← België

Arrest 182038 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.038 Rolnummer: A. 78836/X-8177 Zaak: Arrest 182038 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:54 Fiche Arrest nr 182.038 van 14 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.038 van 14 april 2008 in de zaak A. 78.836/X-8177. In zake : 1. Maria VERWIMP, 2. Frans PEETERS, die woonplaats kiezen bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaat B. ASSCHERICKX, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria VERWIMP en Frans PEETERS op 3 juni 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 september 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de n.v. AQUAFIN de bouwvergunning wordt verleend voor het oprichten van een rioolwaterzuiveringsstation te Boortmeerbeek, Rijmenamsebaan, kadastraal bekend sectie A, nrs. 41, 76/a en b, 77, 80, 81, 82/d, 83/e/2 en 84/h; Gelet op het arrest nr. 82.011 van 9 augustus 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 september 1999 ingediend door Maria VERWIMP en Frans PEETERS; X-8177-1/12 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 17 december 1999 ingediend door de n.v. AQUAFIN; Gelet op de beschikking van 19 januari 2000 die de tussenkomst van de n.v. AQUAFIN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur C. BAMPS; Gelet op de beschikking van 31 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 9 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDENBERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. ASSCHERICKX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-8177-2/12 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten De feitelijke gegevens van de zaak werden reeds uiteengezet in het tussenarrest nr. 82.011, van 9 augustus 1999. 2. Ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij betwist het belang van de tweede verzoeker als volgt : “1. In de stukken leest men dat er aangaande de inplanting van het litigieuze waterzuiveringsstation op 9 januari 1996 een overlegvergadering plaatsvond in het gemeentehuis van Boortmeerbeek (...). Op deze vergadering waren al de buurtbewoners uitgenodigd, waaronder de verzoekende partijen. De heer Frans Peeters, tweede verzoekende partij, was op deze vergadering aanwezig. De notulen van de vergadering luiden als volgt: ‘Naar aanleiding van de brief vanwege de Vlaamse minister van openbare werken, vervoer en ruimtelijke ordening dd. 14 oktober 1995 buigt de vergadering zich over de alternatieven voor de inplanting van het rioolwaterzuiveringsstation te Boortmeerbeek. Vertrekkend vanuit de gegevens uit de brief dd. 9 oktober 1995 (...) vanwege de directeur van AROHM Vlaams-Brabant aangaande deze problematiek wordt de vraag van de buurtbewoners geëvalueerd of het RWZI ongeveer 250 m verder ingeplant kan worden. De vergadering komt tot de conclusie dat de huidig voorgestelde inplantingsplaats en bouwwijze na gewestplanwijziging voldoet aan alle op elkaar inwerkende normen en gegevens. Tevens kan de verzekering gegeven worden dat de vrees van de buurtbewoners dat er een onaanvaardbare nietige hinder zou ontstaan door de uitvoering van de voorliggende ontwerpen, weerlegd worden. Meer nog, door de technische toelichting blijkt de voorgestelde constructie maximale zekerheid te geven over de beheersing van de potentiële hinderbronnen...’ Uit de voormelde passage van de notulen, nl. dat de vergadering, waaronder tweede verzoeker, tot de conclusie komt ‘dat de huidig voorgestelde inplantingsplaats en bouwwijze na gewestplanwijziging voldoet aan alle op elkaar inwerkende normen en gegevens’, kan niet anders worden besloten dan dat tweede verzoeker de thans betwiste inplanting van het RWZI, zonder enig voorbehoud aanvaard heeft, zodat hij er in het kader van onderhavige vernietigingsprocedure niet meer op kan terugkomen. De tweede verzoekende partij heeft zijn belang verbeurd, en zijn beroep tot nietigverklaring kan niet meer in overweging worden genomen”. De tussenkomende partij werpt bij wege van exceptie het gebrek aan belang in hoofde van de beide verzoekende partijen op : X-8177-3/12 “De N.V. AQUAFIN betwist het belang van de verzoekende partijen aangezien het nadeel dat zij beweren te ondervinden ten gevolge van de rioolwaterzuiveringsinstallatie voortvloeit uit het besluit van de Vlaamse Regering dd. 27.5.1997 houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven te Boortmeerbeek waarbij de wijziging van landschappelijk waardevol agrarisch gebied naar een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen