id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.093 Rolnummer: A. 67218/X-6754 Zaak: Arrest 182093 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.093 van 15 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.093 van 15 april 2008 in de zaak A. 67.218/X-
- In zake : Leonard SMETS, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiussstraat 24 tegen : de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partij : Herman MICHIELS, wonende te 2221 BOOISCHOT, Koppenstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leonard SMETS op 5 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 september 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep ingesteld door Herman MICHIELS tegen het besluit van 27 december 1994 van het college van burgemeester en schepenen van Heist-op-den-Berg tot weigering van de vergunning tot het regulariseren van een bergplaats, het aanleggen van 6 sleufsilo’s en het verharden van een terrein, gelegen te Heist-op-den-Berg (Booischot), Koppenstraat 2, kadastraal bekend sectie E, nrs. 20/c en 25/b, ingewilligd wordt en een bouwvergunning wordt verleend overeenkomstig het gewijzigd plan; Gelet op het arrest nr. 57.848 van 26 januari 1996 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de vordering tot het horen opleggen van een dwangsom wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 15 mei 1996 ingediend door Herman MICHIELS; X-6754-1/8 Gelet op de beschikking van 26 juli 1996 die de tussenkomst van Herman MICHIELS toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 29 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANSTIPELEN, die loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat A. WYNANTS, die loco advocaat N. DEVOS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Th. RYCKALTS, die loco advocaat T. SWERTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij dient op 15 september 1994 een regularisatieaanvraag in voor een bergplaats, het aanleggen van 6 sleufsilo’s en het X-6754-2/8 verharden van een terrein gelegen te Heist-op-den-Berg aan de Koppenstraat 2, kadastraal bekend sectie E, nrs. 20/c en 25/b. 1.
- De voormelde percelen zijn overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen in een agrarisch gebied. De percelen zijn niet gelegen binnen een gebied waar een door de Koning - thans de Vlaamse regering - goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Het bestuur landinrichting en -beheer brengt op 10 oktober 1994 volgend advies uit: “Vanuit landbouwkundig oogpunt kunnen de regularisatie en de uitbreiding gedoogd worden. Het betreft de uitbreiding van een bestaand vergund loonwerkbedrijf dat grondwerken, afbraakwerken en landbouwwerken uitvoert. De bedrijfsgebouwen blijven na de uitbreiding een fysisch geheel vormen”. 1.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat wordt georganiseerd van 23 september 1994 tot 22 oktober 1994 worden drie bezwaren, waaronder het bezwaar van de verzoeker, ingediend. Het college van burgemeester en schepenen weerlegt de bezwaren na afsluiting van het openbaar onderzoek als volgt in het besluit van 8 november 1994: “- oppervlakte bergplaats : 101,65 m² - oppervlakte 1 sleufsilo : 80 m² - muurhoogte sleufsilo : 2 meter - verharding terrein met rode betonklinkers en gladde beton Overwegende dat (...) 3 bezwaren werden ingediend met betrekking tot: - de uitbreiding van een bestaand grondwerkersbedrijf in de landbouwzone; - de ontsiering van het landschap door deze inplanting - lawaaihinder door vrachtwagens en graafmachines - de aanwending van landbouwgronden voor de opslag van steenafval, grint, kiezel, en hout - het verharden van landbouwgrond door de aanleg van betonklinkers, gladde beton of kiezel - de Koppenstraat is niet uitgerust voor zwaar vervoer - een dergelijk bedrijf in een industriezone thuishoort - de aanwezige berging als tuinhuisje van 21 m² werd vergund - de bestemming van de sleufsilo’s is niet gespecifieerd - de agrarische gebieden uitsluitend bestemd zijn voor de landbouw en (...) voor para-agrarische bedrijven X-6754-3/8 - de niet naleving van de verleende milieuvergunning inzake de toegelaten werktijden - de omvorming van een loods voor landbouwvoertuigen tot atelier; (...) Overwegende dat de voorziene terreinverharding de stofhinder in de omgeving beperkt; Overwegende dat de sleufsilo’s een ordentelijke stapeling en sortering van de diverse materialen mogelijk maken; Overwegende dat er geen beperking wordt gesteld aan het vrachtverkeer in de Koppenstraat; Overwegende dat de gevraagde werken geen wijziging of uitbreiding van de bestaande aktiviteit impliceren; (...)”. 1.
