← België

Arrest 182188 - Milieu bescherming - Reglementen - 21/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.188 Rolnummer: A. 113656/IX-3139 Zaak: Arrest 182188 - Milieu bescherming - Reglementen - 21/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:56 Fiche Arrest nr 182.188 van 21 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.188 van 21 april 2008 in de zaak A. 113.656/IX-3139. In zake : de VZW KONINKLIJK BELGISCH VERBOND VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOGELS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partijen : 1. de VZW Koninklijke Nationale Federatie Algemene Vinkeniers- bond (A.Vi.Bo), 2. de VZW Vinkeniers Midden-België (Vi.Mi.Bel), die woonplaats kiezen bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE en J. COLPAERT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW KONINKLIJK BEL- GISCH VERBOND VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOGELS op 3 december 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 september 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinkenkweek in 2001 in het Vlaamse Gewest; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de VZW Koninklijke Nationale Federatie Algemene Vinkeniersbond (A.Vi.Bo) en de VZW Vinkeniers Midden-België (Vi.Mi.Bel); IX-3139-1/13 Gelet op de beschikking van 10 april 2002 die de tussenkomst van de VZW Koninklijke Nationale Federatie Algemene Vinkeniersbond (A.Vi.Bo) en de VZW Vinkeniers Midden-België (Vi.Mi.Bel) toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-3139-2/13 OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Voor het onderzoek van het bestreden ministerieel besluit moet rekening gehouden worden met volgende reglementaire bepalingen, zoals zij bestonden op het ogenblik van het nemen van het besluit : A. de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) : - artikel 5 : “Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen :

  1. a)een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;
  2. b)een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadi- gen of hun nesten weg te nemen;
  3. c)een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze - zelfs leeg - in bezit te hebben;
  4. d)een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstel- lingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;
  5. e)een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen”; - artikel 9 : “1. De Lid-Staten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8 :
  6. a)- in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, - ter bescherming van flora en fauna;
  7. b)voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;
  8. c)ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. 2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld : - voor welke soorten mag worden afgeweken, - welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, IX-3139-3/13 - onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, - welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen, - welke controles zullen worden uitgevoerd. (...) .” B. het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van de vogels in het Vlaamse Gewest (hierna: het koninklijk besluit van 9 september 1981), waarmee de voormelde bepalingen van de Vogelrichtlijn in het Belgische recht omgezet zijn : - artikel 3, eerste lid : “Het is ten alle tijde en om het even waar verboden de vogels bedoeld in artikel 1, evenals hun eieren, jongen en pluimen, te vangen, te doden of te verdelgen, te vervoeren, door te voeren en, zelfs tijdelijk, in- of uit te voeren behoudens de hierna vermelde afwijkingen”; - artikel 8 : “§ 1. De minister, of de door hem gemachtigde ambtenaar kan ook, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, tijdelijk afwijken van de bepalingen van dit besluit om volgende redenen :
  9. a)- in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; - ter bescherming van flora en fauna;
  10. b)voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs;
