id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.109 Rolnummer: A. 131212/VII-28698 Zaak: Arrest 182109 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 17/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.109 van 17 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.109 van 17 april 2008 in de zaak A. 131.212/VII-28.698. In zake : Petrus DE SPRIET, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS, Sportstraat 49 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Petrus DE SPRIET op 30 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het "besluit" van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM) van 6 november 2002 inzake de verwijdering van afvalstoffen op percelen gelegen aan de Pathoekweg 22, 24 en 26 te Brugge; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 12 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2008; VII-28.698-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. PETITAT, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 13 juli 2000 verstrijkt de vergunning voor een werkhuis voor revisie, nieuwbouw van motoren en scheepsbouw dat door verzoeker wordt geëxploiteerd aan de Pathoekweg 22, 24 en 26 te Brugge. 1.2. Op 25 augustus 2000 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge akte van de melding van verzoeker voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op het adres Pathoekweg 22 te Brugge. 1.3. Op 12 november 2001 maakt de federale politie een proces- verbaal op waarin voor de inrichting Pathoekweg 22 te Brugge melding wordt gemaakt van overtredingen op de artikelen 12 en 20 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : afvalstoffende- creet) en het (toenmalig) artikel 4.2.2.4.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). 1.4. Op 11 januari 2002 wordt overgegaan tot een huiszoeking op het adres Pathoekweg 22 te Brugge om na te gaan of er inbreuken worden gepleegd op het afvalstoffendecreet. In het proces-verbaal van de federale politie - lokale opsporingsdienst Brugge - worden onder meer volgende vaststellingen gedaan : VII-28.698-2/13 "In een zijruimte van deze opslagplaats treffen wij een aanzienlijke opslag aan, van verven en solventen. De verven lijken ons van oude datum. De meeste recipiënten vertonen in meerdere of mindere mate, sporen van oxydatie. Tal van recipiënten lopen door de vergevorderde corrosie, gevaar om te lekken. Enkele recipiënten vertonen reeds sporen van lekkage. (...) Op een aantal etiketten kunnen wij vaststellen dat de verf lood of zinksulfide bevat. (...) Tevens in deze ruimte (...) werden nog recent laswerken uitgevoerd, wat een maatstaf mag zijn voor de brandveiligheid in een opslag van licht ontvlambare produkten. (...) bedrijfsterrein grenzend aan het Boudewijnkanaal. Dit terrein heeft het uitzicht van een stort en ligt volgestouwd met allerhande schroot afkomstig van scheepsafbraak, machines en voertuigen. Op het terrein staan een aantal autowrakken, die dermate roest zijn dat niet mag uitgesloten worden, dat een onverwachte schok ze in stof doet uiteenval- len. In de omgeving van de slipway staan een aantal stoffelijke resten van wat ooit een houten reddings- en metalen pleziervaartuig was. In het oppervlaktewater van het Boudewijnkanaal, ter hoogte van de slipway liggen een tweetal vaartuigen met de kiel aan de grond. De dekken zijn dermate gecorrodeerd en doorgeroest, dat het betreden op zich reeds een hoog risico inhoudt. (...) Op het bedrijfsterrein staan nog een aantal metalen garageboxen die ook volgestouwd zijn met allerhande 'wisselstukken' van niet aanwijsbare machines. In de diverse boxen is er ook een ruime opslag van allerhande vaten en recipiënten die duidelijk een of ander chemisch produkt bevatten maar niet onmiddellijk gedetermineerd kan worden. (...) een tweede bedrijfsgebouw waarin zich een opslag bevindt van alle mogelijk materiaal, het ene al nuttelozer dan het ander. (...) In een hoek van dit bedrijfsgebouw treffen wij tevens een opslag aan van een lot recipiënten waarvan kan vermoed worden dat het hier een of andere verfsoort betreft. De etiket(t)ering is niet onmiddellijk duidelijk, maar het schijnt