id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.130 Rolnummer: A. 187864/IX-5897 Zaak: Arrest 182130 - Penitentiair recht - 18/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Arrest nr 182.130 van 18 april 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.130 van 18 april 2008 in de zaak A. 187.864/IX-
- In zake : Sergej KRADENYCH, die woonplaats kiest bij advocaat I. KEIRSEBILCK, kantoor houdende te OOSTENDE, Kerkstraat 8 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sergej KRADENYCH op 15 april 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing genomen door de Penitentiaire Overheid waarbij verzoeker op 10.04.2008 werd gesanctio- neerd met 14 dagen strikt vanaf 11.04.2008 tot en met 24.04.2008 en 1 maand individuele wandeling vanaf 25.04.2008 tot en met 24.05.2008”; Gelet op de beschikking van 16 april 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2008, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. KEIRSEBILCK, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM die verschijnt voor de verwerende partij ; IX-5897-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker verblijft in de strafinrichting te Brugge, in een cel met vijf andere gedetineerden. Op 6 april 2008 wordt in de cel een steekwapen (mes) gevonden. De verzoeker verklaart dat het mes niet van hem is, en dat hij ook niet weet hoe het in de cel gekomen is. Dezelfde dag wordt tegen de verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Een van de celgenoten, K.G., verklaart dat hij het mes gevonden heeft op de wandeling en in de cel heeft binnengebracht. Op 8 april 2008 beslist de directeur om tegen de verzoeker een tuchtprocedure te starten. Op 10 april 2008 vindt een hoorzitting plaats. De verzoeker herhaalt dat het mes niet van hem is. Hij verklaart ook niet te weten wie het gemaakt heeft. Bij beslissing van 10 april 2008 legt de directeur een tuchtstraf op. Hij overweegt dat een wapen werd gevonden op de cel waar de verzoeker zich bevond, en dat de verzoeker hierdoor een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van derden. Volgens de directeur kan een dergelijk gedrag niet worden getolereerd en vormt het een inbreuk op de interne orde en de veiligheid. De opgelegde tuchtstraf bestaat in “14 dagen strikt” van 11 april tot 24 april 2008 en “1 maand individuele wandeling” van 25 april tot 24 mei
- Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering.
- Nadat de vordering bij de Raad van State is ingesteld, heroverweegt de directeur de opgelegde maatregel. Hij hoort de verzoeker op IX-5897-2/9 17 april 2008 en beslist dezelfde dag om hem een bijzondere veiligheidsmaatregel op te leggen, bestaande uit de “uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten, gesloten wandeling en geen gemeenschappelijke activiteit”, van 17 april tot 24 april
- Die beslissing is gemotiveerd als volgt: “Gelet op de volgende elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord. In de cel van de betrokkene werd een steekwapen aangetroffen. Deze cel wordt bezet door zes gedetineerden. Er kan niet bewezen worden dat het wapen aan betrokkene toebehoort. Dientengevolge dringt zich een herkwalificering op van de tuchtmaatregel d.d. 10.4.
- (...) Gelet op het feit dat deze elementen ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor de veiligheid. Het aantreffen van een wapen op een cel houdt een potentieel gevaar in voor de veiligheid van het personeel en medegedetineerden. Dit wapen kon door elke bewoner van die cel gebruikt worden. Daarom dringt zich preventief een veiligheidsmaatregel op ten aanzien van de betrokkene. Overwegende dat er een verkeerde inschatting werd gemaakt met betrekking tot de te volgen procedure, wordt de getroffen tuchtmaatregel die 14 dagen strikt regime en 1 maand gesloten wandeling inhield, geherkwalificeerd en wordt op grond van de hierboven aangehaalde motivering een bijzondere veiligheidsmaatregel getroffen.” Ter zitting heeft de verwerende partij verklaard dat deze beslissing tot gevolg heeft dat de bestreden beslissing van 10 april 2008 niet meer verder wordt uitgevoerd. Die laatste beslissing was op dat ogenblik echter niet ingetrokken.
