← België

Arrest 182290 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 24/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.290 Rolnummer: A. 109811/VII-24450 Zaak: Arrest 182290 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.290 van 24 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.290 van 24 april 2008 in de zaak A. 109.811/VII-24.450. In zake : de NV CITRIQUE BELGE, die woonplaats kiest bij advocaat M. WELLINGER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 165 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten Y. LOIX en S. VERNAILLEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV CITRIQUE BELGE op 3 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van OVAM van 2 juli 2001 tot ambtshalve verwijdering, lastens onder meer de verzoekende partij, van de cyanidehoudende afvalstoffen die zijn opgeslagen op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT, gelegen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-24.450-1/18 Gelet op de beschikking van 4 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. SCHRAEYEN die, loco advocaat M. WELLINGER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. SEBREGHTS die, loco advocaten Y. LOIX en S. VERNAILLEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij is werkzaam in Tienen, waar zij citroenzuur produceert. In het productieproces van citroenzuur komt calciumsulfaat vrij (grijze gips). Deze stof bevat 21,2 mg/kg vrije cyaniden en slechts 238 mg/kg chloor- oxideerbare cyaniden en is dus overeenkomstig artikel 2, 2/, van het koninklijk besluit van 9 februari 1976 houdende algemeen reglement op het giftig afval, een niet-giftige afvalstof. Tot september 1998 werd dit grijze gips gestort op een monostort van categorie 1 gevestigd op het bedrijfsterrein van de verzoekende partij te Tienen. Doordat de uitloogbaarheid van grijze gips lager is dan de grenswaarde vermeld in artikel 5.2.4.1. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), kon het op regelmatige wijze aldus gestort worden. Sinds 1998 wordt het grijze gips verwerkt door de NV ANHYBEL in een verwerkingsinstallatie die gevestigd is op de terreinen van de verzoekende partij. De BVBA KOLLMAN vervoerde het gipsafval van de fabriek van de verzoekende partij naar de verwerkingseenheid van de NV ANHYBEL. De verwerking gaat volgens een procédé bestaande uit het verdampen van het vocht, het VII-24.450-2/18 verwijderen van het kristalwater en de afbraak van de organische bestanddelen door de hoge temperaturen in de oven, waarbij de ontstane rookgassen worden gezuiverd door katalytische naverbranding. Het stof dat wordt meegesleurd door de rookgassen (anhydriet B) wordt afgescheiden in een stoffilter en werd aanvankelijk aan het eindproduct toegevoegd. Dit verlaagde echter dermate de kwaliteit van het anhydriet A, dat voor de stof afgescheiden in de stoffilter een andere aanwending werd gezocht. Een analyse die op 21 januari 2000 werd uitgevoerd op het anhydriet B gaf als resultaat een concentratie van 14 mg/l cyaniden in het eluaat. 1.2. Op 23 maart 2000 sluiten de NV ANHYBEL en de BVBA KOLLMAN een samenwerkingsovereenkomst waarbij de NV ANHYBEL het anhydriet B ter beschikking stelt en de BVBA KOLLMAN dit in overeenstemming met de wet verwerkt. In uitvoering van deze overeenkomst neemt de BVBA KOLLMAN 4.000 ton van het anhydriet B af in de periode van 20 maart tot 30 augustus 2000. De NV ANHYBEL betaalt daarvoor 2.692.017 frank aan de BVBA KOLLMAN. Wegens problemen met de verwerkingsmogelijkheden wordt dit product opgeslagen op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT te Hasselt, waarop de BVBA KOLLMAN een gebruiksrecht heeft. 1.3. Op 14 september 2000 neemt de Milieu-inspectie een staal van het product dat als een niet-afgedekte hoop op het terrein ligt. De analyse wijst uit dat het materiaal een zeer grote hoeveelheid cyaniden bevat : 815 mk/kg droge stof (hierna :

  1. ds)en in het eluaat 2,28 mg/l. 1.4. Bij brieven van 10 november 2000 deelt OVAM aan de NV ANHYBEL, de NV G. DUPONT, de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT en de BVBA KOLLMAN mee dat werd vastgesteld dat zij in overtreding van de bepalingen van artikel 12 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : afvalstoffendecreet), afvalstoffen hebben achtergelaten of hebben laten verwijderen in strijd met de voorschriften van het genoemde decreet en zijn uitvoeringsbesluiten en dat deze afvalstoffen een risico betekenen voor de mens en het milieu omdat : - door rechtstreeks contact met het verontreinigde materiaal zowel arbeiders als omwonenden risico lopen om door de afvalstoffen te worden gecontamineerd via de huid of de luchtwegen; VII-24.450-3/18 - de opslag van die afvalstoffen op onverharde bodem een risico vormt op bodemverontreiniging; - de aanwezigheid en de stapeling van bovenvermelde afvalstoffen op de bedrijfsterreinen mogelijk geurhinder en visuele hinder vormen voor de buurtbewoners; - er door de aanwezigheid en de stapeling van die afvalstoffen een risico bestaat op de verspreiding van ziekten. OVAM deelt verder mee dat zij de procedure aanvat tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen en dat de betrokken firma's zullen worden gehoord op 22 november 2000 teneinde hun standpunt en hun intenties betreffende de verwijdering van de afvalstoffen kenbaar te maken. 