hier te gaan om een lot camouflageverf, afkomstig van de het Amerikaans leger, hier waarschijnlijk achtergelaten na de tweede wereldoorlog of minstens daterend uit de eerste jaren erna. De verfpotten beginnen stilaan doorgeroest te raken. Verschillende beginnen door te zakken en staan op het punt om door te breken en hun inhoud vrij te geven. Onder een werkbank treffen wij plastic recipiënten aan, inhoudende benzine, mazout en solventen. Binnen het bedrijfsgebouw treffen wij tevens een afgescheiden ruimte aan waarin wij terug een aanzienlijke opslag aantreffen van verven en solventen die mogelijk nog ouder zijn dan de hiervoor vermelde. De recipiënten vertonen ook hier belangrijke sporen van roest. Het gaat ook hier duidelijk om verven afkomstig uit een stock van het Amerikaans leger. Alle hiervoor genoemde gevaarlijke, licht ontvlambare en schadelijke produkten, zijn opgeslagen op een wijze die iedere wetgeving of reglementering tart. Op geen enkele manier is er enige voorziening tegen het lekken van deze stoffen naar de bodem of een oppervlaktewater. VII-28.698-3/13 Bovendien vertegenwoordig(
- t)de opslag een potentiële ramp, mocht een of ander produkt ooit in aanraking komen met vuur. Mocht dit ooit het geval zijn, dan gaat de volledige infrastruktuur in de fik. Gezien het ontbreken van enige vergunning of inventaris, gaat in dat geval de brandweer een grote onbekende tegemoet, die een levensbedreigende hypotheek kan werpen op de brandbestrijders. Brandbestrijdingsmiddelen, eigen aan het bedrijf, in welke vorm dan ook, zijn er vreemd". 1.5. In het proces-verbaal van de scheepvaartpolitie worden onder meer volgende vaststellingen gedaan : "Wanneer men voor de slipway staat op het bedrijfsterrein ziet men aan de rechterzijde een wrak, wat een vrachtwagen is geweest. Het wrak is totaal verroest. Ernaast staan een aantal lege olievaten gestapeld. Deze zijn ook doorroest. Aan de linkerzijde, in de slipway staat eveneens een autowrak van blauwe kleur. Binnenin ligt hout gestapeld. Naast dit wrak bevindt zich tussen de begroeiing een stapel verrot hout. Wij kunnen vaststellen dat het om verschillende houtsoorten gaat. Tussen deze liggen asbesthoudende platen. Volgens DESPRIET zijn deze afkomstig van afbraakwerken van schepen. Ze zouden er volgens zijn verklaring liggen sedert 1970. Op de slipway zelf staan er nog 2 bootjes die volgens DESPRIET moeten hersteld worden. Het volledig terrein is in verval en her en der op het terrein vindt men hoeveelheden afval bestaande uit ijzerafval, auto-onderdelen, vaten enz. In het water van het Boudewijnkanaal op het einde van de slipway, liggen twee gezonken scheepswrakken. Er liggen tevens nog twee metalen schepen die niet gezonken zijn. De romp van de beide schepen is gevuld met water uit het Boudewijnkanaal. Om deze reden kunnen wij niet vaststellen als de motor of enige oliën nog aanwezig zijn in de schepen. Volledigheidshalve stellen wij nog vast dat er zich(t)drijfvuil in het water ligt en drijfvuil op de waterlijn zich bevind(t). Naast de asbestplaten bevindt zich een geroest olievat dat rechtopstaat. Rond het vat zijn nog verse sporen van vuilverbranding". 1.6. Verzoeker wordt door de politie ondervraagd over deze vaststellingen en verklaart blijkens het proces-verbaal van de federale politie - lokale opsporingsdienst Brugge - onder meer hetgeen volgt : "Tijdens het bedrijfbezoek werd vastgesteld dat in de diverse ateliers en opslagruimtes een hoeveelheid verven, olie, mazout en chemische stoffen staan. Ik schat dat de opslag van de verven, lakken en vernis, in de verschillende opslagruimtes, een capaciteit vertegenwoordig(
