← België

Arrest 182303 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 24/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.303 Rolnummer: A. 132842/VII-29683 Zaak: Arrest 182303 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-07 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.303 van 24 april 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.303 van 24 april 2008 in de zaak A. 132.842/VII-29.

  1. In zake : Raimund HENNEKES, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raimund HENNEKES op 10 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu van 13 december 2002 waarbij, enerzijds, wordt gesteld dat de dienst oftalmologie van het A.Z. V.U.B. ten hoogste in aanmerking kan worden genomen als stagedienst voor twee jaar basisopleiding van vier kandidaat-specialisten, en waarbij, anderzijds, verzoekers erkenning als stagemeester wordt ingetrokken en wordt bepaald dat het A.Z. V.U.B. een nieuwe kandidaat-stagemeester dient voor te stellen; Gelet op het arrest nr. 124.555 van 23 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-29.683-1/20 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 5 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 19 februari 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. DE KEUKELAERE die, loco advocaat J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Verzoeker is als stagemeester voor de specialiteit oftalmologie bij het toen nog genoemde A.Z. V.U.B. erkend bij ministerieel besluit van 18 oktober
  5. De brief waarmee de erkenning aan verzoeker wordt meegedeeld, vermeldt : "Het totaal aantal kandidaat is :
  6. Het niveau van de opleiding is het volgende : C (volledige opleiding) De maximale duur van de opleiding per kandidaat bedraagt : 4 jaar". VII-29.683-2/20 1.
  7. Op 24 februari 2000 brengt de visitatiecommissie een bezoek aan de dienst oogheelkunde van het A.Z. V.U.B. In het verslag van dit bezoek staat onder meer : "IV. Bespreking. Uit de interviews met het diensthoofd, de stafleden en de assistenten in opleiding blijkt duidelijk dat in de dienst oogheelkunde een intense klinische activiteit heerst. Dit wordt tevens aangetoond door de gegevens die aan de commissie werden voorgelegd. De heelkundige activiteiten spitsen zich voornamelijk toe op ingrepen op de lens. Het valt op dat er relatief weinig vitreo-retinale chirurgie en hoornvliestransplantaties verricht worden, typische chirurgische activiteiten van een derde lijn oogheelkundige dienst. Ook het aantal strabisme ingrepen is beperkt. Daarbij lijkt het aantal verwijzingen door oogartsen eerder naar de zeer lage kant, alhoewel de commissie dit niet heeft kunnen onderzoeken. Het komt de commissie voor, dat de dienst oogheelkunde van de VUB eerder een tweede lijn dan een derde lijnsfunctie opneemt. Dit is uiteraard financieel voordeliger - maar beantwoordt onvoldoende aan de missie van een universitair dienst. Door het hoge aantal cataracten die geopereerd worden zou de mogelijkheid moeten geboden worden een meer doorgedreven chirurgische opleiding te verzekeren aan de artsen in opleiding. Er is wel een verbetering waar te nemen vergeleken met de toestand in 1994 (lees: 1999). Dit probleem heeft te maken met het tijdstip in de opleiding waarop de kandidaat op zaal staat en dus eventueel ingrepen kan assisteren of mogelijk zelf onder supervisie kan uitvoeren. Er bestaan nog geen wetlabfaciliteiten, alhoewel het diensthoofd beloofd heeft de nodige maatregelen te treffen. De organisatie van de opleiding van de kandidaten is onvoldoende efficiënt. Prof. Hennekes heeft pogingen ondernomen om gespecialiseerde spreekuren te organiseren. Deze regeling werkt nog steeds niet naar behoren. Er wordt geen duidelijke progressie teruggevonden in de opleiding. De supervisie van de kandidaten laat te wensen over. De kandidaten krijgen onvoldoende de mogelijkheid om bepaalde technieken zoals contactlenzen aanpassing en fluorescentie angiografie aan te leren. De theoretische opleiding is op papier bevredigend. De commissie moet echter vast stellen dat de stafleden hierbij niet betrokken worden en dat dus van hun expertise geen gebruik gemaakt wordt. De stafleden voelen zich niet gesteund (en zelfs soms tegengewerkt) door het diensthoofd ondermeer als ze didactische activiteiten zelf willen inrichten. De kandidaten hebben het gevoel dat de verantwoordelijkheid van hun opleiding teveel op hen rust. De oudere jaars assistenten leiden de eerste jaars assistenten op met als gevolg dat zij geen progressie ervaren van hun opleiding na het tweede jaar. De wetenschappelijke productie van de oogheelkunde is, voor een universitaire dienst eerder aan de magere kant, tenminste als men zich steunt op de publicatielijst van de laatste tien jaren. Wat de commissie voornamelijk opviel is de zwaar negatieve sfeer zowel bij de stafleden als bij de kandidaten. De stafleden vinden zich onvoldoende gemotiveerd door het diensthoofd en de kandidaten klagen unaniem de kwaliteit van hun opleiding aan. Alhoewel zeker in 1999 de verhouding stafleden/kandidaten aanvaardbaar was, zullen de problemen met het weggaan van Dr. Stefer alleen maar toenemen. Het is zeer de vraag of in de sfeer die actueel heerst de twee vacant verklaarde residenten plaatsen door valabele kandidaten zullen kunnen ingevuld worden. VII-29.683-3/20 Nadat de stafleden en de kandidaten werden gehoord, hadden de commissie- leden nog een onderhoud met Prof. Hennekes. De voorzitter heeft hierbij de verschillende problemen aangehaald die aan het licht gekomen waren. Prof. Hennekes blijkt deze problemen niet of tenminste onvoldoende in te schatten. V. Besluit. De commissie heeft het gevoel dat de toestand, vastgesteld bij de visitatie van 13 januari 1999 op bepaalde punten licht verbeterd is doch in andere opzichten zelf verergerd is. De commissie is unaniem de mening toegedaan dat de dienst oogheelkunde van de VUB actueel niet beantwoordt aan wat men verwacht van een stage- dienst erkend voor volledige opleiding. Hoogstens zou deze dienst in aanmerking kunnen genomen worden voor 2 jaar basisopleiding voor 4 kandidaat-specialisten. Een uitbreiding van 6 naar 7 plaatsen volledige opleiding is onder de gegeven omstandigheden niet bespreekbaar. Vooraleer opnieuw erkend te kunnen worden als een stagedienst voor volledige opleiding is een grondige hervorming nodig. Het is zeer de vraag of dit onder het huidig diensthoofd - stagemeester mogelijk zal zijn". Op basis van dit unaniem besluit van de visitatiecommissie deelt de verwerende partij op 11 december 2001 aan verzoeker mee dat de stagedienst niet voldoet aan de verwachtingen en dat uit recente informatie is gebleken dat de situatie tot op heden niet is verbeterd. De intrekking van de erkenning als stagemeester en als stagedienst voor volledige opleiding wordt in het vooruitzicht gesteld tenzij er binnen een periode van zes maanden een duidelijke verbetering merkbaar is. 1.