1.5. Op 7 december 2000 laat de NV ANHYBEL aan OVAM weten dat zij zonder enige erkenning van schuld, omdat zij er belang bij heeft dat de zaak zo vlug mogelijk wordt opgelost, bereid is het product zonder kosten terug te nemen op voorwaarde dat de BVBA KOLLMAN bevestigt dat het in Hasselt gestockeerde product inderdaad het anhydriet B is. Bij gebreke daaraan zou de NV ANHYBEL niet conform haar vergunning werken, die haar enkel toelaat afval van de verzoekende partij te verwerken. Verder moet het materiaal vrij zijn van andere vreemde stoffen. Zij zal de teruggenomen levering laten analyseren en de betwiste partijen worden gescheiden en bediscuteerd of geweigerd. Ingevolge dit voorstel wordt, in samenspraak met alle betrokken partijen, een volledige technische regeling uitgewerkt voor het verloop van deze terugname. Op vraag van de NV ANHYBEL laat OVAM de afvalstoffen opnieuw bemonsteren. 1.6. Op 17 april 2001 hoort OVAM ook de verzoekende partij. Deze legt uit dat bij de productie van citroenzuur grijze gips ontstaat als afvalstof en dat deze stof door de NV ANHYBEL wordt verwerkt. De BVBA KOLLMAN vervoert de gips naar de NV ANHYBEL. Volgens haar bevat het grijze gips nagenoeg geen cyaniden en komen de analyseresultaten van de materialen te Hasselt absoluut niet overeen met de chemische samenstelling van het grijze gips dat door haar wordt geproduceerd. Zij verklaart verder dat zij geen grijze gips heeft vervoerd naar Hasselt. VII-24.450-4/18 1.7. Op 23 april 2001 begint de NV ANHYBEL onder toezicht van OVAM met het terugnemen van het opgeslagen product. Bij het openmaken van de materiaalberg wordt enerzijds het anhydriet B en anderzijds vreemd materiaal (zand, hout en bouwafval) aangetroffen. Zoals overeengekomen met OVAM wordt dat gemengd materiaal aan de kant gelegd. De volgende dag stoot de NV ANHYBEL in de materiaalberg op onzuiver gips. Zij weigert dat gips naar haar installaties te vervoeren omdat zij zich slechts heeft geëngageerd om het anhydriet B terug te nemen. De terugname wordt dan gestopt, volgens OVAM volledig onder de verantwoordelijkheid van de NV ANHYBEL; volgens de NV ANHYBEL onder de verantwoordelijkheid van OVAM omdat deze niet wilde ingaan op het voorstel van de NV ANHYBEL om de materiaalberg op een andere plaats open te maken en daar verder te werken. Slechts 400 ton product werd afgevoerd naar Tienen. 1.8. Op 28 juni 2001 deelt het door OVAM aangestelde laboratorium de resultaten mee van de bemonstering van de materiaalberg. Daaruit blijkt dat het materiaal een hoge concentratie aan cyaniden bevat die gemakkelijk uitlogen. Het labo besluit dat alhoewel niet is aangetoond dat de afvalstof per kg droge stof meer dan 250 mg zouten van cyaanwaterstof, met uitzondering van de ferro- en ferricyaniden, bevat, de afvalstof toch voor giftig moet worden aanzien en dat het niet kan worden gestort op een stortplaats van klasse 1 maar moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. 1.9. Op 2 juli 2001 beslist OVAM op grond van artikel 37 van het afvalstoffendecreet over te gaan tot de ambtshalve verwijdering van de achtergelaten afvalstoffen lastens de NV G. DUPONT, de BVBA KOLLMAN, de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT, de verzoekendre partij en de NV ANHYBEL. Voor elk van deze vennootschappen wordt een afzonderlijke beslissing genomen die elk dezelfde datum draagt; 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het inleidend verzoekschrift geen melding maakt van het inschrijvingsnummer in het handelsregister en dat dit leidt tot de onontvankelijkheid van het verzoekschrift; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat krachtens artikel 41 van de gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister een verzoek tot nietigverklaring pas onontvankelijk kan worden verklaard, indien de verzoekende VII-24.450-5/18 partij die in gebreke is gebleven om haar handelsregisternummer te vermelden in de gedinginleidende akte, bovendien ook nalaat om een bewijs van haar inschrijving in het handelsregister op het ogenblik van de inleiding van het geding te leveren nadat de rechtbank daarom heeft verzocht, dat evenwel in de onderhavige procedure niet werd gevraagd haar inschrijving in het handelsregister te bewijzen en dat voornoemd artikel 41 dus niet van toepassing is; 2.1.3. Overwegende dat luidens artikel 40 van de gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister elk op verzoek van een handelaar betekend dagvaardingsexploot het nummer moet vermelden waaronder de verzoeker in het handelsregister is ingeschreven, wanneer de vordering haar oorzaak vindt in een daad van koophandel; dat artikel 41 van dezelfde gecoördineerde wetten de sanctie bepaalt voor het niet ingeschreven zijn in het handelsregister of het niet vermelden van het handelsregisternummer in het exploot van dagvaarding : "Bij gebreke van vermelding van het nummer der inschrijving in het handelsregister in het exploot van dagvaarding en behoudens verantwoording van die inschrijving op de datum, waarop de eis werd ingesteld binnen de door de rechtbank gestelde termijn, verklaart deze de eis van ambtswege niet ontvankelijk"; Overwegende dat behoudens het bewijs van inschrijving op het ogenblik van de dagvaarding binnen een door de rechter bepaalde termijn de vordering dus ambtshalve niet-ontvankelijk wordt verklaard; dat uit die herstelmogelijkheid blijkt dat de wetgever niet de bedoeling had een loutere vergetelheid bij het opstellen van de dagvaarding te sanctioneren, doch enkel het gebrek