id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.322 Rolnummer: A. 161161/XII-4415 Zaak: Arrest 182322 - Schooltucht - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.322 van 24 april 2008 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.322 van 24 april 2008 in de zaak A. 161.161/XII-
- In zake : Victor SCHOTTE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Leysen, kantoor houdende te Kortrijk, Koning Albertstraat 24, bus 1 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 26 - Mandel en Leie, dat woonplaats kiest bij advocaten P. Vinckier, N. Vinckier en M. Vinckier, kantoor houdende te Roeselare, Hoogleedsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Victor Schotte, vertegenwoordigd door zijn ouders Robert Schotte en Kaatje Pollet maar thans meerderjarig, op 24 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 februari 2005 van de beroepscommissie van Scholengroep 26 “Mandel en Leie” van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij hij met ingang van 14 februari 2005 definitief wordt uitgesloten; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4415-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Vanden Bulcke, die loco advocaat J. Leysen verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Vinckier, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2004-2005 leerling in het eerste jaar van de derde graad humane wetenschappen aan het Koninklijk Atheneum (KA) Pottelberg te Kortrijk. Op maandag 31 januari 2005, een schooldag, doet zich in de buurt van de school -de precieze plaats van de feiten is punt van dispuut tussen partijen- een incident voor tussen verzoeker en D.D., een medeleerling uit dezelfde klas. Volgens zijn eigen verklaringen aan de politie geeft verzoeker aan D.D. “enkele vuistslagen op zijn gezicht” en “nog een kniestoot [...] mogelijks tegen zijn gezicht”. Aanleiding is, nog steeds volgens verzoekers verklaringen aan de politie, dat D.D. “met een nogal arrogante toon van ja” antwoordde op de vraag of hij verzoekers ex- vriendin “in het weekend gedurende de Aspi-fuif had gezoend”. Het slachtoffer wordt door de directeur naar de spoedgevallendienst van het AZ Groeninge te Kortrijk gebracht, waar de behandelende arts hersenschudding, snijwonden en fracturen vaststelt. Het slachtoffer zou als gevolg van deze aanval de rest van de week op school afwezig blijven. 1.
- De (begeleidende) klassenraad van het vijfde jaar humane wetenschappen van het KA Pottelberg notuleert op 1 februari 2005 : XII-4415-2/9 “De klassenraad beslist unaniem dat Victor Schotte van de school verwijderd wordt naar aanleiding van de slagen en verwondingen die hij heeft toegebracht aan een medeleerling, [D.D.]”. Na de ouders van verzoeker te hebben gehoord, neemt de directeur van het KA Pottelberg op 7 februari 2005 de beslissing “dat Victor Schotte definitief van onze school wordt verwijderd en dit vanaf maandag 14 februari 2005”. Na het recht op overleg te hebben uitgeoefend wordt door verzoeker tegen de beslissing van de directeur opgekomen bij de beroepscommissie. 1.
- Op 18 februari 2005 neemt de beroepscommissie de thans bestreden beslissing, waarbij verzoeker definitief wordt uitgesloten met ingang van 14 februari
- Deze beslissing wordt bij schrijven van 21 februari 2005 aan de raadsman van verzoeker betekend. De gegrondheid van het beroep Vooraf
- In het inleidend verzoekschrift worden vijf vernietigingsgronden aangevoerd. Met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft het bevoegde lid van het auditoraat zijn verslag beperkt tot een onderzoek van het derde middel, dat volgens hem de oplossing van het geschil mogelijk maakt. In dit derde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur “juncto art. 3 van het EVRM”. Een dergelijk middel vooronderstelt dat de feiten bewezen zijn en in rechte correct als tuchtvergrijp werden gekwalificeerd, maar dat in volkomen wanverhouding tot die feiten tot de opgelegde straf is besloten. Luidens de tweede volzin van voormeld artikel 24, tweede lid, doet de afdeling bestuursrechtspraak bij wege van arrest uitspraak over de conclusies van dat verslag. De Raad moet ter wille van het onderzoek van het derde middel dan ook uitgaan van de vooronderstelling dat de bestreden beslissing op deugdelijke grondslagen berust, en loopt daarmee niet vooruit op de eventuele XII-4415-3/9 beoordeling van de overige middelen waarin verzoeker precies die vooronderstelling bestrijdt. Uiteenzetting van het derde middel