  11. c)ten einde het vangen, houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Alleen voor de vink (Fringilla coelebs) kan eventueel worden afgeweken van de bepalingen met betrekking tot het vangen van vogels. Bovendien is de vangst alleen toegestaan buiten de broedtijd en de periode van de verzorging van de jongen. § 2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld : - voor welke soorten mag worden afgeweken; - welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan; - onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen; - welke controles zullen worden uitgevoerd; - onder welke voorwaarden het onder zich hebben, vervoeren en verhandelen van de betrokken vogels en de geoorloofde middelen of installaties toegestaan zijn. § 3. De Minister kan tijdelijk verdergaande beschermingsmaatregelen treffen. § 4. (...)” IX-3139-4/13 Het staat buiten betwisting dat de vink (fringilla coelebs) een vogel is die door de voormelde bepalingen beschermd wordt. 1.2. Nadat de Raad van State op vraag van verzoekster met zijn arrest nr. 79.811 van 19 april 1999 het ministerieel besluit van 10 september 1998 tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinken- kweek voor de periode 1998-2002 in het Vlaamse Gewest vernietigd heeft, vaardigt de verwerende partij met het ministerieel besluit van 27 mei 1999 een nieuwe regeling voor de jaren 1998 en 1999 uit. 1.3. Dit ministerieel besluit van 27 mei 1999 wordt op vraag van verzoekster door de Raad van State met het arrest nr. 113.105 van 2 december 2002 vernietigd. Het middel, gesteund op de schending van artikel 9.1 van de Vogelricht- lijn en van artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 wordt gegrond bevonden, nu de verwerende partij niet aantoont dat de voorwaarden, opgenomen in die bepalingen, vervuld zijn. Inzonderheid worden de argumenten van de verwerende partij, om aan te tonen dat de kweek van vogels in gevangenschap geen bevredigend alternatief vormt voor het vangen van vinken in de natuur, in het licht van de interpretatie die het Hof van Justitie aan de Vogelrichtlijn gegeven heeft, niet deugdelijk bevonden. 1.4. Op 5 oktober 2000 neemt de verwerende partij een nieuw besluit, ditmaal voor het jaar 2000. Het aantal toegelaten vangsten wordt beperkt tot 9000 vinken, er wordt een subsidieregeling ingesteld teneinde de kweek van vinken door twee vinkeniersverenigingen te stimuleren en de twee verenigingen worden verplicht minimaal 9000 vinken te kweken. Op 14 november 2000 vraagt de verzoekende partij de nietigverklaring van dat besluit (de zaak A. 97.428/IX-2594). Ook dit ministerieel besluit wordt vernietigd. In zijn arrest nr. 179.054 van 28 januari 2008 stelt de Raad van State opnieuw vast dat, in acht genomen de regeling uitgewerkt door artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn en van het koninklijk besluit van 9 september 1981, niet aangetoond wordt dat er, gelet op de actuele stand van de wetenschap en de thans bestaande technische mogelijkheden, geen bevredigend alternatief bestaat voor het vangen van de 9000 vinken die nodig zijn om de vinkenliefhebbers toe te laten hun hobby te blijven uitoefenen. Hij acht het niet aangetoond dat ondanks de maximale inspanning die geleverd wordt om dieren in gevangenschap te kweken, er nog steeds onvoldoende vogels, die aan de IX-3139-5/13 gestelde kwaliteitseisen voldoen, beschikbaar zijn en dat bijgevolg niet blijkt dat de alternatieven die zich aandienen voor het vangen van vinken uit de natuur, te weten de kweek in gevangenschap om een voldoende aantal vinken ter beschikking te hebben voor de vinkensport en de uitwisseling van vogels om de genetische diversiteit van de vogels te waarborgen, ontoereikend zijn. 1.5. Hangende het geding tegen het ministerieel besluit van 5 oktober 2000 vaardigt de verwerende partij het hier bestreden ministerieel besluit van 27 september 2001 uit, waarin een identieke regeling opgenomen is voor jaar 2001, met dien verstande dat nu geen 9000 vinken meer gevangen mogen worden, maar slechts 6000, te weten 4700 mannetjes en 1300 wijfjes. Dit ministerieel besluit verwijst in zijn preambule naar de wenselijkheid om twee vinkeniersverenigingen bij te staan “omdat zij als erkende verenigingen het beleid ondersteunen door de vinkenkweek bij hun leden te stimuleren en de nodige controles uit te voeren”. 