aan inschrijving in het handelsregister; Overwegende dat de verzoekende partij bij haar memorie van wederantwoord een kopie heeft gevoegd van haar inschrijving in het handelsregister, waaruit blijkt dat zij op het moment van het inleidend verzoekschrift wel degelijk ingeschreven was in het handelsregister; dat de exceptie bijgevolg wordt verworpen; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende partij eveneens meent dat de verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij haar vordering; dat zij preciseert dat het door de verzoekende partij in haar verzoekschrift aangegeven belang, namelijk dat de kosten van de verwijdering van de afvalstoffen op haar zouden kunnen worden verhaald vermits zij door OVAM als overtreder wordt aangeduid, een discussie betreft die desgevallend het voorwerp zal uitmaken VII-24.450-6/18 van een burgerlijke procedure, maar die niet het voorwerp is van de bestreden beslissing; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat zij zich niet verzet tegen het voornemen van de verwerende partij om de onrechtmatig gestorte afvalstoffen ambtshalve te verwijderen, maar enkel tegen het onderdeel van de beslissing waarbij de verzoekende partij mede verantwoordelijk wordt gesteld voor de onrechtmatige stortingen en voor de kosten die met de verwijdering gepaard zullen gaan; 2.2.3. Overwegende dat een verzoekende partij die kan worden aangesproken voor de kosten van de ambtshalve sanering belang heeft bij het bestrijden van het besluit waarbij, na behoorlijke ingebrekestelling, tot de uitvoering van de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen wordt besloten, omdat dit besluit de noodzakelijke voorwaarde blijkt te zijn om de kosten op de ingebrekeblijvende onderneming te kunnen verhalen; dat de tweede exceptie eveneens wordt afgewezen; 3. De gegrondheid van de zaak 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing gesteund is op een manifest verkeerde interpretatie van de feiten en in een tweede middel stelt dat de motiveringsplicht werd geschonden, dat beide middelen teruggaan op dezelfde elementen; dat zij uiteenzet dat het manifest onjuist is dat zij een afvalstof zou hebben geleverd aan "DUPONT"; dat het volgens haar evenzeer onjuist is te stellen dat de afvalstoffen die vrijkomen in het productieproces van de verzoekende partij dezelfde zijn als deze die zijn aangetroffen op de bedrijfsterreinen van "DUPONT" en dat de verwerende partij zelfs geen begin van bewijs levert voor deze beweringen; dat zij alleen afvalstoffen, namelijk grijze gips, levert aan de NV ANHYBEL, die deze niet- giftige afvalstof verwerkt op eigen verantwoordelijkheid en tot eigen profijt en die volledig zelf beslist wat er met de afvalstoffen gebeurt na het verwerkingsproces en verder uitzonderlijk aan de NV REMO MILIEUBEHEER, waar het na behandeling op een industrieel stort wordt ondergebracht en dat de gelijkstelling van het grijze gips dat zij aanlevert bij de NV ANHYBEL met het anhydriet B dat de NV ANHYBEL bij "DUPONT" heeft gestort elke feitelijke grondslag mist, daar zij niet in staat is om het anhydriet B te produceren, vermits zij er niet de technische uitrusting voor bezit; dat zij betoogt dat in de bestreden beslissing wordt VII-24.450-7/18 gesuggereerd dat het feit dat zij voor het transport van grijze gips naar de NV ANHYBEL gebruik maakt van hetzelfde transportbedrijf als de NV ANHYBEL gebruikt voor de transporten naar "DUPONT", er op zou wijzen dat zij op één of andere manier zou betrokken zijn bij de transporten van het anhydriet B naar "DUPONT", terwijl uit de feiten blijkt dat het contract voor de levering van het anhydriet B door de NV ANHYBEL aan "DUPONT" voor haar een "res inter alios acta" is waarbij zij op geen enkele manier was betrokken; Overwegende dat de beslissing, steeds volgens de verzoekende partij, elke redelijkheid mist doordat deze haar veroordeelt wegens het storten van een afvalstof die zij niet heeft geproduceerd en waarvan uit verschillende elementen in het dossier blijkt dat ze afkomstig is van de NV ANHYBEL; dat de verzoekende partij hiertoe de volgende argumenten aanhaalt : - dit wordt in verschillende stukken uitdrukkelijk gesteld; - uit de analyse van de afvalstof blijkt dat ze niet terechtkan op een stortplaats van categorie 1 omdat de norm voor totaalcyaniden na uitvoer van de uitloogtest overschreden wordt, wat niet het geval is bij grijze gips; - de hoeveelheid materiaal die op de terreinen van "DUPONT" ligt komt overeen met wat door de BVBA KOLLMAN van de NV ANHYBEL naar luid van haar eigen verklaring werd afgenomen; - de verzoekende partij heeft steeds betwist enige afvalstof te hebben gestort of achtergelaten bij "DUPONT"; - in geen enkele analyse van de afvalstoffen die bij "DUPONT" werden opgeslagen werd vastgesteld dat het gaat om grijze gips die afkomstig zou zijn van de verzoekende partij; - de NV ANHYBEL heeft zelf een voorstel geformuleerd om het anhydriet B kosteloos terug te nemen, wat ze niet zou hebben gedaan indien de afvalstof niet van haar afkomstig was; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst opwerpt dat het eerste middel niet op ontvankelijke wijze wordt aangevoerd omdat niet wordt vermeld welke rechtsbepaling is geschonden; dat zij verder stelt dat de verzoekende partij zelf verklaart dat zij cyanidehoudende afvalstoffen produceert en dat bijgevolg de overweging in de bestreden beslissing dat "CITRIQUE BELGE NV