id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.125 Rolnummer: A. 187686/XII-5386 Zaak: Arrest 182125 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 17/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.125 van 17 april 2008 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.125 van 17 april 2008 in de zaak A. 187.686/XII-5386. In zake : XXXX, tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat J. Goethals, kantoor houdende te Ardooie, Brugstraat 39. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het op 1 april 2008 ontvangen verzoekschrift dat XXXX heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 maart 2008 van de decaan van de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit Gent, optredend als interne beroepsinstantie, over zijn beroep tegen de beslissing van de faculteitsraad van 27 februari 2008 die een wijziging van het transitprogramma weigert; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 april 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat J. Goethals, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, XII-5386-1/8 OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1. Verzoeker studeert, als werkstudent, aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit Gent, waar hij zich heeft ingeschreven voor de tweede licentie Economische Wetenschappen. Vermits de tweede licentie niet meer wordt aangeboden en ook bepaalde opleidingsonderdelen uit de tweede licentie ook als zodanig niet meer worden aangeboden, moet een student die zoals verzoeker in dergelijke situatie is een zogenaamd transitprogramma samenstellen. Verzoeker vraagt om in zijn transitprogramma bepaalde opleidingsonderdelen te mogen vervangen door andere. Dit wordt hem eerst geweigerd door de faculteitsraad op 27 februari 2008 en vervolgens door de decaan, die met de bestreden beslissing als interne beroepsinstantie is opgetreden. De decaan wijst er op, onder meer, dat het de studenten vanaf 1 januari van een academiejaar verboden is om nog opleidingsonderdelen uit het eerste semester te verwijderen uit hun curriculum. De ontvankelijkheid van de vordering 2. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen of eventueel ambtshalve op te werpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden 3. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5386-2/8 Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde 4. Verzoeker doet in het inleidend verzoekschrift het volgende gelden onder het opschrift “moeilijk te herstellen ernstig nadeel en uiterste hoogdringendheid” : “Gezien bekwaamheidsbewijzen en vrijstellingen het te volgen traject bepalen en de decreetgever onzekerheid omtrent het te volgen traject een dermate hoogdringend moeilijk te herstellen nadeel achtte, werd een rechtscollege opgericht dat binnen een ordertermijn van 15 dagen moet besluiten. Deze motivatie was in rechte vereist om het rechtscollege te mogen oprichten en werd daarvoor opgegeven. Verzoeker is het eens met die motivatie. De bestreden beslissing betreft het te volgen traject met zelfs de mogelijkheid dat helemaal niets meer moet gevolgd worden. Daarmee zou uiteraard dagdagelijks veel tijd worden uitgespaard die nu onherroepelijk verloren gaat (de ECTS fiche geeft zelf 150 studie-uren per 5 punten vak
- op)en beter kan gespendeerd worden aan de vakken die aan de UAntwerpen worden gevolgd in functie van verzoekers beroepswerkzaamheid (levenslang leren). In casu is het evident dat de oprichting van de Raad voor examenbetwistingen noodzakelijk is om een oplossing te bieden voor een zeer specifieke onderwijsgebonden problematiek : de zorg om studenten op zeer korte termijn een zekerheid te bieden omtrent het al dan niet kunnen vervolgen van het studietraject (MvT Aanvullingsdecreet) Wat betreft de hoogdringendheid en het ernstig moeilijk te herstellen nadeel kan de motivatie van de decreetgever om het rechtscollege op te richten moeilijk betwist worden (de Raad van State afdeling Wetgeving achtte de motivatie niet kennelijk onredelijk). Vreemd genoeg is de Raad voor Betwistingen om die reden opgericht en de bevoegdheid zogezegd uitgebreid naar studievoortgangbeslissingen die het curriculum onrechtstreeks betreffen maar is hij niet bevoegd omtrent betwistingen aangaande het curriculum zelf. Vreemd genoeg stelt ook art II.15 Aanvullingsdecreet bijzonder duidelijk dat de Raad voor Betwistingen slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die studenten hebben aangetekend tegen ‘examen(tucht)betwistingen’. In ‘Rechtsbescherming bij examenbeslissingen in het hoger onderwijs: de raad voor examenbetwistingen’ betwist J. Neuts hopelijk terecht de visie van de decreetgever dat de Raad van State niet voldoende snel rechtsherstel kan opleveren. Aangaande de aanpassing van de studiepunten heeft verzoekende partij na ontvangst van de memorie van wederantwoord onmiddellijk de