← België

Arrest 182186 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.186 Rolnummer: A. 62447/IX-746 Zaak: Arrest 182186 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:56 Fiche Arrest nr 182.186 van 21 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.186 van 21 april 2008 in de zaak A. 62.447/IX-

  1. In zake : Rogier BRUGGEMAN, wonende te MECHELEN, Sparrenstraat 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rogier BRUGGEMAN op 21 februari 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 00 februari 1995, nr., van de Minister van Financiën in de federale regering, houdende afwijzing van het verzoek tot heroverweging de dato 21 december 1994 door verzoeker aan de betrokken minister gericht om (alsnog) toepassing te bekomen van artikel 7, eerste lid, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, alsmede van de impliciete weigering”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 24 november 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2008; IX-746-1/6 Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker hoofdcontroleur bij het ministerie van Financiën. Op 20 oktober 1994 richt de verzoeker, in toepassing van artikel 7, eerste lid van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, een schriftelijke aanvraag tot verbetering van zijn beoordelingsdossier aan de minister van Financiën. 1.
  3. Wanneer hij eind december nog geen reactie op zijn aanvraag heeft ontvangen, richt de verzoeker op 21 december 1994 bij toepassing van artikel 8, § 2, eerste lid van voornoemde wet van 11 april 1994, een verzoek tot heroverweging aan de minister van Financiën. Tegelijkertijd richt de verzoeker overeenkomstig voormeld artikel 8, § 2, eerste lid ook een verzoek om advies tot de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten. 1.
  4. In reactie op verzoekers vragen deelt de minister van Financiën bij schrijven van 4 januari 1995 aan de verzoeker mee dat zijn opmerkingen met betrekking tot de samenstelling van zijn dossier evenals de opgeworpen grieven te gepasten tijde zullen worden onderzocht in het kader van de behandeling van zijn beroep voor de interdepartementale raad van beroep. IX-746-2/6 Voormeld beroep voor de interdepartementale raad van beroep werd door de verzoeker ingesteld tegen zijn beoordelingsvermelding “goed” toegekend door het college van dienstchefs op 10 juni
  5. 1.
  6. Op 18 januari 1995 stelt de verzoeker de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten in kennis van het schrijven van de minister van Financiën. 1.
  7. Op 31 januari 1995 deelt de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten haar advies aan de verzoeker mee. Zij stelt dat hem inzage werd verleend in de gevraagde documenten. Inzake de overige verzoeken meent de commissie dat zij geen standpunt kan innemen alvorens de interdepartementale raad van beroep terzake stelling heeft genomen. De commissie is van oordeel dat deze verzoeken niet zo gegrond zijn dat zij er in dit stadium zou moeten op ingaan. Op dezelfde dag wordt dit advies ook meegedeeld aan de minister van Financiën. 1.
  8. Onmiddellijk na ontvangst van het advies van de commissie op 3 februari 1995, schrijft de verzoeker de minister van Financiën aan. Met verwijzing naar de bepalingen van artikel 8 § 2, vierde lid van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur vraagt hij dat de minister hem binnen de in het genoemde artikel gestelde termijn van 15 dagen zijn beslissing in verband met zijn verzoek tot heroverweging zou laten kennen. Er wordt hem evenwel geen beslissing meegedeeld. 1.
  9. Op 18 september 1995 wordt verzoekers beroep behandeld door de interdepartementale raad van beroep. De raad acht het beroep ontvankelijk en gegrond.
  10. Over het voorwerp van het beroep 2.
  11. In zijn verzoekschrift vordert de verzoeker de nietigverklaring van “de beslissing van 00 februari 1995, nr., van de Minister van Financiën in de federale regering, houdende afwijzing van het verzoek tot heroverweging de dato 21 december 1994 door verzoeker aan de betrokken minister gericht om (alsnog) IX-746-3/6 toepassing te bekomen van artikel 7, eerste lid van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, alsmede van de impliciete weigering” 2.
