← België

Arrest 182113 - Milieuvergunningen - 17/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.113 Rolnummer: A. 186199/VII-37111 Zaak: Arrest 182113 - Milieuvergunningen - 17/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.113 van 17 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.113 van 17 april 2008 in de zaak A. 186.199/VII-37.111. In zake : 1. Kenneth BROOS, 2. Isabella ROMIJN, 3. de BVBA KEY CONSULT, 4. Emmanuel PEETERS, 5. Myriam PHLIPPO, 6. Jozef DELLAFAILLE, 7. Mariëtte DE MEESTER, 8. Floris VAN GOLEN, 9. Barend JORISSEN, die woonplaats kiezen bij advocaat J. ROBBROECKX, kantoor houdende te WILRIJK, Jules Moretuslei 374-376 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de NV MILIEU VERZORGING KEMPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. DAEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 122. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kenneth BROOS, Isabella ROMIJN, de BVBA KEY CONSULT, Emmanuel PEETERS, Myriam PHLIPPO, Jozef DELLAFAILLE, Mariëtte DE MEESTER, Floris VAN GOLEN en Barend JORISSEN op 7 december 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 oktober 2007 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 29 maart 2007, houdende enerzijds het verlenen van de milieuvergunning aan de NV MILIEU VERZORGING KEMPEN om een VII-37.111-1/8 co-vergistingsinstallatie van biomassa, gelegen aan de John Lijstenstraat te Hoogstraten (Meerle), te exploiteren en anderzijds de aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. TURKRY die, loco advocaat J. ROBBROECKX verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Chr. DAEL, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De tussenkomst Overwegende dat de NV MILIEU VERZORGING KEMPEN met een verzoekschrift van 26 december 2007 vraagt om tussen te komen in huidige procedure; dat niets zich tegen die tussenkomst verzet, zodat de NV MILIEU VERZORGING KEMPEN wordt toegelaten tussen te komen in het administratief kort geding; VII-37.111-2/8 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.1. Op 29 maart 2007 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor een co-vergistingsinstallatie voor biomassa, gelegen te Hoogstraten (Meerle), aan de John Lijsenstraat. Er wordt ook akte genomen van de melding van een aantal klasse 3-inrichtingen. 2.2. Op 12 juni 2007 wordt tegen deze vergunning een administratief beroep ingesteld. 2.3. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht. Ze zijn allemaal gunstig voor de tussenkomende partij. 2.4. Op 9 oktober 2007 wordt door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 29 maart 2007 bevestigd; 3. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hun verzoekschrift uiteenzetten als volgt: "Uit hogerstaande argumentatie blijkt duidelijk dat verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zullen moeten ondergaan indien de bestreden beslissing niet geschorst wordt. VII-37.111-3/8 Indien het gewoon verloop van de procedure tot nietigverklaring moet gevolgd worden zal de N.V. M.V.K. uiteraard overgaan tot het (bouwen

  1. en)exploiteren van de inrichting, met alle nadelige gevolgen voor verzoekers, woonachtig in het groen- en parkgebied aan de overzijde van de straat, vandien. Afgezien van de onverenigbaarheid met deze onmiddellijke (waardevolle en onaangetaste) omgeving zullen verzoekers minstens esthetische schade lijden, maar ook zoals hoger aangetoond hinder op het vlak van lawaai (minstens van de af en aan rijdende vrachtwagens) en geur. Indien de exploitatie thans effectief aangevat zou worden, zeker inachtgenomen het feit dat men ook zal beginnen bouwen, zal achteraf een stopzetting nog moeilijk bewerkstelligd kunnen worden, en zou men verzoekers wellicht rechtsmisbruik verwijten. Om die reden dient de bestreden beslissing geschorst te worden in afwachting van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring"; dat zij ook argumenteren als volgt : "Verzoekers lijden bovendien ernstige schade, nu zij allen in de zeer nabije omgeving wonen dan wel