  8. Als reactie op die brief schrijft verzoeker op 4 april 2002 aan de verwerende partij : "Betreft: erkenning als stagemeester oftalmologie Geachte Mevrouw de Minister, Uw brief dd 11/12/01 heb ik in goede orde ontvangen. Spijtig genoeg heb ik pas 1 jaar geleden toevallig en officieus kennis gekregen van de inhoud van het verslag van de Visitatiecommissie dd 24/02/00 via een gedeeltelijk onleesbare en onvolledige copie. Gezien bij het eindgesprek van deze visitatie, als conclusie aan mij gesignaleerd werd dat het hoofdprobleem van onze stagedienst een onder- bestaffing zou zijn (waaraan weldegelijk werd tegemoet gekomen), had ik daarnaast slechts 1 jaar de tijd om de dienst te kunnen reorganiseren conform de voor mij nieuwe officiële visie van het verslag van de Visitatiecommissie. Ik zou U graag willen melden dat de dienst ook aan deze nieuwe kritiek- punten had kunnen worden aangepast. Ik betreur ten stelligste dat deze informatie tot nu toe nog niet aan U werd doorgegeven. Er zijn ongerijmdheden en elementen van eenzijdige informatieverspreiding in mijn dossier terug te vinden, die de noodzaak van objectiviteit beklemtonen. Ik zou graag met deze signaleren hoe belangrijk het voor mij is, een onafhanke- lijk platform te vinden om mijn positie te kunnen uitleggen en verdedigen. Mits Uw goedkeuring zou ik graag het advies van Prof. Bogaert, voorzitter van de Hoge Raad willen vragen. Een alternatief zou kunnen zijn dat Uzelf een neutrale vertrouwenspersoon aanduidt om met mij deze materie te doorlopen. Dit persoonlijk contact met een neutrale vertrouwenspersoon zou toelaten VII-29.683-4/20 eventuele onduidelijkheden of onvoldoend bewijsmateriaal direct te kunnen corrigeren. Gezien het algemeen karakter van de kritieken zou het trouwens een voordeel zijn als een niet-oftalmoloog in deze materie betrokken werd. Uiteraard sta ik ook klaar om U direct een gedetailleerd verslag over de huidige situatie toe te sturen. Ik zou U graag nogmaals willen bevestigen dat ik alles ondernomen heb om deze zaak recht te zetten en zou het ten zeerste op prijs stellen een objectieve mogelijkheid te kunnen verkrijgen om mijn argumenten te bewijzen". 1.
  9. Naar aanleiding van een nieuw bezoek van de visitatiecommissie, dat wordt gepland op 17 juni 2002, wordt verzoeker verzocht informatie betreffende de structuur en de activiteiten van de dienst (klinisch, didactisch, wetenschappelijk), de kwalificaties van de stafleden, de technische infrastructuur, de toestand van de bibliotheek, de lijst en het tijdsgebruik van de assistenten in opleiding en hun betrokkenheid bij de klinische en wetenschappelijke activiteiten, en de lijst van de erkende stagediensten in het ziekenhuis, toe te sturen. Op 14 juni 2002 deelt verzoeker de gevraagde informatie mee. 1.
  10. In een brief van 14 oktober 2002 deelt de secretaris van de Werkgroep van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen aan verzoeker de vaststellingen van de visitatiecommissie mee. Deze zijn de volgende : "- er is nog steeds een tekort aan stafleden : dit probleem zal vanaf 1 juli e.k. nog acuter worden door het ontslag van Dr. Sachse. - de heelkundige ingrepen worden nog steeds bijna uitsluitend door Prof. Hennekes uitgevoerd. - er bestaan geen duidelijke richtlijnen of protocols voor de diagnose en behandeling van de patiënten. - er wordt geen complicatie- en diagnoseregistratie bijgehouden. - de derdelijnsfunctie van de afdeling is onduidelijk en lijkt onvoldoende voor een universitaire opleidingskliniek ; cijfers over het aantal topreferente verwijzingen ontbreken, het aandeel van de afdeling in de topreferente functie van het ziekenhuis is niet bekend. - er zijn door de directie tot op heden geen initiatieven genomen om het aanslepende conflict in de dienst op te lossen. - de naam van de stagemeester is in Nederland niet bekend". De brief vermeldt verder dat de werkgroep de minister zal moeten meedelen dat de toestand, vastgesteld bij het bezoek van 24 februari 2000, niet is verbeterd. Het door de werkgroep uitgebracht advies luidt als volgt : VII-29.683-5/20 "- de dienst oftalmologie van het A.Z. V.U.B. kan ten hoogste in aanmerking genomen worden als stagedienst voor 2 jaar basisopleiding van 4 kandidaat- specialisten. - de erkenning van Prof. Dr. Hennekes als stagemeester wordt ingetrokken : het A.Z. V.U.B. dient een nieuwe kandidaat-stagemeester voor te stellen". 1.