- t)van 10 ton. Ik heb geen stockbeheer, noch register. Ik heb hiervoor geen milieuvergun- ning. Ik zal trachten deze verven en andere bedekkingsmiddelen te verkopen. In de ateliers en opslagruimtes staan een aantal vaten met mazout, benzine en chemische produkten die op geen enkele manier ingekuipt zijn en die niet beveiligd zijn tegen lekkage. Ook deze stockage is niet in mijn milieuvergun- ning vervat. VII-28.698-4/13 Op het terrein achter de loodsen, richting slipway, staat heel wat schroot, batterijen en ander afvalmateriaal. Ik zal het schroot en alle ander afval laten afhalen door een erkend ophaler en zal mij hierin voorzien van de nodige attesten". Blijkens het proces-verbaal van de scheepvaartpolitie verklaart verzoeker onder meer het volgende : "(...) Ik ben van plan deze wrakken zelf te li(ch)ten. (...) Ik bevestig dat er geen vervuiling is voor olie in deze 2 wrakken. Langs de slipway liggen er inderdaad afgedekte asbestplaten sinds 1970, dit is afbraakmateriaal van schepen. De vaten op en rond de slipway bevatten blackvernis, oli(ë)n of mazout, doch deze lekken niet. Ik controleer iedere dag alles en dus ook op lekkages. De autowrakken zal ik naar het oud ijzer voeren". 1.7. Op 29 oktober 2002 wordt verzoeker door de verwerende partij verhoord in toepassing van artikel 37 van het afvalstoffendecreet. Luidens de verklaring van verzoeker tijdens de hoorzitting blijkt dat hij reeds een deel van het afval vrijwillig heeft verwijderd, doch dat een ander deel nog moet worden verwijderd. 1.8. Op 6 november 2002 stuurt de verwerende partij volgende brief aan verzoeker : "In navolging van het aangetekend schrijven met ontvangstbewijs d.d. 16 oktober 2002 met referentie IVS-SI\02003-5\KJ-02\0017, waarbij de heer Petrus De Spriet werd uitgenodigd op een hoorzitting overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffendecreet, wordt u in bijlage een kopie van het besluit van de OVAM d.d. 5 november 2002 inzake de verwijdering van afvalstoffen die zich bevinden aan de Pathoekeweg 22-24-26 te Brugge overgemaakt. Binnen de zestig dagen na ontvangst ervan kan tegen dit besluit bij verzoekschrift een vordering tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing worden ingediend bij de Raad van State. Dit verzoekschrift dient bij een ter post aangetekende brief (
- te)worden verstuurd. Voor het indienen van een annulatieberoep gelden verder de vormvoorschrif- ten zoals vastgesteld in de artikelen 1 tot en met 4 van het Regentbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging vóór de afdeling administra- tie van de Raad van State". VII-28.698-5/13 Aan voornoemde brief is volgende bijlage gehecht : "Gelet op artikel 2, artikel 12, artikel 13, en artikel 37 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zoals herhaaldelijk gewijzigd; verder het afvalstoffendecreet genoemd; Gelet op de gerechtelijke vordering aan de OVAM d.d. 30 januari 2002 door mevrouw Christine Pottiez onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, om op te treden in de zaak 'De Spriet Petrus', notitienummer parket BG.64.68.150541/201; Gelet op het PV van 12 november 2001 met nr. BG.64.68.150541/01 en opgesteld door de Federale Politie, Lokale Opsporingsdienst Brugge waarbij inbreuken werden vastgesteld op artikelen 12 en 20 van het afvalstoffendecreet ten laste van De Spriet, vertegenwoordigd door de heer Petrus De Spriet, zaakvoerder; Gelet op het navolgend PV van 11 januari 2002 met nr. 100121/02 en opgesteld door de Federale Politie, Scheepvaartpolitie waarbij inbreuken werden vastgesteld op artikelen 12 en 17 van het afvalstoffendecreet en op verschillende artikelen van Vlarem I en II ten laste van De Spriet, vertegen- woordigd door de heer Petrus De Spriet, zaakvoerder; Gelet op het navolgend PV van 11 januari 2002 met nr. 150617/01 en opgesteld door de Federale Politie, Lokale Opsporingsdienst Brugge waarbij ten laste van De Spriet, vertegenwoordigd door de heer Petrus De Spriet, zaakvoerder, inbreuken werden vastgesteld op artikelen 12, 20 en 21 van het afvalstoffendecreet, op verschillende artikelen van Vlarem I en II en waaruit blijkt dat betrokken bedrijf sinds 13 juli 2000 niet meer over een milieuvergun- ning beschikt, dat dit laatste bevestigd wordt door de Dienst Leefmilieu van stad Brugge in een schrijven aan de OVAM d.d. 30 oktober 2002; Gelet op het verhoor van de heer De Spriet dd. 11 januari 2002, zoals beschreven in voornoemd PV met nr. 150617/01 waarbij de heer De Spriet o.a. het hiernavolgende verklaarde : 'Ik ben eigenaar van de gronden en infrastructuur gelegen te 8000 Brugge, Pathoekeweg 22. Betreft de vroeger scheepswerf en