1.6. Op 9 oktober 2002 vaardigt de minister van Leefmilieu nog een gelijkaardig besluit uit dat betrekking heeft op het jaar 2002, weze het dat het aantal vinken dat mag gevangen worden nu beperkt wordt tot 4000, te weten 3120 mannetjes en 880 wijfjes. De ontvankelijkheid 2. De tussenkomende partijen betwisten het belang van verzoekster, aangezien de periode waarvoor de toelating wordt gegeven om vinken te vangen, verstreken is en de vernietiging van het bestreden besluit haar van geen enkel nut meer kan zijn. De vinkeniers, die in de periode van 15 oktober 2001 tot 15 november 2001 effectief vinken gevangen en geringd hebben, hebben gehandeld op basis van een uitvoerbaar besluit, zij hebben regelmatig de eigendom verworven van de gevangen dieren en ze misschien zelfs reeds geruild, zodat zij niet meer in vrijheid gesteld kunnen worden. De vernietiging van het bestreden besluit en de vaststelling dat de vogels niet gevangen hadden mogen worden, komt derhalve neer op de miskenning van definitief verworven subjectieve rechten. Aangezien verzoekster opkomt voor het belang van de vogels en de beweerde vermindering van de vogelstand en de zogenaamde wreedheden tegen dieren niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, wordt niet ingezien welk belang zij thans nog heeft bij een IX-3139-6/13 vernietiging. Ten onrechte verwijst verzoekster naar een moreel belang, aangezien zij geen natuurlijke persoon is en het belang van haar individuele leden of haar bestuurders niet vereenzelvigd mag worden met het belang van de rechtspersoon. 3. Het beroep is gericht tegen een reglementair besluit met een beperkte toepassing in de tijd. Verzoekster is niet verantwoordelijk voor het feit dat de Raad van State het annulatieberoep onderzoekt wanneer de geldingsduur ervan verstreken is. Evident kan een vernietiging niet meer beletten dat op regelmatige wijze tussen 15 oktober en 15 november 2001, 6000 vinken gevangen zijn kunnen worden. Te dezen dient evenwel vastgesteld te worden dat de verwerende partij ieder jaar weer een gelijkaardig besluit met een korte geldingsduur treft, zonder zich te bekommeren om dezelfde juridische kritiek die verzoekster steeds weer aanvoert. Verzoekster komt op voor de belangen van de vogels en in haar doelstelling om de internationaal en nationaal uitgewerkte beschermingsregeling van de vink af te dwingen vindt zij een blijvend belang om te ageren tegen reglementen die daartegen in gaan. Zij kan immers in een vernietigingsarrest juridische argumenten vinden om inhoudelijk weerwerk te bieden tegen de nieuwe gelijkaardi- ge maatregelen van korte duur die de verwerende partij in deze aangelegenheid steeds weer blijkt te nemen. In die zin is er geen reden om verzoekster het wettelijk vereiste belang te ontzeggen. De grond van de zaak 4. In het eerste middel voert verzoekster onder meer de schending aan van artikelen 5 en 9 van de Vogelrichtlijn. Zij betoogt dat de vink een vogel is die valt onder de bescherming van artikel 5. Artikel 9 van de Vogelrichtlijn -een bepaling die rechtstreekse werking heeft- bevat een aantal uitzonderingen op die bepaling, maar die uitzonderingen gelden slechts “indien er geen andere bevredigen- de oplossing bestaat” en zij zijn ook beperkt tot de verwezenlijking van bepaalde doeleinden die uitdrukkelijk in artikel 9.1 opgesomd zijn, waaronder het vangen “in kleine hoeveelheden” en “onder strikt gecontroleerde omstandigheden” met het oog op verstandig gebruik van bepaalde vogels. Het bestreden besluit miskent de genoemde bepalingen van de Vogelrichtlijn doordat er wel degelijk een “andere bevredigende oplossing” bestaat die de vangst van vinken in de natuur overbodig maakt en subsidiair, doordat de vangst hier niet “in kleine hoeveelheden” wordt toegestaan en ook niet gebeurt “onder strikt gecontroleerde omstandigheden”. IX-3139-7/13 Volgens verzoekster bestaat er wel degelijk een bevredigend alternatief voor de vangst van vinken. Zij betoogt te dien aanzien dat het bestreden besluit zelf verwijst naar het kweken van vinken, dat de minister van Leefmilieu in het parlement verklaard heeft dat het kweken van vinken wel degelijk een bevredigend alternatief is, dat ook de Raad van State in zijn arrest nr. 49.675 van 14 