← België

Arrest 182115 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.115 Rolnummer: A. 68484/IX-1469 Zaak: Arrest 182115 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.115 van 17 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.115 van 17 april 2008 in de zaak A. 68.484/IX-

  1. In zake : Stefan BOSSEREZ, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stefan BOSSEREZ op 6 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 31 januari 1996 waarbij hij afgedankt wordt als stagedoend bestuurssecretaris (jurist) bij het Ministerie van Justitie; Gelet op het arrest nr. 60.575 van 27 juni 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 5 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting door de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; IX-1469-1/10 Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WAEGEMANS, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. De verzoeker wordt met ingang van 1 juni 1994, nadat hij slaagde in het vergelijkend wervingsexamen van bestuurssecretaris (jurist), toegelaten tot de stage, die een jaar zal duren. Hij wordt aangewezen voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken (Algemene Directie van de Algemene Diensten). 1.
  3. Reeds na twee maanden stage noteert de vormingsdirecteur negatieve opmerkingen op verzoekers stageverslag. In de verslagen over de vierde tot de negende maand oordeelt de vormingsdirecteur dat “de stagiair ... beter (zou) kunnen”. In het verslag over de zesde maand (november 1994) merkt de vormingsdirecteur op dat hij aan de verzoeker heeft voorgesteld, gelet op de voorgaande stagerapporten, “om na te denken of een tewerkstelling in een andere dienst, met name een studiedienst, niet beter zou overeenkomen met zijn capaciteiten.” Met een schrijven van 27 januari 1995 deelt de verzoeker mee dat zijn functie niet beantwoordt aan het beeld dat hem voor ogen stond. Hij vraagt een overplaatsing naar een “meer theoretische” functie, meer bepaald bij het Ministerie van Justitie. Op dat verzoek wordt ingegaan. De verzoeker wordt met ingang van IX-1469-2/10 1 maart 1995 aangewezen voor het Ministerie van Justitie (Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer). De maandelijkse stageverslagen bij het Ministerie van Justitie bevatten vanaf het verslag over de tiende maand (maart 1995) eveneens ongunstige vermeldingen. In het stageverslag over de twaalfde maand (mei 1995) oordeelt de vormingsdirecteur dat de verzoeker een negatieve indruk nalaat. Hij merkt voorts op dat de verzoeker begin mei -dus vier weken vóór het theoretische einde van de stageperiode- nog altijd geen onderwerp voor een eindverhandeling aan zijn oversten had medegedeeld. De verzoeker heeft toen wel een door het diensthoofd voorgesteld onderwerp aanvaard, maar op het einde van de maand heeft hij nog geen resultaat laten zien. De vormingsdirecteur stelt voor de stage met vier maanden te verlengen. Vanaf het stageverslag over de dertiende maand (juni 1995) stelt de vormingsdirecteur voor om de verzoeker wegens beroepsongeschiktheid af te danken. Een stage kan maximaal verlengd worden met één derde, in dit geval tot 30 september
  4. Op 1 juni 1995, normale einde van de stage, had de verzoeker nog geen eindverhandeling ingediend. Dit gebeurt pas op 2 oktober