marine- mechaniek De Spriet. Ik ben nog steeds in het bezit van een handelsreke- ning en BTW-nummer, tot de liquidatie van het bedrijf, met name de verkoop van alle stock en materiaal. Tijdens het bedrijfsbezoek werd vastgesteld dat in diverse ateliers en opslagruimtes een hoeveelheid verven, olie, mazout en chemische stoffen staan. Ik schat (dat) de opslag van de verven, lakken en vernis, in de verschillende opslagruimtes, een capaciteit vertegenwoordigt van 10 ton. Ik heb geen stockbeheer, noch register. Ik heb hiervoor geen milieuvergunning. Ik zal trachten deze verven en andere bedekkingsmiddelen te verkopen. In de ateliers en opslagruimtes staan een aantal vaten met mazout, benzine, en chemische producten die op geen enkele manier ingekuipt zijn en die niet beveiligd zijn tegen lekkage. Ook deze stockage is niet in mijn milieuvergunning vervat. Op het terrein achter de loodsen, richting slipway, staat heel wat schroot, batterijen en ander afvalmateriaal. Ik zal het schroot en alle ander afval laten afhalen door een erkend ophaler en zal mij hierin voorzien van de nodige attesten. Ik wens er tevens nog op te wijzen dat ongeveer 5 ton verf, eigendom zijn van De Cock Gregoire, schilder, die ik in bewaring heb. De machines in mijn atelier zijn te koop. Ze worden niet meer gebruikt, doch kunnen met een kleine ingreep operationeel gemaakt worden. Ik ben in het bezit van een milieuvergunning -exploitatievergun- ning voor metaalbewerking met een geïnstalleerde drijfkracht van minder dan 10 Kw. Ik heb geen personeel en werk alleen. Ik heb geen afvalstof- fenregister.' VII-28.698-6/13 Overwegende dat artikel 12 van het afvalstoffendecreet verbiedt om afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan; Overwegende dat de OVAM overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffen- decreet wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, deze afvalstoffen ambtshalve kan verwijderen; Overwegende dat artikel 13 van het afvalstoffendecreet stelt dat, onvermin- derd de toepassing van andere bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbe- sluiten, de natuurlijke persoon of rechtspersoon die afvalstoffen beheert of verwijdert, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder, schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; Overwegende dat de betrokkene bij aangetekend schrijven van 22 februari 2002 met kenmerk IVS-SI\02003-5\KJ-02\0003 door de OVAM, naar aanleiding van een terreinbezoek, de kans werd gegeven de afvalstoffen vrijwillig te verwijderen zijnde o.a. schroot, auto- en scheepswrakken, recipiënten, batterijen, asbestplaten, ... en alle verven, chemicaliën, solventen; dat een maximale uitvoeringstermijn van 6 maanden als limiet werd gesteld; Overwegende dat de in strijd met het afvalstoffendecreet achtergelaten afvalstoffen een risico voor hinder of schade voor de mens of het milieu inhouden en dit om volgende redenen : 1 Brandgevaar doordat de opslag ongecontroleerd is gebeurd; 2 Luchtverontreiniging bij het branden van het afval; 3 Bodemverontreiniging bij het branden van het afval; 4 Vervuiling van de bodem door olie uit lekkende tanks, motoren en wrakken. Overwegende dat zo mogelijk de overtreder vooraf wordt gehoord; Overwegende dat de betrokkene bij aangetekend schrijven met ontvangstbe- wijs van 16 oktober 2002 met kenmerk IVS-Sl\02003-5\KJ-02\0017 werd uitgenodigd voor een hoorzitting op 29 oktober 2002 om 11.00u ten kantore van de OVAM te Mechelen; Overwegende dat de heer Petrus De Spriet op de hoorzitting d.d. 29 oktober 2002 o.a. het hiernavolgende verklaarde : 'Ik geef een bundel af met allerhande stukken, 17 in totaal. Ik geef hierbij een verklarende nota bij de bundel. Ik stuur nog een verklarende nota op en antwoord op al uw vragen. De verven in mijn loods zijn van Eurocolor-Sigma Coatings en ca. 8 vaten met epoxyteer zijn van Sigma. Sigma is akkoord om dit allemaal te komen weghalen. De legerverven zijn van de heer De Cock Grégoire. Ik zal hem aanmanen om dit weg te halen. Er is een aannemer bereid om de scheepswrakken te komen weghalen. Ik heb reeds 2 boten verkocht (factuur zit in bundel). Ik ben nog bezig met