← België

Arrest 182016 - Penitentiair recht - 11/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.016 Rolnummer: A. 187793/IX-5892 Zaak: Arrest 182016 - Penitentiair recht - 11/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:54 Fiche Arrest nr 182.016 van 11 april 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.016 van 11 april 2008 in de zaak A. 187.793/IX-

  1. In zake : Amin BEN KHEDIJA, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te SINT-MICHIELS-BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Amin BEN KHEDIJA op 8 april 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Directeur van de Gevangenis te Gent van 05.04.2008 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : - 14 dagen strikt regime”; Gelet op de beschikking van 9 april 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 april 2008, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM die verschijnt voor de verwerende partij ; IX-5892-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. De feiten. 1.
  3. Sedert 17 maart 2008 verblijft de verzoeker in de gevangenis te Gent, Kleine Wandeling 89, in voorlopige hechtenis, onder een bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter te Gent. 1.
  4. Op 3 april 2008 stelt een inspecteur van politie een “tuchtrapport” op wegens verbale agressie van de verzoeker, naar aanleiding van zijn verschijning voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent. Het rapport luidt als volgt : “Betrokkene maakt bedreigingen over aan de voorleidende politieambtenaar met de woorden ‘Heb je het niet gehoord van die pistolen, Gent is klein ik vind je wel...’. Onmiddellijk daarna smaadt hij tevens betrokken ambtenaar met de woorden ‘Ik ga je zus neuken, vuile pot...’. Even later worden ook nog onderling bedreigingen geuit naar de onder- zoeksrechter belast met hun zaak.” 1.
  5. De verzoeker betwist dat hij voornoemde bedreigingen heeft geuit. Hij geeft wel toe dat hij verbaal arrogant heeft gereageerd, nadat hij zou zijn uitgedaagd “door de politiemensen in kwestie”. Volgens de verzoeker moeten de feiten in hun context worden geplaatst in die zin dat “De gemoederen verhit raakten door het zeer lange wachten (door een vergissing) van 18 personen samen in een zeer kleine wachtruimte net naast de zittingzaal. Deze verschijning op zich bracht (...) de nodige stress met zich mee in hoofde van verzoeker.” De verzoeker voegt daaraan toe dat “wanneer één van de politiemensen racistische uitlatingen heeft gedaan (geformuleerd) ten aanzien van de verzoeker, heeft deze laatste arrogant gereageerd, doch zonder bedreigingen te uiten”. IX-5892-2/5
  6. Onderzoek van de vordering. 2.
  7. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. 2.1.
  8. Wat de eerste voorwaarde betreft, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 5 april 2008, en dat de opgelegde tuchtmaatregel, onmiddellijk is ingegaan. De verzoeker heeft met een op 8 april 2008 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. 2.1.
  9. Uit die gegevens wordt afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed en diligentie heeft ingeleid. In haar nota, betwist de verwerende partij de uiterst dringende noodzake- lijkheid niet. 2.1.
  10. Er is bijgevolg voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
  11. 2.2.
  12. Wat de tweede voorwaarde betreft, roept de verzoeker een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker voert in dit verband in essentie aan dat de motivering van de bestreden beslissing “quasi onbestaand” is. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt : “Gelet op de artikelen 81, 82 en 83 van het KB van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen Gelet op : - Gelet op de noodzaak om de veiligheid en de orde op de rechtbank te handhaven. - Gelet op het feit dat dergelijk gedrag niet kan getolereerd worden; - Gelet op het relaas van betrokkene en diens raadsman.” IX-5892-3/5 2.2.
  13. Voornoemde motivering bestaat uit stijlformules die geenszins betrekking hebben op wat er zich heeft voorgedaan en die de opgelegde tuchtstraf noch feitelijk, noch in rechte verantwoorden, daargelaten de vraag of de verbalisant, die inspecteur van politie is, de rechtens vereiste hoedanigheid bezit om een tuchtrapport op te stellen; dat de vraag kan worden gesteld of het motief van de tuchtmaatregel dat onder meer betrekking heeft op “de noodzaak om de veiligheid en de orde op de rechtbank te handhaven” pertinent is. In dit verband stelt zich de vraag of de gevangenisdirecteur de rechtens vereiste hoedanigheid bezit om een tuchtmaatregel te nemen voor feiten die zich voordeden in het gerechtsgebouw. Het staat niet aan de Raad om, in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, op dergelijke rechtsvragen te antwoorden, wanneer op het eerste gezicht vaststaat, zoals in casu, dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is. 2.2.
  14. Het tweede middel is ernstig en er is bijgevolg voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en
  15. 2.3.
  16. Wat de derde voorwaarde betreft, voert de verzoeker aan dat de tuchtmaatregel van een strikt regime gedurende veertien dagen leidt tot isolatie, hetgeen ongetwijfeld een negatieve impact heeft op zijn psychisch en fysisch welzijn. De verzoeker voegt daaraan toe dat hij de gevangenisstraf nu zeer fel voelt. 2.3.
  17. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat hij enkel “glasbezoek” mag ontvangen, dat hij individueel moet wandelen, dat hij niet mag werken en dat hij niet mag deelnemen aan gemeenschappelijke activiteiten en enkel mag bellen met zijn advocaat. Gelet op zijn jonge leeftijd, de verzoeker is geboren op 3 mei 1988, op de aard van de tuchtmaatregel en op de omstandigheden waarin hij werd opgelegd, kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt, temeer daar de verwerende partij in haar nota niet ingaat op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, aangevoerd door de verzoeker. 2.3.
  18. Er is bijgevolg voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
  19. IX-5892-4/5
  20. Er is dienvolgens voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE WND. VOORZITTER : Artikel
  21. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Gent van 5 april 2008, waarbij aan Amin BEN KHEDIJA de tuchtstraf van “14 dagen strikt regime” wordt opgelegd. Artikel
  22. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 april 2008, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd.kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5892-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.016 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.964 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.