id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.076 Rolnummer: A. 98393/X-9949 Zaak: Arrest 182076 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.076 van 15 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.076 van 15 april 2008 in de zaak A. 98.393/X-
- In zake : Marcel COPPIN, die woonplaats kiest bij advocaat L. OCKIER, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Katteputstraat 3 tegen :
- de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel COPPIN op 14 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 september 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van gronden voor de aanleg van een weekendverblijfpark gelegen aan de Nieuwpoortsesteenweg te Oostende, nabij de Duinenstraat, de Emiel De Smitlaan en de Dorpsstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 147/a, 153, 160/4a, 160/2, 160/3, 157/a en deel van de nrs. 144/a, 148, 149 en 154/a; Gelet op het arrest nr. 95.328 van 11 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 16 juni 2001 ingediend door de verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; X-9949-1/6 Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 6 maart 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat L. OCKIER verschijnt voor de verzoeker, van adjunct-adviseur P. DE WULF, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten De feiten worden omstandig weergegeven in het arrest nr. 95.328 van 11 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit werd verworpen.
- De gegrondheid 2.
- Het enige middel is “afgeleid uit de schending van de verplichting tot uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit overweegt dat “het huidige ontwerp echter in strijd is met een goede ruimtelijke ordening” doch dat niet kan worden uitgemaakt waarom dat zo zou zijn. Door het gebruik van het woord “echter” is die overweging “ bijgevolg X-9949-2/6 niet in relatie te brengen” met de voorafgaande overweging “dat een dergelijke heraanleg principieel zou kunnen en zelfs wenselijk is mits de nieuw aan te snijden gronden beduidend beperkter zijn dan het neergelegde voorstel”. Voorts argumenteert de verzoeker dat hij “in alle redelijkheid van het bestuur (mag) verlangen dat men zijn argumenten (in de toelichtende nota) beantwoordt, minstens duidelijk maakt waarom het een andere visie heeft”. 2.
- De eerste verwerende partij repliceert dat de verzoeker heel selectief citeert uit het bestreden besluit waardoor “verkeerdelijk de indruk (wordt) gewekt dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd zou zijn” en dat een correcte en volledige lezing aantoont dat zij oordeelde “rekening houdende met de bezwaren (...) dat het project op zich met de voorgestelde sanering principieel vergunningsvatbaar is en zelfs wenselijk voor zover er beduidend minder nieuwe gronden zouden worden aangesneden. Het voorliggende ontwerp werd inzonderheid omwille van de te ruime nieuwe grondinname dan ook beschouwd als strijdig met een goede ruimtelijke ordening”. 2.
- De tweede verwerende partij antwoordt dat “de motivering in zijn geheel dient bekeken te worden, en niet beoordeeld kan worden op het gebruik van één welbepaald woord”, dat “men (...) moeilijk naast de motivering (kan) kijken dat de Bestendige Deputatie oordeelt dat de heraanleg slechts zou kunnen mits de nieuw aan te snijden gronden beduidend beperkter zijn dan het neergelegde voorstel”. Voorts stelt zij dat het bestuur in het kader van een georganiseerd administratief beroep geen recht spreekt maar een beslissing neemt. Het “loutere feit dat de overheid de argumenten van verzoekende partij niet ontmoet zou hebben” is dan ook geen schending van de formele motiveringsverplichting. 2.
- In de memorie van wederantwoord argumenteert de verzoeker dat de uitleg van de tweede verwerende partij dat “het (...) project niet verzoenbaar zou zijn met de onmiddellijke omgeving die voornamelijk zou bestaan uit residentiële alleenstaande woningen”, “post factum” wordt gegeven en “zelfs niet (lijkt) terug te vinden in de bestreden beslissing”. Voorts dat hij mocht verwachten dat “het bestreden besluit (...) zou uitleggen waarom het strengere normen oplegt dan de richtnormen inzake densiteit die vervat zijn in de KB’s van 30.10.1973 inzake weekendverblijfparken, en van 31.12.1975 inzake weekendverblijfparken in de kustgemeenten” waarnaar hij in zijn toelichtende nota aan de eerste verwerende partij heeft verwezen. Ook “het feit dat het project in een bufferzone voorziet, (is X-9949-3/6 een) element waar kennelijk evenmin rekening mee gehouden werd bij de beoordeling” hoewel de verzoeker ook daarnaar had verwezen in zijn toelichtende nota voor de bestendige deputatie. 2.
- Luidens artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, moet de beslissing van de bestendige deputatie met redenen worden omkleed. Het middel wordt geacht te zijn afgeleid uit de schending van deze bepaling. 2.
- Wanneer de bestendige deputatie op grond van voormeld artikel 53, § 3, van het decreet, in beroep uitspraak doet over een verkavelingsaanvraag, treedt zij niet op als een administratief rechtscollege, maar als een orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden is al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord. De bestreden beslissing moet, zoals elke bestuurshandeling, steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden. De door artikel 53, §3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, opgelegde motiveringsverplichting houdt in dat met de gegevens en redenen die in latere procedurestukken worden uiteengezet geen rekening kan worden gehouden. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State zijn beoordeling van de verkavelingsaanvraag in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State is wel bevoegd na te gaan of deze overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 2.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de vergunning geweigerd wordt op grond van het determinerend motief dat het project “tot het verkavelen voor de aanleg van een weekendverblijfpark (...) aan de Nieuwpoortsesteenweg, X-9949-4/6 nabij de Duinenstraat, de Emiel De Smitlaan en de Dorpsstraat” met een oppervlakte van 7,2 ha, dat meer bepaald inhoudt “het herstructureren van een bestaand kampeerterrein (...) aan de zijde van Raversijde (met) een ruime uitbreiding ervan richting Oostende en de herstelling van een ten dele in natuurgebied ingepalmde strook”, in strijd is met de goede ruimtelijke ordening om reden van de omvang van de of het aantal “nieuw aan te snijden gronden”. Die redengeving in het bestreden besluit wordt op zichzelf niet betwist door de verzoeker. De verzoeker toont niet aan dat die verantwoording voor het bestreden besluit kennelijk onredelijk zou zijn. Uit de gegevens van het dossier kan niet worden afgeleid dat het bestreden besluit in redelijkheid niet kon worden genomen op grond van deze redengeving. Het enige middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-9949-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9949-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.076 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.328 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div