de vrijwillige verwijdering. De camionwrakken zal ik verwijderen. Er staat nog een oude legerwagen per ongeluk buiten en is veel geld waard. Ik gebruik alle materialen die buiten liggen. Ik heb nog een metaalverwerkend bedrijf en ben nog steeds in bedrijf'. Overwegende dat uit de afgegeven stukken blijkt dat de heer De Spriet in de vooropgestelde uitvoeringstermijn van 6 maanden asbestplaten, autobatterijen, ijzer en houten boten heeft verwijderd; dat echter o.a. alle verven, chemicaliën, solventen, scheeps- en autowrakken nog niet verwijderd zijn; Besluit van de OVAM Artikel 1. Op basis van de voorgaande overwegingen maant de OVAM de heer Petrus De Spriet aan om, binnen de twee maanden na betekening van dit VII-28.698-7/13 besluit, tot een verwijdering van de nog aanwezige afvalstoffen over te gaan die zich bevinden op bovenvermelde percelen; Artikel 2. Indien niet voldaan wordt aan artikel 1 van dit besluit kan de OVAM lastens de heer De Spriet Petrus tot een ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen, die zich bevinden op de bovenvermelde percelen, overgaan; Artikel 3. Een afschrift van dit besluit wordt overgemaakt aan : - de heer De Spriet Petrus; - Rechtbank van eerste aanleg, mevrouw Christine Pottiez, onderzoeksrechter; - Procureur des Konings, de heer Florens; - Politie Brugge, Lokale Opsporingsdienst dienst Milieu, de heren Heyns en Deketelaere; - Federale Politie, Scheepvaartpolitie, de heer Soenens". Het hiervoor geciteerde "besluit" van OVAM is de bestreden beslissing; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat het bestreden besluit geen beslissing is tot ambtshalve sanering op kosten van verzoeker, dat zij enkel beslist om verzoeker nogmaals aan te manen om zijn terrein vrijwillig te saneren, bij gebreke waarvan zij kan overgaan tot ambtshalve sanering, dat dit niet noodzakelijk betekent dat zij de procedure van ambtshalve sanering zal opstarten nadat de termijn van twee maanden is verstreken en wanneer zou blijken dat verzoeker zijn belofte om vrijwillig te saneren nog steeds niet voldoende is nagekomen, dat zij op dat ogenblik nog een zelfstandig besluit houdende ambtshalve sanering zal moeten nemen, waarin minstens opnieuw zal moeten worden nagegaan of alle voorwaarden van artikel 37 van het afvalstoffende- creet zijn vervuld, dat, zelfs indien op dat ogenblik zou blijken dat aan voormelde voorwaarden effectief nog steeds is voldaan, zij dan nog niet noodzakelijk zal beslissen om de bedrijfsterreinen ambtshalve te saneren; dat de verwerende partij ten slotte stelt dat, aangezien het bestreden besluit verzoeker slechts aanmaant en hem nogmaals de mogelijkheid biedt om vrijwillig te saneren, dit besluit geen nadeel berokkent aan verzoeker, dat, hoewel het bestreden besluit met een besluit houdende ambtshalve verwijdering van afvalstoffen dreigt, het slechts een aan dergelijk besluit voorafgaande handeling is die niet vatbaar is voor vernietiging; 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, met betrekking tot de opgeworpen onontvankelijkheid, als volgt repliceert : "Verwerende partij citeert het bestreden besluit en voegt er onomwonden aan toe dat het geen beslissing tot ambtshalve sanering inhoudt door verwerende partij. Het zou, met de nadruk op 'nogmaals' een aanmaning zijn opdat VII-28.698-8/13 verzoekende partij vrijwillig haar terrein zou saneren. Meer nog zelfs indien zou blijken dat alle voorwaarden van artikel 37 van het Afvalstoffendecreet zijn vervuld, dan nog, zal verwerende partij niet noodzakelijk beslissen om de bedrijfsterreinen ambtshalve te saneren. Dit noemt men pas tolerantie, inschikkelijkheid. Het heeft zelfs iets weg van kruiperigheid ... De waarheid is echter het tegendeel. Verzoekende partij is in deze zaak steeds en continu onder druk gezet. De diverse briefwisselingen, onderzoeksplegingen, PV's en overige contacten zijn hiervan getuige. Enkel het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft het saneringsproces gedwarsboomd. Nochtans zou het veel eenvoudiger kunnen ... De kern van de zaak ontgaat verwerende partij, namelijk : - de kritische goederen, vnl verven en lijmen behoren