zich heeft ontdaan van cyanide houdende afvalstoffen" niet ernstig kan worden betwist, dat de verzoekende partij haar afvalstoffen niet aflevert aan de NV ANHYBEL maar wel aan de BVBA KOLLMAN en dat de verzoekende partij daardoor het afvalstoffendecreet heeft geschonden, omdat VII-24.450-8/18 krachtens artikel 20 van het decreet afval enkel afgeleverd mag worden aan een houder van een erkenning voor de ophaling van afvalstoffen en de NV KOLLMAN niet over een dergelijke erkenning beschikte; dat, voorts, volgens de verwerende partij, op de bedrijfsterreinen van de NV G. DUPONT en de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT cyaanhoudende afvalstoffen opgeslagen liggen die afkomstig zijn van de verzoekende partij, deels rechtstreeks via de BVBA KOLLMAN en deels via een tussenstap, namelijk de NV ANHYBEL, zodat OVAM in het bestreden besluit terecht overweegt : "CITRIQUE BELGE NV heeft zich ontdaan van cyanide houdende afvalstoffen en dat deze afvalstoffen op bovenvermelde percelen ongecontroleerd gestockeerd liggen"; dat deze vaststelling volgens haar volstaat om lastens de verzoekende partij toepassing te kunnen maken van artikel 37 van het afvalstoffendecreet; Overwegende dat de verwerende partij verder stelt dat de verzoekende partij niet bewijst dat de BVBA KOLLMAN al haar afvalstoffen vervoert naar de NV ANHYBEL, dat zij zelfs geen overeenkomst bijbrengt met de BVBA KOLLMAN waaruit zou blijken dat de BVBA KOLLMAN de opdracht heeft de afvalstoffen naar de NV ANHYBEL te brengen, dat de verzoekende partij door aan een niet-erkende vervoerder te leveren niet alleen het afvalstoffendecreet heeft geschonden maar ook een groot risico heeft genomen, aangezien bij gebrek aan erkenning de ophaling geen garantie bood met betrekking tot de deskundigheid en moraliteit van de vervoerder, wat blijkt uit het feit dat de BVBA KOLLMAN duizenden tonnen cyaanhoudende afvalstoffen ongecontroleerd achterliet op een bedrijfsterrein, dat de BVBA KOLLMAN deels de door haar bij de verzoekende partij betrokken afvalstoffen bij de NV ANHYBEL heeft afgeleverd, deels ook gestort op het te saneren bedrijfsterrein, dat de aanwezigheid van het grijze gips er precies de oorzaak van is dat de NV ANHYBEL de door haar aangevangen sanering van het bedrijfsterrein heeft stopgezet, dat ook het anhydriet B dat werd aangetroffen op het bedrijfsterrein aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt niets anders is dan het verwerkte en vervolgens onwettig afgevoerde afval van de verzoekende partij, en dat het niet correct is dat in de bestreden beslissing het grijze gips en het anhydriet B gelijkgesteld worden, maar dat er in de bestreden beslissing sprake is van beide stoffen apart; Overwegende dat de verwerende partij, wat de motivering van de beslissing betreft, betoogt dat de beslissing uitzonderlijk grondig is gemotiveerd met een omstandige opgave van de feiten en rechtsregels op grond waarvan tot de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen werd besloten en dat onder andere ten VII-24.450-9/18 aanzien van de verzoekende partij de drie toepassingsvoorwaarden voor artikel 37 van het afvalstoffendecreet werden onderzocht en gemotiveerd; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat geenszins wordt aangetoond dat het grijze gips dat werd gevonden in de afvalberg van haar afkomstig zou zijn en dat, indien er een wand van gips aanwezig was in de afvalberg, zulks daarentegen juist op het tegendeel wijst, aangezien het een wetenschappelijke gemeenplaats is dat grijze gips (CaSo4 2H2O) een losse structuur heeft zoals zand, en niet reageert op water, zodat het feit dat het materiaal bij "DUPONT" verhard was er integendeel op wijst dat het om gipshoudend anhydriet gaat (Ca SO4) - de verhitting van grijze gips boven 150/ C resulteert inderdaad in een stof die wel verhardt na contact met water, hetgeen door de NV ANHYBEL zelf wordt bevestigd waar zij stelt dat er "door toevoeging van water (...) een chemische binding (plaatsvindt) waardoor het anhydriet B uithardt"; dat zij daaraan toevoegt dat, alhoewel het niet aan haar is om te bewijzen dat zij geen gips heeft gestort bij "DUPONT" maar aan de verwerende partij om het tegendeel te bewijzen, zij op basis van haar productiecijfers aan grijze gips kan aantonen dat er geen grijze gips werd geleverd aan "DUPONT" : haar jaarproductie 2000 aan grijze gips bedroeg 44.179,36 ton waarvan 42.614,54 ton werd geleverd aan de NV ANHYBEL, 1.596,72 ton aan de NV REMO en 30,3 ton aan de firma STERCKX voor een proefproject inzake de verwerking van grijze gips - het verschil van 62,2 ton gips (44.179,36- 42.614,54- 1596,72 - 30,3) wordt verklaard door vochttoename door regenwater ingevolge de stockage in open lucht; Overwegende dat de verzoekende partij nog met een tweede berekening tracht aan te tonen dat de afvalberg enkel bestaat uit het gipshoudende anhydriet B afkomstig van de NV ANHYBEL; dat die redenering er in bestaat dat uit de brief van de NV ANHYBEL van 7 mei 2001 blijkt dat de BVBA KOLLMAN in totaal 4.760 ton anhydriet B heeft afgenomen van de NV ANHYBEL en dat deze laatste daarvan 410,14 ton heeft teruggenomen, dat er dus nog 4.349,86 ton op het terrein in Hasselt achterblijft, dat uit analyses uit 1999 blijkt dat de stortingsdichtheid van het anhydriet bij losse stapeling 1.103 ton/m3 bedraagt, zodat er op de terreinen te Hasselt nog een volume van (4.349,86/1.103) 3.943,66 m³ aanwezig