werd vastgesteld voor een oppervlakte van 4,5 ha. Indien verzoekende partijen van oordeel zijn dat zij nadeel ondervinden ten gevolge van deze nieuwe bestemming als gebied voor gemeenschaps- voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dienen zij de wettelijke middelen aan te wenden waarover zij beschikken tegen de wijziging van het gewestplan. Bovendien zal de Raad van State in concreto het belang van de verzoekende partijen dienen te beoordelen, rekening houdend met de concrete hinder dewelke zal ontstaan ten gevolge van de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Aangezien de hinder (visuele, geur- en geluidshinder) zoveel mogelijk zal verhinderd worden door de voorzorgsmaatregelen dewelke de N.V. AQUAFIN in bijlage 8 van de milieuaanvraag heeft vermeld (overkapping, afzuiging over een biofilter en dergelijke), dient vastgesteld te worden dat verzoekende partijen geen voldoende belang hebben bij de schorsing en de vernietiging van de bouwvergunning”. 2.2. Het wordt niet betwist dat de beide verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke omgeving van het kwestieuze perceel. Het loutere feit dat de tweede verzoeker op een informatievergadering aanwezig was waarin de inplanting van het betrokken bouwwerk zou zijn aanvaard, getuigt er geenszins van dat deze zijn recht tot het instellen van een annulatieberoep zou hebben verbeurd. De door de verzoekende partijen gevreesde vormen van hinder -onder meer visuele hinder- vloeit mede voort uit de bestreden bouwvergunning. Het feit dat die vergunning stedenbouwkundig mogelijk wordt gemaakt door een wijziging van de gewestplanbestemming doet aan die vaststelling geen afbreuk. De excepties worden verworpen. 3. Ten gronde 3.1.1. Het eerste middel is genomen “uit de schending van artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II Besluit, Doordat, zoals uit het bestreden besluit en uit de gegevens van het dossier blijkt, de RWZI waarvoor de bestreden bouwvergunning werd afgeleverd wordt ingeplant in de onmiddellijke nabijheid van het landelijk woongebied waarin Beroepers wonen, en tevens in de onmiddellijke nabijheid van een gerangschikt landschap (landschap Dijlevallei-Mispeldonk), een waterloop (Dijle) een aantal natte weilanden (Dijlebeemden), een landbouwgebied en een recreatiegebied, X-8177-4/12 En doordat de inplanting van de RWZI waarvoor de bestreden vergunning werd afgeleverd zelfs is voorzien te midden van een landschappelijk waardevol gebied, gelegen in de Dijlevallei en meer bepaald in de Pikhakendonk, een gebied dat door het Bestuur Monumenten en Landschappen van AROHM in zijn brief dd. 18 februari 1997 aan het gemeentebestuur van de gemeente Boortmeerbeek een van de interessantste en mooiste gedeelten van de Dijlevallei wordt genoemd, en waarvan de bescherming als landschap wordt nagestreefd, Terwijl uit artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II Besluit, dat blijkens de door de milieuvergunning van de Bestendige Deputatie van 16 januari 1997 van toepassing wordt verklaard, blijkt dat bij het inrichten van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden zoals oppervlaktewateren en andere waterpartijen, moerassen, veengebieden en natte weilanden, industrie, landbouw en woongebieden, groen- en parkgebieden, het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen en tenslotte waterwingebieden en beschermingszones, En terwijl uit de inplantingsplaats van de RWZI waarvoor de bestreden vergunning werd afgeleverd blijkt dat deze in het licht van voornoemd artikel uit het Vlarem-II Besluit een ongemeen ongunstige ligging heeft door de onmiddellijke nabijheid van het landelijk woongebied, en de ligging te midden van een geheel van natte weilanden in ten zeerste beschermingswaard landschap onmiddellijk aansluitend op het reeds beschermde Landschap Mispeldonk als een van de mooiste en meest interessante gedeelten van de Dijlevallei, bij het bepalen van de inplantingsplaats van het bij het bestreden besluit vergunde installatie helemaal geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II Besluit vermelde gebieden, zodat wegens de schending van dit artikel het bestreden besluit volledig onwettig is”. In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen nog gelden : “Artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II, zoals in het middel weergegeven, heeft betrekking op de voorwaarden die moeten vervuld zijn bij het kiezen van een inplantingsplaats voor het inrichten van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen. Nu voormeld artikel te maken heeft met de keuze van een inplantingsplaats in functie van de aanwezigheid van milieugevoelige omliggende gebieden, raakt de toepassing ervan uiteraard ook de ruimtelijke ordening. De verplichting om bij de keuze van de inplantingsplaats van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen rekening te houden met de nabijheid van groen- en parkgebieden, recreatiegebieden en woongebieden, houdt meteen een toepassing in van de gewestplannen die op de gekozen inplantingsplaats van toepassing zijn, zodat de naleving van artikel 5.2.1.4.van Vlarem-II ook door (