toe aan derden. Het grootste deel hiervan is omwille van de veelvuldige acties van verzoekende partij door de rechtmatige eigenaar Sigma Coatings nv, vanuit de inrichting verwijderd. Het ontgaat verwerende partij daar iets, hoe weinig ook over te zeggen. Niettemin zijn tussen partijen diverse contacten naar aanleiding van deze zaak geweest. Deze goederen zijn dus weg. Het betreft ca 35 ton verven en vernissen, waarvan verzoekende partij steeds heeft gesteld dat het haar goederen niet waren. - een tweede deel kritische goederen, eveneens verven, lijmen en vernissen behoren toe aan dhr. De Cock Gregoire. Verzoekende partij heeft hier eveneens reeds verschillende acties ondernomen, doch kan betrokkene niet lokaliseren. Vandaar dat verzoekende partij hiertoe de hulp heeft ingeroepen bij de Prokureur des Konings, echter vooralsnog zonder gevolg. - De overige goederen, alhoewel een grondige opruimactie door verzoekende partij is gepland, behoren toe aan het voorwerp van exploitatie van zijn bedrijf en kunnen niet als afvalstoffen worden aanzien. Verzoekende partij heeft niet de intentie deze stoffen te verwijderen, tenzij het een bedrijfsmatige commerciële handeling betreft. Zelfs in dit laatste geval worden de doelstellingen van het Afvalstoffendecreet zoals vermeld in artikel 5 letterlijk nageleefd. Indien verwerende partij redelijkerwijze en zoals verzocht door verzoekende partij hier gezamenlijk en constructief (wenste) samen te werken, dan was deze zaak voor alle betrokken partijen, eenvoudiger en effectiever verlopen. Thans gaat veel energie in discussie en juridische steekspelletjes. Verzoekende partij wijst er verder op dat de procedure conform artikel 37 van het Afvalstoffendecreet door verwerende partij werd gevolgd. Verzoekende partij werd op 16 oktober uitgenodigd op een hoorzitting. Verwerende partij stelt in haar memorie terecht dat deze hoorzitting plaats vond in het kader van artikel 37 van het Afvalstoffendecreet en verder werd verzoekende partij met motieven bij besluit van 6 november 2002 op de hoogte gebracht. Voor zover bekend voor verzoekende partij zijn volgens het Afvalstoffendecreet geen verdere stappen nodig voor verwerende partij om effectief tot een ambtshalve sanering over te gaan. Dit nu anders voorstellen is werkelijk een loopje nemen met de realiteit. Gelet op bovenstaande en rekening houdend met het verzoekschrift tot nietigverklaring kan er geen sprake van zijn dat het beroep onontvankelijk zou kunnen worden bestempeld"; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat de in het verslag aangehaalde arresten van de Raad van State (arrest nr. 75.670 van 3 september 1998, arrest nr. 65.036 van 6 maart 1997, arrest nr. 55.656 van 12 oktober 1995 en arrest nr. 75.810 van 17 september 1998) die tot de VII-28.698-9/13 onontvankelijkheid van zijn verzoekschrift zouden nopen, betrekking hebben op de toepassing van artikel 21, §2, c), van het afvalstoffendecreet, dat voornoemd artikel een uitdrukkelijk voorafgaandelijke ingebrekestelling door OVAM verplicht, vooraleer de beslissing tot ambtshalve verwijdering van afvalstoffen kan worden genomen, dat de hierboven vernoemde rechtspraak niet kan worden getransponeerd naar het op het moment van het bestreden besluit geldende artikel 37 van het afvalstoffendecreet, dat het bestreden besluit niet als een ingebrekestelling of aanmaning kan worden beschouwd; dat verzoeker aanvoert dat het bestreden besluit werd genomen op grond van artikel 37 van het afvalstoffendecreet, dat uit het voornoemd artikel, zoals het op het moment van het bestreden besluit luidde, volgt dat het besluit tot ambtshalve verwijdering niet meer moet, en dus kan, worden voorafgegaan door een voorafgaandelijke ingebrekestelling, dat dergelijk besluit tot ambtshalve verwijdering genomen wordt nadat, vooreerst, de betrokkene werd gehoord, wanneer er daarnaast wordt aangetoond dat door het achterlaten of verwijderen van afvalstoffen een risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, en deze motieven ten slotte aan de betrokkene ter kennis worden gebracht, dat het bestreden besluit aan elk van deze voorwaarden voldoet; dat