zou moeten zijn, wat overeenkomt met het door landmeter IBENS gemeten volume van 3.928 m³; VII-24.450-10/18 Overwegende dat de verzoekende partij zich verder als volgt verweert tegen de bewering van de verwerende partij dat zij het afvalstoffendecreet zou hebben overtreden door het ontbreken van een erkenning in hoofde van de BVBA KOLLMAN : "39.Allereerst is de stelling dat Kollman voor het vervoer van grijze gips van Verzoekster naar Anhybel over een erkenning diende te beschikken, flagrant onjuist. Artikel 14, §3 van het Afvalstoffendecreet stelt immers uitdrukkelijk als volgt : '(d)e natuurlijke personen of rechtspersonen die in opdracht van derden, afvalstoffen vervoeren, zijn onderworpen aan registratie, voor zover ze zelf niet erkend zijn overeenkomstig §2' (...). De toekenning van een dergelijke registratie aan een vervoerder van afvalstoffen is een pure formaliteit, die, in tegenstelling tot hetgeen Verweerster stelt, niet onderworpen is aan enig onderzoek omtrent de deskundigheid en de moraliteit van de vervoerder. De houding van Verweerster bevestigt in casu het feit dat het om een pure formaliteit gaat, aangezien zij op 15 december 2000, dit wil zeggen in tempore suspecto, aan Kollman een registratie afleverde voor een termijn van vijf jaar (...). Het is moeilijk in te denken dat Verweerster aan Kollman een registratie zou hebben afgeleverd indien het niet-bezitten van deze registratie van enige relevantie zou zijn voor onderhavig geschil, quod non. 40. Verzoekster heeft derhalve gewerkt met een transporteur waaraan Verweerster zelf een registratie heeft toegekend op 15 december 2000 (...). Men kan Verzoekster derhalve bezwaarlijk verwijten dat zij de bepalingen van het Afvalstoffendecreet zou hebben overtreden, aangezien (
  2. i)het de verantwoordelijkheid was van Kollman om de vereiste registratie te bekomen; (
  3. ii)Verzoekster dienaangaande geen onderzoeksplicht had aangezien de aflevering van een dergelijke registratie een loutere formaliteit uitmaakt; (iii) Verweerster de betrokken registratie nog aan Kollman heeft afgeleverd nadat het onderzoek reeds begonnen was. 41. Bovendien moet voor ogen worden gehouden dat het Afvalstoffendecreet een causaal verband vereist tussen een eventuele overtreding van het Afvalstoffendecreet en het risico van schade of hinder voor de mens of het leefmilieu. Zelfs indien zou kunnen aangetoond worden dat Verzoekster enige verantwoordelijkheid treft voor het tijdelijk ontbreken van een registratie in hoofde van Kollman, guod certissime non, ontbreekt elk causaal verband tussen deze overtreding en een eventueel risico dat zou kunnen ontstaan uit de opslag van afvalstoffen op de bedrijfsterreinen van Dupont. Het staat immers buiten kijf dat zelfs indien Kollman tijdig over de vereiste registratie had beschikt, dit geenszins de potentiële schade of hinder voor de mens of het leefmilieu door transport van niet-giftige grijze gips van Verzoekster naar Anhybel zou hebben doen afnemen. 42.Verzoekster verzet zich dan ook met klem tegen de volstrekt onjuiste stelling dat Kollman een erkenning nodig had voor het transporteren van afvalstoffen en dat Verzoekster door het ontbreken hiervan een overtreding van het Afvalstoffendecreet zou hebben begaan en medeverantwoordelijk zou zijn voor de in casu beweerdelijk veroorzaakte milieuschade. Ten overvloede dient benadrukt te worden dat op de offerte van Kollman aan Verzoekster (...) links bovenaan het registratienummer 0.4/0.3./10 staat vermeld. Verzoekster mocht er derhalve op vertrouwen dat aan de formaliteit van de aflevering van de registratie was voldaan"; VII-24.450-11/18 3.4.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie, wat betreft de ontvankelijkheid van het eerste middel, het volgende betoogt : "Aangaande de niet ontvankelijkheid van het eerste middel veroorlooft verwerende partij het zich vooreerst te verwijzen naar de duidelijke uiteenzetting terzake in haar memorie van antwoord waarin zij integraal volhardt. Waar het Auditoraatsverslag toch meent te kunnen adviseren tot de ontvankelijkheid van het middel kan verwerende partij dit standpunt geenszins bijtreden om de redenen zoals hierna kort uiteengezet. Een middel dient conform artikel 2, §1 ,2/ van het algemeen procedurereglement te bestaan uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel door de bestreden beslissing geschonden wordt. Dit is in casu geenszins het geval. Het Auditoraat meent dat de verzoekende partij de inhoud van de geschonden regel wel degelijk zou vermelden en dat door de verzoekende partij een schending van de materiële en formele motiveringsplicht zou worden aangevoerd in het eerste middel. Dit kan door verwerende partij geenszins zomaar worden bijgetreden. Minstens is het onduidelijk waarom de verzoekende partij de schending van het motiveringsbeginsel door de (verwerende) partij wel uitdrukkelijk in het tweede middel viseert en niet in het eerste middel. Nog meer bevreemdend is het dat volgens het Auditoraat blijkbaar een samenlezen/samennemen van het eerste en tweede middel noodzakelijk is om tot een concreet geformuleerd middel te kunnen komen. Vraag is of de veronderstelling van het Auditoraat om uit het eerste middel de schending van het motiveringsbeginsel te distilleren, wel verenigbaar is met artikel 2 van het algemeen procedurereglement waar duidelijk wordt gesteld dat de verzoekende partij en niet het Auditoraat de middelen dient te