← België

Arrest 182020 - Varia (economische zaken) - 14/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.020 Rolnummer: A. 165182/IX-5007 Zaak: Arrest 182020 - Varia (economische zaken) - 14/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:54 Fiche Arrest nr 182.020 van 14 april 2008 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.020 van 14 april 2008 in de zaak A. 165.182/IX-

  1. In zake : de NV COLGATE PALMOLIVE BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat J.-M. MOMMENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 612 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaat B. MERGITS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 247, b
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV COLGATE PALMOLIVE BELGIUM op 16 augustus 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 juni 2005 van de minister van Werk waarbij de vrijstelling van de vervangingsplicht in het kader van het brugpensioen van haar werknemer A.V.D.S. geweigerd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2007; IX-5007-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. JACUBOWITZ die, loco advocaat J.M. MOMMENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. HERYGERS die, loco advocaat B. MERGITS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Op 25 november 2002 ondertekenen de directeur van de NV COLGATE PALMOLIVE BELGIUM en haar werknemer A.V.D.S. een overeenkomst waarbij laatstgenoemde met ingang van 4 november 2002 toetreedt tot het stelsel van brugpensioen, dat binnen de onderneming georganiseerd werd overeenkomstig de CAO nr.17 van 19 december
  4. 1.
  5. Met een brief van 17 juni 2005 deelt de minister van Werk aan de verzoekende partij mee : “In uw schrijven van 11 april 2005 verzocht u om vrijstelling van de vervangingsplicht voor 1 lopend brugpensioen. Artikel 4, § 5, derde lid van het koninklijk besluit van 7 december 1992 (BS van 11.12.1992) betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, voorziet dat de vervanger in dienst moet worden genomen: - ten vroegste de eerste dag van de vierde maand die de maand voorafgaat waarin het brugpensioen van de ontslagen werknemer een aanvang neemt en - ten laatste de eerste dag van de derde maand die volgt op deze waarin het brugpensioen van de ontslagen werknemer een aanvang neemt. Bovendien dienen de vervanging of opeenvolgende vervangingen te gebeuren binnen een termijn die niet méér mag bedragen dan 30 kalenderdagen. Artikel 1 van het KB van 06.07.2003 voorziet dat om geldig te zijn, de aanvraag tot vrijstelling moet ingediend worden met een aangetekend schrijven aan de minister van Werk, ten laatste op het einde van de tweede maand na die waarin geen geldige vervanging meer is doorgevoerd. Aangezien u de aanvraag tot vrijstelling van de vervangingsplicht voor dit lopend brugpensioen heeft ingediend nadat de periode waarbinnen u wettelijk een aanvraag tot vrijstelling van de vervangingsplicht had kunnen indienen, is IX-5007-2/6 verstreken, moet ik deze aanvraag als laattijdig beschouwen, en kan ik u bijgevolg niet vrijstellen van de vervangingsplicht voor dit lopend brugpensi- oen. (...)”. 1.
  6. Op 16 augustus 2005 stelt de verzoekende vennootschap tegen die beslissing een annulatieberoep in. Blijkens de bijgevoegde stukken is tot het instellen van dat beroep beslist door “bestuurder en gedelegeerd bestuurder” F. de SAINT PERIER en door “bestuurder en verkoopsdirecteur” J. VAN DE SLYCKE, die stellen te handelen “in hoedanigheid van bestuurders en overeenkomstig artikel 22 van de statuten van de vennootschap”, en heeft eerstgenoemde bestuurder aan “volmachtdrager J. VAN DE SLYCKE” volmacht gegeven om in zijn plaats de beslissing om beroep in te stellen te ondertekenen. De ontvankelijkheid
  7. De Raad van State onderzoekt ambtshalve of de verzoekende vennootschap regelmatig in rechte getreden is. De vennootschap moet te dien aanzien bewijzen dat het bevoegde orgaan met inachtneming van de terzake geldende wettelijke en statutaire bepalingen, besloten heeft het beroep in te dienen.
