id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.307 Rolnummer: Zaak: Arrest 182307 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.307 van 24 april 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.307 van 24 april 2008 in de zaken A. 128.741/VII-28.228 A. 135.920/VII-29.
- In zake : I. + II. Christina VAN DOMMELEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. GONTHIER, kantoor houdende te EKEREN, Kapelsesteenweg 195 tegen : I. + II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat P. SIFFERT, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- - D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christina VAN DOMMELEN op 30 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid van 3 september 2002 waarbij zij niet wordt toegelaten haar opleiding in de urologie aangevat op 1 januari 1992 verder te zetten en de door haar vervulde stages voor deze discipline niet worden goedgekeurd (zaak A. 128.741/VII-28.228); Gezien het verzoekschrift dat Christina VAN DOMMELEN op 25 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid van 18 februari 2003 waarbij zij niet wordt toegelaten haar opleiding in de urologie aangevat op 1 januari 1992 verder te zetten en de door haar vervulde stages voor deze discipline niet worden goedgekeurd (zaak A. 135.920/VII-29.651); Gelet op het arrest nr. 168.371 van 1 maart 2007 waarbij de zaken A. 128.741/VII-28.228 en A. 135.920/VII-29.651 worden samengevoegd, de VII-28.228 en 29.651-1/7 debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 februari 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS die, loco advocaat W. GONTHIER verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. SIFFERT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten Wat de feitelijke gegevens van de zaken betreft, wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 168.371 van 1 maart
- Ten gronde 2.
- Zaak A. 128.741/VII-28.228 De partijen betwisten niet dat uit een koninklijk besluit van 28 augustus 2002 blijkt dat het ontslag van de minister van Volksgezondheid die het bestreden besluit van 3 september 2002 heeft ondertekend, werd aanvaard. VII-28.228 en 29.651-2/7 Dit laatste besluit werd dus niet door de bevoegde minister genomen en moet alleen al om die reden worden vernietigd. 2.
- Zaak A. 135.920//VII-29.651 2.2.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoekster de schending van de motiveringsplicht aan, doordat de motivering van het bestreden besluit "zowel eenzijdig als in strijd met de werkelijkheid" is. Zij betoogt daarbij onder meer het volgende: "Eerste verantwoording 'Overwegend dat tijdens haar gehele opleiding kandidate geen enkel gunstig verslag van een stagemeester heeft kunnen voorleggen met enige uitzondering misschien van een verslag van Dr Y. Gerard, dat nadien werd herroepen'. Uit deze tekst blijkt onmiskenbaar ofwel een gebrekkige dossierkennis ofwel dat bewust documenten in het voordeel van verzoekster niet in rekening werden genomen. Immers er zijn wel gunstige verslagen van de feitelijke stagemeesters Prof. Dr P. Walter (...) en Prof. Dr C. Moulijn (...) en de gunstige verslagen van Dr Y. Gerard (...). Daarnaast zijn ook de gunstige verklaringen van artsen en verpleegkundigen die opgenomen zijn in de twee rapporten van de Visitatie- commissies (...). Er wordt beweerd dat Dr Y. Gerard een gunstig rapport zou hebben herroepen. Het is verzoekster onbekend dat een gunstig verslag van Dr Y. Gerard zou zijn herroepen. In voorkomend geval rijst de vraag wat werd herroepen en waarom het zo nodig was een verslag te herroepen. Dit terwijl Dr Y. Gerard zich in zijn getuigschrift (...) over het tweede jaar lovend heeft geuit over de inzet en motivatie van verzoekster en zegt dat haar kwaliteiten worden gewaardeerd!? Het attest van Dr Yves Gerard over het eerste jaar opleiding (...) luidt als volgt: 'tijdens die periode heeft deze kandidaat specialist uroloog voldoening geschonken en voldaan aan de vereisten voor opleiding die thans gelden'. Het getuigschrift van Dr Yves Gerard over het tweede jaar (...) van de basisopleiding luidt als volgt : 'tijdens de vooropleiding in mijn dienst hebben wij een aantal kwaliteiten van Dr van Dommelen kunnen waarderen. Er mag gezegd worden dat zij sterk gemotiveerd is om uroloog te worden. Zij heeft zich goed ingezet in het ziekenhuis en geeft blijk van gezonde werklust. Zij is plichtbewust en voelt zich erg betrokken bij het lot van de patiënten' Daarenboven heeft de erkenningscommissie in de vergadering 15 juni 1994 (...) vastgesteld dat verzoekster twee jaar en drie maanden stage heeft doorgemaakt bij Dr Yves Gerard met gunstig gevolg. Dat is volledig in tegenspraak met de beslissing van de minister dat de verrichte stage niet kan worden erkend. De summiere verantwoording geeft onmiskenbaar blijk van willekeurige en eenzijdige selectie van de documenten. Alleszins is er schending van het beginsel van de fair play. Dit motief is noch deugdelijk noch afdoende en in strijd met de gegevens". VII-28.228 en 29.651-3/7 2.2.