← België

Arrest 182289 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 24/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.289 Rolnummer: A. 109736/VII-24330 Zaak: Arrest 182289 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.289 van 24 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.289 van 24 april 2008 in de zaak A. 109.736/VII-24.330. In zake : de NV ANHYBEL, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten Y. LOIX en S. VERNAILLEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV ANHYBEL op 31 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van OVAM van 2 juli 2001 tot ambtshalve verwijdering, lastens onder meer de verzoekende partij, van de cyanidehoudende afvalstoffen die zijn opgeslagen op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT, gelegen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-24.330-1/23 Gelet op de beschikking van 4 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANSTIPELEN die, loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. SEBREGHTS die, loco advocaten Y. LOIX en S. VERNAILLEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij is werkzaam in Tienen op hetzelfde terrein als de NV CITRIQUE BELGE voor wie zij gipsafval verwerkt. Dit gipsafval, afvalproduct van het productieproces van de NV CITRIQUE BELGE, wordt door de BVBA KOLLMAN vervoerd van de NV CITRIQUE BELGE naar de verzoekende partij. De verwerking van dit gipsafval leidt tot een hoofdproduct, het anhydriet A, en een niet-bedoeld nevenproduct, het anhydriet B. 1.2. Op 23 maart 2000 sluiten de verzoekende partij en de BVBA KOLLMAN een samenwerkingsovereenkomst waarbij de verzoekende partij het anhydriet B ter beschikking stelt en de BVBA KOLLMAN dit in overeenstem- ming met de wet verwerkt. Het zou de bedoeling zijn geweest het anhydriet B te verwerken in grondwerken als aanvulstof voor de aanleg en de verharding van terreinen. Voor de afname en de verwerking van het anhydriet B zou de verzoekende partij aan de BVBA KOLLMAN een bedrag van 580 frank per ton betalen. VII-24.330-2/23 Volgens de verzoekende partij werden voorafgaand aan het afsluiten van deze overeenkomst proefleveringen van het anhydriet B aan de BVBA KOLLMAN gedaan. In uitvoering van deze overeenkomst neemt de BVBA KOLLMAN 4.000 ton van het anhydriet B af in de periode van 20 maart tot 30 augustus 2000. De verzoekende partij betaalt daarvoor 2.692.017 frank aan de BVBA KOLLMAN. Wegens problemen met de verwerkingsmogelijkheden wordt het afgenomen anhydriet opgeslagen op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT te Hasselt, waarop de BVBA KOLLMAN een gebruiksrecht heeft. 1.3. Op 14 september 2000 neemt de Milieu-inspectie een staal van het materiaal dat als een niet-afgedekte hoop op het terrein ligt. De analyse wijst uit dat het een zeer grote hoeveelheid cyaniden bevat : 815 mk/kg droge stof (hierna :

  1. ds)en in het eluaat 2,28 mg/l. Wanneer de verzoekende partij dit verneemt, wijst zij er de BVBA KOLLMAN in een brief van 21 september 2000 op dat in de overeenkomst nochtans werd vastgelegd dat de BVBA KOLLMAN het product zou verwerken overeenkomstig de wetgeving en dat een tijdelijk stockeren van het product schriftelijk aan de betrokken partijen bevestigd zou worden, wat niet is gebeurd. Meteen zegt de verzoekende partij de overeenkomst op en stopt zij elke verdere levering van het anhydriet B aan de BVBA KOLLMAN. Op 22 september 2000 schrijft de verzoekende partij aan de Milieu-inspectie dat zij er op grond van de tussen haar en de BVBA KOLLMAN bestaande overeenkomst steeds is van uitgegaan dat de verwerking door de BVBA KOLLMAN overeenkomstig de wettelijke voorschriften zou gebeuren en dat zij werkt aan een aanvraag om het anhydriet B te laten erkennen als secundaire bouwstof. Op 17 oktober 2000 maakt de Milieu-inspectie haar bevindingen betreffende de door de verzoekende partij begane inbreuken op de milieuwetgeving over aan de procureur des Konings. Daarin wordt gesteld dat zij gehandeld heeft in strijd met de artikelen 12 en 20 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : afvalstoffendecreet), omdat zij een afvalstof heeft laten verwijderen door een rechtspersoon die niet over de vereiste vergunning beschikt voor de verwijdering of nuttige toepassing van die afvalstof. Tevens wordt opgemerkt dat analyse van het gestorte materiaal heeft uitgewezen dat het een hoge concentratie aan cyaniden bevat, maar dat uit de analyse niet kan VII-24.330-3/23 worden opgemaakt om welke cyaniden het gaat, zodat geen uitspraak kan worden gedaan over het feit of het al dan niet om giftig afval gaat. 1.4. Op 17 oktober 2000 deelt OVAM aan de verzoekende partij mee dat de Milieu-inspectie aan de NV G. DUPONT heeft opgelegd de afvalstoffen voor 1 november 2000 terug te voeren naar de producent of naar een erkend verwerker. OVAM wijst er op dat zij krachtens artikel 37 van het afvalstoffendecreet ambtshalve en op kosten van de overtreder de afvalstoffen kan verwijderen die werden achtergelaten en die een risico vormen voor hinder of schade voor de mens of het leefmilieu. Op 23 oktober 2000 schrijft de verzoekende partij aan de Milieu- inspectie en aan OVAM. Zij vestigt er de aandacht op dat de analyse die werd uitgevoerd op de afvalhoop die aanwezig is op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT eluaatwaarden van meer dan 2 mg/l voor cyaniden opleverde, maar dat een door haarzelf gevraagde analyse van het anhydriet B slechts een resultaat van minder dan 0,1 mg/l voor cyaniden aangeeft. Zij wijst er verder op dat de cyaniden die nog aanwezig zijn in het anhydriet B afkomstig zijn uit het complex natriumhexacyanoferraat, een niet in water oplosbaar complex. In een brief van 26 oktober 2000 aan de Milieu-inspectie vraagt de verzoekende partij om stalen te nemen samen met OVAM en deze te laten onderzoeken door een neutraal laboratorium. 