eigendommen en kantoren gevestigd hebben. Zij zullen zeker hinder ondervinden van de voorgenomen activiteit c.q. werken (lawaai, geur, verkeer ...). Het dient inderdaad benadrukt te worden dat de heer Broos, mevrouw Romijn en de B.V.B.A. Key Consult het 'Zwaluwenhof' of 'De Zwaelmen' kochten, en er thans reeds kantoren van de B.V.B.A. gevestigd zijn, doch de heer Broos en mevrouw Romijn binnen afzienbare tijd het domein ook zullen gaan bewonen en er derhalve permanent zullen verblijven: het park dat rond de gebouwen ligt bestaat uit gazon, loof- en naaldbomen, weiden, doorkruist met talrijke paden, deels omgracht, en diverse vijver- en moeraspartijen met eilandjes. Deze eigendom, evenals het aanpalende eigendom van het 'Kasteel ter Meiren' wordt beschreven in het boek 'Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen', uitgegeven onder auspiciën van Monumenten en Landschappen. Het kasteel is omringd door een groot park, en is officieel opgenomen in de lijst van geklasseerde gebouwen. Eveneens palend aan het parkgebied waarin beide kastelen zich bevinden staat een oude oorspronkelijk hoeve met bijhorende orangerie, omgeven door verschillende hectaren die aangelegd zijn met een unieke parktuin naar een ontwerp van de bekende tuinontwerper Wirtz. Nog in de onmiddellijke omgeving ligt het beschermd monument 'Meirberg, Tjongervindplaats', dat in 1992 als monument werd beschermd omwille van zijn historische en archeologische waarde. Over het landschappelijk waardevol ongerept en open karakter van dit gebied kan geen twijfel bestaan. Wat het esthetisch criterium betreft, zal (...) de geplande inrichting het landschap, minstens qua uitzicht, (...) schaden. In de voorliggende aanvraag wordt afwijking gevraagd voor het plaatsen van een groenscherm van 5 meter breed rondom de ganse inrichting. Op de bijgevoegde plannen is weliswaar een ecologische bufferzone voorzien, doch het is niet duidelijk waaruit deze zal bestaan en of deze afdoende zal zijn om de hinder tot een minimum te beperken. Gelet op de schaal die blijkbaar voorzien wordt gaat het eigenlijk om een puur industrieel bedrijf, dat de ruimtelijke draagkracht duidelijk overschrijdt. Waar het BPA onwettig is (cfr. infra), dient teruggegrepen te worden naar de voorheen bestaande toestand, zijnde landschappelijk waardevol agrarisch en natuurgebied, waarvan in de Omzendbrief RO/2006/01 'Afwegingskader en VII-37.111-4/8 randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting' gesteld wordt: 'Een absoluut totaal maximum tonnage van 60.000 ton inputmateriaal per jaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar, waarbij een verdere uitbreiding van de capaciteit boven dit absoluut maximum in agrarisch gebied niet mogelijk is'. Verzoekende partijen maken dan nog abstractie van het feit dat het in casu niet om louter agrarisch gebied gaat, maar wel om landschappelijk waardevol agrarisch gebied en natuurgebied. Waar het om gaat is dat zelfs in agrarisch gebied geen grootschalige industriële verwerking plaats mag vinden volgens de bevoegde Minister; de hinder voor de omgeving en de overschrijding van de draagkracht van het gebied zullen des te groter zijn in natuurgebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verzoekers hebben derhalve een wettig, rechtstreeks, actueel en onmiddellijk belang bij de nietigverklaring en de schorsing van tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar nota als volgt antwoordt : "(...)Het betoog van verzoekende partijen omtrent deze schorsingsvoorwaarde is uiterst beknopt, gezien zij met betrekking tot de ernst van het nadeel ten gevolge van de exploitatie enkel pro forma wijzen op lawaai- en geurhinder, en met betrekking tot de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel op het lange verloop van de annulatieprocedure en op het feit dat een effectieve exploitatie naderhand nog moeilijk zal kunnen worden stopgezet. Derhalve dient de vordering reeds om deze reden te worden afgewezen, gezien van verzoekende partijen mag worden verwacht dat zij hun beweerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel voldoende duidelijk uiteenzetten en aanneembaar maken, hetgeen in voorliggend verzoekschrift geenszins is gebeurd. (...)Wat betreft de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel, kan het lange verloop van de annulatieprocedure volgens Uw Raad in principe niet worden aangewend als argument. Wat betreft de stelling in dit kader dat een effectieve exploitatie naderhand nog moeilijk zal kunnen worden stopgezet, moet worden vastgesteld dat er wel degelijk voldoende middelen voorhanden zijn om de exploitatie desgevallend stop te zetten, waarbij onder meer kan worden gewezen op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een exploitant die exploiteert zonder de noodzakelijke uitvoerbare milieuvergunning. (...)Wat betreft de ernst van het nadeel ten gevolge van de exploitatie, menen verzoekende partijen dat zij een esthetische schade zullen leiden ten gevolge van de onverenigbaarheid van deze exploitatie met de omgeving, terwijl de inrichting ook lawaai- en geurhinder zou veroorzaken. Verzoekende partijen tonen geenszins aan dat de esthetische schade voortvloeit uit de exploitatie en niet uit de bouw van de inrichting. Bovendien zetten zij evenmin uiteen waarom zij lawaaihinder zouden lijden ten gevolge van de op -en afrijdende vrachtwagens, terwijl de straat van de inrichting en waarin zij wonen blijkens het bestreden besluit een gewestweg is, en de inrichting eveneens is gelegen tegen een op- en afrit van de autosnelweg. Tenslotte maken verzoekende partijen evenmin enigszins aannemelijk dat zij effectief geurhinder zullen lijden, hetgeen in het licht van de motivering daar- omtrent in het bestreden besluit nochtans noodzakelijk was, gezien uit het besluit en overigens eveneens uit de respectievelijke adviezen daaromtrent blijkt dat er zich geen problemen inzake geurhinder stellen. VII-37.111-5/8 Ter zake kan voor de volledigheid nog worden gewezen op volgende relevante tekstfragmenten uit het bestreden besluit, die zoals gesteld door verzoekende partij geenszins ernstig worden weerlegd: 'Overwegende dat het laden en lossen van mest zal gebeuren via het systeem van vloeistofdichte snelkoppelingen; dat er zodoende geen contact is tussen de mest en de buitenlucht; dat er hierdoor geén geurhinder kan optreden; dat er tevens een lekbak zal voorzien worden voor accidentele gebeurtenissen; Overwegende dat de inrichting is gelegen op een afstand van ongeveer 350 meter van een op- en afrit (Meer) van de autosnelweg E19; dat dit toch een uitzonderlijke ligging betreft voor een mestverwerkingsinstal- latie; dat het transport zodoende snel van de lokale wegen verwijderd is; dat temeer de John Lijsenstraat, langswaar de inrichting zal worden ingeplant, een gewestweg (N146) betreft; Overwegende dat er een groenscherm zal worden aangelegd (...) Overwegende dat voormelde overwegingen aantonen dat er genoeg mildere(nde) maatregelen zullen worden genomen, teneinde de hinder zo maximaal mogelijk te beperken; dat er geen bijkomende hinder van het transport wordt verwacht, daar de inrichting in de onmiddellijke omgeving van een op- en afrit van een autosnelweg zal worden ingeplant'; Gezien voormelde uiteenzetting, is er geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond"; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij aanvoert wat volgt : "Vrijwillig tussenkomende partij wenst een bedrijf op te richten op een perceel, gelegen in de omschrijving van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg Meirberg nr. 009, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 juli 2005. Volgens dit plan is het goed gelegen in een zone voor verwerking van biomassa. Verzoekers putten dan ook geen ernstig nadeel uit de bestreden beslissing, maar wel uit het BPA Meirberg dat door verzoekers niet is aangevochten. 