id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.183 Rolnummer: A. 76283/IX-2438 Zaak: Arrest 182183 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:56 Fiche Arrest nr 182.183 van 21 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.183 van 21 april 2008 in de zaak A. 76.283/IX-
- In zake : de g.c.v. P. VERHEYEN & CO, die woonplaats kiest bij advocaat S. SABLON, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingsstraat 57-59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de g.c.v. P. VERHEYEN & CO op 6 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de BBI-Gent 1 van 24 september 1997 waarbij haar verzoek om inzage en afschrift van bestuursdocumenten na heroverweging wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de brief van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2008; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; IX-2438-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. DEFOOR, die loco advocaat S. SABLON verschijnt voor de verzoekende partij, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Met een aangetekende brief van 6 juni 1997 deelt de BBI-Gent aan de verzoekende partij mee dat uit inlichtingen ontvangen van de Zweedse fiscale administratie blijkt dat de verzoekende partij in 1992 en 1993 verscheidene transacties gedaan heeft met buitenlandse vennootschappen die voornamelijk betrekking hadden op de verhandeling van put- en callopties en de financiering ervan. Die transacties zouden volgens voorgelegde stukken, contracten en overeenkomsten gedaan zijn om de normaal verschuldigde belasting te ontduiken. Daaruit wordt besloten dat er ernstige aanwijzingen van fiscale fraude en inbreuken op het WIB'92 en de uitvoeringsbesluiten met bedrieglijk opzet bestaan zodat de artikelen 333 en 354, alinea 2, WIB zullen toegepast worden in verband met de vennootschapsbelasting aanslagjaren 1993 en
- 1.
- In een aangetekende brief van 19 juni 1997 vraagt de verzoekende partij aan de BBI-Gent 1 op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur en van artikel 32 van de gecoördineerde Grondwet om inzage en mededeling in afschrift van de stukken waarnaar in de brief van 6 juni 1997 wordt verwezen, teneinde haar toe te laten “een doeltreffend verweer op te bouwen tegen de aantijgingen van fiscale fraude”. 1.
- Bij aangetekende brief van 17 juli 1997 deelt de BBI-Gent 1 aan de verzoekende partij mee dat haar verzoek om inzage en afschrift om volgende redenen wordt afgewezen : IX-2438-2/7 “De toelating tot inzage zou in casu immers schaden aan de bescherming van een federaal economisch of financieel belang. De correcte inning van de belastingen maakt op zich een federaal economisch of financieel belang uit. De vroegtijdige mededeling - dit wil zeggen vóór het sluiten van het onderzoek van het dossier van de vennootschap GCV P. Verheyen en Co - van de informatie in het bezit van de administratie zou van aard kunnen zijn om belastingplichtige de kans te geven zich te onttrekken aan de wettelijk verschuldigde belastingen hetgeen inbreuk zou kunnen maken op de efficiëntie van de administratie en een vermindering van de fiscale opbrengsten zou kunnen teweegbrengen. Ik stel dus vast dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de efficiëntie van de administratie, die bijdraagt tot het federaal economisch of financieel belang (artikel 6, §1, 6/ van de wet van 11.04.94). Daarenboven dienen de inlichtingen verkregen van de Zweedse fiscale administratie overeenkomstig het artikel 26 van het dubbelbelastingsverdrag, dat afgesloten werd tussen België en Zweden, ondertekend te Stockholm op 05.02.91 (B.S. 27.02.93), op dezelfde wijze geheim te worden gehouden als de inlichtingen die onder de Belgische nationale wetgeving zijn verkregen. Dit betekent dat zij onderworpen zijn aan de bepalingen inzake beroepsgeheim zoals voorzien in het artikel 337 WIB
- Aangezien deze stukken gegevens over derden bevatten, zou de inwilliging van uw verzoeker schaden aan de bij artikel 337, eerste lid WIB92 ingestelde geheimhoudingsplicht voor fiscale ambtenaren. Ik moet dus uw verzoek afwijzen.” 1.
- Bij brieven van 11 augustus 1997 vraagt de verzoekende partij enerzijds een heroverweging van de weigering van inzage en afschrift aan de BBI- Gent 1 en anderzijds een advies aan de Commissie voor de toegang tot bestuurs- documenten. 1.