1.5. Bij brieven van 10 november 2000 deelt OVAM aan de verzoekende partij en aan de NV G. DUPONT, de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT en de BVBA KOLLMAN mee dat werd vastgesteld dat zij in overtreding van de bepalingen van artikel 12 van het afvalstoffendecreet afvalstoffen hebben achtergelaten of hebben laten verwijderen in strijd met de voorschriften van het genoemde decreet en zijn uitvoeringsbesluiten en dat deze afvalstoffen een risico betekenen voor de mens en het milieu omdat : - door rechtstreeks contact met het verontreinigde materiaal zowel arbeiders als omwonenden risico lopen om door de afvalstoffen te worden gecontamineerd via de huid of de luchtwegen; - de opslag van die afvalstoffen op onverharde bodem een risico vormt op bodemverontreiniging; - de aanwezigheid en de stapeling van bovenvermelde afvalstoffen op de bedrijfsterreinen mogelijk geurhinder en visuele hinder vormen voor de buurtbewoners; VII-24.330-4/23 - er door de aanwezigheid en de stapeling van die afvalstoffen een risico bestaat op de verspreiding van ziekten. OVAM deelt verder mee dat zij de procedure aanvat tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen en dat de betrokken firma’s zullen worden gehoord op 22 november 2000 teneinde hun standpunt en hun intenties omtrent de verwijdering van de afvalstoffen kenbaar te maken. De verzoekende partij zet uiteen dat het anhydriet B voornamelijk werd geleverd in Duitsland, waar het werd gebruikt als afdekmateriaal voor stortplaatsen en voor de aanleg van stortwegen, en dat het product ingevolge een nieuw procédé niet langer als eindproduct wordt geproduceerd. Verder betoogt zij dat het anhydriet B geen afvalstof is maar een product voortkomend uit een afvalverwerkingsproces dat tot doel heeft de cyaniden uit gips te verwijderen. Volgens haar zit er in het anhydriet B enkel Berlijns Blauw, het meest stabiele cyanidecomplex dat zo goed als niet oplosbaar is in water. Zij legt een analyse voor die door de firma CHEMIPHAR werd gedaan van het anhydriet B en die aantoont dat er minder dan 0,1 mg/l cyaniden in het eluaat zit. Tevens zit er in het door de NV CITRIQUE BELGE geleverde gipsafval waaruit het anhydriet B voortkomt slechts 0,55 mg/l cyanide, terwijl de analyse die op vraag van de Milieu-inspectie werd gedaan op het product dat op de terreinen in Hasselt ligt opgeslagen een waarde van 2,28 mg/l cyanide na uitloging aanwees. Zij besluit daaruit dat het product dat bij de NV G. DUPONT ligt opgeslagen onmogelijk uitsluitend kan bestaan uit het anhydriet B dat van haar afkomstig is, temeer daar in het anhydriet B geen blauwe stoffen voorkomen terwijl op de foto’s een materiaal met blauwige kleur te zien is. De verzoekende partij verklaart ook dat zij niet bereid is om het materiaal dat op de bedrijfsterreinen van de NV G. DUPONT gestockeerd ligt terug te nemen en te verwerken daar zij de BVBA KOLLMAN heeft betaald om het te transporteren en het te verwerken en de herkomst van het materiaal wordt betwist. De BVBA KOLLMAN verklaart dat zij een overeenkomst heeft met de verzoekende partij voor de afname van een nevenproduct, het anhydriet B, wat haar werd voorgesteld als een eindproduct geschikt voor verwerking zonder certificaat in de bouwnijverheid en voor wegeniswerken. Zij heeft ingevolge deze garantie vanwege de verzoekende partij geen analyses op het product uitgevoerd. Zij heeft de totaliteit van het getransporteerde product, ongeveer 4.000 ton, onvermengd met andere producten gestockeerd op de terreinen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt. Zij werd voor het transport vergoed door de verzoekende partij. Indien zou blijken dat het toch om een afvalstof gaat zal de BVBA KOLLMAN haar medewerking verlenen aan de verwijdering ervan. Zij wijst er op dat zij van de VII-24.330-5/23 rechter de aanstelling van een expert heeft gevraagd en verkregen om zekerheid te krijgen omtrent de kwalificatie van de stof. 1.6. Op 7 december 2000 laat de verzoekende partij aan OVAM weten dat zij zonder enige erkenning van schuld, omdat zij er belang bij heeft dat de zaak zo vlug mogelijk wordt opgelost, bereid is het product zonder kosten terug te nemen op voorwaarde dat de BVBA KOLLMAN bevestigt dat het in Hasselt gestockeerde product inderdaad het anhydriet B is. Bij gebreke daaraan zou de verzoekende partij niet conform haar vergunning werken, die haar enkel toelaat afval van de NV CITRIQUE BELGE te verwerken. Verder moet het materiaal vrij zijn van andere vreemde stoffen. Zij zal de teruggenomen levering laten analyseren en de betwiste partijen worden gescheiden en bediscuteerd of geweigerd. Ingevolge dit voorstel wordt, in samenspraak met alle betrokken partijen, een volledige technische regeling uitgewerkt voor het verloop van deze terugname. Op vraag van de verzoekende partij laat OVAM de afvalstoffen opnieuw bemonsteren. 1.7. Op 17 april 2001 hoort OVAM ook de NV CITRIQUE BELGE. Deze legt uit dat bij de productie van citroenzuur grijze gips ontstaat als afvalstof en dat deze stof door de verzoekende partij wordt verwerkt. De BVBA KOLLMAN vervoert het gips naar de verzoekende partij. Volgens haar bevat het grijze gips nagenoeg geen cyaniden en komen de analyseresultaten van de materialen te Hasselt absoluut niet overeen met de chemische samenstelling van het grijze gips dat door haar wordt geproduceerd. Zij verklaart verder dat zij geen grijze gips heeft vervoerd naar Hasselt. 1.8. Op 23 april 2001 begint de verzoekende partij onder toezicht van OVAM met het terugnemen van het opgeslagen product. Bij het openmaken van de materiaalberg wordt enerzijds het anhydriet B en anderzijds vreemd materiaal (zand, hout en bouwafval) aangetroffen. Zoals overeengekomen met OVAM wordt dat gemengd materiaal aan de kant gelegd. De volgende dag stoot de verzoekende partij in de materiaalberg op onzuiver gips. Zij weigert dat gips naar haar installaties te vervoeren omdat zij zich slechts heeft geëngageerd om het anhydriet B terug te nemen. De terugname wordt dan gestopt, volgens OVAM volledig onder de verantwoordelijkheid van de verzoekende partij; volgens de verzoekende partij onder de verantwoordelijkheid van OVAM omdat deze niet wilde ingaan op het voorstel van de verzoekende partij om de materiaalberg op een andere plaats open VII-24.330-6/23 te maken en daar verder te werken. Slechts 400 ton product werd afgevoerd naar Tienen. 1.9. Op 28 juni 2001 deelt het door OVAM aangestelde laboratorium de resultaten mee van de bemonstering van de materiaalberg. Daaruit blijkt dat het materiaal een hoge concentratie aan cyaniden bevat die gemakkelijk uitlogen. Het labo besluit dat alhoewel niet is aangetoond dat de afvalstof per kg droge stof meer dan 250 mg zouten van cyaanwaterstof, met uitzondering van de ferro- en ferricyaniden, bevat, de afvalstof toch als giftig moet worden aanzien en dat het niet kan worden gestort op een stortplaats van klasse 1 maar moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. 