- De gemachtigde ambtenaar adviseert op 19 december 1994 de aanvraag ongunstig in volgende bewoordingen: “(...)
- Het dossier is onvolledig - maten op inplantingsplan - sleufsilo’s : materialen, gevelzichten, bestemming, ...
- De aanvraag is niet in overeenstemming met de bestemming van het gewestplan als agrarisch gebied. Het bedrijf kan niet langer beschouwd worden als een para-agrarisch bedrijf en hoort thuis in een industriegebied. (...) Noot voor het College:
- Er dient een bestemmingswijzigingsaanvraag gedaan te worden voor het gebouw genaamd ‘atelier’.
- Er dient een tijdelijke bouwvergunning aangevraagd te worden voor het opslaan op het perceel 25 b”. 1.
- In zijn administratief beroepschrift van 20 januari 1995 tegen dit weigeringsbesluit argumenteert de tussenkomende partij onder meer dat zijn “bedrijfsactiviteiten (...) evolueerden van uitsluitend landbouwwerken naar landbouw- en grondwerken”, dat hij “zijn infrastructuur (heeft) moeten aanpassen aan de vraag op de markt”, dat “het uiteindelijk doel” van zijn “bouwaanvraag was niet uitbreiding van de bedrijfsactiviteit doch beperking van eventuele ‘hinder’ tot een strikt minimum” en dat “de mogelijke stofhinder uitgesloten (wordt) door de voorziene terreinverharding terwijl de sleufsilo’s een ordentelijke verdeling van grondsoorten mogelijk maken”. 1.
- Naar aanleiding van dit administratief beroep deelt de directeur van het provinciaal bestuur ruimtelijke ordening aan de provinciegouverneur mee dat hij “kan instemmen met een positieve behandeling van het dossier op voorwaarde dat op de terreinen (Sectie E nr. 20 c en 25 b) geen opslag meer gebeurt van bouw- en sloopafval alsook van gemalen asfalt. De sleufsilo’s mogen enkel X-6754-4/8 gebruikt worden voor het opslaan van materialen verwant aan het para-agrarisch bedrijf. Het groenscherm wordt uitgevoerd zoals voorzien in de bouwvergunning dd. 17.08.88 d.w.z. een groenscherm van 6 m rondom het terrein sectie 20 c en zoals aangeduid op bijgaande schets. De voorziene verharding beperkt wordt aangelegd zoals aangeduid op bijgaande schets”. 1.
- De bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen willigt bij het bestreden besluit van 21 september 1995 het beroep in van de tussenkomende partij tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen en verleent de bouwvergunning “overeenkomstig het door ons college gewijzigd plan”. Behalve de overname van het beroepen besluit, de situering van de ligging van de percelen volgens het gewestplan, het voormelde schrijven van de directeur van het bestuur ruimtelijke ordening en de vaststelling van het bestaan van drie bezwaren en de weerlegging ervan door het college van burgemeester en schepenen, overweegt de bestendige deputatie wat volgt: “(...) Overwegende dat het terrein paalt aan de met asfalt verharde gemeenteweg Koppenstraat; Overwegende dat de aanvraag de regularisatie van een bergplaats (13 x 8,6 m), het aanleggen van 6 sleufsilo’s en het verharden van een deel van het terrein betreft, ter uitbreiding van een para-agrarisch bedrijf; (...) Overwegende dat uit het onderzoek gebleken is dat de appellant ter plaatse geen afbraakmaterialen meer stockeert; Overwegende dat de bedrijfsgebouwen na de uitbreiding een fysisch geheel vormen; dat er een groenscherm van 6 m rondom het terrein wordt aangelegd; dat ons college het plan heeft aangepast zodat de verharding wordt beperkt; (...)”.
- Ten gronde 2.1.
- De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van “artikel 55 § 3 van de Wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals gewijzigd” (hierna: de Stedenbouwwet) en van “de bepalingen van de motiveringswet van 29 juli 1991”. Hij betoogt dat het bestreden besluit enerzijds niet aanduidt wat de bestemming is van de vergunde sleufsilo’s en evenmin waarom de bedrijvigheid van de tussenkomende partij een para-agrarisch bedrijf kan worden genoemd, en anderzijds niet afdoende antwoordt op de ingediende bezwaren. X-6754-5/8 2.1.
