id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.306 Rolnummer: A. 170356/VII-35511 Zaak: Arrest 182306 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-05 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.306 van 24 april 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.306 van 24 april 2008 in de zaak A. 170.356/VII-35.
- In zake : de NV LUNATIM, die woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV LUNATIM op 20 februari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 13 december 2005 tot het verbieden van het roken in openbare plaatsen; Gelet op het arrest nr. 160.427 van 22 juni 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; VII-35.511-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 februari 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. DE LANGE die, loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij baat een kansspelinrichting klasse II uit. 1.
- Het bestreden koninklijk besluit komt in de plaats van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen, dat wordt opgeheven. 1.
- Het bestreden besluit legt een rookverbod op in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. De artikelen 3, 4 en 5 bevatten afwijkingen op het principiële rookverbod, respectievelijk voor drankgelegenheden, frietkramen en horeca-inrichtingen. Aangezien de kansspelinrichting klasse II van de verzoekende partij niet beantwoordt aan de criteria voor deze afwijkingen, heerst er in beginsel een rookverbod. VII-35.511-2/6
- De ontvankelijkheid 2.
- De verzoekende partij betoogt dat zij onder de toepassing valt van het principieel en absoluut rookverbod, zoals bepaald in het bestreden koninklijk besluit, "terwijl voor drankgelegenheden, waaronder casino's en cafés, en voor horeca-inrichtingen een uitzonderingsbepaling en de mogelijkheid tot het installeren van een rookkamer is voorzien waarvan de grootte gelijk is aan 50% respectievelijk 25% van de totale oppervlakte". Zij meent dat zij dan ook het rechtens vereiste belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. 2.
- De verwerende partij werpt op dat, voor zover de verzoekende partij werknemers in dienst heeft die in de speelruimten zijn tewerkgesteld, er reeds een rookverbod geldt krachtens het koninklijk besluit van 19 januari 2005 betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook, zodat de verzoekende partij geen belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. 2.
- De verzoekende partij brengt in de memorie van wederantwoord hiertegen in dat het koninklijk besluit van 19 januari 2005 betreffende de bescher- ming van de werknemers tegen tabaksrook niet op haar kansspelinrichting van toepassing is. Artikel 2 van dat koninklijk besluit stelt volgens haar immers dat het rookverbod in werkruimten niet van toepassing is op gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie worden aangeboden en waar het toegelaten is te roken. In die uitzonderingsbepaling is wel sprake van dranken maar niet specifiek van alcoholische dranken. In een kansspelinrichting klasse II mogen wel dranken, maar geen alcoholische dranken worden geschonken. De kans- spelinrichting van de verzoekende partij zou bijgevolg onder deze uitzondering vallen, zodat het voormelde koninklijk besluit van 19 januari 2005 niet van toepassing is op haar inrichting, er geen rookverbod bestaat, en er niet kan worden teruggevallen op dat koninklijk besluit om haar belang te beoordelen. 2.
- In de laatste memorie voegt de verzoekende partij nog in essentie toe dat het bestreden besluit zich, anders dan het koninklijk besluit van 19 januari 2005, niet richt op werkplaatsen, maar op openbare plaatsen en dat de werkruimten bedoeld in het koninklijk besluit van 19 januari 2005 niet mogen worden gelijkge- schakeld met gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn, dat als het koninklijk besluit van 19 januari 2005 van toepassing zou zijn op haar inrichting, dit koninklijk besluit ook van toepassing zou zijn op restaurants, drankgelegenheden en VII-35.511-3/6 casino’s aangezien in al deze instellingen met personeel wordt gewerkt in de gelagzaal of speelzaal, die uiteraard toegankelijk is voor werknemers, dat het invoeren van een onderscheid tussen plaatsen waar al dan niet alcoholische dranken worden geschonken, aantoont dat een kansspelinrichting klasse II ten aanzien van het koninklijk besluit van 19 januari 2005 als een horeca-instelling dient te worden aanzien, waar het rookverbod niet van toepassing is en, ten slotte, dat het onaan- vaardbaar is dat een exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteund op het met het voorliggende annulatieberoep aangevochten criterium inzake het al dan niet schenken van alcoholische dranken. 2.
- Krachtens het koninklijk besluit van 19 januari 2005 betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook dient de werkgever het roken in de werkruimten te verbieden. Luidens artikel 3, 2/ van het koninklijk besluit van 19 januari 2005 moet onder "werkruimte" worden verstaan : "a) elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of in een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht; b) en elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of inrichting waar de werknemer toegang tot heeft". Artikel 2, 1/ bepaalt dat dit besluit niet van toepassing is op: "1/ alle gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden en waar het toegelaten is te roken, met toepassing van de artikelen 2, § 2, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen". Zoals in het Verslag aan de Koning dat aan het koninklijk besluit van 19 januari 2005 voorafgaat, wordt verduidelijkt, voorziet artikel 2, 1/ aldus enkel in een uitzondering op een rookvrije werkruimte in de voor het publiek bestemde gesloten plaatsen van horeca-inrichtingen waar het toegelaten is om te roken. Zowel uit artikel 2, § 2 van het door het bestreden besluit opgeheven koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen, waarnaar artikel 2, 1/ van het koninklijk besluit van 19 januari 2005 nog steeds verwijst, als in de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 juli 2006 tot wijziging van koninklijk besluit van 13 december 2005 tot het verbieden van het roken in openbare plaatsen, die het thans bestreden besluit hebben VII-35.511-4/6 gewijzigd, wordt vereist dat het verstrekken van dranken de “voornaamste” of thans “de belangrijkste en permanente” activiteit is. Dit is te dezen niet het geval. Luidens artikel 37, eerste lid, 4/ van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelin- richtingen en de bescherming van de spelers mag de exploitant van een kansspelin- richting klasse II in de speelzaal immers geen bar of restaurant uitbaten, noch zulks aan een derde toevertrouwen. Aangezien de speelautomatenhal die door de verzoekende partij wordt uitgebaat bijgevolg geen horeca-inrichting is, kan deze zich niet op die uitzondering beroepen. De speelautomatenhal van de verzoekende partij is derhalve een werkplaats waar krachtens het koninklijk besluit van 19 januari 2005 een rookver- bod geldt in zoverre de verzoekende partij daar werknemers tewerkstelt, hetgeen niet wordt betwist. De verzoekende partij zou derhalve, zelfs in geval van een vernietiging van het bestreden besluit, een rookverbod in de speelautomatenhal moeten handhaven. In haar laatste memorie brengt de verzoekende partij hiertegen vergeefs in dat het koninklijk besluit van 19 januari 2005 betreffende de bescher- ming van de werknemers tegen tabaksrook slechts van toepassing zou zijn op werkruimten die uitsluitend toegankelijk zijn voor personeel. In de definitie van "werkruimte" in voormeld artikel 3, 2/ van het koninklijk besluit van 19 januari 2005 wordt evenwel nergens vermeld dat het moet gaan om werkruimtes die uitsluitend toegankelijk zijn voor werknemers. Was dat het geval, dan zou de uitzondering die in artikel 2, 1/ van het koninklijk besluit van 19 januari 2005 is voorzien voor wat betreft de voor publiek bestemde gesloten plaatsen van horeca-inrichtingen waar het toegelaten is te roken, overbodig zijn. Er valt dan ook niet in te zien welk belang de verzoekende partij heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. De exceptie is gegrond en de vordering is niet ontvankelijk, VII-35.511-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-35.511-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.306 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.