  8. Artikel 522, § 2, van het wetboek van vennootschappen bepaalt dat een naamloze vennootschap in rechte als eiser of als verweerder vertegenwoor- digd wordt door de raad van bestuur, maar dat de statuten aan één of meer bestuurders bevoegdheid kunnen verlenen om, alleen of gezamenlijk, de vennoot- schap te vertegenwoordigen. Een zodanige bepaling kan aan derden worden tegenge- worpen. Volgens artikel 19 van de statuten van de verzoekende partij heeft de raad van bestuur de ruimste bevoegdheden om de handelingen te stellen die binnen het maatschappelijk doel vallen en kan hij onder meer “als aanvrager (en) als verdediger pleiten voor alle rechtbanken, alle (...) vonnissen of arresten bekomen (...)”. Artikel 20 van de statuten maakt het voor de raad van bestuur mogelijk om zijn bevoegdheid om in rechte te treden aan een of meer van zijn leden te delegeren. De verzoekende partij toont niet aan dat van die laatste mogelijkheid gebruik gemaakt zou zijn. IX-5007-3/6 Artikel 22 van de statuten handelt over de ondertekening van de akten die de vennootschap binden. Bepaald wordt : “Behoudens een bijzondere volmacht door de raad van bestuur gegeven aan een van zijn leden of aan derden worden alle akten die de vennootschap binden, ondertekend hetzij door de voorzitter van de raad van bestuur, hetzij door de afgevaardigd-bestuurder, hetzij door twee bestuurders. De akten, andere dan deze met betrekking op het terugnemen van fondsen en waarden alsook deze met betrekking tot handelseffecten, leningen of indienstnemingen van bedienden of tussenpersonen op commissie, zullen kunnen ondertekend worden, hetzij door de voorzitter van de raad van bestuur, hetzij door de afgevaardigd-bestuurder, hetzij door twee bestuurders of een door hem/hen aangestelde bijzondere gevolmachtigde. Geen enkel der personen die voor de vennootschap ondertekenen zal tegenover derden, erin begrepen de hypotheekbewaarders, het bewijs moeten voorleggen van een voorafgaande beslissing van de raad van bestuur”.
  9. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat artikel 22, tweede lid, van haar statuten de mogelijkheid instelt om, met uitzondering van de uitdrukkelijk opgesomde akten, alle akten te laten ondertekenen door de personen die daar aangewezen worden en dat, aangezien daaruit volgt dat twee bestuurders bevoegd zijn om een beslissing om in rechte te treden te ondertekenen, zulks impliceert dat zij die beslissing kunnen nemen. Zij voegt daaraan toe, enerzijds, dat artikel 518, § 1, van het wetboek van vennootschappen bepaalt dat de raad van bestuur minstens twee bestuurders moet hebben en dat daaruit volgt dat er geen verschil bestaat tussen een beslissing genomen door twee bestuurders en een beslissing genomen door een raad van bestuur bestaande uit twee bestuurders, en anderzijds, dat er bij de uitlegging van die bepalingen geen overdreven formalisme aan de dag gelegd mag worden.
  10. De raad van bestuur van de verzoekende partij bestaat overeen- komstig artikel 13 van haar statuten uit “ten minste drie leden”. De argumentatie die de verzoekende partij steunt op artikel 518 van het wetboek van vennootschappen, waarin verwezen wordt naar een raad van bestuur van twee leden, is derhalve irrelevant.
  11. Artikel 19 van de statuten regelt de bevoegdheden van de raad van bestuur. Deze neemt, bij gebrek aan een delegatie van de betrokken bevoegdheid, de beslissingen om in rechte te treden. Artikel 22 van de statuten heeft betrekking op de ondertekening van de akten van de vennootschap. Aldus kan een akte met betrekking tot een beslissing om in rechte te treden ondertekend worden door hetzij de afgevaardigd-bestuurder, hetzij twee bestuurders, hetzij een door hem/hen IX-5007-4/6 aangestelde bijzondere gevolmachtigde. Artikel 22 heeft het echter niet over de vertegenwoordiging van de vennootschap, bijvoorbeeld in rechte.
  12. De verzoekende partij legt het bewijs voor dat twee bestuurders op 16 augustus 2005 besloten hebben een annulatieberoep in te stellen. Het blijkt echter niet dat die beslissing aan de raad van bestuur, die uit ten minste drie leden moet bestaan en die collegiaal beslissingen neemt, aangerekend mag worden. Het ontbreken van een dergelijke beslissing van de raad van bestuur leidt tot de vaststelling dat de verzoekende partij niet regelmatig in rechte getreden is. Weliswaar bepaalt artikel 22, derde lid, van de statuten dat, als twee bestuurders een akte voor de vennootschap ondertekenen, zij niet het bewijs moeten voorleggen van een voorafgaande beslissing van de raad van bestuur. Die bepaling houdt niet in dat de twee bestuurders in de plaats van de raad van bestuur kunnen beslissen om een annulatieberoep in te dienen. Artikel 22, derde lid, kan dan ook niet nuttig worden ingeroepen om de vereiste van het bewijs van een rechts- geldige beslissing van de raad van bestuur of, minstens, van het bewijs van een rechtsgeldige delegatie van de vertegenwoordigingsbevoegdheid, te omzeilen.
  13. De verzoekende partij is niet regelmatig in rechte getreden. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-5007-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5007-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.