1.10. Op 2 juli 2001 beslist OVAM op grond van artikel 37 van het afvalstoffendecreet over te gaan tot de ambtshalve verwijdering van de achtergelaten afvalstoffen lastens de NV G. DUPONT, de BVBA KOLLMAN, de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT, de NV CITRIQUE BELGE en de verzoekende partij. Voor elk van deze vennootschappen wordt op dezelfde datum een afzonderlijke beslissing genomen; 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het inleidend verzoekschrift geen melding maakt van het inschrijvingsnummer in het handelsregister en dat dit leidt tot de onontvankelijkheid van het verzoekschrift; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de Raad van State reeds heeft gewezen dat die grond van onontvankelijkheid slechts relatief is en dat zij als bijlage bij haar memorie van wederantwoord het bewijs van haar inschrijving in het handelsregister voorlegt; 2.1.3. Overwegende dat luidens artikel 40 van de gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister elk op verzoek van een handelaar betekend dagvaardingsexploot het nummer moet vermelden waaronder de verzoeker in het handelsregister is ingeschreven, wanneer de vordering haar oorzaak vindt in een daad van koophandel; dat artikel 41 van dezelfde gecoördineerde wetten als volgt de sanctie bepaalt voor het niet ingeschreven zijn in het handelsregister of het niet vermelden van het handelsregisternummer in het exploot van dagvaarding : VII-24.330-7/23 "Bij gebreke van vermelding van het nummer der inschrijving in het handelsregister in het exploot van dagvaarding en behoudens verantwoording van die inschrijving op de datum, waarop de eis werd ingesteld binnen de door de rechtbank gestelde termijn, verklaart deze de eis van ambtswege niet ontvankelijk"; Overwegende dat behoudens het bewijs van inschrijving op het ogenblik van de dagvaarding binnen een door de rechter bepaalde termijn de vordering dus ambtshalve niet-ontvankelijk wordt verklaard; dat uit die herstelmogelijkheid blijkt dat de wetgever niet de bedoeling had een loutere vergetelheid bij het opstellen van de dagvaarding te sanctioneren, doch enkel het gebrek aan inschrijving in het handelsregister zelf; Overwegende dat de verzoekende partij bij haar memorie van wederantwoord een kopie heeft gevoegd van haar inschrijving in het handelsregister, waaruit blijkt dat zij op het moment van het inleidend verzoekschrift wel degelijk ingeschreven was in het handelsregister; dat de exceptie bijgevolg wordt verworpen; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende partij eveneens van oordeel is dat de verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij haar vordering; dat zij preciseert dat het door de verzoekende partij in haar verzoekschrift aangegeven belang, namelijk dat de kosten van de verwijdering van de afvalstoffen op haar zouden kunnen worden verhaald vermits zij door OVAM als overtreder wordt aangeduid slechts een toekomstig belang is, dat er immers nog geen besluit genomen werd inzake het verhalen van de saneringskosten en tot op heden dus nog niet vaststaat op wie, in welke mate en wanneer OVAM de kosten zal verhalen en het door de verzoekende partij aangehaalde belang slechts zal ontstaan op het ogenblik dat OVAM hierover een concrete beslissing zou treffen; dat zij vervolgt dat de discussie met betrekking tot de kosten van de sanering een geschil vormt dat ongetwijfeld het voorwerp zal uitmaken van een burgerlijke procedure; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij antwoordt dat het door de woorden in de bestreden beslissing "Overwegende dat de ambtshalve verwijdering plaatsvindt op kosten van de overtreder" duidelijk is dat OVAM de kosten van de ambtshalve sanering wil verhalen op de verzoekende partij en dat de vraag omtrent de hoegrootheid van het bedrag alsook de vraag wie OVAM zal aanspreken voor de kosten inderdaad het voorwerp kan uitmaken van een burgerlijke procedure maar dat, indien de verzoekende partij de bestreden beslissing niet zou aanvechten, zij in de burgerlijke procedure zal worden geconfronteerd met een definitieve beslissing VII-24.330-8/23 waarin zij als overtreder van het afvalstoffendecreet, en dus met toepassing van artikel 37 van dat decreet als financier van de ambtshalve verwijdering, wordt aangeduid; 2.2.3. Overwegende dat een verzoekende partij die kan worden aangesproken voor de kosten van de ambtshalve sanering belang heeft bij het bestrijden van het besluit waarbij, na behoorlijke ingebrekestelling, tot de uitvoering van de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen wordt besloten, omdat dit besluit de noodzakelijke voorwaarde blijkt te zijn om de kosten op de ingebrekeblijvende onderneming te kunnen verhalen; dat de tweede exceptie eveneens wordt afgewezen; 3. De grond van de zaak 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel aanvoert dat artikel 2 van het afvalstoffendecreet, de formele en de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden doordat de verwerende partij ten onrechte het product anhydriet B bestempelt als een afvalstof terwijl dit een product is dat ontstaat bij de verwerking van het onrein gipsafval dat voortkomt uit de productie van citroenzuur door de NV CITRIQUE BELGE en dat het anhydriet B moet worden beschouwd als een product, nu de NV KOLLMAN dit product kan gebruiken; dat zij vervolgt dat luidens artikel 2 van het genoemde decreet "afval" elke stof of elk voorwerp is waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen en dit aldus dient te worden begrepen dat een stof als afval moet worden gezien indien er geen nuttige bestemming meer aan kan worden gegeven, maar dat in dit geval er wel een nuttige toepassing bestond voor dit product vermits de NV KOLLMAN verklaarde dat ze reeds 1.000 ton product probleemloos had verwerkt; Overwegende dat de verzoekende partij daar nog aan toevoegt dat de bestreden beslissing niet verklaart waarom het anhydriet B een afvalstof zou zijn, dat de passage in het bestreden besluit die stelt dat op basis van het analyseverslag het anhydriet B een afvalstof is, omdat de houder ervan niet tot de aanwending van de stof als product of als grondstof