  11. Bij brief van 12 november 2002 deelt verzoeker aan de verwerende partij zijn repliek mee en meldt hij dat hij uiteraard altijd voor verdere inlichtingen ter beschikking staat. Dit antwoord luidt in extenso als volgt : "Repliek : verslag van de Visitatiecommissie op 17/06/02, AZ-VUB Dienst Oogheelkunde Sedert het moment van mijn benoeming als stagemeester oftalmologie aan het AZ VUB en in de opbouwfase van onze dienst werd ik met hevige kritiek vanuit de Erkenningscommissie geconfronteerd, en dit op initiatief van Prof. De Laey (RUG) en Prof Dralands (KUL) in samenwerking met Dr. Herzeel (VUB). In de loop van de jaren lopen deze kritieken en de realiteit steeds meer uitéén. Een voorbeeld is het verwijt - volgens de Erkenningscommissie gebaseerd op de stageboekjes - dat onze assistenten geen operaties mogen doen

(1)terwijl in de realiteit een groot aantal ingrepen werd gedaan wat ook in de stageboekjes werd vermeld
(2). Zelfs na het rechtzetten van deze misvatting
(3)werden de beschuldigingen verder herhaald
(4). Ook op vlak van de daaruit resulterende Visitatiecommissies spreken de redeneringen elkaar tegen (REPL. l). Daartegenover staat het besluit van de Minister
(5)dat mij toelaat de dienst met succes en de tevredenheid van de assistenten
(14)te leiden. Ik heb geprobeerd telkens aan de nieuwe eisen van de opeenvolgende commissies te voldoen, wat blijkbaar niet erkend wordt. Het is dit aspect dat mij gemotiveerd heeft aan de Minister te vragen, om een objectief platform te zoeken, om een einde te maken aan deze vervelende situatie. Bij een gesprek met de ondervoorzitter van de Hoge Raad, Prof. Bogaert in Gent op 3/5/2002, zijn wij overeengekomen, dat een nieuwe commissie zou worden opgericht met als doel, de argumenten en mijn repliek (REPL. 1) op de brief van de Minister
(6)te evalueren (6 a). Op 17/6/02 ging deze visitatie door waarvan ik eind september een officieus niet ondertekend verslag kon krijgen (VK 02). In dit verslag is er sprake van voldoende supervisie, efficiënte opleiding en ruime operatieve mogelijkheden (VK '02, p2 lijn 22-26). Dit werd door niemand, noch door de gehoorde medewerkers, noch door de leden van de Visitatiecommissie, in twijfel getrokken. De maatregelen die ik genomen heb om de wetenschappelijke productie te verbeteren
(7), grijpen weliswaar niet zo snel en zijn ook moeilijk te verwezenlijken bij Dr. Herzeel. Niettemin gaat deze Visitatiecommissie '02 in haar besluit niet in op de kritiekpunten van de minister maar haalt andere, nieuwe punten naar voren, zoals vermeld in de brief van de secretaris dd 15/10/02
(8). Ik zal hierop ingaan : 1. Onderbestaffing: waarom de Visitatiecommissie hier een punt aanhaalt, dat reeds door de Visitatiecommissie 2000 als voldoende beschouwd (VK 00, p7 lijn 12) werd, is niet duidelijk. In feite was de bestaffing 1994 3 FTE (SALU, Herzeel, Hennekes), 2000 4 FTE (Salu, Herzeel, Hennekes en Stefer) en 2002 (op het moment van de visitatie) 4.4 FTE (Salu, Herzeel, Hennekes, Sachse en Peetermans (4/10)). Na het vertrek van Dr. Sachse op 30/6/02 heb ik onmiddellijk Dr. Zawia als full-time resident voorgesteld, Dr. Evens als VII-29.683-6/20 consulent 1 /10 en voor het jaar 2003 een afgestudeerde assistent voorzien als vast staflid
(9). In het totaal zal dit neerkomen op 5.5 FTE. 2. Ingrepen exclusief door diensthoofd: het gaat hier eveneens om een misvatting die reeds in het verslag van de Visitatiecommissie '00 weerlegd is (VK 00, p5 lijn 4). In dit verslag wordt expliciet vermeld dat aparte operatieprogramma’s bestaan voor de stafleden. In de bijlage zijn operatieprogramma’s
(10)te vinden die duidelijk tonen dat zelfs op het moment van de visitatie Dr. Sachse (10 d-e) en Dr. Herzeel (10 a-b).) hun eigen operatieprogramma's hadden en dat zelfs een 4de jaars assistent over een eigen operatieprogramma beschikt (10 c). Er is dus geen sprake van dat 'Professor Hennekes alle heelkundige ingrepen bijna uitsluitend alleen uitvoert'.
  1. Protocols : ik beschouw het als een essentieel onderdeel van een opleiding elke patiënt individueel te benaderen en aldus attent te zijn voor afwijkingen op een schema. In zover bespreken wij alle patiënten individueel. Er bestaan wel officieuze basisprotocols die voortdurend geactualiseerd werden en die op elk moment geformaliseerd kunnen worden.
  2. Register : het is reeds in een brief aan Professor Bogaert vermeld
(1l), dat in het kader van het oprichten van een electronisch dossier op onze dienst, een complicatieregister zal opgebouwd worden. Een diagnoseregister bestaat actueel wel en dient ook als basis voor de facturatie.
  1. Derdelijnsfunctie : aangezien ik in begin van de jaren ‘90, als eerste aan de Belgische universiteiten, de faco-emulsificatietechniek (operatietechniek van de lens door kleinste incisies) geïntroduceerd heb - die inmiddels de standaard- techniek is - is onze dienst uiteraard voorbestemd voor voorsegmentchirurgie. In die zin zijn ook de doorverwijzingen van derdelijnspathologie van het voorsegment bij ons frequenter dan op andere diensten. Ik heb, na opmerkingen van de Visitatiecommissie 2000, ons aandeel aan achtersegmentchirurgie in 2001 om 78% en in de eerste helft van 2002 om meer dan 120% (basis: jaar 2000) opgedreven (zie ook 10 g-h). Naargelang de gehanteerde definitie zouden tot 75% van al onze ingrepen als derdelijn chirurgie beschouwd kunnen worden. 1/3 van onze patiënten worden door een collega oogarts direct (schriftelijk) doorgestuurd, 1/3 indirect (mondeling) en 1/3 komt op eigen initiatief of initiatief van de huisarts. Onder de verwijzende oogartsen is een groot aantal collega's die zelf opereren (ca 30%). Dit is ook duidelijk terug te vinden in de bijgaande operatieprogramma’s waar alle direct verwijzende oogartsen onderlijnd zijn en de zware pathologie met een X aangeduid (10d-f). Mijn streefdoel is ook een zeker percentage van eerste en tweedelijnspathologie aan te trekken om op die manier ook de opleidingsfunctie te kunnen verzekeren met minder moeilijke gevallen Aangaande de traumatologie dient opgemerkt te worden, dat de Visitatiecommissie de RIZIV-codes geëvalueerd heeft. Hier is alleen de hoofdingreep vermeld. Op die manier worden perforaties van het voorsegment met lensaantasting als cataractoperaties gekwalificeerd, terwijl perforaties van het achtersegment als vitrectomie gecodeerd werden.
