id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.225 Rolnummer: A. 105345/V-1624 Zaak: Arrêt / Arrest 182225 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 22/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-09 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-29 07:56 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 182.225 van 22 april 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.225 van 22 april 2008 A. 105.345/V-1624 In zake: DE ZUTTER Jean-Paul, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Alain MERCIER, advocaat, Winston Churchilllaan 253 1180 Brussel, tegen:
- de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp,
- het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, dat woonplaats heeft gekozen bij Mr. Jean BOURTEMBOURG en Mr. Cédric MOLITOR, advocaten, Zwitserlandstraat 24 1060 Brussel. Tussenkomende partijen:
- ORYS Daniel, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Jean-Luc FLAGOTHIER, advocaat, boulevard Piercot 4/014 4000 Luik,
- FRANCOISE Bertrand, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Alexis della FAILLE, advocaat, place de l’Hôtel de Ville 15-16 1300 Waver,
- DUQUESNE Alain, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Claudy DE GANCK, advocaat, Vilvoordsesteenweg 101 1860 Meise,
- VAN HORENBEEK Patrick, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Carine FLAMEND, advocaat, Vilvoordsesteenweg 101 1860 Meise. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- V -1624 - 1/13 DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 30 mei 2001 ingediende verzoekschrift, waarbij Jean-Paul DE ZUTTER de nietigverklaring vordert van "het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijk Regering van onbekende datum" waarbij 49 personeelsleden van het Franse taalkader en 23 personeelsleden van het Nederlandse taalkader met ingang van 1 maart 2001 bevorderd worden tot sectiechef bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp (DBDMH); Gezien de op 24 en 31 oktober en op 8 november 2001 ingediende verzoekschriften, waarbij Daniel ORYS, Bertrand FRANCOISE, Alain DUQUESNE en Patrick VAN HORENBEEK vragen als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikkingen van 14 en 26 november 2001, waarbij die tussenkomsten worden toegestaan; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memories van tussenkomst; Gezien het verslag van de heer WIMMER, auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op basis van artikel 94 van de algemene procedureregeling; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de opmerkingen van de tweede en de derde tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 8 februari 2008, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 11 maart 2008 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van mevr. GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. A. MERCIER, advocaat, die voor verzoeker verschijnt, van Mr. C. MOLITOR, advocaat, die voor de tweede verwerende partij verschijnt, van Mr. Fr. GUERENNE, loco Mr. A. della FAILLE, advocaat, die voor de tweede tussenkomende partij verschijnt, en van Mr. C. FLAMEND, advocaat, die voor de vierde tussenkomende partij verschijnt, en loco Mr. Cl. DEGANCK voor de derde tussenkomende partij; V -1624 - 2/13 Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van de heer WIMMER, auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende feiten dienstig zijn voor het onderzoek van het beroep: Verzoeker is lid van het operationeel personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp (DBDMH). Bij beslissing van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van 28 augustus 2000 is verzoeker bevorderd tot hoofdbrandweerman in het Franse taalkader met ingang van 1 januari