  1. de)administratie bevoegd voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw moet worden getoetst. Voorafgaand aan de aflevering van de bestreden vergunning werd het gewestplan Leuven in herziening gesteld, waarbij de gewestplanbestemming van de gekozen inplantingsplaats van de RWZI in het ontwerpplan kwam te liggen in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen in plaats van in een landbouwzone. Gelet echter op de inhoud van artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II, moet echter niet alleen de gewestplanbestemming van de inplantingsplaats aan X-8177-5/12 de geldende wetgeving worden getoetst, maar tevens de gewestplanbestemming van de ruimere omgeving, waarbij moet worden rekening gehouden met de aanwezigheid van groengebieden, woongebieden, recreatiegebieden etc. Bij de beoordeling van een bouwaanvraag moet met de milieutechnische aspecten van de inrichting waarop de aanvraag slaat rekening worden gehouden in de mate dat deze milieutechnische aspecten een invloed hebben op de gewestplan- conformiteit van het project waarop de aanvraag slaat. Zo is bij de beoordeling van de bouwaanvraag voor een bedrijfsgebouw in woongebied ook de beoordeling van de milieuhinder van het project waarop de aanvraag slaat van belang om de gewestplanconformiteit van de aanvraag in te schatten. (...). Nu bij de aflevering van de bouwvergunning de aanvraag enkel werd getoetst aan de voor de inplantingsplaats geldende gewestplanbestemmingen, en niet aan de gewestplanbestemmingen in de ruimere omgeving, zoals door (...) artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II wordt vereist, heeft het Vlaams Gewest bij aflevering van de bouwvergunning artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II geschonden”. In hun laatste memorie stellen zij nog : “Met betrekking tot het eerste middel verwijst het auditoraatsverslag naar de beoordeling van dit middel door Uw Raad in zijn arrest nr. 82.011 van 9 augustus 1999, waarbij het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit werd verworpen. In dit arrest wordt gesteld dat artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II betrekking heeft op na te leven milieuvoorwaarden, bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, en dat dit artikel aldus niet van toepassing zou kunnen zijn op het verlenen van een bouwvergunning, in casu het bestreden besluit. Beroepers zijn het met deze stelling niet eens, reden waarom zij overigens om de verderzetting van de procedure hebben verzocht. Artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II legt de milieuvergunningverlenende overheid de plicht op om bij de aanvraag voor de inplanting van inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen rekening te houden met de nabijheid van de gekozen inplantingsplaats tot bepaalde volgens het van kracht zijnde gewestplan geldende bestemmingsgebieden, zoals landbouwgebieden, groengebieden en parkgebieden. Artikel 5.2.1.4. bevat dan ook duidelijk bepalingen die de ruimtelijke ordening tot voorwerp hebben, nu ze voorschriften bevatten met betrekking tot de te kiezen locatie voor de inplanting van de beoogde inrichting. Er is geen wettelijke bepaling die de stedenbouwkundige overheid verbiedt bij de beoordeling van een bouwaanvraag bij het nagaan van de verenigbaarheid van de ontworpen inrichting met de bestemming van de inplantingsplaats en de in de onmiddellijke omgeving van deze inplantingsplaats bestaande ruimtelijke ordening toepassing te maken van wettelijke bepalingen die de inplanting van deze installatie ter zake onmogelijk maken. Het Vlaams Gewest als auteur van het bestreden besluit is bovendien op basis van het algemeen rechtsbeginsel patere legem quem ipse fecisti verplicht toepassing te maken van de wettelijke bepalingen die de oprichting en inrichting van afvalverwerkende installaties in de nabijheid van de in artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II