  2. Directie activiteit : commentaar door mij niet mogelijk.
  3. Naambekendheid : De bekendheid in de Nederlandse oftalmologie is geen criterium voor algemene naambekendheid. Zoals blijkt uit mijn correspondentie is mijn naam wel degelijk bekend in andere landen. Ik heb meer dan 150 wetenschappelijke artikels gepubliceerd. De Visitatiecommissie '02 meent, dat geen verandering vast te stellen is ten opzichte van 24/2/
  4. Deze redenering kan ik niet volgen. - In 2000 was sprake van: 'de assistenten zijn unaniem ontevreden met de opleiding' (VK’00, p5 lijn 34 en 35), in 2002 heet het 'de ... GSO zijn globaal tevreden met de opleiding' ... (VK’02, p2 lijn 21). - In de kritiek van de minister is sprake van 'onvoldoende efficiëntie, supervisie en doorgedrevenheid van de heelkunde'. In het verslag van de VII-29.683-7/20 Visitatiecommissie ‘02 staat te lezen: 'de verschillende subspecialismen komen voldoende aanbod en er is voldoende supervisie ... en de beschik- baarheid van de stagemeester is groot' (VK’02, p2 lijn 26 tot 28). - Ook is in het verslag terug te vinden dat assistenten - naargelang het opleidingsniveau en interesse - operatie-onderdelen tot 50 zelfstandige cataractoperaties mogen uitvoeren (VK ‘02, p2 lijn 23 en 24, zie ook bijlage 12). Dit is trouwens voor mij niet tegensprakelijk. Volgens mij weerlegt de Visitatiecommissie ‘02 hiermee duidelijk haar eigen conclusies en is het evident, dat sinds 2000 veel in de goede zin veranderd is. Aangaande de punten exclusieve heelkunde door het diensthoofd en derdelijnsfunctie neemt de Visitatiecommissie ongetoetst uitspraken van een negatief ingesteld staflid over zonder inzage te nemen in de documentatie en zonder discussie met mij. Het ontbreken op dit moment van beschikbare cijfers - die trouwens niet gedetailleerd gevraagd waren
(13)- werd in mijn nadeel geïnterpreteerd. Er zijn elementen in dit dossier die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de objectiviteit. - Professor Polak, als woordvoerdster en enige oftalmologe in de commissie en kennis van Dr. Herzeel, heeft haar ondervraging op een éénzijdige manier gevoerd vertrekkend van negatieve voorafgaande informatie. Dit werd ook door de assistenten als zeer negatief ervaren (zie bijlage 11, pl lijn 3 -5). - De initiatiefnemers van de herhaaldelijke aanvallen sedert 10 jaren, Prof. De Laey en Prof. Dralands, zijn nu zelf leden van de Hoge Raad en vertegenwoordigen de oftalmologie overproportioneel. Bovendien zijn beiden de direct begunstigden van een reductie van onze dienst. Het valt op dat de Hoge Raad zonder Prof. De Laey en Prof. Dralands tot een andere, positieve beoordeling van onze dienst komt (zie besluit dd 20/10/99, bijlage 5). - De Visitatiecommissie gaat in haar besluit niet in op de positieve ontwikkeling van de dienst zoals gevraagd door de minister. Zij zoekt naar nieuwe negatieve elementen, wat niet de bedoeling kan zijn (6a en VK '02, p2 lijn 25). - Er werd dikwijls verwezen naar ontbrekende cijfers. Deze waren door de Visitatiecommissie niet expliciet gevraagd
(13). Uit het ontbreken ervan werden wel negatieve conclusies getrokken. Daarbij was het de afspraak aan het einde van de visitatie, dat ik nog gecontacteerd zou worden voor eventuele aanvullende gegevens. Het eerste gedeelte van de het verslag van de Visitatiecommissie '02 bevestigt in principe mijn repliek dd 3/5/02 en beantwoordt de vragen van de Minister positief. Nochtans is het besluit vernietigend terwijl het zich baseert op misvattingen (punt 1,2,5 en 7) en marginaliteiten (punt 3 en 4). Uit de historiek van dit dossier werd duidelijk dat het doorspekt is van subjectieve elementen tegen mijn persoon en men kan zich niet van de indruk onthouden dat het negatieve besluit reeds bij aanvang vaststond. Bij zo'n zware consequenties, ook voor de assistenten in opleiding, zou men de basisbeginselen van objectiviteit, zorgvuldigheid en sluitende bewijzen moeten volgen. Gezien de oftalmologische overmacht tegen mij in de Hoge Raad, het negeren van documenten en de disproportie tussen aantijgingen en voorgestelde sanctie lijkt het evident, dat dat niet het geval is. Ik vind dat men zich zou moeten baseren op juridisch houdbare en wettelijke gedefinieerde argumenten zoals bv. de gepubliceerde erkenningscriteria, en niet op irrelevante en willekeurig fluctuerende normen. Het spreekt alle regels van gerechtigheid en logica tegen, een stagedienst te vernietigen, die aan de wettelijke normen voldoet, die goede VII-29.683-8/20 opleidingsresultaten oplevert (REPL. 1) en waar alle assistenten tevreden zijn (11, 14)". 1.
  1. Na kennisneming van deze repliek deelt de Werkgroep van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen op 5 december 2002 aan verzoeker mee dat zij heeft beslist haar standpunt niet te wijzigen. 1.