- De verdere toedracht van de zaak is samengevat in arrest nr. 157.627 d.d. 18 april 2006 van de Raad van State. Uit dat arrest blijkt onder meer dat de adjunct-leidend ambtenaar en de officier-dienstchef bij dagorder nr. é9 van 15 juni 2000 het operationeel personeel in kennis stellen van de vacature van 72 betrekkingen van sectiechef: "50 F en 22 N". Op 23 januari 2001 onderzoekt de directieraad de kandidaturen van de Franstalige kandidaten (waaronder die van verzoeker) en van de Nederlandstalige kandidaten en rangschikt hij respectievelijk 53 Franstaligen en 23 Nederlandstaligen. In de loop van de maand februari onderzoekt de directieraad de bezwaarschriften die door verscheidene kandidaten waren ingediend en stelt hij twee nieuwe rangschikkingen op. Bij dagorder nr. 2430 van 5 april 2001 stelt de officier-dienstchef het operationeel personeel van de DBDMH ervan in kennis "dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de personeelsleden wier namen volgen, bevorderd heeft tot de graad van Sectiechef met ingang van 1 maart
- In het Franstalig kader: Marc VANDIJCK, Guy DE GROEF, Paul VERDEYEN, Guy TRONISECK, Christian BUGGENHOUT, Victor JAR (*), Pascal LORENT, Richard DEVOS (*), Philippe COLIN (*), Luc PICKERY (*), Alain DRAPS (*), Pierre MEYS, Daniel ORYS (*), Yves GOOSSENS (*), Bernard LEBEAU, André MEULEMANS, Marcel BAILLE (*), André WILLEMS (*), François ACKERMANS (*), Erik ETIENNE (*), Marc MARIEN (*), Patrick BUELENS, Alain DUQUESNE (*), Yvan FEYTENS (*), Alain LECOMTE (*), Christian DUBOIS (*), Luc VAN EECHAUTE (*), Henri PADUWAT (*), Paul HUYS (*), Michel BRUYLANT (*), Edouard DEKOSTER (*), Eric DELVAUX (*), Bertrand FRANCOISE (*), V -1624 - 3/13 Philippe LOOSE (*), Maximilien WYNS (*), Guy PISSOORT (*), Michel KINDERMANS (*), Louis DELEECK (*), Luc CLEMENT (*), Bernard EWEN (*), Gilbert STROEIJKENS (*), Christian VEREECKEN (*), Patrick PELERIAUX (*), Alain VAN BELLINGEN (*), Gilbert LIESSE, Patrick SIMON (*), Bruno VANKRIEKINGE (*), Eric MEIRESONNE (*), Jean- Paul VANDERLINDEN. In het Nederlandstalig kader: Alain VERDOODT, Ghislain LUYCKFASSEEL, Daniel NOUKENS, Etienne VAN PARYS, Yves REUNBROUCK, Joseph CORDEMANS, Pierre LEJEUNE, Léopold LEROY, Roger HUYGH, Albert VAN DEN EYNDE, Maurice GRUMEAU, Johan DE JAEGHER, Eddy VANDERSTEEN, Rudi DE PAUW, Patrick VERBESTEL, Marc VAN HOOREBEECK, Maurits DE PAUW, Pierre BECQUE, Dirk VAN DER OUGSTRAETE, Paul BRUERS, Erik THYS, Marc VANDERSTUKKEN, Willy VAN CAER." Dit is de bestreden handeling. Bij de 72 besluiten van 14 augustus 2001 en 30 november 2001 (Belgisch Staatsblad van 17 mei 2002 en 19 juni 2002) bevordert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering 49 Franstaligen (onder wie de eerste drie tussenkomende partijen) en 23 Nederlandstaligen tot sectiechef. Bij haar arrest nr. 161.080 van 7 juli 2006 heeft de XIIe kamer van de Raad van State de besluiten d.d. 14 augustus 2001 en 30 november 2001 houdende bevordering van 23 Nederlandstaligen vernietigd "voor zover het hun een anciënniteit in die graad verleent die voorafgaat aan 1 februari 2005". Bij besluit d.d. 21 januari 2005 van de Minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt verzoeker met ingang van 1 februari 2005 bevorderd tot sergeant (vroeger: sectiechef) bij de DBDMH (Belgisch Staatsblad van 22 februari 2007). Bij besluit d.d. 16 april 2007 van de Minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn 38 (*) van de 49 Franstaligen met ingang van 1 maart 2007 bevorderd tot sergeant-majoor (voorheen adjunct-detachementschef) bij de DBDMH (Belgisch Staatsblad van 18 juni 2007). Ontvankelijkheid Overwegende dat de eerste tussenkomende partij stelt dat het beroep niet gericht is tegen de besluiten d.d. 14 augustus 2001 en 30 november 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij de betwiste benoemingen worden meegedeeld, maar tegen de rangschikking van de kandidaten die is opgesteld door de V -1624 - 4/13 directieraad, welke rangschikking moet worden beschouwd als een tussenhandeling die verzoeker niet heeft aangevochten, zodat hij niet meer ontvankelijk