- Bij fax van 17 april 2008, verstuurd nadat de debatten gesloten zijn en op een ogenblik dat de zaak in beraad is, deelt de verwerende partij een afschrift mee van een beslissing van de directeur van de gevangenis van dezelfde dag waarbij de thans bestreden beslissing van 10 april 2008 wordt ingetrokken en waarbij wordt beslist tot schrapping van de tuchtstraf uit de lijst van opgelopen tuchtstraffen. Over het voorwerp van de vordering
- De vordering is gericht tegen de beslissing van 10 april 2008 waarbij aan de verzoeker een tuchtstraf is opgelegd. Op het ogenblik dat de debatten IX-5897-3/9 werden gesloten, bestond die beslissing nog steeds, en kon zij ook uitgevoerd worden. Gelet op de stand van zaken op het ogenblik van de sluiting der debatten, blijft de vordering haar voorwerp behouden. Een andere vraag is of, in geval van schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, de schorsing uitgebreid kan worden tot de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 april 2008 waarbij aan de verzoeker een bijzondere veiligheidsmaatregel is opgelegd. Op die vraag zal slechts ingegaan moeten worden als vastgesteld is dat voldaan is aan de voorwaarden voor de schorsing van de eerstgenoemde beslissing. Over de rechtspleging
- De hiervóór genoemde fax van 17 april 2008 en het bij de fax gevoegde stuk zijn bij de Raad van State toegekomen nadat de debatten gesloten zijn. De verwerende partij verzoekt niet om de heropening van de debatten. Overeenkomstig artikel 771 van het Gerechtelijk Wetboek worden de genoemde fax en het genoemde stuk buiten het beraad gehouden. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 10 april 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde sanctie uitwerking heeft met ingang van 11 april
- De verzoeker heeft met een op 15 april 2008 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. IX-5897-4/9 Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 8.
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, de rechten van verdediging in administratieve tuchtzaken, de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde en “het algemeen beginsel van machtsoverschrijding, de beginselen van rechtvaardigheid en evenredigheid” en de motiveringsplicht. De verzoeker voert aan dat een tuchtsanctie slechts kan worden opgelegd met inachtneming van het recht van verdediging en de procedurele waarborgen die worden opgesomd in de omzendbrief van 2 mei
- Te dezen is echter gebleken dat de verzoeker niet schuldig was aan het bezit van een wapen en dat er dan ook geen sprake was van een schuldig gedrag in zijnen hoofde. De naleving van de procedurele waarborgen was des te meer verantwoord nu de verzoeker ten stelligste betwistte enige betrokkenheid te hebben bij de feiten en de bekentenis door een celgenoot de onschuld van de verzoeker bevestigt. Voorts voert de verzoeker een schending aan van de “beginselen van rechtvaardigheid en evenredigheid”, aangezien hij gestraft wordt voor een bepaald feit, terwijl duidelijk is dat hij daaraan geen schuld heeft. De verzoeker heeft immers niets met het mes te maken. Ten slotte voert de verzoeker een schending aan van de motiveringsplicht, doordat de bestreden beslissing mede steunt op de tuchtrechtelijke voorgaanden van de verzoeker, terwijl er hier geen sprake kan zijn van recidive, gelet op de bekentenis van een celgenoot. 8.2.
- In zoverre de verzoeker de schending inroept van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, de rechten van verdediging in administratieve tuchtzaken, en de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde, maakt hij niet duidelijk waarin die schending zou bestaan. In zoverre lijkt het middel onontvankelijk, en is het in elk geval niet ernstig. IX-5897-5/9 8.2.
- In zoverre de verzoeker de schending inroept van het “beginsel van rechtvaardigheid”, lijkt hij te steunen op een beginsel dat geen rechtsbeginsel is. In zoverre lijkt het middel onontvankelijk, en is het in elk geval niet ernstig. 8.2.
- In zoverre de verzoeker de schending inroept van het evenredigheidsbeginsel, moet opgemerkt worden dat dit beginsel vreemd is aan de grief dat een tuchtrechtelijk vervolgde persoon bestraft is voor feiten die hij niet zou hebben gepleegd. In zoverre is het middel niet ernstig. 8.2.