  2. Op 13 december 2002 neemt de minister de bestreden beslissing. Deze is als volgt geformuleerd : "Geachte Professor, Betreft : Uw erkenning als stagemeester/stagedienst in de oftalmologie Op 18 oktober 1999 werd het besluit waarbij U erkend werd als stagemeester in de oftalmologie door de bevoegde Minister ondertekend. U kreeg daarbij de toelating om binnen de dienst oftalmologie van het A.Z. V.U.B. de volledige opleiding van maximaal 7 kandidaat-specialisten te verzekeren. Op 24 februari 2000 werd uw dienst bezocht door een visitatiecommissie, gemandateerd door de Hoge Raad van Geneesheren-Specialisten en Huisartsen. De commissie kwam unaniem tot het besluit dat de dienst oogheelkunde van het A.Z. V.U.B. niet beantwoordde aan wat men verwacht van een stagedienst voor volledige opleiding. De volgende knelpunten kwamen naar voor : - de organisatie van de opleiding van de kandidaten was onvoldoende efficiënt; - de chirurgische opleiding van de kandidaten was onvoldoende doorgedreven; - de supervisie van de kandidaten liet (t)e wensen over; - de wetenschappelijke productie was voor een universitaire dienst aan de magere kant. Op verzoek van de bevoegde Minister heeft de Hoge Raad voor Geneesheren-Specialisten en Huisartsen op 17 juni 2002 opnieuw een visitatiecommissie naar uw dienst gestuurd, teneinde na te gaan of de situatie in de stagedienst verbeterd was in vergelijking met de vorige visitatie. Deze visitatiecommissie kwam tot de volgende vaststellingen : - er is nog steeds een tekort aan stafleden : dit probleem zal vanaf 1 juli e.k. nog acuter worden door het ontslag van Dr. Sachse; - de heelkundige ingrepen worden nog steeds bijna uitsluitend door Prof. Hennekes uitgevoerd; - er bestaan geen duidelijke richtlijnen of protocols voor de diagnose en behandeling van de patiënten; - er wordt geen complicatie- en diagnoseregistratie bijgehouden; - de derdelijnsfunctie van de afdeling is onduidelijk en lijkt onvoldoende voor een universitaire opleidingskliniek ; cijfers over het aantal topreferente verwijzingen ontbreken, het aandeel van de afdeling in de topreferente functie van het ziekenhuis is niet bekend; - er zijn door de directie tot op heden geen initiatieven genomen om het aanslepende conflict in de dienst op te lossen; - de naam van de stagemeester is in Nederland niet bekend. Na inzage van het verslag van de visitatiecommissie, heeft de Werkgroep op haar zitting van 8/10/2002, bij meerderheid van stemmen, het volgende advies uitgebracht : - de dienst oftalmologie van het A.Z. V.U.B. kan ten hoogste in aanmerking genomen worden als stagedienst voor 2 jaar basisopleiding van 4 kandidaat- specialisten; VII-29.683-9/20 - de erkenning van Prof. Dr. Hennekes als stagemeester wordt ingetrokken : het A.Z. V.U.B. dient een nieuwe kandidaat-stagemeester voor te stellen. Op haar zitting van 3/12/2002 bevestigde de Werkgroep, na inzage en bespreking van de repliek die door u werd overgemaakt op 12 november 2002, unaniem haar standpunt. Rekening houdend met alle voorgaande elementen, moet ik vaststellen dat er sinds de brief van Mevr. Aelvoet van 11 december 2001, geen verbetering is opgetreden in de kwaliteit van de opleiding van de kandidaat-specialisten in uw stagedienst. Ik zie mij dan ook genoodzaakt het advies van de Werkgroep te volgen en de volgende beslissing te nemen : - de dienst oftalmologie van het A.Z. V.U.B. kan ten hoogste in aanmerking genomen worden als stagedienst voor 2 jaar basisopleiding van 4 kandidaat-specialisten; - de erkenning van Prof. Dr. Hennekes als stagemeester wordt ingetrokken : het A.Z. V.U.B. dient een nieuwe kandidaat-stagemeester voor te stellen. Deze beslissing zal eveneens aan de directie van het A.Z. V.U.B. meegedeeld worden".
  3. De ontvankelijkheid In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen beroep tot nietigverklaring noch een vordering tot schorsing heeft ingesteld tegen de beslissingen waarbij anderen de verantwoordelijkheid van zijn dienst toevertrouwd hebben gekregen, zodat het beroep volgens haar niet ontvankelijk is wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang. De verwerende partij toont niet in concreto aan hoe het belang van verzoeker bij de vernietiging van de intrekking van de erkenning als stagemeester teloor gaat door het niet bestrijden van de overdracht van de dienstverantwoordelijkheid aan een ander. De exceptie wordt verworpen.
  4. Ten gronde 3.1.
  5. Het eerste middel steunt op de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert tevens machtsoverschrijding aan. Volgens verzoeker laat de bestreden beslissing na de feitelijke gronden ervan te vermelden en beperkt zij zich er louter toe te verwijzen naar de vaststellingen van de visitatie- commissie van 24 februari 2000 en 17 juni 2002 en de adviezen van de Werkgroep van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen van 8 oktober VII-29.683-10/20 2002 en 3 december 2002, terwijl de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze motivering afdoende moet zijn, en uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in de beslissing zelf vermelde redengeving rekening kan worden gehouden, terwijl noch de verslagen van de visitatiecommissie, noch de omstandig gemotiveerde adviezen van de Werkgroep van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen bij de bestreden beslissing werden gevoegd, en deze evenmin voorheen op enige wijze aan verzoeker werden meegedeeld en terwijl de motivering van het bestreden besluit als zou "'rekening houdend met alle voorgaande elementen, vastgesteld moeten worden dat er sinds de brief van Mevr. Aelvoet van 11 december 2001, geen verbetering is opgetreden in de kwaliteit van de opleiding van de kandidaat-specialisten in uw stagedienst '" wegens een totaal gebrek aan precisie en concreetheid niet kan volstaan om de bestreden beslissing afdoende te motiveren. 3.1.