is om de rangschikking te betwisten; dat de tweede tussenkomende partij opmerkt dat verzoeker "een" beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanvecht, terwijl verscheidene beslissingen zijn genomen; dat ze tevens vaststelt dat het verzoekschrift dateert van vóór 14 augustus 2001, de datum van het besluit waarbij tot haar bevordering wordt besloten; dat ze daaruit afleidt dat het beroep gericht is tegen een niet-bestaande beslissing, zodat het doelloos en dus niet-ontvankelijk is; Overwegende dat bij het dagorder van 5 april 2001 het personeel van de DBDMH in kennis ervan wordt gesteld "dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de personeelsleden wier namen volgen, bevorderd heeft tot de graad van Sectiechef [...]"; dat verzoeker derhalve redelijkerwijs heeft kunnen oordelen dat tot de betwiste bevorderingen reeds was besloten toen hij zijn beroep heeft ingesteld; dat zulks des te meer het geval is daar de verwerende partij in haar memorie van antwoord aangeeft dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 5 april 2001 beraadslaagd heeft omtrent de benoemingen tot sectiechef; dat doordat op de terechtzitting zelf de raadsman van de verwerende partij meegedeeld heeft dat de Regering noch op die datum, noch voordien, een beslissing tot bevordering heeft genomen, maar dat het voornoemde dagorder en de memorie van antwoord verkeerd waren geformuleerd, het beroep in die mate doelloos is; dat het beroep aldus moet worden uitgelegd dat het gericht is tegen de besluiten van 14 augustus en 30 november 2001; Overwegende dat verzoeker in de loop van het geding, bepaaldelijk op 1 februari 2005, zelf is bevorderd tot sergeant (voorheen sectiechef); dat de verwerende partij daaruit een argument ontleent om het actueel belang van verzoeker te betwisten; dat ze opmerkt dat de jurisprudentie die ertoe strekt te beletten dat een verzoeker, wanneer hij later in competitie komt met zijn collega's van wie hij de benoeming heeft aangevochten in de graad die hem achteraf wordt verleend, benadeeld wordt omdat hij niet de vereiste anciënniteit bezit of omdat hij minder anciënniteit zou hebben dan zijn concurrenten, alleen toepasselijk is indien aan twee voorwaarden is voldaan, te weten enerzijds het bestaan van mogelijke competitie tussen verzoeker en zijn concurrenten naar aanleiding van een latere bevordering, en anderzijds dat in het kader van die competitie de door de enen en de anderen verkregen anciënniteit in aanmerking wordt genomen; dat ze uit de jurisprudentie afleidt dat concreet moet worden geoordeeld of de beide voorwaarden samen vervuld zijn; dat ze in het onderhavige geval opmerkt dat verzoekers situatie niet zou wijzigen indien de vlakke loopbaan van zijn collega's vertraging zou oplopen, daar de eventuele nietigverklaring van hun bevorderingen zijn eigen vlakke loopbaan niet kan versnellen; V -1624 - 5/13 Overwegende dat de ambtenaar die in de loop van het geding bevorderd wordt tot dezelfde graad als degene wiens benoeming hij bestrijdt, zijn belang bij het beroep niet automatisch verliest, inzonderheid wanneer hij in zijn nieuwe graad minder anciënniteit heeft dan diegenen wier benoeming hij aanvecht; dat zulks in dezen het geval is; dat dit verschil in anciënniteit het verloop van verzoekers latere loopbaan kan beïnvloeden; dat volgens artikel 60 van het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de DBDMH de graad van sectiechef (sergeant) namelijk niet alleen toegang verleent tot de graad van adjunct- detachementschef (sergeant-majoor), maar ook tot die van detachementschef (adjudant), en wel op basis van de anciënniteit; dat verzoeker voor toegang tot die graden benadeeld wordt, gelet op het feit dat zijn anciënniteit lager is dan die van de personeelsleden van wie de benoeming wordt bestreden; dat de exceptie niet opgaat; Overwegende dat enkele van de personeelsleden wier benoeming door verzoeker wordt