'dat het nadeel dat de verzoekers putten uit het verlies van het open uitzicht op de Wellingtonrenbaan dan ook zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar in het bijzonder plan van aanleg dat constructies met een omvang zoals de vergunde toelaat; dat het nadeel niet meer dienstig kan worden ingeroepen' (R.v.St., nr. 170.657 van 27 april 2007). Zie tevens: - R.v.St., nr. 137.412, 22 november 2004 - R.v.St., nr. 135.584, 30 september 2004 - R.v.St., nr. 123.294, 23 september 2003 - R.v.St., nr. 95.205, 8 mei 2001 - R.v.St., nr. 76.786, 4 november 1998. - R.v.St., nr. 63.419, 4 december 1996. Het ontbreekt verzoekers dan ook aan enig belang. Het perceel van aanvrager is trouwens geprangd tussen enerzijds een zeer drukke verkeersas (met name de E19 en de HST-ljn) en anderzijds drie grootschalige, bestaande bedrijven (met name Malve, Sprangers en Comeco). De respectieve woningen van verzoekers bevinden zich trouwens aan de overzijde van een brede, drukke weg, op een ruime afstand van de plaats waar de werkzaamheden plaatsvinden. VII-37.111-6/8 Deze woningen bevinden zich in een dicht begroeid park en worden trouwens visueel afgeschermd met een gordel aan rododendrons. Bovendien vermeldt het BPA Meirberg duidelijk dat er bij de oprichting van een mestverwerkingsinstallatie, een bufferzone dient te worden ingericht waarbij er een groenscherm zal worden opgetrokken tussen het perceel van aanvrager en verzoekers. Er is dan ook geen sprake van een ernstig moeilijk te herstellen nadeel"; 3.4. Overwegende dat de verzoekende partijen aldus stellen dat het nadeel moeilijk te herstellen is, dat zij esthetische schade zullen ondergaan; dat de aangevoerde esthetische schade op het eerste gezicht voortvloeit uit de bouwwerken en dus uit de bouwvergunning die zij overigens met een afzonderlijke vordering hebben bestreden; dat zij ook lawaai-, geur- en verkeershinder vrezen; dat zij evenwel uitermate vaag blijven over de ernst van die hinder die zij vrezen te zullen moeten ondergaan; dat zij immers niet duidelijk maken op welke afstand hun woningen of hun eigendommen zich bevinden; dat zij hiervoor zelfs geen plan voorleggen, terwijl de tussenkomende partij een aantal argumenten aanbrengt die van aard zijn om dat nadeel ten zeerste te relativeren; dat ook de bestreden beslissing elementen aanbrengt waaruit kan worden gedistilleerd dat de geurhinder op een aanvaardbaar niveau kan blijven; dat de verzoekende partijen die elementen niet lijken te betwijfelen en niet bewijzen dat die elementen, die onder meer maatregelen zijn om de geurhinder te beperken, ondeugdelijk zouden zijn; dat eenzelfde vaststelling wordt gemaakt met betrekking tot de geluidshinder van de inrichting; dat, wat de verkeershinder betreft, er in de bestreden beslissing op wordt gewezen dat er 28,3 vrachtwagentransporten per dag zullen zijn; dat de inrichting dicht bij een op- en afrit van een autosnelweg zal zijn gelegen, zodat in redelijkheid wordt aangenomen dat de hinder veroorzaakt door vrachtverkeer van en naar de inrichting veeleer marginaal zal zijn in verhouding tot de globale verkeershinder die de verzoekende partijen hoe dan ook al ondergaan ten gevolge van de nabijheid van de autosnelweg; dat ten slotte niet uit het oog verloren wordt dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel grotendeels voortvloeit uit het Bijzonder Plan van Aanleg "Meirberg" en dat luidens de bestreden beslissing de inrichting volgens dit niet bestreden plan gelegen is, deels in een zone voor de verwerking van biomassa, deels in een bufferzone en een zone voor ecologische buffer; dat bij een "zone voor de verwerking van biomassa", de verzoekende partijen redelijkerwijze kunnen begrijpen welk soort bedrijvigheid zij er konden verwachten; 3.5. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State VII-37.111-7/8 niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoekende partijen af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV MILIEU VERZORGING KEMPEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien april tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.111-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.113 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.