  6. De verwerende partij antwoordt dat de wet van 29 juli 1991 tot doel heeft de bestuurshandelingen verstaanbaar te maken voor de bestemmeling. Zij wijst er op dat verzoeker niet kan volhouden dat hij de draagwijdte van de bestreden beslissing niet heeft begrepen, vermits hij zelf verwijst naar de bezoeken van de visitatiecommissie ter gelegenheid waarvan hij telkens werd gehoord en dat hij al evenmin kan volhouden dat hij de draagwijdte van die documenten niet kende, aangezien hij ze zelfs heeft beantwoord. De verwerende partij verwijst verder naar de overwegingen in het reeds vermelde arrest nr. 124.555 van 23 oktober 2003 waarin dat middel als niet ernstig werd bevonden. 3.1.
  7. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker in essentie nog dat de verwerende partij volledig voorbijgaat aan de vaststelling dat de bestreden beslissing zelf niet de redenen weergeeft waarom de erkenning als stagemeester zou moeten worden ingetrokken. 3.1.
  8. In de uiteenzetting van het middel kan enkel een schending van de formele motiveringswet van 29 juli 1991 en van het zorgvuldigheidsbeginsel worden gelezen. VII-29.683-11/20 De belangrijkste bestaansreden van de formele motiveringsplicht, zoals die door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is opgelegd, is erin gelegen dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Dit laatste betekent meteen dat de gegeven motivering draagkrachtig moet zijn, of, anders gezegd, dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. De formele motiveringsverplichting houdt voor het bestuur evenwel niet de verplichting in alle door de verzoekende partij aangevoerde argumenten te beantwoorden, zoals dit krachtens artikel 149 van de Grondwet het geval is bij een rechterlijke uitspraak. Wanneer de motivering bestaat uit een verwijzing naar een eerder uitgebracht advies, vormt een dergelijke motivering een afdoende formele motivering voor zover het advies waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene bekend is en voor zover dat advies zelf afdoende is gemotiveerd. Om aan de bestaansreden van de wet tegemoet te komen is het derhalve niet vereist dat de inhoud van de tijdens de voorbereidende procedure ingewonnen adviezen in de beslissing wordt overgenomen. De bestreden beslissing in de voorliggende zaak verwijst vooreerst naar de bezoeken van de visitatiecommissie op 24 februari 2000 en 17 juni
  9. Er wordt telkens vermeld welke de knelpunten waren of welke vaststellingen de visitatiecommissie deed. Aldus wordt de strekking en de draagwijdte van het naar aanleiding van de bezoeken opgestelde verslag in de bestreden beslissing weergegeven. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt bovendien dat verzoeker reeds voordien kennis heeft kunnen nemen van de draagwijdte van de verslagen van de visitatiecommissie. In zoverre wordt verwezen naar de bezoeken en/of de verslagen van deze commissie kan van een schending van de formele motiveringsplicht geen sprake zijn, vermits verzoeker uit de bestreden beslissing kon afleiden tot welke bevindingen en conclusies die commissie was gekomen. VII-29.683-12/20 Verder wordt in de bestreden beslissing nog verwezen naar de adviezen van de Werkgroep van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen. Die adviezen zijn op hun beurt een verwijzing naar de door de visitatiecommissie gedane vaststellingen waarvan verzoeker bovendien op 14 oktober 2002 in kennis werd gesteld. Wat dit punt betreft, kan er evenmin sprake zijn van een schending van de formele motiveringsverplichting vermits verzoeker op een vrij eenvoudige manier kon lezen waarop het door de werkgroep uitgebrachte negatief advies was gestoeld. Verzoeker kan tenslotte niet worden bijgetreden in zijn zienswijze dat "rekening houdend met alle voorgaande elementen" de motivering een totaal gebrek aan precisie of concreetheid bevat. De formele motiveringsverplichting vereist geen eigen overweging van de tot beslissen bevoegde overheid: het kan volstaan dat wordt verwezen naar adviezen, waarvan de betrokkene kennis heeft en die voldoende en afdoende zijn gemotiveerd. Uit die handelwijze kan worden afgeleid dat de overheid die adviezen en de erin opgenomen motieven tot de hare heeft gemaakt. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  10. Het tweede middel is gesteund op de schending van artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, van artikel 5 van het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten, van artikel 1 en bijlage B van het ministerieel besluit van 26 april 1982 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren- specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van oftalmologie, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en op het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag: "Doordat de beslissing van de minister is gebaseerd op en verwijst naar de verslagen van de visitatiecommissie dd. 24 februari 2000 en 27 juni 2002 en naar de adviezen van 8 oktober 2002 en 3 december 2002 van de Werkgroep van de Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en een aantal door de visitatiecommissie geformuleerde kritieken, waaruit de minister besluit dat de kwaliteit van de opleiding van de kandidaat-specialisten in de stagedienst van verzoeker ondermaats is. VII-29.683-13/20 Terwijl de daarin vermelde motivering niet overeenstemt met de vastgestelde criteria tot erkenning als stagemeester, vermeld in artikel 5 van het MB van 30 april 1999 en bijlage B bij het MB van 26 april
  11. En terwijl artikel 40 § 1 van KB van 31 april 1983 nochtans stelt dat de erkenning als stagemeester slechts kan worden ingetrokken wanneer de stagemeester of de stagedienst niet langer aan de vastgestelde criteria voldoet, of wanneer de stagemeester sancties van strafrechtelijke, disciplinaire of administratieve aard heeft opgelopen. En terwijl in het bestreden besluit zelf geen enkele verwijzing naar deze wettelijk vastgelegde criteria is terug te vinden, laat staan dat wordt duidelijk gemaakt welke criteria zouden zijn geschonden. En terwijl alzo de minister tekort schiet in zijn motiveringsplicht, nu hij zelfs niet in het algemeen verwijst naar de voorwaarden waaraan verzoeker dient te voldoen, laat staan dat op afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom verzoeker niet aan die voorwaarden voldoet". 3.2.