- Verzoeker stelt dat de opgelegde tuchtsanctie, namelijk de definitieve uitsluiting, de meest drastische tuchtmaatregel is en dat het schoolreglement ook in andere tuchtsancties voorziet. Verzoeker zou voordien nooit aan een tuchtmaatregel zijn onderworpen. Hij verwijt het bestuur dat de definitieve uitsluiting werd opgelegd voor “een éénmalig -betreurenswaardig- feit”, in het midden van een schooljaar en tevens dat geen rekening werd gehouden met verzachtende omstandigheden, “zoals de droevige gemoedsgesteldheid van verzoeker na de breuk met zijn vriendin; de arrogantie waarmee [D.D.] had bevestigd het weekend voordien zijn ex-vriendin te hebben gekust; de inname van medicatie waarvan een arts schriftelijk heeft bevestigd dat deze een ontremmend neveneffect heeft en soms aanzet tot agressief gedrag”. Deze elementen hebben volgens verzoeker hun invloed op de “toerekenbaarheid” van de feiten en worden “ten onrechte zomaar aan de kant geschoven” op grond van overwegingen als de onrust op de school of het in gedrang komen van de veiligheid en sereniteit, welke verzoeker vage en onduidelijke verwijzingen noemt. Hij meent voorts uit de rechtspraak van de Raad van State te kunnen afleiden dat de tuchtstraf van de definitieve uitsluiting enkel niet kennelijk onredelijk wordt geacht wanneer het algemeen gedrag van de betrokken leerling te wensen overlaat of wanneer de leerling bij herhaling het schoolreglement overtreedt, wat in casu niet het geval zou zijn. Verzoeker herhaalt een en ander in zijn memorie van wederantwoord. Hij voegt daar aan toe dat de feiten zich afspeelden buiten de schoolmuren en vóór de schooluren en niet school-leerling gerelateerd zijn. Verzoeker stelt nog dat verwerende partij vertrekt vanuit de premisse dat de feiten aan verzoeker volledig toerekenbaar zijn en dat zij geen rekening houdt met de aangebrachte verzachtende omstandigheden, zodat in de visie van verzoeker de “premisse” van verwerende partij onjuist is. Tot slot herhaalt verzoeker dat de overwegingen die de tuchtsanctie moeten dragen, vaag, onduidelijk, onvoldoende concreet gemotiveerd zijn en terug te brengen zijn tot loutere stijlformules. Beoordeling XII-4415-4/9
- Het derde middel is geput uit een schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel “juncto art. 3 EVRM”. In de toelichting bij dit middel komt artikel 3 van het EVRM in het geheel niet meer ter sprake. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- Een schooloverheid beschikt bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid over een discretionaire beoordelingsvrijheid op het vlak van de op te leggen straf. Die discretionaire macht betekent evenwel niet dat de tuchtoverheid over een onbeperkte of willekeurige beoordelingsvrijheid zou beschikken. Voor de wettige uitoefening van deze beoordelingsvrijheid is onder meer vereist dat de opgelegde sanctie zich in een redelijk verband van evenredigheid verhoudt tot de in aanmerking genomen feiten. Zulks verplicht de overheid om haar maatregel vooraf te laten gaan door, en te steunen op een genoegzame afweging van de betrokken gegevens en van de relevante belangen die door de te nemen beslissing zullen worden geraakt. De Raad van State mag, in het kader van het hem opgedragen wettigheidstoezicht, nagaan of de overheid bij de bepaling van de strafmaat niet de grenzen van die beoordelingsvrijheid is te buiten gegaan en of de opgelegde straf geacht kan worden het resultaat te zijn van een behoorlijke afweging van alle betrokken belangen en gegevens.
- De door het schoolbestuur in aanmerking genomen feiten zijn het op 31 januari 2005 toebrengen van ernstige slagen en verwondingen door verzoeker aan zijn medeleerling D.D. in de onmiddellijke nabijheid van het atheneum. Verzoekers middel steunt op een aangevoerde onevenredigheid tussen die feiten en de door het bestuur opgelegde sanctie.