bestreden, in de loop van het geding, bepaaldelijk bij een besluit van 16 april 2007, op hun beurt in de vlakke loopbaan bevorderd zijn in de hogere graad; Overwegende dat de nieuwe bevorderingen van de personeelsleden wier benoeming tot sectiechef bestreden wordt, een logisch doch niet-noodzakelijk gevolg zijn van de bestreden handelingen; dat voor die nieuwe bevorderingen immers niet uitsluitend een vereiste van anciënniteit in de graad van sectiechef gold, maar ook, inzonderheid, het in het bezit zijn van een welbepaald brevet, de beoordelingsvermelding "voldoende" en het geslaagd zijn voor tweejaarlijkse lichamelijke proeven; dat verzoeker tijdens de beroepstermijn nagelaten heeft die bevorderingen aan te vechten via een nieuw annulatieberoep of via een verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep; dat hij bijgevolg geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handelingen die geen uitwerking meer hebben, tenminste voor de achtendertig personeelsleden van de Franse taalrol die een nieuwe bevordering hebben verkregen; dat hij wel nog een belang heeft met betrekking tot de bevorderingen tot sectiechef van de overige personeelsleden die geen andere bevordering hebben verkregen en ten aanzien van wie niet wordt beweerd dat hun administratieve situatie in de loop van het geding zou zijn gewijzigd, te weten Marc VANDIJCK, Guy DE GROEF, Paul VERDEYEN, Guy TRONISECK, Christian BUGGENHOUT, Pascal LORENT, Pierre MEYS, Bernard LEBEAU, André MEULEMANS, Patrick BUELENS, Gilbert LIESSE en, Jean-Paul VANDERLINDEN; Overwegende dat verzoeker, die tot de Franse taalrol behoort, benoemingen aanvecht die hebben plaatsgehad in het Nederlandse en het Franse V -1624 - 6/13 taalkader; dat niet wordt betoogd en niet blijkt dat de taalkaders van de DBDMH op onwettige wijze zouden zijn vastgesteld; dat verzoeker, die tot de Franse taalrol behoort en alleen in dat kader kan worden benoemd, derhalve geen aanspraak kan maken op de betrekkingen vacant in het Nederlandse kader; dat hij er geen belang bij heeft de nietigverklaring te vorderen van benoemingen in betrekkingen die, indien ze worden nietigverklaard, opnieuw bestemd zouden zijn voor ambtenaren van de Nederlandse taalrol; dat het beroep slechts ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de handelingen houdende benoeming van personeelsleden van de Franse taalrol; dat de vierde tussenkomende partij derhalve niet meer in het geding is; dat het voornoemde arrest nr. 161.080 voorts de benoemingen van de personeelsleden van de Nederlandse taalrol reeds heeft vernietigd in zoverre hun een graadanciënniteit is verleend die teruggaat tot vóór 1 februari 2005; Grond van de zaak Overwegende dat verzoeker inzonderheid een middel, het eerste van het verzoekschrift, ontleent aan de schending van artikel 21 van het besluit van 26 november 1998 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van de DBDMH, aan schending van de substantiële vormvereisten en aan machtsoverschrijding; dat hij stelt dat hij als negenendertigste gerangschikt was op de lijst d.d. 23 januari 2001 van de kandidaten voor de bevordering en dus in aanmerking kwam om te worden bevorderd, en dat hij dus geen bezwaarschrift heeft ingediend; dat hij aanvoert dat de directieraad die rangschikking na onderzoek van de bezwaarschriften heeft gewijzigd op basis van nieuwe criteria, maar de wijzigingen niet ter kennis heeft gebracht van de kandidaten; dat hij betoogt dat hem aldus het recht is ontnomen om een bezwaarschrift in te dienen en van oordeel is dat een nieuwe rangschikking waaruit verscheidene kandidaten die in aanmerking kwamen voor een bevordering worden geweerd en waarin wordt verwezen naar nieuwe criteria, ter kennis diende te worden gebracht van de kandidaten, samen met de notulen van de vergadering van de directieraad, om hun de gelegenheid te geven bezwaar aan te tekenen en hun opmerkingen te laten gelden; Overwegende