construeren en te duiden. En daarbij concreet zowel de omschrijving van de overtreden rechtsregel als de wijze waarop die rechtsregel geschonden werd dient aan te geven. Uw Raad zal hierover moeten oordelen. Voor de verwerende partij werd het middel alleszins duidelijk uitsluitend feitelijk geconstrueerd. Het middel is uitsluitend een kritiek op de appreciatie die verwerende partij heeft gemaakt van de feitelijke omstandigheden waarmee zij zich geconfronteerd wist. De feitelijke appreciatie behoort daarbij nog steeds tot de discretionnaire bevoegdheid van de verwerende partij die weliswaar begrensd wordt door de grens van het kennelijk onredelijke. Uw Raad mag zich bij haar marginale toetsing daarvan niet in de plaats stellen van verwerende partij. Nochtans wordt het vermeende kennelijk onredelijk karakter van het handelen van verwerende partij niet geviseerd in het middel, noch aangetoond. Blijkbaar viseert het middel dan toch niet op de kennelijk onredelijke appreciatie. Noch wordt een vermeend kennelijk onredelijk karakter van de bestreden beslissing door het Auditoraat uit het middel gedistilleerd. Het eerste middel is voor de verwerende partij dan ook een louter feitelijk middel. Het middel bevat eerder een algemene 'appreciatiekritiek' op de bestreden beslissing zonder te stellen dat de beslissing de grenzen van het kennelijk onredelijke zou hebben overtreden. Het eerste middel doelt voor de verwerende partij alleszins geenszins op de schending van de motiveringsplicht. Ook de verzoekende partij lijkt duidelijk in het eerste middel niet de schending van de motiveringsplicht te viseren. Minstens wordt dit tegengesproken door het gegeven dat verzoekende partij in het tweede middel wel uitdrukkelijk de schending van de motiveringsplicht inroept en niet in het eerste middel"; VII-24.450-12/18 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie, wat betreft het eerste en het tweede middel, nog in essentie betoogt, wat de derde voorwaarde aangaat gesteld in artikel 37 van het afvalstoffendecreet om tot ambtshalve verwijdering van afvalstoffen te mogen overgaan, namelijk dat een risico aanwezig is voor hinder of voor schade voor de mens of het leefmilieu, dat de verzoekende partij wist dat de BVBA KOLLMAN ook opgetreden is en optrad als transporteur van afvalstoffen en daarbij tevens voor de verwerking ervan diende in te staan of kon instaan, dat de verzoekende partij een vaste klant was bij de BVBA KOLLMAN en dat het zodoende niet uitgesloten kan worden dat de BVBA KOLLMAN in uitvoering van andere opdrachten voor de verzoekende partij tevens diende in te staan voor de verwerking van de afvalstoffen, waarna deze afvalstoffen dan vervolgens zouden worden achtergelaten op de terreinen van "DUPONT", wat de verzoekende partij nooit heeft kunnen of willen ontkrachten, dat de verzoekende partij wist dat de BVBA KOLLMAN ook opdrachten uitvoerde voor anderen en weet had van de inhoud van de overeenkomsten tussen de BVBA KOLLMAN en die anderen, bijvoorbeeld de NV ANHYBEL, dat niet wordt aangetoond dat de afvalberg die bij "DUPONT" werd aangetroffen niet deels van bij de verzoekende partij afkomstig kan zijn zodat de verwerende partij geenszins onredelijk is opgetreden door in de bestreden beslissing de verzoekende partij mee aan te duiden, dat zij er in alle redelijkheid mocht van uitgaan dat de verzoekende partij, door aan een niet-erkende ophaler haar afvalstoffen af te geven, het afvalstoffendecreet geschonden heeft, minstens een groot risico genomen heeft door geen onderzoek te doen naar de erkenning van de BVBA KOLLMAN die, bij gebrek aan erkenning, geen enkele garantie bood met betrekking tot de solvabiliteit, de deskundigheid en de moraliteit; 3.5.1. Overwegende dat onder "middel" in de zin van artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) en artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State moet worden verstaan, de omschrijving van een overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling geschonden werd; dat niet vereist is dat de verzoekende partij de juiste vindplaats van de regel aangeeft; dat het volstaat dat zij de inhoud van de geschonden regel vermeldt; dat, vermits het niet vereist is dat de geschonden wetsbepaling als dusdanig wordt aangegeven, de exceptie van onontvankelijkheid van het middel niet gegrond is; VII-24.450-13/18 3.5.2. Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing gesteund is op feitelijke gegevens die niet correct zijn; dat zij aldus de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat zij aan de bestreden beslissing verwijt dat er ten onrechte wordt gesteld dat zij een afvalstof zou hebben geleverd aan "DUPONT" en dat het evenzeer onjuist is te stellen dat de afvalstoffen die vrijkomen in het productieproces van de verzoekende partij dezelfde zijn als deze die zijn aangetroffen op de bedrijfsterreinen van "DUPONT"; dat zij verder het feit bekritiseert dat in de bestreden beslissing wordt gesuggereerd dat het feit dat zij voor het transport van grijze gips naar de NV ANHYBEL gebruik maakt van hetzelfde transportbedrijf als die welke de NV ANHYBEL gebruikt voor de transporten naar "DUPONT", er op zou wijzen dat zij op een of andere manier betrokken zou zijn bij de transporten van het anhydriet B naar "DUPONT"; dat zij verder aanklaagt dat de verwerende partij haar veroordeelt wegens het storten van een afvalstof die ze niet heeft geproduceerd en waarvan