wenste over te gaan en hij zich van deze stof wenste te ontdoen, geen ontkrachting inhoudt van het feit dat zij het product anhydriet B steeds als een product en niet als een afvalstof heeft beschouwd en dat VII-24.330-9/23 de analyse met betrekking tot de kwalificatie van het anhydriet B als afvalstof niet werd uitgevoerd op het zuiver anhydriet B maar wel op de materiaalberg die op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT ligt en die bestaat uit vermengd materiaal; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het anhydriet B een niet-bedoelde stof is uit het productieproces van de verzoekende partij dat gericht is op het produceren van hoogwaardig anhydriet, het anhydriet A genaamd, dat het slechts een toevallig nevenproduct is, dat de verzoekende partij geen enkel economisch nut kan behalen uit het ontstaan van het anhydriet B, dat zij er zich enkel van kon ontdoen door voor het afhalen ervan te betalen en zij bezwaarlijk ernstig kan betwisten dat zij zich van het anhydriet B heeft ontdaan, nu zij ervoor heeft betaald; dat, steeds volgens de verwerende partij, het feit dat aan de stof nog een nuttige bestemming zou kunnen worden gegeven geheel losstaat van de vraag of het hierbij een afvalstof betreft en het onjuist is dat er nog een nuttige toepassing voor kan worden gevonden nu uit de analyses van de laboratoria LYSEC en VAN VOOREN blijkt dat het zelfs niet meer op een stortplaats van categorie 1 kan worden gestort, dat de verzoekende partij zeer goed weet dat de BVBA KOLLMAN het product niet nuttig kan, noch mag verwerken aangezien in de overeenkomst met de BVBA KOLLMAN staat : "Kollman is een vervoeronderneming met contacten in de regionale bouwnijverheid" en dat ook de vaststelling dat 1.000 ton anhydriet B, dat zelfs niet op een stortplaats van categorie 1 mag worden achtergelaten, waarschijnlijk in de wegenbouw werd gebruikt, bezwaarlijk aan een stof de kwalificatie "product" kan verlenen; Overwegende dat de verwerende partij, wat de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betreft, van oordeel is dat het middel niet ontvankelijk is omdat niet wordt aangegeven welk artikel van die wet werd geschonden zodat het middel onduidelijk is; dat zij, in ondergeschikte orde, van mening is dat de voormelde wet niet van toepassing is omdat artikel 37 van het afvalstoffendecreet zelf een eigen motiveringsplicht inhoudt die de algemene motiveringsplicht opzij zet; dat zij in nog meer ondergeschikte orde de mening is toegedaan dat aangezien de verzoekende partij weet dat het anhydriet B als een afvalstof dient te worden beschouwd - vermits zij een aanvraag had ingediend om het als een secundaire grondstof te laten beschouwen - zulks niet meer uitdrukkelijk in de beslissing moest worden vermeld; dat zij er aan toevoegt dat de rechtspraak van de Raad van State aanvaardt dat men niet moet verwijzen naar gegevens die door de bestuurde gekend zijn en ten slotte, VII-24.330-10/23 in uiterst ondergeschikte orde, dat de bestreden beslissing zowel in feite als in rechte afdoende motiveert waarom het anhydriet B als een afvalstof wordt beschouwd doordat vooreerst artikel 2 van het afvalstoffendecreet wordt geciteerd en verder uitdrukkelijk wordt verwezen naar het feit dat de afvalstoffen afkomstig zijn van de verzoekende partij en dat er wordt verwezen naar het proces-verbaal wegens het afgeven van afvalstoffen aan een niet erkend ophaler/verwerker en dat, door vast te stellen enerzijds dat als afvalstof wordt beschouwd de stof waarvan men zich ontdoet en anderzijds dat de verzoekende partij zich van het anhydriet B heeft ontdaan op grond van een overeenkomst met de vervoeronderneming zonder vergunning, namelijk de BVBA KOLLMAN, de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat het besluit van de verwerende partij dat het anhydriet B een afvalstof is omdat de verzoekende partij ervoor betaalde om het te laten afhalen volledig voorbijgaat aan de decretale omschrijving van het begrip afval en dat uit de schriftelijke neerslag van een telefoongesprek tussen de heer DU MONG van de NV CITRIQUE BELGE en de heer KOLLMAN van 4 oktober 2000 wel degelijk blijkt dat er een nuttige verwerkingsmogelijkheid was voor het anhydriet B vermits daarin wordt gezegd dat er reeds 1.000 ton product probleemloos zou zijn verwerkt, dat het feit dat het anhydriet B niet bewust door de verzoekende partij was geproduceerd zonder invloed is op de vraag of het al dan niet om een afvalstof gaat en, ten slotte, dat OVAM zich ook niet kan steunen op de analyses die het liet uitvoeren, omdat deze steeds werden gedaan op stalen van de materiaalberg maar nooit op het zuiver anhydriet B; Overwegende dat de verzoekende partij, wat de toepasselijkheid van de formele motiveringswet betreft, stelt dat de motiveringsverplichting van de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet verder gaat dan het bepaalde in artikel 37 van het afvalstoffendecreet; 3.1.4. Overwegende dat artikel 2, 1/, van het afvalstoffendecreet, zoals gewijzigd door het decreet van 20 april 1994, een afvalstof als volgt definieert : "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen"; dat, afhankelijk van de bedoeling van de houder van het product, een bepaalde stof voor de ene een afvalproduct kan zijn en voor de andere niet; dat immers, indien de houder van het product zich van het product wenst te ontdoen omdat hij er geen legale aanwending voor heeft of omdat hij niet wenst VII-24.330-11/23 over te gaan tot de aanwending ervan als product, het voor hem een afvalstof is en het product desgevallend zijn karakter van afvalstof kan verliezen indien het door een ander nog op legale wijze kan worden gebruikt, zodat het dan afvalstof zal blijven tot het wordt afgeleverd bij de firma of persoon die er nog een legaal gebruik voor heeft; Overwegende dat in dezen het anhydriet B in hoofde van de verzoekende partij een afvalstof is; dat het vooreerst een onbedoeld product is dat ontstaat bij de productie van het anhydriet A - de verzoekende partij spreekt zelf van een nevenproduct; dat de verzoekende partij het anhydriet B ook niet aanziet als een te commercialiseren product want dat zij het dan zou verkopen teneinde er een opbrengst uit te halen - nu evenwel betaalt zij zelf om het te laten weghalen; dat de BVBA KOLLMAN een afnemer is van het anhydriet B