  12. De verwerende partij antwoordt hierop in essentie dat het middel feitelijke grondslag mist aangezien de bestreden beslissing werd genomen op basis van verslagen van de visitatiecommissie die op een objectieve en onbetwistbare manier de gebreken van de dienst waarover verzoeker de leiding had, uiteenzetten, dat de commissie unaniem heeft vastgesteld dat de dienst oogheelkunde niet beantwoordde aan wat men verwacht van een stagedienst voor volledige opleiding, dat de verwerende partij naar aanleiding van nieuwe controlevisitaties niet anders kon dan vaststellen dat de situatie niet verbeterd was en dat enerzijds de beslissing gebaseerd is op objectieve verslagen opgesteld door specialisten, die op unanieme wijze beslissen over de noodzakelijkheid om de erkenning als stagemeester van verzoeker in te trekken en anderzijds op het reeds vermelde ministerieel besluit van 30 april 1999 dat uitdrukkelijk criteria voorschrijft die door verzoeker niet werden gerespecteerd. 3.2.
  13. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat de erkenning slechts kan worden ingetrokken wanneer op objectieve wijze wordt vastgesteld dat de stagemeester niet meer voldoet aan de criteria die door de wetgever uitdrukkelijk werden uitgetekend, terwijl in de voorliggende zaak geenszins enige toetsing werd gedaan aan de door de wetgever gehanteerde criteria en dat het feit dat hij als stagemeester op de hoogte diende te zijn van de criteria waaraan hij moest voldoen, niet automatisch betekent dat hij ook zelf zou moeten beoordelen in welke mate hij niet aan die criteria voldoet. VII-29.683-14/20 3.2.4.
  14. Artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, stelt dat wanneer de stagemeester of de stagedienst niet langer aan de vastgestelde criteria voldoet, of wanneer de stagemeester maatregelen of sancties van strafrechtelijke, disciplinaire of administratieve aard heeft opgelopen, de minister hetzij op eigen initiatief, hetzij op initiatief van de Hoge Raad, de erkenning kan intrekken en dat de minister enkel op eigen initiatief kan handelen, nadat hij zijn voornemen aan de betrokkene kenbaar heeft gemaakt en hij het advies van de Hoge Raad heeft ingewonnen. De criteria waarnaar wordt verwezen zijn vastgesteld in het artikel 5 en 6 van het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten en in artikel 1 en de bijlagen B en C van het ministerieel besluit van 26 april 1982 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van oftalmologie. 3.2.4.
  15. Verzoeker merkt terecht op dat noch in de bestreden beslissing noch in de verslagen van de visitatiecommissie noch in de adviezen van de werkgroep expliciet wordt aangegeven welke wettelijk vastgelegde criteria precies zijn geschonden. 3.2.4.
  16. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker aanvoert, kan zulks evenwel niet worden beschouwd als een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Enerzijds worden in de bestreden beslissing immers een aantal specifieke tekortkomingen aan verzoeker verweten, waarna wordt gesteld dat de dienst oftalmologie ten hoogste in aanmerking kan worden genomen als stagedienst voor twee jaar basisopleiding van vier kandidaat-specialisten, en waarbij verzoekers erkenning als stagemeester wordt ingetrokken, en is het hierbij evident dat de door de minister gemaakte beoordeling is geschied binnen het kader van de in de hierboven vermelde bepalingen opgesomde criteria. Anderzijds bevestigt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uitdrukkelijk de criteria voor de erkenning van geneesheren- specialisten, stagemeesters en stagediensten te kennen. Bijgevolg is voldaan aan het reeds bij de bespreking van het eerste middel vermelde normdoel van de in de wet van 29 juli 1991 vervatte formele motiveringsplicht. VII-29.683-15/20 3.2.4.
  17. Verzoeker had in zijn verzoekschrift voorts de mogelijkheid om enerzijds aan te tonen dat de in de bestreden beslissing opgesomde tekortkomingen geen verband houden met de reeds vermelde criteria, of om op z'n minst de Raad van State te overtuigen dat de door de minister gemaakte en in de bestreden beslissing weergegeven toetsing onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. Verzoeker heeft echter nagelaten zulks te doen, aangezien hij zich grotendeels beperkt tot een blote bewering waar hij stelt dat de in de bestreden beslissing "vermelde motivering niet overeenstemt met de vastgestelde criteria", en nalaat zulks te staven met voldoende concrete argumenten. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de hypothese als zou hij voldoen aan de wettelijk vastgelegde criteria op zich een zekere mate van ontevredenheid bij de kandidaat-specialisten niet uitsluit. Met deze opmerking slaagt verzoeker er evenwel niet in de onjuistheid of de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van de door de verwerende partij in de memorie van antwoord gemaakte overweging dat uit de unanieme ontevredenheid van de kandidaat-specialisten kan worden afgeleid dat alvast niet is voldaan aan de vereisten van artikel 5, eerste lid, 1/, 6/ en 7/ van het ministerieel besluit van 30 april 1999, laat staan dat hij hiermee zou overtuigen van de onjuistheid of de kennelijke onredelijkheid van de motivering van de bestreden beslissing in haar geheel. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.
  18. Verzoeker leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 37, 38, § 1 en 40, § 2 van het reeds vermelde koninklijk besluit van 21 april 1983 en uit de schending van de hoorplicht, het recht van verdediging en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In essentie betoogt verzoeker dat hij door de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen nooit werd uitgenodigd terwijl hij nochtans persoonlijk had moeten worden gehoord. Hij stelt verder dat hij nooit van de adviezen van die raad in kennis werd gesteld doch slechts van de conclusies. Tot slot stelt hij nog dat hij nooit inzage heeft gekregen in de verslagen van de visitatiecommissie. 3.3.
  19. De verwerende partij antwoordt dat verzoeker tijdens de bezoeken van de visitatiecommissie stelselmatig en op objectieve wijze werd gehoord en dat telkens wanneer hij in kennis werd gesteld van de inhoud van de controleverslagen VII-29.683-16/20 en van de beslissing die zij in dat opzicht overwoog te nemen, verzoeker omstandig zijn argumenten en grieven heeft neergeschreven. 3.3.