uit verschillende elementen in het dossier blijkt dat ze afkomstig is van de NV ANHYBEL; 3.5.3. Overwegende dat, alhoewel de bestreden beslissing uitvoerig is gemotiveerd, slechts de hiernavolgende alinea's betrekking hebben op de vraag waarom de verwerende partij de verzoekende partij als overtreder in de zin van artikel 37 van het afvalstoffendecreet beschouwt : "Overwegende dat Citrique Belge nv afvalstoffen heeft verwijderd in strijd met art. 12 van het afvalstoffendecreet en (...) werd uitgenodigd voor een hoorzitting (...); Overwegende dat Citrique Belge nv. tijdens de hoorzitting o.a. verklaarde dat : [Citrique Belge legde uit dat het grijze gips door Kollman werd vervoerd naar Anhybel en daar wordt verwerkt; dat indien het daar niet kan worden verwerkt het wordt afgevoerd naar de afvalverwerker Remo; dat er in dat gips vrijwel geen cyaniden zitten en het voldoet aan de normen voor storting op een stortplaats categorie I; dat de analyseresultaten van het afvalmateriaal op de terreinen van de firma Dupont aantonen dat de chemische samenstelling ervan absoluut niet overeenkomt met deze van grijs gips en dat zij geen grijs gips heeft vervoerd naar de terreinen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt] Overwegende dat ondanks de verklaring van Citrique Belge nv., Citrique Belge nv. zich heeft ontdaan van cyanide houdende afvalstoffen en dat deze afvalstoffen op bovenvermelde percelen ongecontroleerd gestockeerd liggen; (...) Overwegende dat Anhybel nv. en Citrique Belge nv. (...) een milieutechnische eenheid vormen (...); (...) Overwegende dat zowel Anhybel nv. als Citrique Belge nv. door de afvalstoffen te laten transporteren door Kollman bvba handelden in strijd met art.12 en art.20 van het afvalstoffendecreet; Overwegende dat Kollman bvba geen houder is van een erkenning voor de ophaling van afvalstoffen"; VII-24.450-14/18 dat er bijgevolg enkel uitdrukkelijk wordt gesteld dat de verzoekende partij zich heeft ontdaan van cyanidehoudende afvalstoffen die op bovenvermelde percelen ongecontroleerd gestockeerd liggen en dat zij handelde in strijd met artikel 12 en artikel 20 van het afvalstoffendecreet door afvalstoffen te laten transporteren door de BVBA KOLLMAN, aangezien die onderneming geen houder is van een erkenning voor de ophaling van afvalstoffen; dat niet wordt aangegeven op grond van welke redenering de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat het afval dat door de BVBA KOLLMAN op de bedrijfsterreinen te Hasselt werd gestort afkomstig is van de verzoekende partij en zij haar mede verantwoordelijk meent te kunnen achten voor het achterlaten van dat afval; Overwegende dat de verzoekende partij betoogt dat het onjuist is dat de stoffen die te Hasselt zijn gestockeerd afkomstig zijn van haar productieproces of dat zij haar afvalstoffen daar zou hebben gestort; dat zij daarvoor wijst op de verschillende chemische samenstelling van het anhydriet en het grijze gips waarvan het ene niet en het andere wel kan worden gestort op een stortplaats van categorie 1, op het feit dat zij technisch niet in staat is om het anhydriet te produceren en op het feit dat zij haar grijze gips alleen levert aan de NV ANHYBEL en de NV REMO; dat zij ook stelt dat het feit dat zij voor het transport van het grijze gips naar de NV ANHYBEL gebruikmaakt van hetzelfde transportbedrijf als hetgene dat door de NV ANHYBEL werd gebruikt om de afvalstoffen te vervoeren naar de terreinen van de firma DUPONT, geenszins bewijst dat zij bij dat laatste transport betrokken was of ook afval heeft laten transporteren naar die terreinen, en dat het volume dat op de betrokken terreinen is achtergebleven overeenkomt met wat na de gedeeltelijke terugname door de NV ANHYBEL van de afvalstof zou moeten overblijven, gezien het door de NV ANHYBEL verklaarde geleverde volume, zodat er geen bewijs is dat de verzoekende partij ook afval van haar productie zou hebben laten wegvoeren naar die terreinen; dat zij er ten slotte op wijst dat op verschillende plaatsen in de beslissing uitdrukkelijk wordt vermeld dat het gaat om afval dat afkomstig is van de NV ANHYBEL; 3.5.4. Overwegende dat de bestreden beslissing zelf geen antwoord geeft op deze pertinente elementen; dat de verwerende partij er zelfs in haar memorie van antwoord niet in slaagt om deze argumenten te ontkrachten; dat de verwerende partij vooreerst stelt dat de verzoekende partij zelf verklaart dat ze cyanidehoudende afvalstoffen produceert en dat bijgevolg de overweging in de bestreden beslissing dat "CITRIQUE BELGE NV zich heeft ontdaan van cyanide houdende afvalstoffen" niet ernstig kan worden betwist; dat de verzoekende partij inderdaad niet ontkent dat VII-24.450-15/18 zij cyanidehoudende afvalstoffen produceert, namelijk grijze gips, maar wel beweert dat zij dit gips aflevert aan een erkend verwerker, hetzij de NV ANHYBEL, hetzij de NV REMO; dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat het grijze gips niet wordt afgeleverd aan de NV ANHYBEL maar aan de BVBA KOLLMAN; dat deze laatste firma immers enkel het vervoer verzorgt en de bestemmeling niet de BVBA KOLLMAN is, maar wel : hetzij de NV ANHYBEL, hetzij de NV REMO; dat daarbij wordt opgemerkt dat de door de verwerende partij geciteerde passage geenszins verduidelijkt hoe het feit dat de verzoekende partij zich ontdoet van de door haar geproduceerde afvalstof - er wordt zelfs niet eens gezegd dat dit op een onregelmatige