id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.028 Rolnummer: A. 184613/IX-5715 Zaak: Arrest 182028 - Leger en bijzondere korpsen - Reglementen - 14/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-08 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-29 07:54 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 182.028 van 14 april 2008 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korpsen - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.028 van 14 april 2008 in de zaak A. 184.613/IX-5715. In zake : Hilde DE LEEUW, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hilde DE LEEUW op 31 juli 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 20 juni 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 2003 houdende het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid; Gelet op de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 26 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5715-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1. In het Belgisch Staatsblad van 28 augustus 2003 wordt het koninklijk besluit van 7 juli 2003 houdende het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid bekendgemaakt. In de aanhef van dat besluit wordt verwezen naar het onderhandelingsprotocol van 6 maart 2003 van het sectorcomité XIV. Er wordt voorts overwogen dat de functies welke door de burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid worden uitgeoefend eigen kenmerken hebben en speciale hoedanigheden vergen, zodat het statuut van het Rijkspersoneel niet integraal op hen kan worden toegepast. Hoofdstuk V van dat besluit (de artikelen 12 tot en met 19) regelt de aanwerving van de personeelsleden op wie het statuut van toepassing is. Blijkens artikel 16 wordt voor de vergelijkende selecties tot de graden van inspecteur, commissaris-analist en commissaris, een selectiecommissie ingesteld bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. Artikel 17 bepaalt wat volgt : “De selectiecommissie bestaat uit : 1/ de directeur-generaal human resources van het Ministerie van Landsverdediging of zijn gemachtigde; 2/ de onderstafchef inlichtingen en veiligheid of zijn gemachtigde die een personeelslid in actieve dienst moet zijn; 3/ een gemachtigde van de Afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid; IX-5715-2/7 4/ de hoofdcommissaris of de adjunct-hoofdcommissaris of bij hun ontstentenis een ambtenaar van de divisie inlichting of van de divisie veiligheidsinlichting - naargelang de selectie betrekking heeft op de divisie inlichting of op de divisie veiligheidsinlichting - die ten minste de graad van afdelingscommissaris of afdelingscommissaris-analist voert; 5/ de chef van de divisie inlichting of de chef van de divisie veiligheids- inlichting of hun gemachtigde, naargelang de selectie betrekking heeft op de divisie inlichting of op de divisie veiligheidsinlichting. De selectiecommissie wordt voorgezeten door de directeur-generaal human resources van het Ministerie van Landsverdediging. Het secretariaat van de selectiecommissie wordt toevertrouwd aan de chef van de divisie personeel van de algemene directie human resources die zich kan laten bijstaan door een ambtenaar van niveau 1 die hij aanwijst.” 1.2. In het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2007 wordt het koninklijk besluit van 20 juni 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 2003 houdende het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid bekendgemaakt. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep tot nietigverklaring, luidt als volgt : “Artikel 1. In artikel 17 van het koninklijk besluit van 7 juli 2003 houdende het statuut van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1/ het eerste lid, 1/, wordt aangevuld als volgt : ‘, als voorzitter’; 2/ het tweede lid wordt opgeheven; 3/ het derde lid wordt vervangen als volgt : ‘De secretaris van de selectiecommissie wordt aangeduid door de voorzitter onder de statutaire ambtenaren van een niveau minstens gelijk aan het toe te kennen niveau of onder de militairen van een niveau minstens gelijkwaardig aan het toe te kennen niveau.’. Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007. Art. 3. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.” Blijkens de aanhef wordt het besluit verantwoord door het volgende gegeven : “Overwegende dat op 1 januari 2007 de functie van chef van de Divisie personeel, overheid die het secretariaat van de selectiecommissie van bepaalde burgerlijke ambtenaren van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid verzekert, werd afgeschaft ten gevolge van de interne reorganisatie van de algemene directie human resources en dat een werving van inspecteurs en commissarissen-analisten begonnen is in januari 2007, is het aangewezen de samenstelling van het secretariaat van die commissie aan te passen.” IX-5715-3/7 De ontvankelijkheid. 2. Volgens de verwerende partij kan uit het verzoekschrift niet opgemaakt worden of verzoekster de vereiste hoedanigheid bezit om in naam van het ACV-openbare diensten de zaak bij de Raad van State aanhangig te maken. 3. Verzoekster heeft het beroep ingediend in haar persoonlijke naam, maar met verwijzing naar haar hoedanigheid van “secretaris ACV-Openbare Diensten”. Zij stelt -en de verwerende partij beaamt- dat zij deel uitmaakt van het sectorcomité XIV. Zodoende bezit zij de vereiste hoedanigheid om in persoonlijke naam beroep in te stellen tegen een koninklijk besluit onder aanvoering van het middel dat de prerogatieven van het orgaan waarvan zij deel uitmaakt, miskend zijn. De grond van de zaak 4. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van artikel 2, § 1, -minstens van artikel 11, § 1- van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Zij betoogt dat, overeenkomstig artikel 2, § 1, van deze wet, op 6 maart 2003 in het sectorcomité XIV onderhandeld werd over de tekst van het koninklijk besluit van 7 juli 2003, dat betrekking heeft op een grondregel van het administratief statuut. De wijziging die met het bestreden besluit in het koninklijk besluit van 7 juli 2003 aangebracht is, werd niet onderhandeld met de vakbonden en de verwerende partij heeft daarmee een substantieel vormvoorschrift miskend. Minstens is artikel 11, § 1, van de wet van 19 december 1974 geschonden, aangezien die bepaling voorschrijft dat over beslissingen tot vaststelling van de personeelsformaties overleg gepleegd moet worden in de daartoe opgerichte comités en dat overleg niet gebeurd is. 5. De verwerende partij antwoordt daarop dat de met het bestreden besluit in het koninklijk besluit van 7 juli 2003 aangebrachte wijzigingen slechts de samenstelling van het secretariaat van de selectiecommissie betreffen terwijl alle andere bepalingen van dat besluit ongemoeid blijven. De doorgevoerde wijziging heeft betrekking op de organisatie van de dienst en daarover moeten de syndicale organisaties niet geconsulteerd worden. IX-5715-4/7 6. In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel, met dien verstande dat zij, wat betreft de miskenning van artikel 11, § 1, van de wet, nu betoogt dat de verwerende partij met de vakbonden overleg had moeten voeren omdat het bestreden besluit een regeling betreft “die niet als grondregel” beschouwd wordt. 7. Het is niet betwist dat het koninklijk besluit van 7 juli 2003 betrekking heeft op een grondregel in verband met het administratief statuut en dat over dergelijke regeling krachtens artikel 2, § 1, 1/,
- a)van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel onderhandeld moest worden. Het betreft een substantieel vormvoorschrift. 8. Te dezen rijst de vraag of elke wijziging aan dat koninklijk besluit aan dezelfde vormen onderworpen is, minstens of de verwerende partij de verplichting had om, met toepassing van artikel 11, § 1, van de wet van 19 december 1974, over het ontwerp van het hier bestreden besluit met de vakbonden te overleggen, in de mate het zou gaan om een beslissing tot vaststelling van de personeelsformatie (artikel 11, § 1, 1/) dan wel om een beslissing die door de Koning niet beschouwd werd als een grondregeling waarover onderhandeld moet worden (artikel 11, § 1, 2/). 9. Over een wijziging aan een besluit waarover de overheid met de vakbonden onderhandeld heeft, moet eveneens onderhandeld worden, tenzij de aangebrachte wijziging slechts betrekking heeft op het rechtzetten van een materiële vergissing, op een louter technische aanpassing, op een verduidelijking of een aanpassing aan een reglementaire bepaling die het bestuur geen keuze laat of op een inhoudelijke wijziging die, binnen de onderhandelde regeling, geen wezenlijke wijziging uitmaakt. 10. Een verandering in de samenstelling van de examencommissie vormt, als onderdeel van de vaststelling van het administratief statuut van een bepaald ambtenarenkorps, een wezenlijke wijziging aan de inhoud van de bestaande regeling. 11. Evenwel, in dit geval zijn de aangebrachte wijzigingen zeer beperkt. IX-5715-5/7 12. De wijziging aan artikel 17, eerste lid, 1/ en de opheffing van het 2/ -de aanwijzing van de voorzitter- is een technische aanpassing. Dergelijke wijziging behoeft geen syndicale raadpleging. 13. De wijziging aan artikel 17, derde lid, -de samenstelling van het secretariaat van de selectiecommissie- is blijkens de aanhef van het bestreden besluit het gevolg van de afschaffing van de functie van chef van de divisie personeel als onderdeel van een interne reorganisatie van de dienst alleen al organisatorische omstandigheden verplichtten de verwerende partij derhalve de aanwijzing van de secretaris opnieuw te regelen. Verzoekster betwist dit niet. Uit het koninklijk besluit van 7 juli 2003 blijkt dat de secretaris, naar de inhoud van de beslissingen van de selectiecommissie toe, geen enkele rol te vervullen heeft. Voor de personen wier administratief statuut wordt geregeld, maakt het dan ook geen enkel verschil uit wie het secretariaat van de commissie waarneemt. In die zin vormt de bepaling over de aanwijzing van de secretaris dan ook een voorschrift dat, in de context van de geregelde aangelegenheid, geen wezenlijk belang heeft. Dergelijke bepaling moest, wegens haar geringe impact, niet aan de syndicale raadpleging onderworpen worden. 14. Het middel, in zoverre geput uit de schending van artikel 2, § 1, 1/,
- a)van de wet van 19 december 1974, is niet gegrond. 15. Blijkens de termen van haar verzoekschrift acht verzoekster ook artikel 11, § 1, 1/ van de wet van 19 december 1974 geschonden doordat een beslissing tot vaststelling van de personeelsformatie slechts genomen kan worden na overleg met de representatieve vakorganisaties. In haar memorie van wederantwoord voert zij de schending aan van artikel 11, § 1, 2/ van dezelfde wet, doordat overleg noodzakelijk is voor regelingen die de Koning niet als grondregelen aangewezen heeft. Evident heeft het bestreden besluit niet de vaststelling van de personeelsformatie tot voorwerp. Het middel, aangevoerd in het verzoekschrift, mist feitelijke grondslag. Het middel, aangevoerd in de memorie van wederantwoord heeft betrekking op de miskenning van een andere wetsbepaling. Verzoekster formuleert zodoende een nieuw middel dat niet van openbare orde is en dat, IX-5715-6/7 aangezien het in het verzoekschrift aangevoerd had kunnen worden, niet ontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5715-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.