  12. Artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur luidt als volgt: “Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, kan hij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken federale ad- ministratieve overheid. Terzelfder tijd verzoekt hij de Commissie een advies uit te brengen. De Commissie brengt haar advies ter kennis van de verzoeker en van de betrokken federale administratieve overheid binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn wordt aan het advies voorbijgegaan. De federale administratieve overheid brengt binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies of na afloop van de termijn waarbinnen kennis moest worden gegeven van het advies, haar beslissing tot inwilliging of afwijzing van het verzoek tot heroverweging ter kennis van de verzoeker. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn, wordt de overheid geacht een beslissing tot afwijzing te hebben genomen. Tegen deze beslissing kan de verzoeker beroep instellen overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari
  13. Het beroep bij de Raad van State is in voorkomend geval vergezeld van het advies van de Commissie.” De verzoeker kreeg geen kennis van enige beslissing binnen de voornoemde termijn van 15 dagen. Bijgevolg moet de overheid geacht worden een afwijzende beslissing te hebben genomen. Deze afwijzende beslissing is het voorwerp van onderhavig beroep.
  14. Over de rechtspleging De verzoeker heeft op 3 maart 1998 een “dupliek op de laatste memorie van de verwerende partij” aan de griffie doen toekomen. Voormeld document is evenwel een niet door de procedureregeling voorzien stuk en dient derhalve uit de debatten te worden geweerd. IX-746-4/6
  15. Over de ontvankelijkheid van het beroep 4.
  16. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actuele belang in hoofde van de verzoeker. Zij laat gelden dat de verzoeker verklaard heeft niet te volharden in zijn vraag tot verbetering van het beoordelingsdossier en aldus zijn belang verloren heeft. Ter adstructie van deze stelling verwijst de verwerende partij naar een overweging uit het advies van de interdepartementale raad van beroep die luidt als volgt: “Overwegende dat appellant eerst aanvoert dat het aan de Raad van Beroep toegezonden dossier, betreffende de door hem betwiste beoordelingsvermelding GOED voor de periode eindigend op 31 augustus 1992, onvolledig is en niet alle dienstige gegevens bevat, opdat de Raad van Beroep met volle kennis van zaken advies zou kunnen geven, doch vervolgens verklaart dat deze, volgens hem, ontbrekende stukken niet van wezenlijk belang zijn, voor wat die betwiste beoordelingsvermelding betreft, waarop hij de Raad verzoekt, over zijn zaak toch advies uit te brengen.” 4.
  17. Verzoeker betwist niet dat zijn beoordelingsdossier over de “periode eindigend op 31 augustus 1992” definitief is afgehandeld. Uit verzoekers initiële aanvraag tot verbetering van 20 oktober 1994 kan worden afgeleid dat hij de onvolledigheid en onregelmatigheid van de beoordelingsstaat door het feit dat sommige elementen ontbreken of andere reeds ten onrechte erin zijn opgenomen, in essentie afmeet aan het lopende beoordelingsdossier en de argumenten en documenten die daarin worden gebruikt. In die aanvraag van 20 oktober 1994 stelt de verzoeker expliciet dat “de enige in betwisting zijnde beoordelingsperiode (...) deze (is) eindigend op 31 augustus 1992”. Nu die beoordeling, betrekking hebbend op de periode 87-92, reeds is afgehandeld, is het aan de verzoeker om aan te tonen dat hij nog over het vereiste belang beschikt bij de verbetering van zijn dossier zoals door hem gevraagd en zoals werd geweigerd. Daarvoor volstaat niet de algemene stelling van verzoeker ter terechtzitting dat een beoordelingsdossier blijft bestaan gedurende de ganse loopbaan temeer daar de meeste van de stukken die hij als ontbrekend beschouwt, zoals gezegd, specifiek met die welbepaalde beoordelingsperiode te maken hebben en niet meer dienstig zijn voor latere beoordelingen die alleen maar mogen rekening houden met de elementen eigen aan de te boordelen periode. Dit klemt des te meer, nu in de annulatieberoepen die verzoeker heeft ingediend tegen latere beoordelingen, IX-746-5/6 hij nergens als middel aanvoert dat zijn beoordelingsdossier onregelmatig zou zijn samengesteld. De exceptie van onontvankelijkheid kan worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. M.-R. BRACKE. IX-746-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.