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij daar tegenover dat artikel 25, § 2, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen waarnaar verzoekster verwijst, enkel betrekking heeft op de situatie waarin een geneesheer-specialist of een huisarts niet meer voldoet aan de erken- ningscriteria, in welk geval de minister na advies van de erkenningscommissie de erkenning kan intrekken, dat het hier echter gaat over de situatie waarin de stagemeester van oordeel is dat de kandidaat niet geschikt is voor de gekozen discipline, of ongewenst is geworden in zijn dienst en dat artikel 19 van hetzelfde koninklijk besluit uitdrukkelijk vermeldt welke mogelijkheden de erkenningscom- missie heeft, namelijk stopzetting van de stage of aanstelling van een andere stagemeester, zonder dat er sprake is van een "met redenen omkleed advies". Wat de verwijzing naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) betreft, merkt de verwerende partij op dat de kritiek van verzoekster is gericht tegen het advies van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen en om die reden geen gevolg kan hebben nu niet het advies maar wel het ministerieel besluit wordt bestreden, en dat verzoekster niet kan ontkennen dat het bestreden besluit wel degelijk is gemotiveerd, nu zij deze overwegingen zelf citeert en de motieven correct, pertinent en afdoende zijn. Wat de verwijzing naar de omzendbrief "dd. 92/25 van 05.02.1992" betreft, merkt de verwerende partij ten slotte op dat deze omzendbrief niet bindend is zodat de schending ervan hoe dan ook niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden. 2.2.
- De bestreden beslissing valt onder het toepassingsgebied van de motiveringswet, zodat zij formeel en materieel moet zijn gemotiveerd en het te dezen niet relevant is of toepassing wordt gemaakt van artikel 19 of van artikel 25, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 21 april
- In het eerste middel voert verzoekster zowel de schending aan van de formele als de materiële motiveringsplicht. Het argument van de verwerende partij als zou het middel zijn gericht tegen het advies van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen gaat niet op vermits de motieven letterlijk in de bestreden beslissing worden hernomen. VII-28.228 en 29.651-4/7 Terecht verwijst verzoekster naar een aantal stukken die het motief, als zou zij tijdens haar gehele opleiding geen gunstig verslag hebben kunnen voorleggen, tegenspreken. Hiertoe kan afdoende worden verwezen naar het besluit van stagemeester Dr. Gerard betreffende het eerste stagejaar, waarin wordt gesteld dat verzoekster voldoening heeft geschonken en heeft voldaan aan de vereisten voor opleiding, alsook naar de verklaring van Prof. Dr. Walter van 22 december 1994 volgens dewelke verzoekster onder meer heeft getuigd van een grote bekwaamheid in het assisteren en van een "volle opmerkzaamheid bij ingrepen", en naar verklaringen opgenomen in het verslag van de nederlandstalige kamer van de erken- ningscommissie urologie over het bezoek van de visitatiecommissie van 19 oktober
- Het middel is op dit punt gegrond. De indruk wordt immers gewekt dat een weldoordachte selectie van verscheidene elementen wordt doorgevoerd teneinde verzoekster in een kwaad daglicht te stellen terwijl andere stukken, die duidelijk in haar voordeel kunnen pleiten, achterwege worden gelaten. Het tweede onderdeel van het eerste middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de minister van Volksgezondheid van 3 september 2002 waarbij Christina VAN DOMMELEN niet wordt toegelaten haar opleiding in de urologie aangevat op 1 januari 1992 verder te zetten en de door haar vervulde stages voor deze discipline niet worden goedgekeurd (zaak A. 128.741/VII-28.228). Vernietigd wordt het besluit van de minister van Volksgezondheid van 18 februari 2003 waarbij Christina VAN DOMMELEN niet wordt toegelaten haar opleiding in de urologie aangevat op 1 januari 1992 verder te zetten en de door haar vervulde stages voor deze discipline niet worden goedgekeurd (zaak A. 135.920/VII-29.651). Artikel
- VII-28.228 en 29.651-5/7 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. VII-28.228 en 29.651-6/7 Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.228 en 29.651-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div