  5. Door de vormingsdirecteur wordt die verhandeling op 9 november 1995 als “onvoldoende” beoordeeld. 1.
  6. Bij aangetekende brief van 20 november 1995 wordt de verzoeker opgeroepen om door de Interdepartementale Stagecommissie te worden gehoord. In een bijgevoegd verslag van dezelfde dag stelt de directeur- generaal van de vorming vast dat de stageverslagen over het geheel niet gunstig zijn voor de verzoeker. Hij stelt ook vast dat de verzoeker niet gerepliceerd heeft op de opmerkingen op zijn eindverslag, en dat hij geen eindverhandeling bij de directeur- generaal van de vorming heeft ingediend. De directeur-generaal sluit zich ten slotte aan bij de voorstellen van de vormingsdirecteur met betrekking tot de verlenging van de stage (met vier maanden) en de afdanking van de verzoeker. IX-1469-3/10 De Interdepartementale Stagecommissie hoort de verzoeker op haar vergadering van 12 december
  7. Op 13 december 1995 beslist de commissie, gelet op het feit “dat de eindverhandeling bij het beëindigen van de stage niet werd ingediend, dat de stageverslagen over het geheel niet gunstig zijn, en dat het rendement als onvoldoende werd beoordeeld”, met vijf stemmen tegen één, om de stage van de verzoeker met ingang van 1 juni 1995 (retroactief) met vier maanden te verlengen. Bij een tweede beslissing van dezelfde dag stelt de commissie voor, eveneens met vijf stemmen tegen één, om de verzoeker af te danken. Die beslissing steunt in het bijzonder op de volgende vaststellingen: “- dat de dienstprestaties van de stagiair ondanks de bijkomende kans die de verlenging van zijn stage hem gaf nog steeds onvoldoende zijn; - dat niet alleen de twaalf maandelijkse stageverslagen, maar ook de vier bijkomende stageverslagen over het geheel niet gunstig zijn voor de stagiair; - dat ondanks een bijkomende periode van vier maand de stagiair er nog steeds niet in geslaagd is een eindverhandeling op te maken die beantwoordt aan de regels opgelegd door de Directeur-generaal van de Vorming.” Bij schrijven van 31 januari 1996 deelt de Minister van Justitie aan de Minister van Ambtenarenzaken mee dat hij akkoord gaat met het ontslag van de verzoeker. Bij ministerieel besluit van 31 januari 1996, genomen door de Minister van Ambtenarenzaken, wordt de verzoeker als stagedoend bestuurssecretaris (jurist) bij het Ministerie van Justitie afgedankt, met een opzeggingstermijn van drie maanden. In de motieven van het besluit worden de aangehaalde vaststellingen van de Interdepartementale Stagecommissie overgenomen. Dit besluit vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  8. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 28sexies, § 3, en 32, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. IX-1469-4/10 In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat de Interdepartementale Stagecommissie bij haar oordeel over het verloop van de stage niet alleen rekening moet houden met de maandelijkse stageverslagen, met het door de departementale vormingsdirecteur opgemaakt eindverslag en met het verslag van de directeur-generaal van de vorming, maar dat zij ook alle nodige informatie dient in te winnen, inzonderheid bij de betrokken dienstchefs van de stagiair. De verzoeker stelt dat de Interdepartementale Stagecommissie aldus informatie had moeten inwinnen bij de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of bij verzoekers directe hiërarchische overste binnen deze commissie, en bij de dienstchef van de verzoeker gedurende de eerste negen maanden van zijn stage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken. De Interdepartementale Stagecommissie heeft evenwel nagelaten die informatie in te winnen. Nochtans kon deze informatie van doorslaggevend belang zijn, aangezien de dienstchef van de betrokkene bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken de over het geheel gezien niet ongunstige verslagen bij dat ministerie had kunnen toelichten en de dienstchef van de verzoeker bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de Interdepartementale Stagecommissie had kunnen voorlichten over de misverstanden, uitbreidingen en begeleiding (of het gebrek daaraan) van de eindverhandeling. De verzoeker besluit dat het bestreden besluit, dat steunt op een voorstel dat niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, zelf onwettig is. In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat de directeur- generaal van de vorming een eigen verslag diende op te stellen, terwijl hij dat te dezen niet gedaan heeft. Weliswaar heeft de directeur-generaal zich aangesloten bij het eindverslag van de vormingsdirecteur, maar dat verslag kan het eigen verslag van de directeur-generaal niet vervangen. Ook hier besluit de verzoeker dat het bestreden besluit, dat steunt op een voorstel dat niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, zelf onwettig is. 2.
  9. In zoverre de verzoeker de schending inroept van artikel 28sexies, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, maakt hij niet duidelijk waarin die schending zou bestaan. In zoverre is het middel onontvankelijk. 2.
