← België

Arrest 182323 - Overheidsopdrachten - 24/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.323 Rolnummer: A. 143031/XII-3967 Zaak: Arrest 182323 - Overheidsopdrachten - 24/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:57 Fiche Arrest nr 182.323 van 24 april 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.323 van 24 april 2008 in de zaak A. 143.031/XII-

  1. In zake : de NV ALBITUM, die woonplaats kiest bij advocaat C. De Wolf, kantoor houdende te Maarkedal, Etikhovestraat 6 tegen : de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Albitum op 23 oktober 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 augustus 2003 om de opdracht “Bijzonder Bestek 2003/04 - Renoveren dakbedekkingen tramloods en werkhuisgebouw Gentbrugge” niet toe te wijzen aan de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure en de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2007; XII-3967-1/5 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. De Wolf, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. Eyskens, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. In de statuten van verzoekende partij wordt in artikel 21 bepaald (stuk 13 van de verzoekende partij) : “De vennootschap wordt in al haar handelingen, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte, rechtsgeldig vertegenwoordigd door twee gezamenlijk optredende bestuurders, waarvan één bestuurder benoemd moet zijn op voordracht van houders van de aandelen van categorie A en één bestuurder benoemd moet zijn op voordracht, hetzij van de houders van de aandelen van categorie B, hetzij van de houders van aandelen van categorie C; Deze twee gezamenlijk optredende bestuurders moeten geen bewijs van een voorafgaand besluit van de raad van bestuur leveren. Tot uitvoering van het voorgaande zal een bekendmaking van een benoeming tot bestuurder steeds vermelden of de benoemde bestuurder al dan niet op voordacht van een bepaalde categorie aandeelhouders werd benoemd en zo ja met vermelding van welke categorie”.
  4. Uit haar stuk 17 blijkt dat te dezen het beroep is ingesteld door twee gezamenlijk optredende gedelegeerd bestuurders, zijnde de BVBA Jan Coumans en de BVBA Eric Moerman. De bekendmaking van hun benoeming in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 11 oktober 2002 vermeldt nergens of de voornoemde bestuurders benoemd werden op voordracht van een bepaalde categorie aandeelhouders, laat staan welke. Het blijkt derhalve niet dat het beroep conform artikel 21, eerste lid, van de statuten is ingesteld door twee gezamenlijk optredende bestuurders van wie de ene benoemd is op voordracht van de aandeelhouders van categorie A en de XII-3967-2/5 andere op voordracht van de aandeelhouders van categorie B of C. Aldus rijst de vraag of de verzoekende partij regelmatig in rechte is getreden.
  5. De verzoekende partij betoogt terzake in haar laatste memorie dat de leden van de raad van bestuur op 22 mei 2002 zijn aangesteld “zonder dat er sprake was van onderscheiden lijsten die door de aandeelhouders van categorie A, B en C werden voorgedragen”. Voorts stelt zij dat de bestuurders “allen met eenparigheid van stemmen” worden benoemd. Daaruit leidt zij af dat alle benoemde bestuurders werden voorgedragen door alle categorieën van aandeelhouders van de verzoekende partij, wat uit de eenparigheid bij de stemming wordt bevestigd. Aldus werd in de bekendmaking geen uitvoering meer gegeven aan het derde lid van artikel 21 van de statuten.
  6. Dit standpunt van de verzoekende partij wordt niet bijgevallen. De genoemde bestuurders zijn niet identificeerbaar als benoemd op voordracht van een van de categorieën bedoeld door het voornoemde artikel 21, eerste lid. Integendeel bevestigt verzoekende partij dat zij juist niét zijn benoemd op voordracht van de houders van een welbepaalde categorie van aandelen.
  7. De verzoekende partij vraagt voorts in haar laatste memorie een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap te stellen : “Is de rechtspraak waarbij op basis van een beperking van de omvang van de externe vertegenwoordigingsmacht van twee gezamenlijk optredende bestuurders, gesteund op een beperking die weliswaar in de statuten is voorzien doch niet effectief is bekendgemaakt in het benoemingsbesluit, in overeenstemming met artikel 9, derde lid van de Eerste Richtlijn (68/15/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van alle waarborgen, welke in de lid-staten worden verlangd van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken [...]”?. Meer bepaald wenst de verzoekende partij de vraag slechts in ondergeschikte orde gesteld te zien worden, namelijk “voor zover [de] Raad [...] van oordeel zou zijn dat, niettegenstaande de uitdrukkelijk opgenomen vertegenwoordigingsbevoegdheid door twee gezamenlijke optredende bestuurders, zoals vervat in artikel 21, lid 2 van de statuten van verzoekende partij, er toch geen rechtsgeldig optreden in rechte is”. XII-3967-3/5
  8. Krachtens artikel 234, derde lid, van het verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, is een rechterlijke instantie, waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden een vraag over onder meer de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dergelijke vraag moet echter pertinentie hebben voor de oplossing van het geschil om als prejudicieel te kunnen worden aangemerkt. Te dezen is de voorgestelde vraag bijzonder gebrekkig geformuleerd. Voor zover ze kan begrepen worden, beoogt ze “de rechtspraak”, of de interpretatie, te laten toetsen waarbij “op basis van een beperking van de omvang van de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid van twee gezamenlijk optredende bestuurders” een geldig besluit wordt vereist van het bevoegde orgaan van intern bestuur. Die kwestie doet in onderhavig beroep niet terzake. Hiervoor is de Raad van State er geenszins toe gekomen om, in afwijking van het aangehaalde artikel 21, tweede lid, van de statuten, toch het bewijs van een voorafgaand besluit van de raad van bestuur te vergen, maar wel om vast te stellen dat de verzoekende partij niet voldoet aan de statutaire handtekeningclausule waarin artikel 21, eerste lid, van de statuten voorziet. Het antwoord op de voorgestelde vraag is zonder relevantie voor de oplossing van de zaak en kan dan ook niet als prejudicieel worden aangemerkt.
  9. Op het verzoek tot het stellen van de aangehaalde prejudiciële vraag wordt niet ingegaan.
  10. Ambtshalve wordt vastgesteld dat niet blijkt dat de verzoekende partij regelmatig in rechte is getreden. Haar beroep is dienvolgens niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. XII-3967-4/5 Artikel
  12. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3967-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.323 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.