vernoemde gebieden onmogelijk maken. Het middel is aldus gegrond”. X-8177-6/12 3.1.2. Met de verwerende en de tussenkomende partijen moet worden vastgesteld dat de ingeroepen Vlarem II-bepalingen ten deze niet dienstig zijn. Het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) is uitgevaardigd in uitvoering van artikel 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning, behoudens andersluidende bepaling (artikel 1.1.1.). Artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning machtigt de Vlaamse regering algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen, waarvan ze, indien om technische redenen noodzakelijk, bij gemotiveerd besluit kan afwijken, en deze milieuvoorwaarden kunnen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, bepalingen bevatten die de toelaatbaar- heid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden. De bepalingen van artikel 5.2.1.4 van Vlarem II hebben betrekking op na te leven “milieuvoorwaarden” bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen. Het bestreden besluit heeft niet een milieuvergunning tot voorwerp, maar het verlenen van een bouwvergunning in uitvoering van de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening. De schending van een bepaling uit de milieuwetgeving die niet van toepassing is op het verlenen van een bouwvergunning, kan geen grond van onwettigheid zijn en kan derhalve niet dienstig worden ingeroepen. 3.1.3. Het feit dat de in het middel ingeroepen milieunormen ook betrekking hebben op de inplantingsplaats van de betrokken inrichtingen doet aan de bovenvermelde vaststellingen geen afbreuk. Die normen gelden immers voor het “inrichten” van een inrichting. Ze houden in dat de ongunstige ligging van de inrichting kan gecompenseerd worden door milieutechnische voorwaarden, op te leggen in de milieuvergunning. De betrokken bepaling heeft als dusdanig niet “de ruimtelijke ordening tot voorwerp”. Het feit dat het de overheid niet verboden is met de desbetreffende bepalingen rekening te houden, laat voormelde conclusie onverlet. Om dezelfde reden schendt de verwerende partij met het bestreden besluit niet het -overigens voor het eerst in de laatste memorie ingeroepen- algemeen rechtsbeginsel. Het middel is niet gegrond. X-8177-7/12 X-8177-8/12 3.2.1. Het tweede middel is genomen “uit de schending van artikel 1 van de bij Decreet dd. 22 oktober 1996 gecoördineerde Stedebouwwet, Doordat, de bouwvergunning voor de inplanting van de RWZI wordt afgeleverd op de plaats waar de aanvrager van de bouwvergunning, de NV AQUAFIN, tevens tussenkomende partij, dit geschikt heeft gevonden, zonder dat de gevolgen van deze inplanting voor de omwonenden en de omgeving op enige manier is overdacht, Terwijl, uit de voormelde brief van de Dienst Monumenten en Landschappen van de Provincie Vlaams-Brabant dd. 18 februari 1997 wel degelijk blijkt dat de door de NV Aquafin gekozen inplantingsplaats gelegen is op een korte afstand van een van de interessantste en mooiste gedeelten van de Dijlevallei, En terwijl, uit dezelfde brief blijkt dat voor de inplanting van de RWZI in de onmiddellijke omgeving wel degelijk een alternatieve inplantingsplaats voorhanden is die zowel voor de omwonenden als voor het natuurschoon (...) minder ingrijpend en storend is, En terwijl, het Vlaams Gewest met respect voor de goede ruimtelijke ordening had behoren na te gaan of de vergunningsaanvraag paste in het doel van deze ruimtelijke ordening, die dient te worden ontworpen, zowel vanuit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel het natuurschoon van het Vlaamse Gewest ongeschonden te bewaren, Zodat, het Vlaams Gewest, door zonder meer de bouwvergunning af te leveren conform de aanvraag op de plaats waar de aanvrager deze heeft geschikt geacht ondanks het feit dat deze plaats zowel voor het natuurschoon als voor de omwonenden uiterst ongunstig is, en zonder mogelijke alternatieven te overwegen artikel 1 van de bij Decreet dd. 22 oktober 1996 gecoördineerde Stedebouwwet heeft geschonden”. De verzoekende partijen brengen noch in de memorie van wederantwoord, noch in de laatste memorie, dienaangaande wezenlijk nieuwe argumenten aan. 3.2.2. Artikel 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt : “Art. 1. De ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de streken, gewesten en gemeenten wordt vastgesteld in plannen. De ordening wordt ontworpen zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel het natuurschoon van het Vlaamse Gewest ongeschonden te bewaren”; Deze bepaling heeft