maar er niet voor moet betalen; dat het, integendeel, de verzoekende partij is die betaalt om het product kwijt te raken zodat zij zich van die stof, die een onbedoeld nevenproduct is van haar productieproces dat is gericht op de productie van het anhydriet A, wenst te ontdoen; dat het anhydriet B in haren hoofde bijgevolg een afvalstof is; dat de verzoekende partij bovendien een aanvraag indiende om het anhydriet B te laten erkennen als een secundaire grondstof, wat er op wijst dat ze het zelf als een afvalstof beschouwde; dat het feit dat deze stof nog door de BVBA KOLLMAN op een legale wijze kon worden gebruikt, gesteld dat dit zo was, niet pertinent is voor de vraag of het anhydriet B in hoofde van de verzoekende partij al dan niet een afvalstof was; Overwegende dat het antwoord op de vraag of het anhydriet B een afvalstof is gebleven eens het is afgeleverd aan de BVBA KOLLMAN afhankelijk is van de vraag of deze laatste beschikte over een legale aanwending van dat anhydriet B en zij het daarvoor wenste te gebruiken; dat het daarbij belangrijk is vast te stellen dat de materiaalhoop die zich bevindt op de terreinen aan de Schoonwinkelstraat te Hasselt blijkbaar niet langer bestaat uit het zuiver anhydriet B maar vermengd werd met zand, afbraakmateriaal en zelfs onzuiver gips; Overwegende dat de vraag dus is of het materiaal dat werd gestockeerd op de terreinen gelegen aan de Schoonwinkelstraat te Hasselt, het enige wat nog door de BVBA KOLLMAN kon worden gebruikt, en waarvoor OVAM is overgegaan tot de ambtshalve verwijdering, als een afvalstof kon worden beschouwd; VII-24.330-12/23 Overwegende dat, zoals gezien, krachtens het artikel 2, 1/, van het afvalstoffendecreet een afvalstof "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich (...) moet ontdoen" is; dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen is geworden, wordt uiteengezet dat deze situatie zich voordoet wanneer geldende rechtsregels bepaalde stoffen of voorwerpen van rechtswege het statuut van afvalstof toekennen en dat deze rechtsregels niet alleen deze zijn van het afvalstoffendecreet maar ook te vinden kunnen zijn in andere reglementeringen; Overwegende dat de verwerende partij zich gebaseerd heeft op de uitgevoerde analyses om te besluiten dat het gaat om een giftige en schadelijke afvalstof die moet worden verwijderd; dat, indien de stof inderdaad dermate schadelijk is dat er geen legale aanwending meer voor kan worden gevonden, die stof als een afvalstof moet worden beschouwd; dat een stof waarvoor geen legale aanwending als product meer mogelijk is, een afvalstof is; Overwegende dat de analyses die op vraag van OVAM werden uitgevoerd het volgende resultaat geven : - de analyse van september 2000 door de laboratoria VAN VOOREN toont een concentratie aan van cyaniden ter waarde van 815 mg cyaniden per kg droge stof en, na het uitvoeren van een uitloogtest, van 2,28 mg/l - daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen ferro- en ferricyaniden en andere cyaniden; - de analyse van A+D Milieu, gevraagd door de stad Hasselt, komt tot een gelijkaardig resultaat: dit laboratorium vindt concentraties van 630 tot 850 mg/kg ds aan complexe cyaniden en verder verhoogde concentraties zware metalen, minerale olie en PAK’s die evenwel de bodemsaneringsnormen niet overschrijden; - het tweede onderzoek uitgevoerd door de laboratoria VAN VOOREN in juni 2001 geeft als resultaat 1381 mg/kg ds aan cyaniden en na uitloging 10,0 mg/l. Ook deze analyse besluit dat het om complexe cyaniden gaat die daarenboven zeer gemakkelijk uitlogen. Zij stelt verder : "Daar cyaniden door inademing of door opneming via de mond of de huid ernstige, acute of chronische gevaren en zelfs de dood kunnen veroorzaken, dient de afvalstof als een gevaarlijke afvalstof gecatalogeerd te worden (EG- code H6 - bijlage III bij EG-richtlijn 91/689/EEG). Alhoewel niet aangetoond is dat de afvalstof per kg droge stof meer dan 250 mg zouten van cyaanwaterstof (cyaniden) met uitzondering van ferro- en ferricyaniden, resultaat uitgedrukt in CN- bevat, moet de afvalstof o.i. toch als giftig aanzien (...) worden. Bij contact met een zuur kunnen er immers giftige VII-24.330-13/23 cyaanzuur-gassen ontwikkeld worden. (KB van 9/2/76 houdende algemeen reglement op de giftige afval). Wij twijfelen er aan of het wel mogelijk is cyanidehoudende stoffen zodanig te ontleden dat onomstotelijk kan bepaald worden dat het om ferrocyaniden, ferricyaniden of een andere cyanideverbinding gaat. Zeker als men rekening houdt met de matrix. Ons zijn ten andere enkel de ontleding van totale cyaniden, vrije cyaniden of chlooroxydeerbare cyaniden als analysemethoden bekend. Gezien de uitloogbaarheid van de cyaniden, komt de afvalstof niet in aanmerking om op een klasse 1 stortplaats gestort te worden. Zij dient naar een erkend verwerver afgevoerd te worden. (...) Wij mogen derhalve besluiten dat het hier een gevaarlijke, giftige, cyanidehoudende afvalstof betreft, die gemakkelijk uitloogt en daardoor het grondwater met cyaniden kan bezoedelen"; Overwegende dat deze analyses bijgevolg een hoge concentratie complexe cyaniden aantonen, waarbij evenwel niet het onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds ferro- en ferricyaniden en anderzijds andere cyaniden; dat, hoewel aldus niet is aangetoond dat deze stof giftig afval is in de zin van artikel 2, 2/, a, van het koninklijk besluit van 9 februari 1976 houdende algemeen reglement op het giftig afval, dat een concentratie van meer dan 250 mg/kg ds vereist andere dan ferro- en ferricyaniden, wel is aangetoond dat de stof dermate vervuild is dat zij niet meer terecht kan op een stort van categorie 1 aangezien artikel 5.2.4.1.3., §3, 7/, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) bepaalt dat slechts afvalstoffen mogen worden aanvaard waarvan de concentratie aan cyaniden in het eluaat kleiner of gelijk is aan 1,0 mg/l; dat deze bepaling geen onderscheid maakt tussen de soorten cyaniden; Overwegende, voorts, dat een stof waarvan het eluaat nog concentraties aan cyaniden bevat groter dan 1,0 mg/l en die om die redenen niet mag worden gestort op een stortplaats van categorie 1, en bijgevolg ook niet op de stortplaatsen van categorie 2 en 3 omdat dit de stortplaatsen zijn voor niet-gevaarlijk afval en waarvoor geen legale aanwending meer kan