- In een brief van 9 september 1997 deelt de ondervoorzitter van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten mee dat de Commissie om volgende redenen van mening is dat de houding van de federale administratie “correct” was : “De Commissie is van mening dat de uitzonderingsgrond, die door het Ministerie van Financiën in de brief van 17 juli 1997 wordt ingeroepen om de inzage en de mededeling in afschrift te weigeren, gegrond is en dat de motivering rekening houdt met de concrete gegevens van de zaak. Inzake de stukken die van de Zweedse fiscale administratie werden bekomen dient verder opgemerkt dat deze inlichtingen bevatten die betrekking hebben op derden. Deze mogen inderdaad niet worden meegedeeld zonder hun toestemming.” 1.
- Bij brief van 24 september 1997 deelt de BBI-Gent 1 aan de verzoekende partij mee dat het verzoek tot heroverweging om de hierna vermelde redenen wordt afgewezen : IX-2438-3/7 “Met mijn brieven van dd. 06.06.97 en 11.06.97, gericht aan de vennoot- schap GCV P. Verheyen en co, werd aangekondigd dat een onderzoek zou ingesteld worden betreffende de belastingtoestand van de vennootschap van de aanslagjaren 1993 en
- Dit onderzoek is nog steeds lopende, zodat thans de toelating tot inzage zou schaden aan de bescherming van een federaal economisch of financieel belang. De correcte inning van de belastingen maakt op zich een federaal economisch of financieel belang uit. De vroegtijdige mededeling - dit wil zeggen, vóór het sluiten van het onderzoek van het dossier van de vennootschap GVC P. Verheyen en Co - van de informatie in het bezit van de administratie zou van aard kunnen zijn om belastingplichtige de kans te geven zich te onttrekken aan de wettelijk verschuldigde belastingen hetgeen inbreuk zou kunnen maken op de efficiëntie van de administratie en een vermindering van de fiscale opbrengsten zou kunnen teweegbrengen. Ik stel dus vast dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de efficiëntie van de administratie, die bijdraagt tot het federaal economisch of financieel belang (artikel 6, §1, 6/ van de wet van 11.04.94). Hierbij moet opgemerkt worden dat het onderzoek en de controle van de belastingtoestand van belastingplichtige geregeld wordt door de bepalingen van Titel VII, Hoofdstuk III van het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992 (afgekort WIB92), bepalingen die in onderhavig geval voor het dossier van de vennootschap GCV P. Verheyen en Co werden toegepast. Overeenkomstig het artikel 333 WIB92 werd de vennootschap GCV P. Verheyen en Co bij brief dd. 06.06.97 voorafgaandelijk schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontdui- king die te haren aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk nl de aanslagjaren 1993 en 1994, en met mijn brief dd. 11.06.97 werd de vennootschap ingelicht dat op 24.06.97 een onderzoek ter plaatse zou verricht worden in toepassing van de artikels 315 en 317 WIB
- Het komt belastingplichtige niet toe om, in dit stadium van het onderzoek, de regelmatigheid van de aangekondigde controle te beoordelen. Voor zover belastingplichtige meent enige onregelmatigheid te moeten inroepen, kan zij dat doen door, voor zover het onderzoek in voorkomend geval resulteert in een doorgevoerde taxatie, gebruik te maken van de verhaalmogelijkheden als voorzien in Titel VII, Hoofdstuk VII WIB92, waarbij het de bevoegde gewestelijke directeur der directe belastingen of de feitenrechter is die deze zaak zal beoordelen en er het gepaste gevolg zal aan geven. Het recht op het raadplegen van een bestuursdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document kan, zoals uitdrukkelijk voorzien in het artikel 4, 1/ lid van de wet van 11.04.94, uitgeoefend worden volgens de voorwaarden bepaald in deze wet. Deze voorwaarden voorzien in geen enkel geval in bijzondere bepalingen die van toepassing zouden zijn bij het onderzoek en de controle van een fiscaal dossier voor wat betreft het recht op inzage en mededeling in afschrift, alsook de wijze waarop en de termijnen waarbinnen dit recht in dergelijk geval al dan niet kan uitgeoefend worden. Daarbij heeft de invoering van de wet van 11.04.94 er evenmin toe geleid dat de bepalingen van het WIB92, ook voor wat onderzoek en controle betreft, werden aangepast met het oog op de inzage en mededeling in afschrift van bepaalde stukken uit het fiscaal dossier. Er bestaat dan ook geen enkele wettelijke grondslag om, zoals gevraagd in uw