betrekking op de ordening van het Vlaamse Gewest door middel van de plannen van aanleg. Het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven te Boortmeerbeek heeft het betrokken gebied bestemd tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Dit besluit is gemotiveerd als volgt : X-8177-9/12 “Overwegende dat het noodzakelijk is ruimte te voorzien voor het oprichten van een rioolwaterzuiveringsinstallatie te Boortmeerbeek; Overwegende dat AQUAFIN voor dit terrein, op basis van een scenarioanalyse waarin onder meer ecologische, hydraulische, technische en financiële aspecten bestudeerd werden, een voorstel heeft uitgewerkt; Overwegende dat dit project aansluit bij bestaande bebouwing en derhalve geen versnippering van open ruimte betekent en de ecologische waarden in het achtergelegen gebied Pikhakendonk maximaal gevrijwaard dienen te worden”; In casu heeft dit voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan de ordening van het gebied vastgesteld. De verzoekers roepen niet in dat de bestreden bouwvergunning hiermee in strijd zou zijn. Daarenboven komt het de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de verenigbaarheid van het bouwproject met de goede plaatselijke ordening van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij heeft enkel tot opdracht na te gaan aan de hand van de concrete gegevens van de zaak of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening. Geen van de door verzoekers aangebrachte argumenten, die alle overigens enkel steunen op een feitelijke beoordeling van de zaak, kunnen de Raad van State er toe brengen aan te nemen dat de bevoegde Vlaamse minister bij de beoordeling van de bouwaanvraag de perken van zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid te buiten zou zijn gegaan. Het middel is niet gegrond. 3.3.1. Het derde middel is genomen “uit de schending van het redelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur, Doordat de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening de bouwvergunning zonder meer heeft afgeleverd op basis van de inherzieningstelling van het Gewestplan Leuven voor de gemeente Boortmeerbeek, en dit in de wetenschap dat de aflevering van deze vergunning tot gevolg heeft dat de bouw van een waterzuiveringsstation mogelijk is, op een plaats die omgeven is door landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvan de bescherming als landschap wordt nagestreefd door de Monumenten en Landschappen van dezelfde Administratie, en in de wetenschap dat de in te planten waterzuiveringsinstallatie volgens de bouwvergunning zal komen te liggen in de onmiddellijke omgeving van een woonkern waarbij niet minder dan 25 woningen zijn gelegen binnen een straal van 100 m. rond de installatie en de dichtste woning (deze van eerste Beroepster) zich zal bevinden op amper 5 meter van de installatie en op 60 meter van de inrichting zelf, Terwijl, het redelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur vereist dat de overheid zich bij het nemen van haar beslissingen door de redelijkheid laat leiden, en voor het inplanten van een storende installatie X-8177-10/12 voor afvalverwerking een inplantingsplaats kiest waarbij de hinder voor zowel de omwonenden als voor het natuurschoon als de open ruimte zoveel mogelijk wordt beperkt”. De verzoekende partijen brengen noch in de memorie van wederantwoord, noch in de laatste memorie, dienaangaande wezenlijk nieuwe argumenten aan. 3.3.2. De schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van haar beslissing kennelijk onredelijk heeft gehandeld, m.a.w. dat zij op evidente wijze een onjuist gebruik van haar beleidsvrijheid heeft gemaakt. Uit de omstandigheid dat de inplantingsplaats van de ontworpen rioolwaterzuiveringsinstallatie is gelegen op een plaats die is omgeven door landschappelijk waardevol agrarisch gebied en in de onmiddellijke omgeving van een woonkern kan op het eerste gezicht niet zonder meer worden afgeleid dat de bevoegde Vlaamse minister bij de beoordeling van de bouwaanvraag de perken van zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid te buiten zou zijn gegaan. Dit is des te meer zo, nu de vergunning is verleend op grond van een -op zich niet als onwettig bestempeld- besluit van de Vlaamse regering dat het kwestieuze perceel voorlopig bestemt tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. X-8177-11/12 De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8177-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.038 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.