verzoeker voorts betoogt dat het bestreden besluit niet als een ingebrekestelling of aanmaning kan worden opgevat, dat het bestreden besluit en de motieven ervan hem ter kennis zijn gegeven bij aangetekend schrijven van 6 november 2002 met de vermelding "beslissing tot verwijdering van afvalstoffen", dat de verwerende partij expliciet vermeldde dat hij beroep kon instellen tegen dit besluit bij de Raad van State, dat het bestreden besluit geenszins werd gevolgd door een nieuwe beslissing van de verwerende partij, dat hieruit blijkt dat het bestreden besluit de enige en definitieve beslissing is van de verwerende partij inzake de ambtshalve verwijdering van de litigieuze afvalstoffen; dat verzoeker vaststelt dat de arresten van de Raad van State nr. 75.670 van 3 september 1998 en nr. 65.036 van 6 maart 1997 hieraan geen afbreuk doen, dat de in deze arresten aangevochte beslissingen steunen op het toenmalige artikel 21, §2, c), en niet op artikel 37 van het afvalstoffendecreet, dat het in het arrest nr. 75.670 van 3 september 1998 bestreden besluit uitdrukkelijk door OVAM was bestempeld als een ingebrekestelling, dat het in deze daarentegen een formeel besluit betreft waarin de te verwijderen afvalstoffen en de nodige verwijderingswerken worden beschreven, dat in het arrest nr. 65.036 van 6 maart 1997 werd vastgesteld "dat rekening houdend met het feit dat het overgelegd administratief dossier geen enkel stuk bevat houdende beslissing tot ambtshalve sanering, voormelde brief immers niet kan worden geacht meer te zeggen dan wat hij zegt, met name dat wegens het niet uitvoeren van de bij brief van 4 maart 1987 opgelegde maatregelen, tot ambtshalve sanering zal worden overgegaan VII-28.698-10/13 overeenkomstig het nieuw artikel 21 §2, c van het decreet van 2 juli 1981", dat in voornoemde zaak OVAM de betrokkene in gebreke had gesteld en vervolgens een tweede schrijven had gericht, dat dit tweede schrijven evenwel geen formeel besluit van OVAM betrof waarin de motieven voor een ambtshalve verwijdering werden meegedeeld, noch werd er een bepaalde en zekere termijn in opgelegd; dat verzoeker voorts stelt dat het door hem bestreden besluit wel degelijk bij formeel besluit werd genomen, dat het feit dat in artikel 1 van het bestreden besluit een termijn werd verleend om vrijwillig over te gaan tot de verwijdering van de afvalstoffen hieraan geen afbreuk doet; dat verzoeker ook beweert dat uit het feit dat het administratief dossier geen ander stuk inhoudt dan het bestreden besluit, moet worden afgeleid dat de verwerende partij het bestreden besluit als definitief heeft beschouwd, dat het definitieve karakter van het besluit tevens wordt aangetoond door het feit dat de verwerende partij de ambtshalve verwijdering heeft opgeschort in afwachting van een uitspraak door de Raad van State in het kader van onderhavig beroep; dat verzoeker vaststelt dat de Raad van State in zijn arresten nr. 55.656 van 12 oktober 1995 en nr. 75.810 van 17 september 1998 geenszins een exceptie van onontvankelijkheid met betrekking tot het voorwerp van het beroep heeft aangenomen, dat in deze zaken door OVAM de onontvankelijkheid van de vordering werd ingeroepen omwille van de persoon van verzoeker, dat de exceptie in beide zaken werd verworpen, dat OVAM in deze zaken in het bijzonder had opgeworpen dat het verzoek onontvankelijk was omdat verzoekers geen belang zouden hebben gehad bij de vernietiging van een beslissing tot ambtshalve verwijdering, nu OVAM ondertussen was overgegaan tot de uitvoering van de ambtshalve verwijdering en dat zij op grond van een behoorlijke ingebrekestelling, waaraan geen positief gevolg werd gegeven, tot terugvordering van de kosten van een ambtshalve sanering kon overgaan, dat de Raad van State deze exceptie heeft verworpen omdat hij overwoog dat verzoekers wel belang hadden bij de vernietiging van het besluit tot ambtshalve sanering, vermits een wettig besluit de noodzakelijke voorwaarde vormt om te kunnen overgaan tot de terugvordering van de door OVAM gemaakte kosten; dat verzoeker ten slotte vraagt om de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien deze in de kennisgeving van het bestreden besluit zelf stelde dat een beroep voor de Raad van State openstond; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie, met betrekking tot de opgeworpen onontvankelijkheid van het beroep, geen nieuwe argumenten toevoegt; dat de verwerende partij, met betrekking tot de tenlastelegging van de kosten, opmerkt dat het feit dat zij in het kader van de kennisgeving van het bestreden besluit aan verzoeker meldt dat hij het besluit voor de Raad van State kan VII-28.698-11/13 aanvechten, niet ipso facto betekent dat hij zonder meer een beroep tot nietigverklaring vermocht in te stellen, zonder eerst de eindbeslissing in het kader van de procedure van ambtshalve verwijdering van afvalstoffen af te wachten, dat de Raad van State principieel bevoegd is in het kader van een annulatieberoep tegen een eindbeslissing in het kader van de procedure van ambtshalve verwijdering van afvalstoffen, zodat zij terecht melding maakte van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State; 2.5. Overwegende dat vooreerst een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds een ingebrekestelling of aanmaning om afvalstoffen te verwijderen en het besluit tot het ambtshalve verwijderen van die afvalstoffen; dat artikel 21, § 2, c), van het afvalstoffendecreet, zoals het werd vervangen door artikel 54 van het decreet van 12 december 1990 betreffende het bestuurlijk beleid, vóór de wijziging door het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, als volgt luidde : "De afvalstoffenmaatschappij kan ambtshalve de afvalstoffen van een onderneming verwijderen en de verontreinigde bodems en buiten gebruik gestelde industriële installaties, die een risico inhouden voor het leefmilieu en de volksgezondheid, saneren ingeval na behoorlijke ingebrekestelling door de afvalstoffenmaatschappij of door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de ingebrekegestelde heeft nagelaten de opgelegde maatregelen te treffen of de opgelegde werken uit te voeren binnen de opgelegde termijn. De ambtshalve verwijdering of sanering vindt plaats op kosten van de ingebrekeblijvende. De Vlaamse Executieve kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze bepalingen"; dat sinds het voornoemde decreet van 20 april 1994, het ambtshalve verwijderen van afvalstoffen is geregeld in artikel 37 van het afvalstoffendecreet; dat voornoemd artikel ten tijde van het bestreden besluit als volgt luidde : "Wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, kan de OVAM deze afvalstoffen ambtshalve verwijderen. De OVAM kan hiertoe de bijstand vorderen van de rijkswacht, de politie, de brandweer, de civiele bescherming en andere besturen. Zo mogelijk wordt de overtreder vooraf gehoord. In ieder geval worden de maatregel en de motieven ervan ter kennis gebracht van de overtreder bij aangetekend schrijven. Het ambtshalve verwijderen vindt plaats op kosten van de overtreder"; dat, hoewel voornoemde bepaling geen "behoorlijke ingebrekestelling" meer vereist alvorens te beslissen tot ambtshalve verwijdering van afvalstoffen, dit niet belet dat de verwerende partij in dezen verzoeker heeft aangemaand om binnen een opgelegde VII-28.698-12/13 termijn de opgelegde maatregelen te nemen; dat de ingebrekestelling, vervat in de brief van 6 november 2002, een ingebrekestelling of aanmaning betreft voorafgaand aan een beslissing tot ambtshalve verwijdering; dat noch die aanmaning, noch de mededeling van de mogelijke gevolgen verbonden aan het niet uitvoeren van de opgelegde maatregelen, als een uitvoerbare administratieve beslissing kan worden aangemerkt; dat de handelingen die geen rechtsgevolgen beogen niet voor vernietiging vatbaar zijn; dat het beroep niet ontvankelijk is; dat, gelet op het feit dat de tekst van de brief van 6 november 2002 uitdrukkelijk melding maakt van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, de indruk kan zijn gewekt dat er wel degelijk een beslissing tot ambtshalve sanering was genomen, en het bijgevolg gepast voorkomt de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.698-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div