id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.888 Rolnummer: A. 186208/XII-5288 Zaak: Arrest 181888 - Financiële tegemoetkomingen - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:53 Fiche Arrest nr 181.888 van 10 april 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Financiële tegemoetkomingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.888 van 10 april 2008 in de zaak A. 186.208/XII-
- In zake : Jean CELIS, die woonplaats kiest bij advocaat L. Depre, kantoor houdende te Tienen, Grote Bergstraat 10 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean Celis op 7 december 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de “Beslissing mede gedeeld bij schrijven gedateerd 09.10.2007, zijn kenmerk P1/VB/1557/30648, waarbij Minister Vandenbroucke, zie bijlage 01, de stelling innam dat de beslissing van de Juridische Dienst moet worden bijgetreden, welke conform zou zijn met Art. 1153 Burgerlijk Wetboek, waar verzoeker vroeg op 23 juli 2007 aan AgODi, Juridische Dienst, Afdeling Advies en ondersteuning onderwijspersoneel, de verwijlintresten uit te betalen op een te laag uitgekeerd pensioenbedrag”; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 8 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008, zitting waarop de zaak is uitgesteld naar de zitting van 18 maart 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5288-1/5 Gehoord de opmerkingen van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens. 1.
- Op 23 juli 2007 zendt verzoeker de verwerende partij het volgend schrijven : “Ingevolge KB 63 van 20 juli 1982 art, 10 par.5 werd een gedeelte van mijn wedde ingehouden én werd mij sinds 01.12.1996 een te laag pensioenbedrag uitbetaald. In het Belgische Staatsblad van 31.08.2006 verscheen een rechtzetting: Afdeling V: Terugvorderingen volwassenenonderwijs par. 2, waardoor deze maatregel vanaf 01.
- 1991 werd teniet gedaan. De weddedienst betaalde mij op 29.06.2007 i 8 259.77 achterstallige wedde. De pensioendienst betaalde mij op 14.03.2007 i 10 270.24 achterstallige pensioengelden. De verwijlintresten werden mij echter nog niet uitbetaald. De overheid heeft gedurende al deze jaren de samengestelde verwijlintresten geïnd die deze bedragen hebben opgeleverd, maar deze intresten komen niet toe aan de overheid, maar wel aan mij. Ik weet wel, dat de betaling van intresten op achterstallige bedragen (alleszins voor het rustpensioen) geregeld wordt met de wet van 11 april 1995 tot uitvoering van het ‘handvest’ van de sociaal verzekerde. Het zijn echter niet deze intresten die ik bedoel, maar wel de samengestelde verwijlintresten van de te kort uitbetaalde wedde en pensioenbedragen vanaf 01.09.1991 tot aan de dag dat de achterstallen werden uitbetaald, die de overheid ten onrechte heeft geïnd. Het is dus niet meer dan normaal dat de overheid deze verwijlintresten op mijn rekening stort”. 1.
- Op 30 augustus 2007 antwoordt verwerende partij : “Ik ontving uw schrijven van 23 juli 2007 in goede orde. Ik begrijp uw bekommernis maar dien u spijtig genoeg mee te delen dat het ministerie van onderwijs niet kan overgaan tot het betalen van verwijlintresten op achterstallige pensioengelden”. XII-5288-2/5 1.
- Op 11 september 2007 repliceert verzoeker : “Ingevolge KB 63 van 20 juli 1982 art. 10 par.5 werd een gedeelte van mijn wedde ingehouden én werd mij sinds
- 12.1996 een te laag pensioenbedrag uitbetaald. In het Belgische Staatsblad van 31.08.2006 verscheen een rechtzetting: Afdeling V: Terugvorderingen volwassenenonderwijs par. 2, waardoor deze maatregel vanaf 01.09.1991 werd teniet gedaan. Mede door uw tussenkomst, waarvoor ik u bedank, werd de volgende regeling getroffen: De weddedienst betaalde mij op 29.06.2007 i 8 259.77 achterstallige wedde. De pensioendienst betaalde mij op 14.03.2007 i 10 270.24 achterstallige pensioengelden. De intresten die deze bedragen hebben opgebracht, werden mij echter nog niet uitbetaald. Daarom vroeg ik op 23 juli 2007 aan AgODi, juridische dienst, afdeling Advies en Ondersteuning onderwijspersoneel deze verwijlintresten uit te betalen. De heer Patrick Poelmans, Afdelingshoofd, liet mij weten dat het ministerie van onderwijs niet kan overgaan tot het betalen van verwijlintresten op achterstallige wedde en pensioengelden. Ik vind dat onrechtvaardig omdat de overheid gedurende al deze jaren de samengestelde intresten geïnd heeft die deze bedragen hebben opgeleverd. Vermits het intresten zijn op mijn achterstallig loon, komen ze niet toe aan de overheid, maar wel aan mij. Omgekeerd, als men mijn wedde en mijn pensioenbedrag rechtmatig en op tijd had uitbetaald, zouden deze gelden voor mij rechtstreeks intresten hebben opgebracht. Als u mijn zorg en rechtmatige vraag begrijpt, mijnheer de vice-president, wil ik hiervoor uw tussenkomst vragen door de opdracht te geven de samengestelde verwijlintresten van de te kort uitbetaalde wedde en pensioenbedragen vanaf 0109.1991 tot aan de dag dat de achterstallen werden uitbetaald, en die de overheid ten onrechte heeft geïnd, aan mij uit te betalen”. 1.