brieven dd. 19.06.1997, 23.06.1997 en 11.08.1997, inzage en mededeling in afschrift te moeten geven vóór de uitvoering van enig onderzoek van het fiscaal dossier. Het is ten andere evident dat in dergelijk geval, waar het onderzoek nog steeds lopende is en belastingplichtige pas uitgenodigd werd bepaalde stukken voor te leggen, de vroegtijdige mededeling van de informatie in het bezit van de administratie, zoals hiervoor reeds werd aangetoond, van aard zou kunnen IX-2438-4/7 zijn om belastingplichtige de kans te geven zich te onttrekken aan de wettelijk verschuldigde belasting, hetgeen geenszins de bedoeling is van de wat van 11.04.94, zodat op grond van de bepalingen van die wet zoals hiervoor vermeld de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift moet afgewezen worden. Zoals met mijn brief dd. 06.06.97 reeds meegedeeld werd aan de vennoot- schap GCV P. Verheyen en Co moet opp grond van bepaalde inlichtingen besloten worden dat er ernstige aanwijzingen zijn van fiscale fraude en van inbreuk op de bepalingen van het WIB92 of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, die gedaan zijn met bedrieglijk opzet. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 449 WIB92 zijn er bepaalde strafrechterlijke sancties voorzien voor de persoon, die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt. Hieruit volgt dat in voorkomend geval, de toelating tot inzage zou schaden aan de mogelijke opsporing of vervolging van strafbare feiten, zodat aldus uw verzoek ook om die redenen dient te worden afgewezen (artikel 6, 6 1, 5/ van de wet van 11.04.94). De inlichtingen verkregen van de Zweedse fiscale administratie dienen overeenkomstig het artikel 26 van het dubbelbelastingsverdrag, dat afgesloten werd tussen België en Zweden en ondertekend werd te Stockholm op 05.02.91 (B.S. 27.02.93), op dezelfde wijze geheim te worden gehouden als de inlichtingen die onder de Belgische nationale wetgeving zijn verkregen. Dit betekent dat zij onderworpen zijn aan de bepalingen inzake beroepsgeheim zoals vastgelegd in het artikel 337 WIB
- De documenten in kwestie bevatten gegevens die derden aanbelangen, zodat het voormelde beroepsgeheim, waartoe de ambtenaren van de administratie der directe belastingen en van de bijzondere belastinginspectie gehouden zijn, zich verzet tegen de openbaarmaking ervan (artikel 6, §2, 2/ van de wet van 11.04.94).” Dit is de bestreden beslissing. Over de ontvankelijkheid van het beroep
- Op 16 januari 2006 heeft de verwerende partij een stuk in het administratief dossier neergelegd waaruit blijkt dat de advocaat van de verzoekende partij in toepassing van artikel 374, derde lid, WIB ‘92 gehoord werd inzake de bezwaarschriften tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd voor de jaren 1992, 1993 en
- In dit verband werd tevens inzage en afschrift van diverse stukken verleend. Naar aanleiding van een vraag van de voorzitter van de Raad van State naar het actuele belang en eventuele nieuwe ontwikkelingen in het dossier, heeft de verzoekende partij bij schrijven van 15 oktober 2007 verklaard dat het geschil zich nog steeds in de bezwaarfase bevindt en dat zij nog steeds een belang heeft. IX-2438-5/7 Ter zitting verklaart de raadsman van de verzoekende partij dat het actueel belang van zijn cliënte erin bestaat om een aanslag van ambtswege te verhinderen. Daartoe zou een vernietiging van de beslissing van de BBI-Gent 1 van 24 september 1997 dienstig zijn. De verzoekende partij heeft tijdens de bezwaarprocedure het doel bereikt waarvoor zij haar annulatieberoep heeft ingesteld. Het verhinderen van een aanslag van ambtswege is een onrechtstreeks afgeleid belang. Overigens volgt uit een arrest houdende de vernietiging van de beslissing van de BBI-Gent 1 waarbij het verzoek van de verzoekende partij om inzage en afschrift van bestuursdocumen- ten na heroverweging wordt verworpen, niet dat de ambtshalve aanslag onwettig is. Het annulatieberoep dient te worden verworpen bij gebrek aan een rechtstreeks actueel belang vanwege de verzoekende partij. Gelet op de omstandigheden van de zaak en het feit dat het beroep op het ogenblik van het indienen ervan niet kennelijk onontvankelijk was, past het om de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partij. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2438-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. M.-R. BRACKE. IX-2438-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.