- In zoverre de verzoeker de schending inroept van de motiveringsplicht, blijkt uit het geheel van het middel dat hij aan de bestreden beslissing verwijt dat zij hem bestraft voor een feit dat in zijnen hoofde geen schuldige gedraging uitmaakt. De op de motiveringsplicht steunende grief moet dan ook in het licht van die context begrepen worden. Uit de gegevens van het dossier en uit de bestreden beslissing blijkt weliswaar dat een wapen werd gevonden in de cel van de verzoeker, maar op het eerste gezicht blijkt niet dat de verzoeker verantwoordelijk was voor het binnenbrengen of het bezit van dat wapen. De verzoeker heeft trouwens formeel betwist dat hij terzake enige verantwoordelijkheid droeg. Bovendien heeft een celgenoot bekend dat hij het wapen in de cel heeft binnengebracht en daar heeft verstopt. In die omstandigheden kan, in de huidige stand van de rechtspleging, uit de gegevens van het dossier niet worden afgeleid dat de bestreden beslissing steunt op de rechtens vereiste feitelijke grondslag, namelijk een schuldige gedraging in hoofde van de verzoeker. Dit blijkt overigens ook de opvatting van de directeur zelf te zijn. Op 17 april 2008 heeft deze immers, na heroverweging van de zaak, vastgesteld dat niet bewezen is dat het wapen aan de verzoeker toebehoort en dat om die reden een bijzondere veiligheidsmaatregel, eerder dan een tuchtmaatregel, opgelegd dient te worden. In zoverre is het middel ernstig. IX-5897-6/9 9.
- Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat hij niet meer tewerkgesteld wordt in de gevangenis. Volgens de verzoeker is de tewerkstelling nochtans een belangrijk gegeven in het kader van de reclassering van een gedetineerde. De tewerkstelling is voor hem bovendien de enige bron van inkomsten, zodat hij thans beperkt wordt in zijn mogelijkheid om zich bepaalde goederen en diensten aan te schaffen. Voorts voert de verzoeker aan dat de bestreden tuchtstraf implicaties heeft voor zijn dossier voorwaardelijke invrijheidstelling, waar het gedrag tijdens de detentie een essentieel criterium is. 9.
- Bij de bestreden tuchtmaatregel wordt aan de verzoeker gedurende veertien dagen een strikt regime opgelegd. In die periode kan de verzoeker niet werken in de gevangenis. De heroverweging van de maatregel heeft niet tot gevolg dat aan die beperking een einde is gesteld. Op het vlak van de mogelijkheid tot tewerkstelling blijft de verzoeker dus een nadeel ondergaan. De verwerende partij wijst echter terecht op de relatief korte duur van de genoemde beperking en op het feit dat de verzoeker in elk geval, ook zonder eigen inkomsten, bepaalde goederen kan verkrijgen in de zogenaamde “sociale kantine”. De verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat het ingeroepen nadeel in de gegeven omstandigheden voldoende ernstig is om een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden tuchtmaatregel te verantwoorden. In zoverre de verzoeker vreest dat zijn kansen op een voorwaardelijke invrijheidstelling nadelig beïnvloed worden door de opgelegde tuchtmaatregel, wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker nog niet definitief veroordeeld is en dus nog niet in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Het door de verzoeker aangevoerde nadeel is in die omstandigheden te hypothetisch om in het kader van de voorliggende vordering in aanmerking genomen te worden. Afgezien van het feit dat de bestreden beslissing, blijkens een stuk dat buiten het beraad wordt gehouden, ondertussen ingetrokken is, vindt de verzoeker in de motieven van de beslissing van 17 april 2008 bovendien voldoende argumenten om zich te gepasten tijde te verweren tegen het risico dat negatieve gevolgen afgeleid zouden worden uit de bestreden beslissing. IX-5897-7/9 De verzoeker bewijst aldus niet dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt.
- Bij gebreke van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. Die conclusie heeft tot gevolg dat niet moet worden ingegaan op de vraag of een eventuele schorsing uitgebreid zou kunnen worden tot de beslissing van 17 april 2008 waarbij een bijzondere veiligheidsmaatregel wordt opgelegd. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 april 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5897-8/9 IX-5897-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.130 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.