  20. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat hij niet op de gepaste wijze noch tijdig in kennis is gesteld van de adviezen en de standpunten van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen, dat hem nooit een met redenen omkleed advies ter kennis werd gebracht en dat ook de verslagen van de visitatiecommissie hem nooit ter kennis werden gebracht, hetgeen volgens hem nochtans uitdrukkelijk is voorgeschreven. 3.3.
  21. Daargelaten de vraag of, zoals verzoeker beweert, zulks daadwerkelijk door enige bepaling zou zijn voorgeschreven, kan zijn stelling als zou hij nooit in kennis zijn gesteld van de verslagen van de visitatiecommissie, en als zou hij niet van de inhoud ervan op de hoogte zijn geweest, niet overtuigen en wordt zij tegengesproken door de stukken van het dossier. Het feit dat verzoeker op vrij omstandige wijze heeft gerepliceerd op het verslag dat werd opgesteld naar aanleiding van het bezoek van de visitatiecommissie van 17 juni 2002, doet immers besluiten dat hij tevens van de inhoud van dat verslag en dus van de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag hebben gelegen, kennis heeft genomen. Met betrekking tot zijn argument dat hij niet werd uitgenodigd voor de beraadslagingen van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen, moet er op worden gewezen dat artikel 37, tweede lid, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 bepaalt dat de betrokkene mag vragen persoonlijk te worden gehoord. Van een schending van die bepaling kan dan ook geen sprake zijn vermits verzoeker op geen enkel ogenblik een dergelijke vraag heeft gesteld. Tot slot kan verzoeker evenmin worden bijgetreden in zijn stelling dat hij enkel van de conclusies van de adviezen van de Hoge Raad van geneesheren- specialisten en van huisartsen in kennis werd gesteld. Uit de brief van 14 oktober 2002 blijkt duidelijk dat de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen zich heeft gesteund op de verslagen van de visitatiecommissie waarvan verzoeker kennis heeft kunnen nemen. Uit diezelfde brief kan bovendien worden afgeleid dat het negatief advies is gesteund op het feit dat de toestand niet is verbeterd. Uit de stukken van het dossier kan voldoende worden afgeleid waarop het negatief advies is gesteund en waarom het advies ook negatief is. Het derde middel is niet gegrond. VII-29.683-17/20 3.4.
  22. Verzoeker leidt een vierde middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Hij bekritiseert daarbij in essentie dat in het verslag van de visitatiecommissie van 17 juni 2002 herhaaldelijk wordt gewezen op stavingsstukken die tijdens het bezoek van de commissie niet door verzoeker werden overhandigd, zonder dat hem op enig moment om deze stukken zou zijn gevraagd en zonder hem te hebben uitgenodigd bijkomende inlichtingen te verschaffen. Daarnaast voert verzoeker nog aan dat noch uit de brief van de Werkgroep van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen van 5 december 2002 noch uit de bestreden beslissing kan worden afgeleid of de in zijn repliek van 12 november 2002 uiteengezette argumenten naar behoren werden onderzocht. 3.4.
  23. In de memorie van antwoord herhaalt de verwerende partij dat verzoeker tijdens de bezoeken van de visitatiecommissie op 24 februari 2000 en 17 juni 2002 werd gehoord en dat zij zich niet heeft gebaseerd op niet-overgemaakte stukken om haar verslag op te stellen. 3.4.
  24. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker nog toe dat het ontbreken van stavingsstukken herhaaldelijk door de visitatiecommissie wordt benadrukt en dat zulks er op wijst dat de commissie er van overtuigd was dat deze stukken een belangrijke rol konden spelen in de besluitvorming aangaande verzoekers erkenning. 3.4.
  25. In zijn laatste memorie weerlegt verzoeker niet het standpunt van de auditeur dat er geen schending is van de formele motiveringsplicht. Hij stelt enkel het volgende: "Evenwel heeft beroeper in dit middel tevens de schending van de zorgvuldigheidsplicht opgeworpen, waarop niet wordt ingegaan door de auditeur. Er kan immers niet worden ontkend dat de visitatiecommissie in haar verslag herhaaldelijk verwijst naar een aantal stavingstukken die zij niet in haar bezit heeft omdat beroeper ze niet heeft overhandigd. Het feit dat het ontbreken van deze stavingstukken herhaaldelijk door de visitatiecommissie wordt benadrukt, duidt er op dat de commissie ervan VII-29.683-18/20 overtuigd was dat deze stukken een belangrijke rol konden spelen in de besluitvorming aangaande de erkenning van beroeper. De commissie beperkt zich echter tot de vaststelling dat deze stukken ontbreken, zonder dat zij ook maar enige moeite doet om deze stukken alsnog te vergaren. Zulks druist uiteraard in tegen de verplichting van de overheid om aan een zorgvuldige feitenvinding te doen en zelf het initiatief te nemen opdat zij zou beschikken over alle nodige stukken om tot een objectieve feitenvinding te kunnen komen". 3.4.
  26. Zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel werd gesteld, houdt de formele motiveringsplicht voor het bestuur niet de verplichting in alle door verzoeker aangevoerde argumenten te beantwoorden, zodat ook niet op elk argument van verzoekers repliek van 5 december 2002 moest worden ingegaan. Uit de brief van 5 december 2002 blijkt dat zijn repliek door de Hoge Raad van geneesheren- specialisten en van huisartsen werd besproken doch dat de werkgroep unaniem besliste haar standpunt niet te wijzigen. Verzoeker kan zowel uit de mededelingen van de adviezen van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen als uit de bestreden beslissing zelf afleiden waarom zijn erkenning wordt ingetrokken, zodat aan de doelstelling van de formele motiveringsplicht is tegemoet gekomen. Wat de door verzoeker aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, is het voorts zo dat dit beginsel de minister verplicht zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Het gegeven dat verzoeker doorheen de procedure zou hebben nagelaten de nodige stavingsstukken voor te leggen, is op zich net één van die feiten waar de minister, op basis van voormeld beginsel, rekening mee diende te houden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt geenszins in dat de minister enig initiatief had moeten nemen om dit euvel te verhelpen, zodat een schending ervan niet kan worden aangenomen. Het vierde middel is niet gegrond, VII-29.683-19/20 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-29.683-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.303 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.555 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.546 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.