worden gevonden, terecht als een afvalstof is beschouwd; Overwegende dat het anhydriet B omwille van zijn vermenging met andere stoffen die ertoe hebben geleid dat het geheel te vervuild was om het zelfs nog te storten op een stortplaats van categorie 1, zijn karakter van afvalstof heeft behouden; dat, overigens, de gerechtsdeskundige die door de rechtbank van koophandel van Leuven was aangesteld om technisch advies te geven, besluit dat het VII-24.330-14/23 in zijn geheel gaat om afval, dat omwille van de hoge concentratie van cyaniden en sulfaten die uitlogen er risico is op vervuiling van de bodem en van het grondwater en dat om die reden het afval niet in aanmerking komt voor hergebruik als bodem of bouwstof; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel aanvoert dat de artikelen 2, 3/, en 12, 13, 14 en 20 van het afvalstoffendecreet, de formele en de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden doordat, eerste onderdeel, de verwerende partij in de bestreden beslissing stelt dat de verzoekende partij de artikelen 12, 13, 14 en 20 van het afvalstoffendecreet heeft overtreden terwijl zij te goeder trouw heeft gehandeld met de BVBA KOLLMAN, met wie zij een contract sloot voor de verwerking van het anhydriet B conform de wet, en zij overtuigd was, en door de BVBA KOLLMAN in de overtuiging werd gelaten, dat de BVBA KOLLMAN in orde was met de milieuwetgeving en doordat, tweede onderdeel, OVAM er onvoldoende rekening mee houdt dat de betrokken materiaalberg werd vermengd met zand, bouwpuin en onrein gips, zodat de verzoekende partij niet langer kan worden beschouwd als de producent van de materiaalberg; Overwegende dat zij daarbij uiteenzet, wat het eerste onderdeel betreft, dat zelfs indien het anhydriet B als een afvalstof zou moeten worden beschouwd, er door haar geen inbreuken zijn begaan, doch enkel en alleen door de BVBA KOLLMAN die heeft nagelaten de nodige vergunningen en de nodige gebruikscertificaten voor het anhydriet B aan te vragen, wat de BVBA KOLLMAN verplicht was te doen op grond van de overeenkomst van 23 maart 2000 die tussen hen werd gesloten; dat deze firma reeds jaren onrein gips vervoerde, wat een afvalstof is, voor rekening van de NV CITRIQUE BELGE, waardoor de verzoekende partij er mocht van uitgaan dat de BVBA KOLLMAN een erkend afvaltransporteur was, zodat zij geen inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 12 en 20 van het afvalstoffendecreet; dat zij, wat het tweede onderdeel betreft, uiteenzet dat het duidelijk is dat de afvalberg werd gemanipuleerd, wat een wijziging van de samenstelling heeft veroorzaakt, en dat dit de vraag stelt wie deze manipulatie heeft gedaan; dat de verzoekende partij de aandacht vestigt op de bemerkingen vermeld in de neerslag van een telefoongesprek van 4 oktober 2000 tussen Kurt DU MONG van de NV CITRIQUE BELGE en de heer KOLLMAN waarin de vraag wordt gesteld : "Wat indien OVAM verder zoekt en bij grijze gips terechtkomt ?"; dat zij besluit dat zij niet voor de producent van de materiaalberg kan worden aangezien en VII-24.330-15/23 dat het bijgevolg onmogelijk is de kosten voor de verwijdering ervan te haren laste te leggen; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij artikel 20 van het afvalstoffendecreet heeft overtreden door de afvalstoffen te laten ophalen door een rechtspersoon die geen erkenning heeft voor het ophalen van afvalstoffen, wat niet wordt ontkend door de verzoekende partij, en dat het feit dat de verzoekende partij niet zou hebben geweten dat de BVBA KOLLMAN niet over de vereiste vergunningen beschikte daaraan niets afdoet; Overwegende dat het volgens de verwerende partij volstaat dat de verzoekende partij aldus de artikelen 12 en 20 van het afvalstoffendecreet heeft overschreden, wat uitdrukkelijk in de bestreden beslissing wordt overwogen, opdat OVAM krachtens artikel 37 van het afvalstoffendecreet zou kunnen optreden, aangezien dit artikel immers alleen vereist dat afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van het afvalstoffendecreet, maar niet inhoudt dat OVAM zou moeten aantonen dat de afvalstoffen wetens en willens in strijd met het afvalstoffendecreet werden verwijderd, wat een discussie is die desgevallend voor de strafrechter moet worden gevoerd; Overwegende dat de verwerende partij, in ondergeschikte orde, nog van mening is dat de verzoekende partij, die zich ontdeed van 4.000 ton product, vooraf had moeten nagaan of de vervoerder beschikte over de vereiste vergunningen; Overwegende dat de verwerende partij, wat het tweede onderdeel betreft, stelt dat de vaststelling dat er afvalstoffen werden verwijderd in strijd met het afvalstoffendecreet volstaat opdat OVAM rechtsgeldig kan overgaan tot de ambtshalve verwijdering ervan, en dat de vraag of de kosten integraal of slechts gedeeltelijk ten laste kunnen worden gelegd van de verzoekende partij indien blijkt dat in de afvalberg afval aanwezig is van verschillende producenten, losstaat van de bevoegdheid van OVAM om tot sanering over te gaan; 3.2.3. Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij repliceert dat in de overeenkomst met de BVBA KOLLMAN uitdrukkelijk was bepaald dat het anhydriet B niet mocht worden gestockeerd, tenzij met schriftelijke toestemming van beide partijen en dat de BVBA KOLLMAN het anhydriet moest verwerken conform de wet, zodat het aan de BVBA KOLLMAN VII-24.330-16/23 was om de nodige vergunningen aan te vragen en dat dit niet kan worden ten laste gelegd van de verzoekende partij; VII-24.330-17/23 3.2.4. Overwegende dat de artikelen 12 en 20 van het afvalstoffendecreet als volgt luiden : "Art. 12. Het is verboden afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan. Art. 20. Bedrijfsafvalstoffen mogen enkel worden verwijderd of nuttig toegepast : 1/ (...) 2/ door afgifte aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die hetzij houder is van een vergunning voor de verwijdering of nuttige toepassing van deze afvalstoffen, als bedoeld in artikel 14,§1 of §6, of voldaan heeft aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 14,§6, hetzij houder is van een erkenning als bedoeld in artikel 14,§2. 