wijze gebeurt - de verzoekende partij in verband brengt met de op de terreinen te Hasselt opgeslagen afvalstof en wel op een dergelijke wijze dat zij mee verantwoordelijk wordt gehouden voor het storten van die afvalstof en als overtreder van de afvalstoffenwetgeving wegens dat storten mee kan worden aangesproken voor de kosten van het opruimen van die afvalberg; dat de verwerende partij verder stelt dat de verzoekende partij door het afleveren van haar afval aan de BVBA KOLLMAN, terwijl deze firma over geen erkenning beschikt, het afvalstoffendecreet heeft geschonden, omdat krachtens artikel 20 van het decreet afval enkel mag worden afgeleverd aan een houder van een erkenning voor de ophaling van afvalstoffen; dat het vooreerst niet zo is dat de BVBA KOLLMAN voor de verzoekende partij optreedt als een ophaler van afvalstoffen, maar alleen als een vervoerder; dat een ophaler een (rechts)persoon is die onder zijn verantwoordelijkheid het afval in eigen naam ophaalt, overbrengt, laat verwerken of de nodige schikkingen treft om ze te laten verwerken; dat indien evenwel die (rechts)persoon alleen zorgt voor het vervoer van de afvalstoffen in opdracht van de ene firma om ze af te leveren bij een andere firma, wat in casu het geval is, hij slechts een vervoerder is; dat dergelijke vervoerder niet moet worden erkend maar slechts moet worden geregistreerd als vervoerder van afvalstoffen en dergelijke registratie een louter administratieve verrichting is zoals blijkt uit de inlichtingen die moeten worden vermeld op het aanvraagformulier en het feit dat de vervoerder automatisch wordt geregistreerd als de aanvraag volledig en correct is ingevuld, zodat de hele redenering van de verwerende partij betreffende het risico van gebrek aan moraliteit en deskundigheid in deze niet opgaat; Overwegende dat de verwerende partij bovendien niet duidelijk maakt hoe dit de verzoekende partij in verband brengt met de kwestieuze afvalberg te Hasselt; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord terzake een redenering ontwikkelt die niet terug te vinden is in het besluit en die dus eigenlijk niet in aanmerking kan worden genomen, namelijk dat de BVBA KOLLMAN, niet VII-24.450-16/18 erkend en dus van onzekere deskundigheid en moraliteit, een deel van de afvalstoffen van de verzoekende partij heeft vervoerd naar de terreinen te Hasselt en dat de verzoekende partij daarvoor verantwoordelijk is, door in zee te gaan met een niet als afvalvervoerder erkende firma; dat voor deze niet in het bestreden besluit terug te vinden redenering, die louter wordt geponeerd, geen enkel bewijs voorligt; Overwegende dat de verwerende partij ook stelt dat de verzoekende partij mee verantwoordelijk is omdat het cyaanhoudende afval toch van haar afkomstig is via een tussenstap, namelijk de NV ANHYBEL; dat zij hierbij volledig voorbijgaat aan het feit dat het anhydriet B een product is dat pas ontstaat door de verwerking van het grijze gips door de NV ANHYBEL en dat het dus een volledig ander product is dan het grijze gips dat de verzoekende partij als afval voortbrengt, zodat men dus niet zonder meer kan stellen dat de afvalstof anhydriet B afkomstig is van de verzoekende partij via een tussenstap van de NV ANHYBEL; Overwegende dat de verwerende partij ten slotte ook nog opwerpt dat de verzoekende partij niet bewijst dat al haar grijze gips door de BVBA KOLLMAN wordt vervoerd naar de NV ANHYBEL; dat in de mate dat de verwerende partij hiermee zou suggereren dat het mogelijk is dat de verzoekende partij dit gips ook door de BVBA KOLLMAN naar de terreinen te Hasselt zou laten voeren, wordt opgemerkt dat het niet aan de verzoekende partij is om te bewijzen dat al haar grijze gips naar de NV ANHYBEL wordt vervoerd maar wel aan de verwerende partij om te bewijzen dat de BVBA KOLLMAN grijze gips zou hebben vervoerd naar de terreinen te Hasselt; dat deze suggestie trouwens niet als zodanig terug te vinden is in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij ook terecht stelt dat op geen enkel moment werd nagegaan of de gipslaag die werd gevonden in de afvalberg wel overeenkwam met het grijze gips dat zij produceerde; dat uit de elementen die de verzoekende partij daaromtrent in haar memorie van wederantwoord bijkomend voorbrengt blijkt dat dit nochtans geen evidentie was; dat het eerste en het tweede middel gegrond zijn; dat zij de vernietiging verantwoorden van de beslissing van 2 juli 2001 in zoverre zij de ambtshalve verwijdering gebiedt lastens de verzoekende partij, welke gedeeltelijke beslissing van de rest afsplitsbaar is; Overwegende dat uit nazicht van de stukken blijkt dat de verzoekende partij twee maal fiscale zegels ter waarde van 7.000 BEF heeft aangebracht; dat het teveel gekweten recht ten belope van 173,53 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partij, VII-24.450-17/18 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van OVAM van 2 juli 2001 in zoverre zij de ambtshalve verwijdering beveelt lastens de NV CITRIQUE BELGE van de cyanidehoudende afvalstoffen die zijn opgeslagen op de terreinen van de NV IMMO- EN VERHUURCENTER DUPONT, gelegen aan de Schoonwinkelstraat 6 te Hasselt. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel 4. De teveel betaalde fiscale zegels ten bedrage van 173,53 euro worden terugbetaald aan de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.450-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.