oktober 1994 aangenomen heeft dat het kweken een bevredigend alternatief uitmaakt en dat het Waals Gewest in een besluit van 4 maart 1993 een regeling uitgewerkt heeft voor het kweken van inheemse vogels, dat een ministerieel besluit van 15 oktober 1993 betreffende de bevoorrading van de vinkeniers in de jaren 1993-1997 verwijst naar de “gevorderde kweektechnieken”, dat het Hof van Justitie heeft aangenomen dat de voortplanting in gevangenschap een bevredigend alternatief is voor het vangen van vogels, dat het in zijn arrest van 12 december 1996 gesteld heeft dat een afwijking op het vangstverbod toelaatbaar is wanneer er geen alternatief bestaat, maar dat een degressieve en tijdelijke afwijking dan toch weer niet in overeenstemming is met de Vogelrichtlijn wanneer zij ertoe strekt de volières van de liefhebbers te bevoorraden omdat de kweek van de vogels niet voldoet aan de behoefte wegens de onaangepastheid van de installaties en de gewoonten en dat het Hof in zijn arrest van 8 februari 1996 aangenomen heeft dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap gekweekte vogels, zodat niets belet die vogels te ruilen of te verkopen en de genetische diversiteit op die wijze verzekerd kan worden. 5. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord dat de vinkenkweek een bevredigend alternatief vormt voor de vangst van deze vogels. De kweekcijfers voor de jaren 1994 tot 1998 hebben wel toenemend succes gehad -van é7 vogels in 1994 tot 7946 vogels in 1998-, maar dat volstond niet om de jaarlijkse sterfte -18 000 vogels- te compenseren en dus was er reden om in het resterend aantal te voorzien door het toelaten van de vangst. Daarmee wordt het vinkenbestand niet afgebouwd en groeit het ook niet aan. De toegelaten vangcijfers zijn er enkel op gericht de vinkeniers hun hobby te laten bestendigen. Maar daarmee wordt aangetoond dat de vinkenkweek geen voldoende alternatief vormt voor de vinkenvangst. Het bestreden besluit is er ook op gericht de vinkenkweek maximaal te stimuleren. De nodige maatregelen worden genomen om de moderne kweektech- nieken onder de leden van de gesubsidieerde verenigingen te verspreiden en ingang te doen vinden, middels het reglement dat deze verenigingen opstellen. IX-3139-8/13 6. In haar repliek stelt verzoekster dat de verwerende partij verwijst naar “niet-geactualiseerde cijfers” en aldus geen melding maakt van kweekcijfers voor de jaren 1999 tot 2001. Zij stelt ook dat zij niet kan nagaan of de jaarlijkse sterfte bij de vinkeniers 18 000 vogels zou betreffen en ook niet waarom de tijd nog niet rijp zou zijn voor het overschakelen op de kweek van vinken voor de liefhebberij van de vinkeniers. 7. De tussenkomende partijen hunnerzijds ontwikkelen volgende argumentatie: de kweek van vinken is wel een alternatief voor het vangen van vinken, maar het is geen bevredigend alternatief. Het overschakelen van het vangen naar het kweken van vinken is een proces van lange adem. De kweekcijfers stijgen maar volstaan niet om het tekort aan vogels te compenseren, want er zouden jaarlijks 10 000 vinken moeten bijkomen om de sterfte op te vangen en blijkens de statistieken -zoals die ook door de verwerende partij aangehaald worden- wordt dat cijfer niet gehaald. Er moet ook rekening gehouden worden met het kwalitatief aspect van de zaak, want ervaren vinkeniers getuigen dat gekweekte vinken niet zo strijdlustig zijn en minder liedjes zingen, zodat zij minder gegeerd zijn bij de vinkeniers. Ook daarom zal een blijvende bevoorrading uit de natuur wellicht noodzakelijk zijn. De kweek van vinken wordt binnen de verenigingen sterk gepromoot maar desalniettemin erkennen wetenschappers dat de verbeteringen niet spectaculair zijn. Overigens moet er ook op gewezen worden dat de bestreden beslissing past in het beleid dat erop gericht is de vinkenvangst uit de natuur steeds verder af te bouwen zodat de vinkeniers er vanuit dat oogpunt mogen op vertrouwen dat de bevoorrading uit de natuur nog enkele jaren mogelijk zal blijven. 8. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij nog, verwijzend naar de identieke vraag die zij in de zaak G/A 97.428/IX-2594 geformuleerd heeft, dat de Raad van State aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag zou stellen over de miskenning door het bestreden besluit van de Vogelricht- lijn in de mate wordt gesteld dat erkende verenigingen, die het beleid ondersteunen, de toelating krijgen om in het jaar 2001 kleine hoeveelheden vinken selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden uit de natuur te vangen teneinde aldus bloedarmoede tegen te gaan en de strijdlust van de vogels te vrijwaren met het oog op de vinkenzettingen, wanneer uit objectieve criteria blijkt dat die doelstelling niet kan verzekerd worden door een andere bevredigende oplossing zoals de kweek van vinken en de uitwisseling van vinken onder kwekers. IX-3139-9/13 9. Artikel 9 van de Vogelrichtlijn is formeel in het Belgisch positief recht geïntegreerd door artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981, dat wat de hier behandelde aangelegenheid betreft niet verschilt van de richtlijn. De vraag naar de miskenning van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn, waar verwezen wordt naar de afwezigheid van een andere bevredigende oplossing, valt voor de Belgische rechter samen met de vraag naar de miskenning van artikel 8, §1, van het koninklijk besluit van 9 september 1981. 10. In het middel, zoals het hiervoor samengevat is, wordt de wettigheid betwist van het voorschrift waarbij de mogelijkheid gecreëerd wordt om 6000 vinken te vangen. Volgens verzoekster bewijst de verwerende partij niet dat “er geen andere bevredigende oplossing bestaat”; meer nog, volgens haar bestaat dat alternatief, met name het kweken van vinken in gevangenschap. 11. Het wordt niet betwist dat de vink (Fringilla coelebs) onder toepassing valt van het vangverbod, ingesteld door artikel 5 van de Vogelrichtlijn en artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 september 1981. Het bestreden besluit kadert in de afwijkingen die artikel 9 van de richtlijn en artikel 8 van het koninklijk besluit op dat principieel vangverbod toelaten. De eerste voorwaarde die vervuld moet zijn om regelmatig een tijdelijke afwijking op het verbod op de vinkenvangst te kunnen invoeren, is dat “er geen andere bevredigende oplossing bestaat”. Het komt de verwerende partij toe het bewijs te leveren dat die voorwaarde vervuld is. 12. In zijn arrest nr. C-10/96 van 12 december 1996 heeft het Hof van Justitie met betrekking tot de toepassing van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn, bevestigd dat het vangen van beschermde vogels voor de verkoop aan liefhebbers teneinde hun volières te bevoorraden, een verstandig gebruik in de zin van artikel 9.1, c), kan vormen, dat een toelating daarvoor evenwel enkel mogelijk is indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de kweek en voortplanting in gevangenschap van beschermde vogels dergelijke oplossing kan vormen wanneer zij mogelijk is. Aangezien uit de concrete gegevens van het dossier bleek dat de kweek van de vogels, waarvan sprake in het onderzocht besluit, wetenschappelijk en technisch haalbaar was en met succes werd toegepast in Wallonië en in Vlaanderen, zou de kweek en de voortplanting in gevangenschap enkel dan niet als een bevredigende oplossing aangemerkt kunnen worden wanneer komt vast te staan dat zij niet kunnen volstaan zonder vangsten uit de natuur. De omstandigheid dat de IX-3139-10/13 kweek en de voortplanting in gevangenschap nog niet op grote schaal kan gebeuren “wegens de installaties en ingewortelde gewoonten van de liefhebbers” kan op zich het bevredigend karakter van de oplossing, die het alternatief is voor vangsten uit de natuur, niet in het gedrang brengen (arrest C-10/96, overwegingen 15 tot 22). In hetzelfde arrest is voorts ook gesteld dat het voorkomen van de nadelen van inteelt bij de kweek van vogels als een verstandig gebruik in de zin van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn kan worden beschouwd, maar ook te dien aanzien geldt dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die het mogelijk maakt de nadelen van inteelt te ondervangen. De samenwerking en de uitwisseling van vogels tussen kwekers is zo een alternatief (overwegingen 24 tot 26). De verwerende partij toont niet aan en houdt zelfs niet voor dat het Hof van Justitie de stelling die het aangenomen heeft in dit arrest, thans niet meer gestand doet of genuanceerd heeft. 