- In antwoord op voornoemd schrijven deelt de minister van Werk, Onderwijs en Vorming verzoeker mede bij brief van 9 oktober 2007 : “Ik heb uw schrijven van 11 september 2007 goed ontvangen en heb uw vraag nader onderzocht. De juridische dienst van de afdeling Advies en Ondersteuning liet u op 30 augustus reeds weten dat het ministerie van onderwijs en vorming niet kan overgaan tot betaling van verwijlintresten op achterstallige wedde en pensioengelden. Ik moet deze stelling bijtreden. Immers, conform art. 1153 BW is moratoire intrest (verwijlintrest) de intrest verschuldigd wegens vertraging in de uitvoering van de verbintenis die een geldsom tot voorwerp heeft. Indien de schuldenaar, het ministerie van onderwijs en vorming, echter kan bewijzen dat de te late uitvoering van de verbintenis aan een vreemde oorzaak te wijten is, is de moratoire intrest niet verschuldigd (zie Arbh. Brussel, 22 maart 1985, R.A.B., 1985, 271; Arbh. Brussel, 12 juli 1990, Soc.Kron., 1991, 391). Op 1 september 1991, datum vanaf wanneer u moratoire intresten vordert, was u nog niet in de mogelijkheid om achterstallen te vorderen, zij waren met andere woorden nog niet eisbaar omdat er op dat moment geen regelgeving was die dat voorzag. Zij werden pas eisbaar op het moment dat het decreet betreffende het onderwijs XVI van 7 juli 2006, waarin de bewuste rechtzetting gebeurde, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad namelijk op 31 augustus
- De eisbaarheid van de gelden waarop men intresten vordert is nu net een XII-5288-3/5 voorwaarde waar moet aan voldaan zijn om moratoire intresten te kunnen toekennen. U zou dus ten vroegste vanaf 31 augustus 2006 intresten kunnen vorderen tot de dag van de effectieve betaling. De tijd die hiertussen verlopen is, moet evenwel aanzien worden als een redelijke termijn nodig om al de berekeningen te maken. Uit de rechtspraak blijkt dat deze termijn nodig om de berekeningen te maken een vreemde oorzaak uitmaakt, in casu bedoelt men daarmee een feit/gebeurtenis die niet te wijten is aan de schuldenaar/overheid en die ervoor zorgt dat er met vertraging wordt betaald. (zie Arbh. Brussel, 12 juli 1990, Soc.Kron., 1991, 391 met noot DELANGE, M.) Zoals hierboven reeds vermeld is de schuldenaar geen moratoire intresten verschuldigd als de te late betaling een vreemde oorzaak heeft”. In die brief zit, naar zijn zeggen, het voorwerp van verzoekers vordering vervat. De ontvankelijkheid van het beroep.
- Verzoeker legt aan de Raad van State een betwisting voor betreffende de uitbetaling van “de samengestelde interesten van de te kort uitbetaalde wedde en pensioenbedragen vanaf 01.09.1991 tot aan de dag dat de achterstallen werden uitbetaald” waarop hij meent recht te hebben en “die de overheid ten onrechte heeft geïnd”. Een dergelijk geschil over de bedoelde verwijlinteresten is een geschil over een subjectief recht. Niet de Raad van State, maar enkel de gewone rechter is bevoegd om daarover uitspraak te doen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5288-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5288-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.