faculteit aangesproken, onmiddellijk beroep aangetekend bij de decaan en nu na ontvangst van de beslissing van de decaan op 29 maart ook onmiddellijk bij de Raad van State beroep aangetekend en dit dus zelfs binnen de termijn van 5 dagen waarbinnen ook beroep tegen ‘examenbetwistingen’ zou moeten zijn aangetekend bij de Raad voor Betwistingen. In casu zijn er ook niet te veel middelen aangehaald en zijn de middelen zelf niet zo ingewikkeld. De inventaris met bewijsstukken is niet bepaald uitgebreid. Indien verzoekende partij een volledig curriculum zou hebben kan daarenboven, overeenkomstig de wens van de decreetgever verzoekende partij zelfs van rechtswege geslaagd verklaard worden en is het zeer ernstig nadeel van nog niet geslaagd te zijn voor de vervaltermijn van de wervingsreserve bij Selor ook weg (zie stuk 29, inventaris G/A 186.905/XII-5330). Verwerende partij zal zich als overheid met verantwoordelijkheidszin, in het algemeen XII-5386-3/8 belang, wellicht op een of ander regeltje beroepen om te stellen dat zij helemaal niet tussentijds hoeft te delibereren. Uiteraard zou dit pesterij zijn gezien de decreetgever die mogelijkheid decretaal heeft mogelijk gemaakt en zich zelfs vragen stelt bij de vereiste om nog vaste deliberatieperiodes te hebben. Vervolgens is verzoekende partij danig geïrriteerd door de steeds weer willekeurige interpretaties die allerlei organen van verwerende partij aan een bepaald artikel kunnen geven zolang het verzoeker maar kan schaden. Het gedrag rond de interpretatie van art 32, Lid 2 OER 2007-08 is ronduit irritant. Het wegnemen van bewijsstukken is al helemaal ongehoord. De ernstige, moeilijk te herstellen, morele schade is dan ook navenant. De bestreden beslissing moet zeer dringend geschorst en vernietigd worden om deze redenen alleen al. Aangaande de procedure moet worden vermeld dat omtrent art 32 lid 2 oer 2007-08 al verscheidene procedures gevoerd zijn, tot en met een cassatieprocedure, wat impliceert dat alvast voor verwerende partij dit onderwerp zowat parate kennis is en zij zeker niet benadeeld is in een korte procedure. Over de bijkomende grief is ondertussen geweten dat zij zich beroept op de ‘vergissing’”. 5. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan een schorsing van tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling verantwoorden in afwachting van een behandeling ten gronde van het annulatieberoep. Bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft een verzoeker zelfs toegang tot een nog snellere rechtsgang. Het betreft derhalve twee afzonderlijke voorwaarden, met twee verschillende procedures tot gevolg. In principe past het niet om de voorgeschreven uiteenzettingen aan de hand waarvan de Raad van State kan oordelen of de ene en de andere voorwaarde zijn vervuld, te bundelen. Dit is op het eerste gezicht zelfs tegenstrijdig, want een verzoeker moet precies aantonen dat de gewone schorsing te laat zou komen om hem nog voor het gevreesde nadeel te kunnen behoeden. Verzoeker dwingt nu de Raad van State uit zijn betoog zelf te distilleren wat hij als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ervaart en wat hij doet gelden als hoogdringendheid. Verzoeker zet vooreerst uiteen dat de motieven die de decreet- gever hebben aangezet om de raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen op te richten en de korte termijnen die aan deze raad zijn opgelegd zouden aantonen dat examenbetwistingen uit hun aard een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen én bij hoogdringendheid een oplossing moeten krijgen. De Raad stelt daar tegenover vast dat ook de procedure bij de Raad van State aan een verzoeker de kans geeft om aan te tonen dat beide voorwaarden vervuld zijn en, in dat geval, op een zeer korte termijn een voorlopige uitspraak te verkrijgen indien hij ook een ernstig middel aanvoert. Eén zaak is het evenwel dat aan de student instrumenten ter beschikking staan om tot een snelle uitspraak te komen, een andere XII-5386-4/8 of hij in concreto aan de voorwaarden voldoet om die spoedige uitspraak te verkrijgen. Het bestaan van een ander rechtscollege of de aan dit college voorgeschreven termijnen om uitspraak te doen bewijzen op zich niets ten aanzien van het vervuld zijn van de voor de Raad van State geldende schorsingvoorwaarden. Verzoeker vermag zich niet op een beschrijving van deze termijnen en de motivering van de decreetgever beroepen om het hem specifieke al dan niet hoogdringend karakter of al dan niet moeilijk te herstellen ernstig nadeel te staven. Verzoeker wijst op tijdsverlies, nu hij moet studeren voor deze opleidingsonderdelen. Wat verzoeker vraagt, is echter een vervanging van opleidings-onderdelen in het transitprogramma. In principe komt voor het ene onderdeel een ander in de plaats, zodat niet dadelijk duidelijk is waar de besparing in studietijd gezocht moet worden. Verzoeker alludeert daar wel zijdelings op, door de mogelijkheid van vrijstelling te vermelden. Die mogelijkheid is echter slechts hypothetisch, en toont geen voldoende rechtstreeks verband met de bestreden weigering. Voorts stelt de Raad van State vast dat verzoeker het grotendeels aan zichzelf verwijten moet als hij in dit tijdsverlies een nadeel bespeurt. Dat verzoeker na ontvangst van de bestreden beslissing diligent is opgetreden klopt, maar volstaat niet. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt immers dat de verwerende partij reeds in de loop van de maand oktober 2007 bij herhaling contact heeft gezocht met verzoeker om een correct transitprogramma samen te stellen en dat het vooral aan verzoeker zelf ligt, aan zijn volharding om niet op de uitnodiging in te gaan, dat hij zolang in het ongewisse blijft over zijn programma en over de toegelaten of niet toegelaten wijzigingen. De hoeveelheid aan middelen, hun complexiteit of de aantallen geïnventariseerde bewijsstukken zijn elementen die het de Raad meer of minder kunnen bemoeilijken om in een spoedprocedure de ernst van de middelen te onderzoeken of die een auditeur er toe kunnen brengen over de grond van de zaak al dan niet een verslag “korte debatten” op te stellen, maar dit heeft geen uitstaan met de thans besproken schorsingsvoorwaarden. Dat verzoeker “van rechtswege geslaagd verklaard” zou worden bij schorsing van tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is allesbehalve zeker en wordt door verzoeker amper toegelicht. Hij verwijst integendeel zelf naar het bestaan van “een of ander regeltje” dat aan verwerende partij verhindert om tussentijds te delibereren. Hiervoor is ook al opgemerkt dat verzoeker het minstens XII-5386-5/8 ten dele aan zich zelf moet verwijten dat hij de universiteit niet de kans geeft om tijdig over hem te delibereren, nu hij verzuimd heeft deel te nemen aan de januarizittijd. Verzoeker geeft ook geen toelichting over de zogenaamde “vervaltermijn van de wervingsreserve van Selor”, behalve de summiere verwijzing naar een andere zaak hangende voor de Raad van State die zelfs nog niet op zitting is gekomen. Artikel 8, eerste lid, 3/, van het procedurereglement kort geding eist dat bij het verzoekschrift “alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijke nadeel aantonen”. Uit de debatten ter terechtzitting wordt onthouden dat verzoeker met het diploma van licentiaat in aanmerking zou kunnen komen voor een benoeming uit een wervingsreserve die eerstdaags vervalt. Dat verzoeker vaag blijft is nog veel gezegd: in de voorliggende procedure blijft de vraag open om welke wervingsreserve het gaat, welke benoeming verzoeker precies nastreeft, welke plaats hij inneemt op de reserve, hoe reëel de kans is dat er voor het verstrijken van de termijn nog een vacature voor hem open staat, dat hij daarvoor inderdaad een diploma moet verwerven en zo verder. Dat die wervingsreserve een einddatum heeft én dat verzoeker er maar nuttig op geplaatst is op voorwaarde dat hij nog een diploma verwerft zijn daarenboven geen gevolgen van de bestreden beslissing zelf. Dat verzoeker een mogelijke benoeming aan zich ziet voorbijgaan wegens het verstrijken van een wervingsreserve houdt dan ook geen voldoende rechtstreeks verband met de door hem thans bestreden beslissing met betrekking tot de samenstelling van zijn transitprogramma. De morele schade die verzoeker ondervindt door “danig geïrriteerd” te zijn, wordt in beginsel hersteld door de genoegdoening die hij zal hebben bij een gebeurlijke nietigverklaring. Verzoeker toont niet aan waarom het te dezen anders zou zijn. 6. Noch ten aanzien van de eerste schorsingsvoorwaarde, noch ten aanzien van de derde schorsingsvoorwaarde, kan het betoog van verzoeker overtuigen. Er is niet voldaan aan ten minste twee van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende XII-5386-6/8 noodzakelijkheid worden toegewezen. Het verzoek tot het opleggen van een dwangsom kan alleen om die reden al niet worden ingewilligd. Het verzoek tot depersonalisatie 7. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State vraagt verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek tot depersonalisatie wordt ingewilligd. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onder verbeurte van een dwangsom wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Artikel 3. Bij de publicatie van dit arrest zal de identiteit van de verzoekende partij niet worden opgenomen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien april 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, XII-5386-7/8 F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5386-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.125 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.430 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.390 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div