← België

Arrest 182023 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 14/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.023 Rolnummer: A. 87039/IX-2033 Zaak: Arrest 182023 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 14/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:54 Fiche Arrest nr 182.023 van 14 april 2008 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.023 van 14 april 2008 in de zaak A. 87.039/IX-

  1. In zake : Peter WILLEMS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter WILLEMS op 29 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de ministeriële beslissing van 5 augustus 1999 waarbij zijn aanvraag tot het verkrijgen van vrijwillig ontslag met ingang op 1 augustus 1999, subsidiair tot het verkrijgen van een verlenging van zijn tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegen- heden (TAPA) voor 12 maanden vanaf 1 augustus 1999, wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 131.465 van 17 mei 2004 waarbij het beroep wordt verworpen in zoverre de vernietiging wordt gevorderd van de ministeriële beslissing van 5 augustus 1999 waarbij zijn aanvraag om vanaf 1 augustus 1999 een verlenging te verkrijgen van zijn tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden, waarbij de debatten worden heropend, aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld en het door de auditeur- generaal aan te stellen lid van het auditoraat belast wordt met het verder onderzoek van de zaak na het antwoord van het Arbitragehof; Gelet op het arrest nr. 39/2005 van het Arbitragehof van 16 februari 2005; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; IX-.2033-1/3 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 11 oktober 2007; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 4 december 2007, van de mededeling bedoeld in artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: Naar luid van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. In het auditoraatsverslag is te dezen de verwerping van het beroep voorgesteld. De verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier heeft de verzoeker medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. IX-.2033-2/3 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  2. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 april 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-.2033-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.023 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.84.977 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.