  10. Voor het eerste onderdeel is artikel 32, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel van belang. IX-1469-5/10 Volgens die bepaling, in de versie zoals ze van kracht was op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, wordt onder meer het voorstel tot afdanking van de stagiair aan de minister voorgelegd, “nadat de interdepartementale stagecommissie de nodige informatie ingewonnen heeft, inzonderheid bij de betrokken dienstchefs”. De “nodige informatie” is de informatie die het de Interdepartementale Stagecommissie mogelijk moet maken om met kennis van zaken een oordeel uit te spreken over het verloop van de stage. Zoals uit de genoemde bepaling blijkt, dient de commissie met name te beschikken over informatie afkomstig van de betrokken dienstchefs. Anders dan de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert, wordt evenwel niet vereist dat de commissie zich rechtstreeks wendt tot de dienstchefs. Niets belet dat de commissie steunt op informatie afkomstig van de dienstchefs, die haar op een onrechtstreekse wijze ter kennis is gebracht. Te dezen blijkt weliswaar noch uit de verslagen over de eerste tot de negende maand, opgesteld door de vormingsdirecteur bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken, noch uit andere stukken in het dossier, wat het oordeel is van de dienstchef van de verzoeker in de betrokken periode. De Interdepartementale Stagecommissie blijkt haar advies echter te steunen op de vaststelling dat de verzoeker, ondanks het feit dat zijn stage verlengd werd omdat hij aan het einde van de normale periode van twaalf maanden nog geen behoorlijke stageverhandeling had ingediend, nog steeds onvoldoende dienstprestaties leverde, ongunstige beoordelingen kreeg en er niet in slaagde om een eindverhandeling af te geven die aan de verwachtingen beantwoordde. Aldus blijkt dat het voorstel tot afdanking steunt op de vaststelling dat de verzoeker, die bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken ongunstige verslagen had gekregen en die zijn overplaatsing naar een andere dienst had gevraagd, ook na zijn overplaatsing naar het Ministerie van Justitie er niet was in geslaagd om voldoening te geven, zelfs niet na de “bijkomende kans die de verlenging van de stage hem gaf”. Het voorstel van de commissie steunt aldus op de wijze waarop de verzoeker het tweede deel van zijn stage heeft vervuld, met name tijdens de vier maanden waarmee de stage is verlengd. IX-1469-6/10 Het dossier bevat geen verslag of ander stuk uitgaande van de dienstchef in de bedoelde periode. Ook in de verslagen over de tiende tot de zestiende maand, opgesteld door de vormingsdirecteur bij het Ministerie van Justitie, wordt niet uitdrukkelijk verwezen naar informatie afkomstig van de dienstchef. Uit de motieven van het voorstel van de Interdepartementale Stagecommissie blijkt evenwel dat een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie aanwezig was op de vergadering van de commissie, dat deze verklaard heeft “dat het rendement van de stagiair tijdens de verlenging van zijn stage geen beterschap vertoonde, en de administratie niet tevreden was over zijn werk”, en dat deze, samen met de vormingsdirecteur, de argumenten van de verzoeker op een gemotiveerde wijze heeft weerlegd. Aldus blijkt dat het standpunt van de betrokken dienst, via de vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie, wel degelijk ter kennis van de commissie is gebracht. Er moet dan ook aangenomen worden dat de Interdepartementale Stagecommissie, met betrekking tot de gegevens waarop zij haar voorstel tot afdanking steunt, wel degelijk informatie in aanmerking heeft genomen die afkomstig is van de dienstchef, zij het dat die informatie haar onrechtstreeks heeft bereikt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 2.
  11. Voor het tweede onderdeel is artikel 32, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel van belang. Volgens die bepaling legt de directeur-generaal van de vorming, indien de verslagen van de vormingsdirecteur over het geheel niet gunstig zijn voor de stagiair of indien de stagiair niet voldoet aan de verplichtingen in verband met de eindverhandeling, het geval aan de interdepartementale stagecommissie voor en maakt hij te dien einde een verslag op dat hij aan de stagiair mededeelt. Uit die bepaling kan niet afgeleid worden dat het de directeur- generaal verboden zou zijn om voor het opstellen van zijn verslag gebruik te maken van gegevens afkomstig uit verslagen die zijn opgesteld door andere personen, zoals bijvoorbeeld de vormingsdirecteurs van de stagiair. Te dezen heeft de directeur-generaal van de vorming op 20 november 1995 een verslag opgesteld, dat hij heeft medegedeeld aan de IX-1469-7/10 verzoeker en de Interdepartementale Stagecommissie. Dat verslag bevat de synthese van de verslagen die door de vormingsdirecteurs bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken en bij het Ministerie van Justitie over het verloop van verzoekers stage zijn opgemaakt. De directeur-generaal van de vorming stelt vast dat die verslagen over het geheel niet gunstig zijn voor de verzoeker en dat deze niet voldaan heeft aan de verplichting om bij de directeur-generaal van de vorming een eindverhandeling in te dienen. Hij sluit zich aan bij de voorstellen van de vormingsdirecteur bij het Ministerie van Justitie met betrekking tot de verlenging van de stage en de afdanking van de verzoeker. In zoverre de directeur-generaal van de vorming gebruik maakt van gegevens afkomstig uit de verslagen van de vormingsdirecteurs, blijkt uit de redactie zelf van zijn verslag dat hij zich die gegevens eigen gemaakt heeft. Daaruit kan niet worden afgeleid dat het verslag van de directeur-generaal door een onregelmatigheid is aangetast. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 3.
