id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.187 Rolnummer: A. 64073/IX-1491 Zaak: Arrest 182187 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:56 Fiche Arrest nr 182.187 van 21 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.187 van 21 april 2008 in de zaak A. 64.073/IX-1491 In zake : Rogier BRUGGEMAN, wonende te MECHELEN, Sparrenstraat 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rogier BRUGGEMAN op 13 juni 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 00 juni 1995, nr. , van de Minister van Financiën in de federale regering, tot afwijzing van het ‘verzoek tot heroverweging’ de dato 25 april 1995 door verzoeker aan de betrokken minister gericht om (alsnog) toepassing te bekomen van zekere bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, (...) alsmede van de impliciete weigering”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 28 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie door de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2008; IX-1491-1/7 Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M-R.BRACKE; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker hoofdcontroleur bij het ministerie van Financiën. Op 8 november 1994 heeft de verzoeker bij de Raad van State een annulatieberoep ingesteld. Deze zaak staat gekend onder het rolnummer A 59.866/X-
- In het kader van de aldaar neergelegde memorie van antwoord heeft de verzoeker kennis gekregen van het feit dat het college van dienstchefs geoordeeld heeft dat het niet aangewezen is om hem aan te wijzen om een leidinggevende functie van inspecteur uit te oefenen nadat het college onder meer ter kennis was gebracht dat de heer SIX, auditeur bij de cel Bijstand en Interne Controle, van het hoofdbestuur had vastgesteld dat de verzoeker nagalaten had preselectielijsten aan te leggen alhoewel dit opgelegd werd door de dienstbrieven van 24 juni 1993 en 24 september
- 1.
- Op 22 maart 1995 richt de verzoeker, in toepassing van artikel 4, eerste lid, en van artikel 5, eerste lid, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, een schriftelijke aanvraag tot de minister van Financiën tot het ontvangen van een afschrift van “de documenten waaruit blijkt dat de heer SIX, auditeur bij de cel Bijstand en Interne Controle, heeft vastgesteld dat de heer BRUGGEMAN nagelaten heeft de preselectielijsten aan te leggen alhoewel dit opgelegd werd door de dienstbrieven van 24 juni 1993 en 24 september 1993”. IX-1491-2/7 Daarbij vraagt hij “teneinde volledig afdoende kennis van zaken te hebben en zo nodig in voorkomend geval te gepasten tijde en op de meest adequate manier te kunnen reageren”, om toezending van “alle documenten over, ten gevolge of naar aanleiding van bedoeld feit zoals daar zijn (niet beperkende opsomming)
- de “opdracht” of het kader van de “actie” waarin of naar aanleiding waarvan bedoeld “feit” zou zijn vastgesteld;
- het “(werk)verslag” bedoeld sub nr. 17, eerste lid (punt 3.2 op blz.8) van de instructie B.I.C. de dato 1 juli 1993, Nr Co. 80/63.839;
- de notulen van de “bespreking ervan tijdens de maandelijkse contactvergade- ring” -cfr. zelfde nr. 17, tweede lid;
- alle andere documenten opgesteld ten gevolge of naar aanleiding van bedoeld “feit”.” 1.
- Wanneer hij eind april nog geen verdere reactie op zijn aanvraag heeft ontvangen, richt de verzoeker op 25 april 1995 een verzoek tot heroverweging tot de minister van Financiën bij toepassing van artikel 8, § 2, eerste lid, van voornoemde wet. Tegelijkertijd richt de verzoeker overeenkomstig voormeld artikel 8, § 2, eerste lid, ook een verzoek om advies tot de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten. 1.
- De verzoeker ontvangt geen advies van de commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten binnen de bij artikel 8, § 2, tweede lid, bepaalde termijn van 30 dertig dagen. De verzoeker ontvangt evenmin een beslissing tot inwilliging of afwijzing van zijn verzoek tot heroverweging binnen de bij artikel 8, § 2, derde lid, gestelde termijn van 15 dagen. Op 13 juni 1995 stelt de verzoeker daarop annulatieberoep bij de Raad van State in. 1.