- De verwerende partij antwoordt in essentie -wat betreft de kwalificatie van het bedrijf tot een para-agrarisch bedrijf- dat het bestreden besluit gebaseerd is op een onderzoek door de administratie, het voormelde advies van het bestuur landinrichting en -beheer, de voormelde brief van de directeur van het bestuur ruimtelijke ordening en de foto’s die op de zitting in het kader van het administratief beroep werden voorgelegd “waaruit blijkt dat er geen grondwerken op het terrein worden uitgevoerd en dat er in de loods landbouwmachines worden ondergebracht”. En voorts dat het bestreden besluit aanduidt wat de bestemming is van het betrokken terrein. Wat betreft het niet beantwoorden van de bezwaren stelt de verwerende partij dat het college van burgemeester en schepenen die bezwaren heeft verworpen en dat tijdens het administratief beroep geen bezwaren werden ingediend en dat de bestendige deputatie niet verplicht is om “de argumenten te beantwoorden die (een derde) in een bezwaarschrift ontwikkeld heeft”. 2.1.
- De tussenkomende partij betoogt dat het bestreden besluit voldoet “aan alle voorwaarden inzake formele motivering van bestuurshandelingen, en ook aan deze gesteld door artikel 55 par. 3 van de stedebouwwet”. 2.2.
- Artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, stelt het volgende : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. 2.2.
- Noch het aangehaalde artikel 11 noch enige andere bepaling van voormeld koninklijk besluit van 28 december 1972 definiëren het begrip “para- agrarische bedrijven”. 2.2.
- Bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, moet bedoelde term in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Daaronder moet X-6754-6/8 worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is. 2.
- Het bepaalde van artikel 11.4.
- van voornoemd koninklijk besluit van 28 december 1972, samengelezen met artikel 55, § 3, van de Stedenbouwwet, krachtens dewelke alle beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering met redenen moeten worden omkleed, vereist dat de vergunningverlenende overheid in de beslissing zelf en op een afdoende wijze de motieven kenbaar maakt op grond waarvan het betrokken bedrijf een para-agrarisch karakter heeft. Dit klemt des te meer wanneer zoals in dit geval, het para-agrarisch karakter van het bedrijf van de tussenkomende partij wordt tegengesproken door de gemachtigde ambtenaar en het aan de verwerende partij voorgelegde plan en beroepschrift van de tussenkomende partij hierover geen duidelijkheid verschaft zodat alle twijfel hierdoor kan worden weggenomen. Het loutere motief dat uit onderzoek is gebleken dat de tussenkomende partij geen afbraakmaterialen meer stockeert, is in de gegeven omstandigheden niet afdoende om daaruit impliciet te besluiten dat het bedrijf van de tussenkomende partij een para-agrarisch bedrijf zou zijn. De loutere verwijzing naar de voorwaarde van de directeur van het bestuur ruimtelijke ordening in voormeld schrijven dat de sleufsilo’s enkel gebruikt mogen worden voor het opslaan van materialen verwant aan het para-agrarisch bedrijf, volstaat evenmin als afdoende motivering. Bijgevolg heeft de verwerende partij verzuimd in het bestreden besluit de motieven op een afdoende wijze kenbaar te maken op grond waarvan het betrokken bedrijf van de tussenkomende partij een para-agrarisch karakter heeft. Het middel is in zover gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 21 september 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep ingesteld door Herman MICHIELS tegen het besluit van 27 december 1994 van het college van burgemeester en schepenen van Heist-op-den-Berg tot weigering van de vergunning tot het regulariseren van een bergplaats, het aanleggen van 6 sleufsilo’s en het verharden van een terrein, gelegen te Heist-op-den-Berg X-6754-7/8 (Booischot), Koppenstraat 2, kadastraal bekend sectie E, nrs. 20/c en 25/b, ingewilligd wordt en een bouwvergunning wordt verleend overeenkomstig het gewijzigd plan. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-6754-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div