  12. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 28sexies, § 3, en 32, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel en van de materiële motiveringsplicht. De verzoeker voert aan dat de Interdepartementale Stagecommissie slechts een voorstel tot afdanking mag formuleren, en de minister zulke beslissing slechts mag nemen, indien de maandelijkse stageverslagen van de stagiair over het geheel gezien niet gunstig zijn voor de betrokkene of indien de stagiair niet voldoet aan zijn verplichtingen op het stuk van de eindverhandeling. De Interdepartementale Stagecommissie heeft te dezen rekening gehouden met de stageverslagen voor de vier maanden waarmee de stage verlengd was en met de werkzaamheden in verband met de eindverhandeling tijdens die maanden. De verzoeker voert aan dat, om de redenen uiteengezet in het eerste middel, de beslissing van 12 (lees: 13) december 1995 tot verlenging van de stage onwettig was. Daaruit volgt dat de Interdepartementale Stagecommissie geen rekening mocht houden met hetgeen zich in deze “onwettige” stageperiode heeft voorgedaan, zowel op het stuk van de eindverhandeling als op het stuk van de verslagen. Het voorstel van de commissie steunt echter in hoofdzaak, zoniet uitsluitend, op de omstandigheden van de verlenging van de stage. Nu het bestreden besluit de motivering van de commissie woordelijk overneemt, steunt het op een voorstel tot IX-1469-8/10 afdanking dat niet rechtsgeldig is, en steunt het evenmin op rechtens aanvaardbare motieven. 3.
  13. In zoverre de verzoeker de schending inroept van artikel 28sexies, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, maakt hij niet duidelijk waarin die schending zou bestaan. In zoverre is het middel onontvankelijk. 3.
  14. Zoals hiervóór reeds is aangegeven, bepaalt artikel 32, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel dat de directeur-generaal van de vorming, indien de verslagen van de vormingsdirecteur over het geheel niet gunstig zijn voor de stagiair of indien de stagiair niet voldoet aan de verplichtingen in verband met de eindverhandeling, het geval aan de interdepartementale stagecommissie voorlegt en te dien einde een verslag opmaakt dat hij aan de stagiair mededeelt. Volgens artikel 32, § 2, van hetzelfde besluit wordt onder meer de beslissing over de verlenging van de stage genomen “nadat de interdepartementale stagecommissie de nodige informatie ingewonnen heeft, inzonderheid bij de betrokken dienstchefs”. Het tweede middel verwijt aan het bestreden besluit dat het steunt op gegevens die slechts in aanmerking konden worden genomen dankzij een beslissing tot verlenging van de stage die op een onregelmatige wijze tot stand is gekomen. De door de verzoeker aangevoerde onregelmatigheden zijn dezelfde als die welke ook in het eerste middel, met betrekking tot het voorstel van afdanking, zijn ingeroepen. Wat betreft de grief gesteund op het ontbreken van inlichtingen ingewonnen bij de betrokken dienstchefs, dient vastgesteld te worden dat uit de motieven van het besluit van de Interdepartementale Stagecommissie blijkt dat een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie aanwezig was op de vergadering van de commissie, dat deze verklaard heeft “dat het rendement van de stagiair onvoldoende was en na aansporing nog niet verbeterde”, en dat deze, samen met de vormingsdirecteur, de argumenten van de verzoeker op een gemotiveerde wijze heeft weerlegd. Aldus blijkt dat het standpunt van de betrokken dienst, via de vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie, wel degelijk ter kennis van de commissie is gebracht. Om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het eerste middel, eerste onderdeel, kan deze grief niet worden aangenomen. IX-1469-9/10 Wat betreft de grief gesteund op de onregelmatigheid van het verslag van de directeur-generaal van de vorming, kan verwezen worden naar het onderzoek van het eerste middel, tweede onderdeel. Het tweede middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1469-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.115 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.60.575 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.