- De commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten deelt op 25 augustus 1995 haar standpunt mee aan de verzoeker. Zij stelt vast dat het bestaan van de stukken waarvan hij een afschrift vraagt hem bekend zijn geworden tengevolge van een beroep dat hij heeft ingesteld bij de Raad van State. Zij herhaalt IX-1491-3/7 haar vaste standpunt dat ze op generlei wijze kan tussenkomen in het verloop van een procedure die aan de gang is bij de Raad van State en dat ze zich niet mag mengen in de bevoegdheid van die Raad. 1.
- Op 4 oktober 1995 schrijft de minister van Financiën aan de verzoeker in verband met diens verzoek tot heroverweging: “In aansluiting op uw schrijven van 25 april 1995 kan ik U mededelen dat U, mits een schriftelijke aanvraag te doen, inzage in de gevraagde documenten kan worden verleend” Over de aanduiding van het voorwerp van het beroep 2.
- In zijn verzoekschrift vordert de verzoeker de nietigverklaring van “de beslissing van 00 juni 1995, nr. , van de Minister van Financiën in de federale regering, tot afwijzing van het ‘verzoek tot heroverweging’ de dato 25 april 1995 door verzoeker aan de betrokken minister gericht om (alsnog) toepassing te bekomen van zekere bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, alsmede van de impliciete weigering” 2.
- Artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur luidt als volgt: “Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, kan hij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken federale administra- tieve overheid. Terzelfder tijd verzoekt hij de Commissie een advies uit te brengen. De Commissie brengt haar advies ter kennis van de verzoeker en van de betrokken federale administratieve overheid binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn wordt aan het advies voorbijgegaan. De federale administratieve overheid brengt binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies of na afloop van de termijn waarbinnen kennis moest worden gegeven van het advies, haar beslissing tot inwilliging of afwijzing van het verzoek tot heroverweging ter kennis van de verzoeker. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn, wordt de overheid geacht een beslissing tot afwijzing te hebben genomen. Tegen deze beslissing kan de verzoeker beroep instellen overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari
- Het beroep bij de Raad van State is in voorkomend geval vergezeld van het advies van de Commissie.” IX-1491-4/7 De verzoeker kreeg geen kennis van enige beslissing binnen de voornoemde termijn van 15 dagen. Bijgevolg kon de overheid geacht worden een afwijzende beslissing te hebben genomen. Evenwel heeft de verwerende partij nadien, op 4 oktober 1995, toch een expliciete beslissing genomen. In zijn memorie van wederantwoord vraagt de verzoeker dat zijn beroep tot die beslissing zou worden uitgebreid. Hij meent dat voormelde beslissing slechts de materialisering is van de tot dan toe ongeschreven weigering om hem afschrift van de door hem aangeduide stukken te bezorgen. Het antwoord van 4 oktober 1995 refereert naar verzoekers vraag tot heroverweging en vormt dus een antwoord op die vraag. Het beroep kan dan ook worden uitgebreid tot de voormelde beslissing van 4 oktober
- Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
- De vraag rijst of het beroep door het schrijven van 4 oktober 1995 niet zonder voorwerp is geworden. In het antwoord van de minister van Financiën kan gelezen worden dat deze bereid is de verzoeker inzage te verlenen in de gevraagde stukken. Weliswaar dient de verzoeker eerst opnieuw een schriftelijke aanvraag te doen en wordt er in het antwoord niet gesproken over het door de verzoeker gevraagde afschrift maar over inzage. Daarenboven stelt de vraag zich of de verzoeker nog wel belangstelling heeft voor het bekomen van de stukken. Op een vraag van de auditeur-verslaggever antwoordt de verwerende partij met een schrijven van 18 mei 1998 dat de verzoeker sinds de ontvangst van het antwoord niets ondernomen heeft om effectief de door hem gevraagde stukken in te zien of er een afschrift van te krijgen. In dat schrijven stelt de verwerende partij ook dat het niet aanleggen van preselectielijsten geleid heeft tot een ongunstige inschrijving op verzoekers individuele fiche, dewelke op haar beurt geleid heeft tot een beoordeling “slecht” waartegen de verzoeker beroep heeft aangetekend bij de interdepartementa- le raad van beroep. In het kader van deze beroepsprocedure heeft de verzoeker gesteld dat hij van het dossier geen inzage wilde nemen. 