- Voor zover hij het bestuur verwijt geen rekening te hebben gehouden met zijn gemoedsgesteldheid en met het vermeend arrogante gedrag van D.D. antwoordt verwerende partij terecht dat deze elementen pas in de procedure voor de Raad van State voor het eerst ter sprake zijn gekomen en dat haar dan ook niet mag worden verweten er geen rekening mee te hebben gehouden. Eenzelfde XII-4415-5/9 opmerking geldt het in de context van dit middel zelfs maar eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde verwijt dat als verzachtende omstandigheid niet ermee is rekening gehouden dat de feiten zich afspeelden buiten de schoolmuren en vóór de schooluren en dat ze niet school-leerling gerelateerd zijn. 8.
- Wat verzoeker wél heeft doen gelden bij de beroepscommissie, is het feit dat de tuchtstraf van de uitsluiting de zwaarste straf is, dat er andere mogelijkheden bestonden en dat hij geen tuchtverleden had : “
- Er werd geen rekening gehouden met andere sanctiemogelijkheden terwijl die in het onderhoud met de directeur werden voorgesteld. Wij hebben o.m. voorgesteld dat er een contract met de leerling zou gemaakt worden. De directeur heeft hierop geantwoord dat er al voorgaanden zijn; dit tot onze verbazing vermits wij voor het onderhoud gevraagd hadden of er een tuchtdossier was en de directeur daarop negatief antwoordde. Aldus moeten wij besluiten dat bij het bepalen van de sanctie rekening werd gehouden met elementen die niet het voorwerp van de mogelijkheid van enige tegenspraak boden en dus de rechten van de leerling schenden”. Ook heeft hij voor de beroepscommissie gewezen op de door hem op het ogenblik van het incident ingenomen medicatie : “
- Directeur houdt geen rekening met het neergelegde medisch stuk. Aan de directeur werd een medisch stuk overhandigd waaruit blijkt dat Victor Schotte medicatie nam op het moment van de feiten en deze medicatie een ontremmend effect kan hebben”. 8.
- Dit zijn de enige voor de beroepscommissie aangevoerde grieven van verzoeker die op eventuele verzachtende omstandigheden te betrekken zijn. De Raad van State stelt vast dat de beroepscommissie niet verviel in stijlformules maar wel degelijk een concreet op de zaak afgestemd antwoord heeft gegeven op die grieven, zodat blijkt dat de bezwaren van verzoeker door de beroepscommissie ter dege in haar beoordeling werden betrokken. Zij repliceert met name : “3) Overwegende dat verzoekers in een derde grief aanbrengen dat geen rekening werd gehouden met andere sanctie mogelijkheden; Overwegende dat de bestreden beslissing vast stelt dat gelet ondermeer op de bijzondere ernst van de feiten, de grote onrust op school, het onmogelijk nog kunnen garanderen van de veiligheid en sereniteit op school zolang dader en slachtoffer aanwezig zijn en het gevaar voor het ordentelijk verstrekken van onderwijs, slechts de toepassing van de zwaarste sanctie passend en afdoende is; Dat de directeur daarmee noodzakelijk en gemotiveerd heeft beslist dat andere sanctiemogelijkheden zoals in het bijzonder het maken van een contract niet passend en afdoende waren; XII-4415-6/9 Overwegende dat de Beroepscommissie de directeur volgt in deze beslissing en dan ook met herneming van zijn motivering tot het oordeel komt dat enkel de zwaarste sanctie afdoende en passend is; Dat deze beslissing van de Beroepscommissie in de plaats komt van de beslissing van de directeur zodat niet hoeft te worden ingegaan op de bewering van verzoekers dat de directeur met elementen zou hebben rekening gehouden die niet aan tegenspraak waren onderworpen; Dat het derde grief bijgevolg niet overtuigt [...] 