dat de tweede verwerende partij allereerst de inhoud van de artikelen 20 en 21 van het voornoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 november 1998 in herinnering brengt en vervolgens aanvoert dat, ook al bepalen die teksten zulks niet uitdrukkelijk, het voorlopige voorstel van de directieraad onderscheiden moet worden van de definitieve voordracht na afloop van het onontbeerlijke onderzoek van de bezwaarschriften; dat ze van oordeel is dat de door V -1624 - 7/13 verzoeker verdedigde stelling niet opgaat daar ze een sneeuwbaleffect zou meebrengen in zoverre de voorstellen steeds opnieuw aan de gegadigden zouden moeten worden ter kennis gebracht, wat zou leiden tot een onredelijke verlenging van de termijn waarbinnen de voorstellen uiteindelijk kunnen worden overgezonden aan de benoemingsgerechtigde overheid; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en in zijn toelichtende memorie verklaart dat de stelling van de verwerende partij weliswaar aanvaardbaar zou zijn in een normale procedure, maar dat de kenmerken van de onderhavige procedure zodanig waren dat een nieuwe kennisgeving van de voorstellen vereist was, wat opnieuw de mogelijkheid moest geven tot het indienen van bezwaarschriften; dat hij beklemtoont dat de nieuwe voorstellen gedaan zijn op basis van andere criteria dan de eerste voorstellen; Overwegende dat de tussenkomende partijen in onderling verschillende bewoordingen eenzelfde argumentering volgen als de tweede verwerende partij; dat de tweede tussenkomende partij de beoordelingsbevoegdheid beklemtoont waarover de directieraad beschikt en op basis waarvan hij gerechtigd is naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften een eerste voorstel van rangschikking te herzien; dat volgens de laatstgenoemde partij de wijziging van het eerste profiel aangenomen door de directieraad dateert van vóór de kennisgeving van de eerste rangschikking, zodat verzoeker niet benadeeld wordt; dat de derde tussenkomende partij opmerkt dat in verband met haar eigen benoeming geen middel wordt aangevoerd; Overwegende dat het middel hetzelfde is als datgene dat de XIIe kamer van de Raad van State onderzocht heeft in haar arrest nr. 161.080 van 7 juli 2006, zowel wat de beweerdelijk geschonden rechtsregel betreft als wat de manier betreft waarop deze geschonden zou zijn; dat in dit arrest het middel om de volgende redenen gegrond is bevonden: " 3.
- Overwegende dat de voorliggende bevorderingsprocedure door de artikelen 20 tot 23 van het ingeroepen besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 november 1998 als volgt wordt geregeld: « Art.
- Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1/ de beschrijving van de functie en het gewenste profiel van de kandidaat; 2/ de aanspraken en de verdiensten, waaronder de anciënniteit in de schoot van de Brandweerdienst, die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking; 3/ het evaluatiedossier van de kandidaat; 4/ de resultaten van de tweejaarlijkse fysieke testen bedoeld in artikel 53 van dit besluit. V -1624 - 8/13 In geval verscheidene sollicitanten dezelfde of gelijkwaardige aanspraken voor bevordering kunnen laten gelden, wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat met de meest positieve evaluatie. De directieraad klasseert de kandidaten. Art.
- De rangschikking wordt ter kennis gebracht van de kandidaten. De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Hij wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art.
- De benoemende overheid is gebonden door een voorstel dat eenparig wordt uitgebracht. Indien zij niet kan instemmen met het voorstel van de directieraad en zij een andere kandidaat kiest, moet haar beslissing met bijzondere redenen omkleed zijn. Art.
- De bevordering wordt aan de belanghebbende rechtstreeks medegedeeld en ter kennis van de andere leden van de Brandweerdienst gebracht door de officier-dienstchef»; 3.