3/ als secundaire grondstoffen, overeenkomstig artikel 11; (...)"; Overwegende dat, zoals bij de bespreking van het eerste middel werd vastgesteld, het anhydriet B in hoofde van de verzoekende partij te beschouwen is als een afvalstof; dat uit de overeenkomst die werd gesloten tussen de verzoekende partij en de BVBA KOLLMAN blijkt dat deze laatste niet enkel als vervoerder van het anhydriet B optrad maar tevens, onder eigen verantwoordelijkheid, zou instaan voor de verwerking ervan; dat de BVBA KOLLMAN dus optrad als een verwerker van afvalstoffen zonder daartoe over de nodige vergunningen te beschikken; dat de verzoekende partij door een overeenkomst aan te gaan met de BVBA KOLLMAN om het anhydriet B af te halen en "te verwerken overeenkomstig de wet" de geciteerde artikelen 12 en 20 van het afvalstoffendecreet heeft overtreden, omdat zij afvalstoffen heeft verwijderd in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan door de afvalstof af te geven aan een rechtspersoon die geen houder was van een vergunning voor de verwijdering of nuttige toepassing van deze afvalstoffen; Overwegende dat het feit dat de verzoekende partij niet zou hebben geweten dat de BVBA KOLLMAN niet over de vereiste vergunningen beschikte daar niets aan afdoet; dat zulks, zoals de verwerende partij aangeeft, veeleer een rol speelt in het kader van de vraag naar de strafrechtelijke verantwoordelijkheid; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede onderdeel meent dat zij niet voor de producent van de materiaalberg kan worden aangezien en dat het bijgevolg onmogelijk is de kosten voor de verwijdering ervan te haren laste te leggen; dat evenwel niet kan worden ontkend, en dat wordt door de verzoekende partij ook niet gedaan, dat de materiaalberg gedeeltelijk bestaat uit het anhydriet B dat door de BVBA KOLLMAN bij haar is afgenomen; dat de verzoekende partij VII-24.330-18/23 aldus minstens voor een deel de producent is van de materiaalberg die door OVAM werd verwijderd; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 37 van het afvalstoffendecreet doordat OVAM ten onrechte overgaat tot ambtshalve verwijdering wat het anhydriet B betreft, omdat dit niet giftig is en geen risico inhoudt voor de mens en het milieu en dat de stalen weliswaar aantonen dat de afvalberg als geheel schadelijk is, doch dat zulks niet te wijten kan zijn aan het anhydriet B, zodat OVAM geen deel van de kosten voor de verwijdering ten laste kan leggen van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij toelicht dat de analyse die werd uitgevoerd op het staal dat door de Milieu- inspectie werd genomen een concentratie aantoont van cyaniden na de uitloogtest ter waarde van 2,28 mg/l, een concentratie van fenantreen ter waarde van 3,13 mg/kg ds en een totale concentratie van cyaniden ter waarde van 815 mg/kg ds, dat dit staal genomen was van de materiaalberg die zich bevond op de terreinen gelegen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt en die bestond uit vermengd materiaal, dat de analyse dus niet is uitgevoerd op het zuiver anhydriet B, terwijl OVAM dat vermoeden wel hanteert om te besluiten dat er in hoofde van het anhydriet B een risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu en om te besluiten over te gaan tot de ambtshalve verwijdering van het materiaal, dat uit de analyses die zijn gedaan van het zuiver anhydriet B door de firma CHEMIPHAR-CERVACO, bevestigd door de analyse uitgevoerd door TERRACHEM ESSEN, blijkt dat het eluaat van het anhydriet B minder dan 0,1 mg/l van het totaal cyaniden bevat, dat er verder in het anhydriet B enkel Berlijns Blauw zit, dit is het meest stabiele cyanidecomplex behorend tot de groep van de ferrocyaniden, die zo goed als niet oplosbaar zijn in water en die volgens het koninklijk besluit van 9 februari 1976 houdende algemeen reglement op het giftig afval niet als giftig afval staan gerangschikt, dat, ook wat de concentratie van fenantreen betreft, de analyse op het staal afkomstig van de materiaalberg een concentratie van 3,13 mg/kg ds vindt terwijl de analyses uitgevoerd op het zuiver anhydriet B een concentratie aanduiden van maximum 0,2 mg/kg ds, dat daaruit blijkt dat het anhydriet B niet alleen ver onder de normen voor het storten op een stortplaats van categorie 1 blijft maar zelfs voldoet aan de parameters voor de kwalificatie van niet-vormgegeven bouwstof, dat hieruit blijkt dat het product anhydriet B niet verantwoordelijk kan zijn voor de door OVAM gevonden waarden voor het totaal cyaniden na uitloging en voor fenantreen, zodat ten onrechte door OVAM werd besloten tot ambtshalve verwijdering wat betreft het anhydriet B nu dit geen risico van hinder of schade inhoudt voor de mens of het leefmilieu en, ten slotte, dat, indien OVAM van mening is dat de materiaalberg moet worden verwijderd omwille van een risico voor hinder of schade VII-24.330-19/23 voor de mens en het milieu, zulks enkel te verklaren is door stoffen waarvoor de verzoekende partij niet verantwoordelijk is, zodat zij dan ook niet kan worden aangesproken voor de kosten van deze ambtshalve verwijdering; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat uit de verschillende, op vraag van OVAM en van de stad Hasselt, uitgevoerde analyses blijkt dat de afvalberg een dermate grote concentratie aan cyaniden bevat dat hij zelfs niet meer kan worden gestort op een stortplaats van categorie 1 en dat dus niet ernstig kan worden betwist dat de afvalberg minstens een risico inhoudt voor hinder of schade voor de mens of het milieu, dat de verzoekende partij zich er daarbij toe beperkt te stellen dat de afvalstoffen niet toxisch zouden zijn, maar dat artikel 37 van het afvalstoffendecreet de mogelijkheid tot ambtshalve verwijdering niet beperkt tot het enkele geval van toxisch afval, dat de bestreden beslissing daarnaast in verband met het risico op hinder en schade voor de mens en het milieu ook wijst op het risico voor bodemverontreiniging, op geur- en visuele hinder, op het risico voor de verspreiding van ziekten en op uitloging naar het grondwater, wat niet door de verzoekende partij wordt ontkracht, zodat het risico op visuele hinder en geurhinder reeds volstaat om tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen over te gaan zodat de andere motivering, meer speciaal dan in casu de toxiciteit van de afvalstof, een overtollig motief is; Overwegende dat de verwerende partij in ondergeschikte orde nog betoogt dat, zelfs indien er geen concreet risico is voor hinder of schade voor de mens en het milieu, er dan nog kan worden overgegaan tot ambtshalve verwijdering omdat door het achterlaten of verwijderen van afvalstoffen in overtreding met de milieureglementering, deze afvalstoffen ipso facto een risico inhouden voor de mens en het milieu; 3.