5) Overwegende dat verzoekers in een vijfde grief aanbrengen dat de bestreden beslissing geen rekening hield met een neergelegd medisch stuk; Overwegende dat de Beroepscommissie kennis neemt van een attest van Dr. J. Van Haut, waarin deze stelt dat Victor Schotte ten tijde van de feiten een vrij te verkrijgen middel tegen verkoudheid zou hebben genomen en dat dit middel een ontremmend effect zou hebben. Overwegende dat zelfs indien dit middel werkelijk door Victor Schotte zou zijn ingenomen en indien het werkelijk het beschreven effect zou hebben gehad, kan in alle redelijkheid niet worden aangenomen dat dit een zodanige invloed zou hebben gehad dat Victor Schotte geen schuld zou treffen aan de door hem gepleegde zware geweldpleging (wordt door verzoeker zelf niet voorgehouden) Evenmin meent de Beroepscommissie dat het mogelijks ontremmend effect van een middel tegen verkoudheid een afdoende verzachtende omstandigheid zou zijn om in hoofde van Victor Schotte omwille van zijn ernstige geweldpleging, niet de zwaarste sanctie te moeten toepassen; Ten overvloede merkt de Beroepscommissie op dat zelfs al zou het beweerd ontremmend effect, de feiten in hoofde van Victor Schotte minder verwerpelijk maken, dit niet wegneemt de verdere aanwezigheid van Victor Schotte op school, nog steeds de sereniteit en veiligheid in het gedrang zou brengen en niets zou veranderen aan de op school bestaande onrust; Dat het vijfde grief er de Beroepscommissie dan ook niet toe brengt een andere beslissing te nemen dan de directeur”. 8.
- De beroepscommissie heeft het beroep van verzoeker niet zonder meer aan de kant geschoven. Moeilijk kan worden betwist dat de feiten een “bijzondere ernst” vertonen. Aan verzoeker zal het niet onbekend zijn dat hij en D.D. medeleerlingen zijn in dezelfde klas. De beroepscommissie houdt dan ook niet zonder grond rekening met de grote onrust op school en het onmogelijk nog garanderen van de veiligheid en de sereniteit zolang dader en slachtoffer samen aanwezig zijn. Haar conclusie daaruit is dat andere sanctiemogelijkheden, zoals in het bijzonder het maken van een contract, niet passend en afdoende zijn, daarmee verzoeker antwoordend op zijn vraag naar een alternatieve straf. Verzoeker heeft zich in zijn bezwaarschrift bij de beroeps- commissie niet uitdrukkelijk gesteund op zijn “blanco” tuchtverleden als verzachtende omstandigheid, maar enkel indirect de vraag geopperd of de directeur al dan niet met een tuchtdossier rekening had gehouden. Ook zonder dat de beroepscommissie specifiek het tuchtverleden van verzoeker vermeldt, impliceert XII-4415-7/9 haar antwoord daarop dat het haar bekend moet zijn dat zij over een eerste tuchtvergrijp uitspraak doet. Tot twee maal toe bevestigt de beroepscommissie niettemin dat de ernst en het verwerpelijk karakter van het vergrijp in de concrete omstandigheden haar inziens enkel het opleggen van de zwaarste straf kunnen verantwoorden.
- Verzoeker overtuigt de Raad niet te concluderen dat de beroepscommissie tot haar besluit zou zijn gekomen zonder een behoorlijke afweging van alle betrokken gegevens en belangen. De geschetste omstandigheden in rekening brengend en de fouten stellende tegenover de sanctie, stelt de Raad van State niet vast dat het schoolbestuur bij het opleggen van de sanctie van de uitsluiting de grenzen van zijn beoordelings- bevoegdheid te buiten is gegaan en een beslissing heeft genomen die dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat geen andere zorgvuldig oordelende overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Daarmee wil niet gezegd zijn dat het bestuur voor het bedoelde feit geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid lag. Het is immers nu eenmaal eigen aan de uitoefening van discretionaire bevoegdheid, zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn die nochtans elk de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan; evenwel blijkt niet dat te dezen de opgelegde sanctie niet in een evenredige verhouding staat tot de feiten die er aanleiding toe gaven.
- Het middel gesteund op schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel “juncto art. 3 EVRM” is niet gegrond. Nu dit middel niet de oplossing van de zaak mogelijk maakt, is er aanleiding om een aanvullend onderzoek door het auditoraat te gelasten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. XII-4415-8/9 Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4415-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.322 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.