal ook de tweede bestreden beslissing een schending inhouden van de formele motiveringsplicht”.
  21. De beslissing van de raad van bestuur van 9 februari 2004, zoals die aan verzoekster is meegedeeld, is volgens verwerende partij afdoende gemotiveerd omdat ze verwijst naar de door verzoekster niét bestreden beslissing van de raad van bestuur van 15 december 2003 om de kandidaten van wie de kandidatuur niet voldeed aan de vormvereisten, niet te laten meedingen, waarvan de door verzoekster wél bestreden beslissing van 15 december 2003 de toepassing vormt. Met de referentie aan het rechtspositiedecreet en de omzendbrief van de scholengroep is de motivering afdoende, nauwkeurig en volledig. Tegenover het woord “kan” in de algemene richtlijnen staat de voormelde algemene beslissing van 15 december
  22. Verzoekster kent de omzendbrief en weet ook waarom de raad van bestuur voor haar geen uitzondering maakt. De raad van bestuur heeft als algemene regel vastgelegd dat de kandidaturen met vormgebreken niet mogen meedingen. Een en ander is aan verzoekster op voorhand gemeld op 18 november
  23. Verzoekster beweert haar vergissing te hebben rechtgezet, maar dit deed zij op 20 november 2003 terwijl de uiterste datum om een kandidatuur in te dienen 4 november 2004 was. Doende wat hij deed heeft de raad van bestuur een ondubbelzinnige toepassing gemaakt van het gelijkheidsbeginsel. De tweede gerangschikte kandidaat, die wel een correct formulier invulde, zou anders de nietigverklaring hebben gevorderd van de benoeming van verzoekster. Het afwijzen van de kandidatuur wegens het foutief invullen van het formulier vormt wel degelijk een deugdelijk motief. In haar laatste memorie argumenteert verwerende partij nog dat het doel van de formele-motiveringsplicht is bereikt omdat verzoekster, die de omzendbrief kende, wel degelijk op de hoogte was van de motieven van de beslissing. Die omzendbrief vermeldt dat onvolledig en foutief invullen kan leiden tot de afwijzing van de kandidatuur en stelt verder nog dat als het formulier niet degelijk is ingevuld of niet alle gevraagde informatie wordt verstrekt, dit kan leiden tot het afwijzen van de kandidatuur. Verwerende partij stelt nog dat de raad van bestuur op 9 februari 2004 ook rekening heeft gehouden met nieuwe feiten, te weten dat verzoekster als kleuteronderwijzer fulltime tewerkgesteld bleef in de scholen- groep. XII-4121-7/10 Beoordeling
  24. De notulering van de beslissing van de raad van bestuur van 9 februari 2004 is uiterst summier en bevat strikt genomen geen spoor van motivering. Er mag evenwel worden aangenomen, gelet op de referentie aan de brief van 10 februari 2004 die als bijlage aan de beslissing is gehecht, dat de raad van bestuur de motieven van zijn beslissing om het bezwaar van verzoekster te verwerpen heeft veruitwendigd in die kennisgeving. Blijft de vraag of hetgeen is neergeschreven in die kennisgeving ter dege de beslissing vermag te onderbouwen.
  25. Wanneer de toepasselijke regelgeving aan het bestuur een discretionaire bevoegdheid verleent om al dan niet een beslissing te nemen of de keuze laat tussen verschillende mogelijke beslissingen, is het bestuur verplicht zijn keuze te verantwoorden. Bovendien, wanneer het bestuur zoals te dezen in een welbepaalde bezwaarprocedure voorziet, dan staat het die overheid aan de zaak van de beroeper een nieuw onderzoek te wijden waarbij, aangenomen zelfs dat het bestuur niet is verplicht te antwoorden op elk van de door hem aangevoerde argumenten, uit de beslissing toch moet blijken dat zijn argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken.
  26. Verwerende partij steunt haar beslissing vooreerst op de richtlijnen in de omzendbrief betreffende de personeelsbeweging, die aan verzoekster wel bekend waren. Zoals verzoekster terecht opmerkt, waarschuwden die richtlijnen dat een verkeerd invullen van de kandidatuur “kan” leiden tot een afwijzing. De richtlijnen die de scholengroep had uitgevaardigd en waaraan deze zich dan ook diende te houden op het ogenblik waarop verzoekster zich als kandidaat kenbaar maakte gaven het schoolbestuur derhalve een discretionaire bevoegdheid. De Raad van State valt verzoekster bij, om de door haar gegeven en hoger geciteerde redenen, dat een afwijzing in de concrete omstandigheden van deze zaak “een niet voor de hand liggende beslissing” is. Een loutere referentie aan die omzendbrief volstaat dan ook geenszins als motief. In strijd met die richtlijnen heeft verwerende partij dan op 15 december 2003 besloten om alle foutief ingevulde formulieren zonder meer af te wijzen. Ook -en vooral- op die “algemene regel” steunt verwerende partij. Die beslissing voegt toe aan de oorspronkelijke richtlijnen, nadat alle kandidaatstellingen reeds zijn ingediend, en staat zelfs op de agenda samen met de XII-4121-8/10 individuele beslissingen over de toewijzing van de betrekkingen. Meer nog, blijkens de notulering is de aanleiding voor het agenderen van dit punt enkel “de problematiek van de betrekking in BS Ruddervoorde” waar het postulerende personeelslid “het verkeerde betrekkingnummer aangevraagd [heeft]”. Zonder te onderzoeken of in die omstandigheden nog wel van een “algemene regel” sprake kan zijn, of het bestuur daartoe wel bevoegd was en of die dan aan verzoekster mocht worden tegengeworpen, mocht verzoekster, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het vertrouwensbeginsel indachtig, terecht verwachten dat als antwoord op haar bezwaar omstandig zou worden toegelicht waarom tijdens een reeds lopende benoemingsronde nog de procedureregels gewijzigd moesten worden. Noch verzoekster, noch overigens de Raad van State, heeft in de bestreden beslissing van 9 februari 2004 daarover opheldering verkregen. Dit gebrek aan verduidelijking wordt door de Raad aanzien als een ontstentenis van motieven, zodat de zogenaamde “algemene regel” van 15 december 2003 buiten toepassing moet blijven en verzoekster daarenboven terecht verwacht dat de specifieke argumenten die zij formuleerde in haar bezwaarschrift door het bestuur in overweging zouden worden genomen. Dit is evenwel duidelijk niet gebeurd. Uit niets blijkt dat de raad van bestuur bij het nemen van de eindbeslissing de argumenten die verzoekster in haar bezwaarschrift had aangevoerd op enige wijze bij zijn besluitvorming heeft betrokken, laat staan dat ter zake enig weerwerk zou zijn geleverd. Het enige nieuwe argument is, zoals verwerende partij zelf toegeeft, de vaststelling dat verzoekster in de scholengroep werkt na 1 januari
  27. Dat draagt niet bij tot enig inzicht waarom verzoekster geen vaste benoeming kreeg.
  28. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. Vernietigd worden de op 9 februari 2004 bevestigde beslissing van 15 december 2003 van de raad van bestuur van de Scholengroep 25 Brugge- Oostkust waarbij Caroline Van Doorsselaer vanaf 1 januari 2004 een mutatie krijgt in de betrekking nr. 10034 kleuteronderwijzeres aan de basisschool te Ruddervoorde en verzoeksters aanvraag voor vaste benoeming in diezelfde betrekking wordt afgewezen. XII-4121-9/10 Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4121-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.887 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.