13. In het licht van de uitlegging die het Hof van Justitie aan artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn gegeven heeft en die de Raad van State aan te houden heeft bij de uitlegging van artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 9 september 1981, is het bestreden besluit slechts in overeenstemming met de Vogelrichtlijn en past het slechts binnen de grenzen van het koninklijk besluit van 9 september 1981, wanneer de verwerende partij aantoont dat het alternatief van de voortplanting van vinken in gevangenschap en de handel in dergelijke specimens -die niet onder de verbodsbepa- lingen van de Vogelrichtlijn valt- volgens de actuele stand van de wetenschap en de bestaande technische mogelijkheden, niet volstaat om de liefhebbers van vinkenzet- tingen toe te laten hun liefhebberij te blijven uitoefenen. Dat kan slechts het geval zijn wanneer zij aantoont dat, volgens de op het ogenblik van het bestreden besluit beschikbare mogelijkheden, er onvoldoende vogels in gevangenschap gekweekt konden worden of dat de kweek in gevangenschap niet dezelfde kwaliteitsvolle dieren kon genereren. 14. Het bestreden besluit organiseert de bevoorrading van de vinkeniers en de stimulering van de vinkenkweek voor het jaar 2001 en laat de vangst toe van 6000 vogels. Het besluit verwijst in zijn preambule naar de wenselijkheid om twee vinkeniersverenigingen bij te staan “omdat zij als erkende verenigingen het beleid ondersteunen door de vinkenkweek bij hun leden te stimuleren en de nodige controles uit te voeren”. IX-3139-11/13 15. Noch uit de preambule, noch uit de memorie van antwoord of het administratief dossier, noch uit de stukken voorgelegd door de tussenkomende partijen blijkt een deugdelijke reden voor de verantwoording van de toegelaten vinkenvangst. Er wordt wel verwezen naar de kweekcijfers die in de jaren 1994 tot 1998 gehaald werden, maar -los overigens van de vaststelling dat die cijfers gedateerd zijn- houden die cijfers op zich het bewijs niet in dat er niet meer vogels gekweekt kunnen worden. En met betrekking tot de stelling dat de gekweekte vinken niet dezelfde kwaliteiten hebben als de gevangen vinken en dat de kweek in gevangenschap de soort degenereert, wordt niet het minste bewijskrachtig gegeven voorgelegd. 16. Bij gebrek aan bewijs aangaande het ontoereikend karakter van het alternatief dat zich aandient voor het vangen van vinken -de kweek in gevangen- schap om een voldoende aantal vogels ter beschikking te hebben; de uitwisseling van vogels onder kwekers om de genetische diversiteit te waarborgen- gaat het bestreden besluit de grenzen waarbinnen artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn en artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 de vangst van vinken in de vrije natuur toelaat, te buiten. Het middel is gegrond. 17. De verwerende partij vraagt om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. Zij parafraseert daarmee de stelling die het Hof van Justitie in zijn arrest C-10/96 ingenomen heeft over artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn. Zij brengt geen nieuwe gegevens aan die het Hof tot een andere uitlegging van de Europese reglementering zouden moeten brengen. De Raad van State beschikt met de juridische elementen die de actuele rechtspraak van het Hof van Justitie hem verstrekt, over de nodige gegevens om, rekening houdend met de specifieke gegevens van het dossier, uit te maken of de verwerende partij er terecht is kunnen vanuit gaan dat het bestaande alternatief voor het vangen van vinken uit de vrije natuur niet bevredigend was. Er is geen reden om de prejudiciële vraag te stellen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 27 september 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinkenkweek in 2001 in het Vlaamse Gewest; IX-3139-12/13 Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Artikel 3. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-3139-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.188 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.