3.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat de brief van 4 oktober 1995 geenszins het voorwerp van het beroep wegneemt. Hij meent dat de mededeling “dat (verzoeker) mits een schriftelijke aanvraag te doen, inzage in de gevraagde documenten kan worden verleend” nergens een adequate respons vormt op zijn aanvraag van 22 maart 1995 om afschriften of zijn verzoek tot herziening. Hij herhaalt dat de brief van 4 oktober 1995 niet meer is dan de materialisering van IX-1491-5/7 de tot dan toe ongeschreven weigering om hem afschrift van de door hem aangeduide stukken te bezorgen. Dit standpunt is, sedert verzoekers memorie van wederantwoord ook bekend aan de verwerende partij. De verzoeker meent dan ook dat indien het de verwerende partij menens is, zij nog meer dan 2,5 jaar tijd had om hem de gevraagde afschriften gewoon te bezorgen. Met betrekking tot zijn belangstelling voor het bekomen van de door hem gevraagde afschriften bevestigt de verzoeker dat hij in het kader van zijn beroep bij de interdepartementale raad van beroep verklaard heeft geen inzage van het dossier te willen nemen, maar dat hij zich op dat punt alle rechten voorbehield. Aan de basis van deze handelwijze ligt, aldus de verzoeker, een telefoongesprek van 3 mei 1996 waarbij de adjunct-directeur aan de verzoeker verklaard heeft dat het dossier dat ter inzage lag niet de door de verzoeker sinds 22 maart 1995 gevraagde documenten bevat. De verzoeker heeft bovendien kunnen vaststellen dat het beoordelingsdossier, dat de verwerende partij op 1 september 1998 heeft neergelegd in de zaak gekend onder het rolnummer 79.637/IX-1324 (beroep ingesteld door de verzoeker tegen de aan hem toegekende beoordeling “slecht”), nog steeds niet de bedoelde documenten bevat. Verzoekers schriftelijke verklaring van 14 mei 1996 dat hij geen inzage in het dossier wilde nemen werd bijkomend ook nog ingegeven door de telefonische verklaring van een inspecteur dat verzoekers dossier zou blijven liggen tot hij zich had aangeboden en indien hij zich niet aanbood, een nieuwe uitnodiging zou volgen. 3.3 In de brief van 4 oktober 1995 verklaart de minister van Financiën dat mits schriftelijke aanvraag, de verzoeker inzage in de gevraagde documenten verleend kan worden. De verzoeker ziet hierin louter de materialisering van de tot dan toe ongeschreven weigering om hem afschrift van de door hem gevraagde stukken te bezorgen. Ongeacht verzoekers kwalificatie als document waaruit de impliciete weigering blijkt om hem inzage en afschrift te verlenen, kan in voormeld schrijven onmiskenbaar de bereidheid van de verwerende partij gelezen worden om de verzoeker alsnog inzage te verlenen. Minstens dient de verzoeker uit dit schrijven af te leiden dat een nieuwe aanvraag van zijnentwege niet langer geweigerd zal worden. Na de ontvangst van dit schrijven heeft de verzoeker evenwel niet de minste poging ondernomen om de gewenste documenten in te zien of er een afschrift van te krijgen. Dit manifest gebrek aan belangstelling om alsnog de door hem gewenste documenten te bekomen en het gegeven dat een eenvoudig verzoek zal resulteren in een inzagerecht doen besluiten dat de verzoeker niet langer blijk geeft van het rechtens vereiste actuele belang bij zijn beroep. Het betoog van verzoeker ter IX-1491-6/7 terechtzitting dat het om een principiële weigering van zijnentwege ging, doet aan dat besluit geen afbreuk. Het beroep is onontvankelijk OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. M.-R. BRACKE. IX-1491-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div