- Overwegende dat volgens deze bepalingen het advies van de directieraad en het daarop gesteunde voorstel in twee stadia tot stand komt: er is vooreerst een eerste vergelijking van de aanspraken en verdiensten die gebeurt op basis van de gegevens die aan de directieraad bekend zijn langs de kandidaturen en langs administratieve informatie of persoonlijke kennis van de leden, in een tweede stadium wordt dan nagegaan of de bezwaarschriften die werden ingediend nieuwe informatie aanbrengen die van aard is dat, wanneer deze nieuwe informatie in de vergelijking wordt betrokken, het resultaat ervan moet worden herzien; Overwegende dat de tweede fase dan ook geen volledig nieuwe vergelijking is maar wel een eventuele correctie van de eerste, op basis van door de bezwaarindieners aangebrachte elementen; Overwegende dat in de voorliggende zaak door de directieraad evenwel niet zo is gehandeld; Overwegende dat de directieraad eerst, op 23 januari 2001, na onderzoek van de kandidaturen, een vergelijking en rangschikking heeft opgesteld op grond van de volgende door hem gemaakte vaststellingen: - twee kandidaten vervullen reeds als dienstdoende de functie van dienstchef tot voldoening van hun chefs; rekening houdend met hun beroepservaring beantwoorden zij het best aan het profiel; zij worden bovenaan geklasseerd in volgorde van anciënniteit; - veertien kandidaten zijn geslaagd voor het examen van korporaal; zeven ervan werden intussen al effectief tot die graad bevorderd; van deze kandidaten stelt de directieraad vast dat zij over een niet te miskennen ervaring beschikken waardoor zij occasioneel, maar niettemin regelmatig, de functie van sectiechef hebben waargenomen; dat zij goed beantwoorden aan de voorwaarden van het profiel en aldus het bewijs geleverd hebben van hun verdiensten in die mate dat hun kandidatuur bevoordeeld moet worden in het klassement; ook deze kandidaten worden vervolgens gerangschikt naar anciënniteit; - van de zeven andere geslaagden in het examen van korporaal die nog niet effectief werden bevorderd tot die graad, waaronder verzoeker, stelt de directieraad dat zij zich kunnen beroepen op een beroepsbekwaamheid die aangetoond werd door het slagen voor het intern examen van korporaal, wat bevestigd wordt door een belangrijke ervaring 'on the field' en dat zij goed beantwoorden aan de voorwaarden van het profiel maar geklasseerd moeten worden na diegenen die over een effectieve ervaring beschikken inzake de verantwoordelijkheden die normaliter aan een sectiechef toekomen; - van de overige kandidaten worden de negen met de grootste anciënniteit vergeleken op het punt van verdiensten en op die basis gerangschikt; V -1624 - 9/13 - de overgebleven kandidaten worden zonder verder onderzoek ex aequo gerangschikt; Overwegende dat de directieraad na ontvangst en kennisneming van de bezwaren de rangschikking bevestigt van de eerste twee gerangschikte kandidaten met als motivatie dat zij immers tot algehele voldoening van de directie de functie van dienstdoend sectiechef vervullen sinds 1 april 1996 en dat hun jarenlange ervaring maakt dat zij het beste beantwoorden aan de criteria gestipuleerd in het profiel; dat de directieraad vervolgens ook de rangschikking van de zeven kandidaten bevestigt die slaagden in het examen voor korporaal en reeds in die graad werden benoemd, stellende dat zij gelet op hun niet te miskennen ervaring, waardoor zij occasioneel maar niettemin regelmatig, de functie van sectiechef hebben waargenomen, op een evenwaardige manier als de eerste twee gerangschikten aan de criteria gestipuleerd in het profiel voldoen, zij het dat zij in mindere mate dan de eerste twee kunnen bogen op een evenwaardige beroepservaring; dat de directieraad voor de overige kandidaten zijn initiële rangschikking herziet op grond van overwegingen die als volgt in de notulen zijn weergegeven: « Voor de overige kandidaten en rekening houdend met alle ingediende bezwaarschriften gaat de Directieraad over tot een grondig en individueel onderzoek van de aanspraken en verdiensten van elke kandidaat, waarbij een bijzondere plaats wordt toegekend aan de anciënniteit. De Directieraad stelt dat de appreciatie van de inzet en van de inspanningen van de kandidaten bij hun werk in de dienst en hun voortgezette opleiding de mate waarin ze beantwoorden aan de criteria gestipuleerd in het profiel [...] weerspiegelt. Tevens stelt de Directieraad dat, door rekening te houden met de ervaring op het terrein, ook de voorwaarde naar de beroepservaring toe in meerdere of mindere mate wordt ingevuld door elke kandidaat. In het bijzonder worden geëvalueerd de behaalde brevetten die nuttig zijn enerzijds voor de DGH, anderzijds voor de brandweertechnische tussenkomsten. Tevens werd een bijzonder belang gehecht aan de inzet als instructeur en/of als lid van de gespecialiseerde groepen zoals duikers, antigaspakkenploeg (TAG) en RISC-ploeg. De geïntegreerde appreciatie van al deze in overweging genomen elementen resulteert in een klassement van de overige kandidaten: [...]»; dat op basis daarvan al de overblijvende kandidaten worden gerangschikt; Overwegende dat wat in casu is gebeurd niet te beschouwen valt als een herziening van de vergelijking die reeds een eerste maal was gebeurd; dat de directieraad na ontvangst van de bezwaren een volledig nieuwe vergelijking tussen de kandidaten heeft gemaakt, gesteund op gedeeltelijk nieuwe criteria; dat immers bij de eerste vergelijking het beantwoorden aan het profiel bijna uitsluitend werd afgeleid uit de ervaring opgedaan door het reeds effectief op min of meer regelmatige basis waarnemen van de functie van sectiechef en in tweede instantie uit de bewezen beroepsbekwaamheid door het slagen in het examen van korporaal; dat daarentegen bij de tweede vergelijking de kandidaten die niet reeds effectief op min of meer regelmatige wijze de functie van sectiechef uitoefenden met elkaar werden vergeleken op grond van verscheidene andere elementen die bij de eerste vergelijking in het geheel niet aan bod zijn gekomen; dat alzo rekening is gehouden met de anciënniteit, de inzet en de inspanningen bij hun werk in de dienst, hun voortgezette opleiding, meer bepaald de door hen behaalde en voor de functie nuttige brevetten, hun inzet als instructeur of als lid van gespecialiseerde groepen; dat door op die wijze te werk te gaan, de directieraad in feite de vergelijking heeft overgedaan en een nieuwe vergelijking gemaakt; dat in die omstandigheden de kandidaten ook de kans hadden moeten krijgen tegen dit nieuwe, op een nieuwe vergelijking met nieuwe criteria steunende voorstel, bezwaar aan te tekenen; dat het middel gegrond is"; V -1624 - 10/13 Overwegende dat, wat de Franstalige gegadigden betreft, uit de notulen van de vergadering van de directieraad van 23 januari 2001 blijkt dat de directieraad tijdens het onderzoek van de sollicitaties voor de betrekking van sectiechef de volgende vaststellingen heeft gedaan: " De Directieraad stelt vast dat [...] 4 [...] kandidaten de functie van dienstdoende sectiechef vervullen tot voldoening van de directie. Deze kandidaten beantwoorden het best aan het profiel rekening houdend met hun beroepservaring. Deze kandidaten worden bovenaan geklasseerd, in functie van hun graadanciënniteit, dan volgens hun dienstanciënniteit en daarna volgens hun leeftijd. De Directieraad stelt vast dat 39 van de overige kandidaten geslaagd zijn voor het examen van korporaal dat door de dienst werd georganiseerd vóór
- Van deze 39 kandidaten werden er 25 bevorderd tot korporaal (momenteel hoofdbrandweerman) tussen 1988 en 1990 [...]. De Directieraad stelt vast dat deze kandidaten over een niet te miskennen ervaring beschikken waardoor zij occasioneel, maar niettemin regelmatig, de functie van sectiechef hebben waargenomen; dat zij goed beantwoorden aan de voorwaarden van het profiel en aldus het bewijs geleverd hebben van hun verdiensten in die mate dat hun kandidatuur bevoordeligd moet worden in het klassement. Deze kandidaten worden geklasseerd in functie van hun graadanciënniteit, dan volgens hun dienstanciënniteit en daarna volgens hun leeftijd. De Directieraad is de mening toegedaan dat de 14 andere [...] zich kunnen beroepen op een beroepsbekwaamheid die aangetoond werd door het slagen voor het intern examen van korporaal, wat bevestigd wordt door een belangrijke ervaring on the field; dat zij goed beantwoorden aan de voorwaarden van het profiel maar geklasseerd moeten worden na diegenen die over een effectieve ervaring beschikken inzake de verantwoordelijkheden die normalerwijze aan een sectiechef toekomen. Deze kandidaten worden geklasseerd in functie van hun graadanciënniteit, dan volgens hun dienstanciënniteit en daarna volgens hun leeftijd. Het onderzoek van de verdiensten van de overige kandidaten met de meeste anciënniteit, [...] resulteert in het volgende klassement : [...]