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat er in de bestreden beslissing nergens wordt aangetoond dat er in hoofde van het anhydriet B een risico bestaat op geurhinder, bodemverontreiniging, uitloging naar het grondwater of op verspreiding van ziekten; dat zij opmerkt dat er in de bestreden beslissing enkel wordt gesproken over de kenmerken van de volledige materiaalberg, waarbij OVAM er volledig aan voorbijgaat dat deze materiaalberg werd gemanipuleerd en geenszins bestaat uit het zuiver anhydriet B; VII-24.330-20/23 3.3.4. Overwegende dat de verwerende partij er in haar laatste memorie nog op wijst dat zij er niet op onredelijke wijze toe gekomen is te besluiten dat er wel degelijk een risico aanwezig was voor hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, zodat voldaan was aan de derde toepassingsvoorwaarde van artikel 37 van het afvalstoffendecreet; 3.3.5. Overwegende dat de verzoekende partij bij de hoorzitting op 22 november 2000 gewezen heeft op het verschil in analyseresultaten tussen de analyses van het zuiver anhydriet B en het staal van de materiaalberg waarvan niet kan worden ontkend dat het om vermengd materiaal gaat; dat zij toen ook de analyseresultaten van het onderzoek dat door de firma CHEMIPHAR was uitgevoerd aan OVAM heeft overgemaakt; dat de verwerende partij geen enkele aandacht heeft besteed aan dit element en ook het analyseresultaat niet heeft betwist of een eigen analyse heeft gevraagd van het zuiver anhydriet B; dat, indien deze analyseresultaten correct zijn, daaruit dan zou moeten worden afgeleid dat het anhydriet B geen giftig afval is; dat het geheel van de afvalberg trouwens niet beantwoordt aan de definitie van giftig afval zoals deze volgt uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 februari 1976 houdende algemeen reglement op het giftig afval, daar niet is aangetoond dat de afvalberg hoofdzakelijk bestaat uit chemische stoffen die in contact met water of zuur giftige gassen kunnen ontwikkelen (artikel 2, 1/,
  2. b)ofwel een concentratie aan cyaniden, andere dan ferro- en ferricyaniden, van meer dan 250 mg/kg ds vertoont; Overwegende dat, wat betreft de vraag of dit volstaat om te doen besluiten dat OVAM ten onrechte de ambtshalve verwijdering mede lastens de verzoekende partij doorvoerde, de verwerende partij, verwijzend naar de tekst zelf van de bestreden beslissing, betoogt dat zij tot verwijdering van de afvalstof is overgegaan niet alleen omdat het om een toxisch product zou gaan maar ook omdat de afvalberg een risico inhield op bodemverontreiniging, op geur- en visuele hinder, op het risico voor de verspreiding van ziekten en op uitloging naar het grondwater; dat, nu er geen verdere uitleg over wordt gegeven in de beslissing of gevonden kan worden in de stukken van het administratief dossier, het risico op bodemverontreiniging en op verontreiniging van het grondwater teruggaat, afgezien van het toxische karakter, op de grote concentratie en uitloogbaarheid van cyaniden; dat de verzoekende partij analyseresultaten heeft meegedeeld waaruit bleek dat het anhydriet B weinig cyaniden bevatte en weinig uitloogbaar is wat cyaniden betreft, dit in tegenstelling tot de materiaalberg waarvoor in het laatste analyseverslag van juli 2001 uitdrukkelijk wordt gewezen op de uitloogbaarheid van de stof; dat OVAM dit nooit heeft onderzocht of zulks minstens nergens uit het dossier blijkt; dat het VII-24.330-21/23 risico op bodemverontreiniging en op verontreiniging van het grondwater ingevolge de uitloogbaarheid van cyaniden dus niet kon worden teruggevoerd op het anhydriet B; dat de verwerende partij dit minstens niet heeft onderzocht; dat, wat betreft het gevaar voor het verwekken van ziekten, de geur- en de visuele hinder, de verwerende partij in haar memorie van antwoord poneert - zonder dat dit teruggaat op enig gegeven uit het dossier - dat de afvalberg een ideale broedplaats is voor ziektekiemen en dat de afvalberg geurhinder zou veroorzaken; dat ook de visuele hinder niet wordt gestaafd door concrete elementen in het dossier; dat zowel de geurhinder als de visuele hinder als niet meer dan een stijlformule kunnen worden beschouwd nu er geen enkel gegeven is over de ruimtelijke omgeving van het terrein waarop de afvalberg zich bevindt en in het dossier evenmin enig element te vinden is dat de geurhinder zou staven; Overwegende dat noch in de bestreden beslissing noch in het voorgelegde administratief dossier afdoende redenen worden gevonden die OVAM toelieten om in redelijkheid te stellen dat het anhydriet B mee aan de oorzaak ligt van de schadelijkheid van de afvalberg en het risico dat deze inhoudt voor de mens en het milieu en alzo de verwijdering ervan (mede) lastens de verzoekende partij uit te voeren; Overwegende dat ook niet wordt aangenomen dat het zich ontdoen van afval met overtreding van de milieureglementering, op zich al een risico voor hinder en schade voor de mens en het milieu inhoudt en dat dit alleen al de ambtshalve verwijdering kan verantwoorden; dat, indien dit wel het geval zou zijn, niet valt in te zien waarom de voorwaarde "en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu" in artikel 37 van het afvalstoffendecreet wordt vermeld; dat deze voorwaarde in de visie van de verwerende partij een volledig overbodige toevoeging vormt; dat men, evenwel, nu de decreetgever gemeend heeft deze voorwaarde uitdrukkelijk te moeten vermelden, niet kan doen alsof zij er niet staat; dat het derde middel gegrond is; dat het de vernietiging verantwoordt van de beslissing van 2 juli 2001 in zoverre zij de ambtshalve verwijdering gebiedt lastens de verzoekende partij, welke gedeeltelijke beslissing van de rest afsplitsbaar is, VII-24.330-22/23 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van OVAM van 2 juli 2001 in zoverre zij de ambtshalve verwijdering beveelt lastens de NV ANHYBEL van de cyanidehoudende afvalstoffen die zijn opgeslagen op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT, gelegen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.330-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.