. De overige kandidaturen worden niet diepgaander onderzocht en worden ex æquo geklasseerd."; dat in de notulen van de vergaderingen van de directieraad van 14, 16 en 22 februari 2001, tijdens welke de definitieve rangschikking is opgemaakt, de volgende vaststellingen staan: " De Directieraad bevestigt dat de eerste vier gerangschikte kandidaten hun klassement behouden in die volgorde: zij vervullen immers de functie van dienstdoend sectiechef sinds 1 april 1996 tot algehele voldoening van de directie. De directieraad is van oordeel dat de jarenlange ervaring van deze kandidaten maakt dat zij het beste beantwoorden aan de criteria gestipuleerd in het profiel. [...] De Directieraad bevestigt vervolgens dat de 25 kandidaten die werden bevorderd tot korporaal tussen 1988 en 1990, gelet op hun niet te miskennen ervaring, waardoor zij occasioneel maar niettemin regelmatig, de functie van sectiechef hebben waargenomen, op een evenwaardige manier als de eerste vier gerangschikten aan de criteria gestipuleerd in het profiel voldoen [...]. Voor de overige kandidaten en rekening houdend met alle ingediende bezwaarschriften gaat de Directieraad over tot een grondig en individueel onderzoek van de aanspraken en verdiensten van elke kandidaat, waarbij een bijzondere plaats wordt toegekend aan de anciënniteit. De Directieraad stelt dat de appreciatie van de inzet en van de inspanningen van de kandidaten bij hun werk in de dienst en hun voortgezette opleiding de mate waarin V -1624 - 11/13 ze beantwoorden aan de criteria gestipuleerd in het profiel [...] weerspiegelt. Tevens stelt de Directieraad dat, door rekening te houden met de ervaring op het terrein, ook de voorwaarde naar de beroepservaring toe in meerdere of mindere mate wordt ingevuld door elke kandidaat. In het bijzonder worden geëvalueerd de behaalde brevetten die nuttig zijn enerzijds voor de DGH, anderzijds voor de brandweertechnische tussenkomsten. Tevens werd een bijzonder belang gehecht aan de inzet als instructeur en/of als lid van de gespecialiseerde groepen zoals duikers, antigaspakkenploeg (TAG) en RISC-ploeg. De geïntegreerde appreciatie van al deze in overweging genomen elementen resulteert in het volgend klassement van de overige kandidaten: [...]"; Overwegende dat vastgesteld moet worden dat de overwegingen van de directieraad aangaande de kandidaturen van de Franstaligen volledig dezelfde zijn als die welke geformuleerd zijn met betrekking tot de kandidaturen van de Nederlandstaligen; dat het geschil bijgevolg op dezelfde wijze moet worden beslecht; Overwegende dat er volgens de Raad van State geen grond is om af te wijken van het hierboven aangehaalde arrest; Overwegende dat artikel 94 van de algemene procedureregeling met recht is toegepast, waarbij de partijen in de gelegenheid zijn gesteld om zowel schriftelijk als mondeling hun argumenten omtrent de ontvankelijkheid en de grond van de zaak aan te voeren; dat verwijzing naar de gewone rechtspleging bovendien tot gevolg zou hebben dat de beslechting van de zaak nodeloos wordt vertraagd, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijk Regering van 14 augustus 2001 en 30 november 2001 waarbij Marc VANDIJCK, Guy DE GROEF, Paul VERDEYEN, Guy TRONISECK, Christian BUGGENHOUT, Pascal LORENT, Pierre MEYS, Bernard LEBEAU, André MEULEMANS, Patrick BUELENS, Gilbert LIESSE en, Jean-Paul VANDERLINDEN bevorderd worden tot sectiechef, in zoverre hun in die graad een anciënniteit wordt verleend die teruggaat tot vóór 1 februari
- Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. V -1624 - 12/13 Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de gedeeltelijk vernietigde besluiten. Artikel
- De kosten, bepaald op 669,33 euro, komen ten laste van de tweede verwerende partij ten belope van 173,53 euro, en ten laste van de tussenkomende partijen ten belope van 123,95 euro elk. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op tweeëntwintig april tweeduizend acht door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, D. MOONS, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De EersteVoorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V -1624 - 13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div