id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.417 Rolnummer: A. 160656/XIV-21984 Zaak: Arrest 182417 - Dienst Vreemdelingenzaken - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.417 van 28 april 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.417 van 28 april 2008 in de zaak A. 160.656/XIV-21.
- In zake :
- XXX,
- XXX, wonende te F. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 september 1973 en XXX, geboren op 30 mei 1972, beiden van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 8 maart 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 februari 2005 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 8 februari 2005, en van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 februari 2005 tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 10 februari 2005; Gelet op de beschikking van 15 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; XIV-21.984-1/13 Gelet op de beschikking van 14 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 19 maart 2008 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van M.-R. BRACKE, Voorzitter van de Raad van State; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen, die in persoon verschijnen, en van Advocaat S. FIERENS, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Verzoekers komen België binnen op 17 juli 2003 en verklaren zich voor de eerste maal vluchteling op 18 juli
- Deze asielaanvraag wordt op 22 september 2003 afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
- Op 23 maart 2004 verklaren verzoekers zich opnieuw vluchteling, op 26 maart 2004 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. 1.
- Op 28 april 2004 dienen verzoekers een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
- Op 13 december 2004 verklaren verzoekers zich voor de derde maal vluchteling. 1.
- Op 8 februari 2005 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Deze beslissing wordt op dezelfde dag aan verzoekers ter kennis gebracht en is de eerste bestreden beslissing: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die op 28/04/2004 (datumstempel op de aanvraag) bij het gemeentebestuur van 9140 Temse werd ingediend door de personen die verklaren te heten: XIV-21.984-2/13 XXX, geboren te Mitrovica op 28/09/1973, en echtgenote XXX, geboren te Mitrovica op 30/05/1972 en kinderen :Z., geboren te Mitrovica op 30/0111992, M., geboren te Mitrovica op 15/12/1993, Mi., geboren te Mitrovica op 30/08/1997, Mu., geboren te Mitrovica op 1510812001, nationaliteit : Joegoslavië (Servië-Montenegro), adres: B. in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik u mede dat dit verzoek ontvankelijk is doch ongegrond. Reden(en): De aanvraag is ontvankelijk om de eenvoudige reden dat de betrokkenen op 13/12/2004 een nieuwe asielaanvraag, de derde op rij, indienden. Deze procedure is op het moment van de behandeling van onderhavig regularisatieverzoek nog hangende. De ingeroepen motieven volstaan echter niet om een regularisatie van hun verblijfstoestand te rechtvaardigen. De raadsheer van de betrokkenen wijst erop dat de betrokkenen zouden afkomstig zijn van KleinJoegoslavië, in het bijzonder van de deelrepubliek Kosovo. Zij zouden behoren tot de etnische minderheid van de Roma. Hij haalt aan dat de Joegoslavische autoriteiten "problemen maken om paspoorten af te leveren aan Roma uit Kosovo." Derhalve zouden zij zich niet kunnen begeven naar de Belgische ambassade in Belgrado. Bovendien zou de bewegingsvrijheid van Roma in Kosovo beperkt zijn, wat een terugkeer in de weg zou staan. De raadsheer meent dat zij aangewezen zijn op de permanente bewaking van de KFOR. Hij verwijst daarbij naar niet-terugleidingsclausules van het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (verder CGVS genoemd). Verder wordt de algemene "onstabiele en gevaarlijke" situatie, met name voor de Roma uit Kosovo benadrukt. Het huis van de betrokkenen zou door Albanezen bezet zijn. Vooreerst dient opgemerkt dat de betrokkenen niet in het bezit zijn van enige documenten om hun identiteit en of afkomst te bewijzen. De problemen in hun land van herkomst, die ze uiteengezet hebben in het kader van hun eerste asielaanvraag, ingediend op 18/07/2003, hebben het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek door het CGVS. Deze asielinstantie besliste echter om hun aanvraag definitief af te wijzen op 18/09/2003 door middel van de Bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Uit deze beslissing blijkt dat de betrokkenen gedurende vier jaren in Montenegro verbleven hadden en dat ze hun vlucht uit Montenegro om socio-economische redenen hadden aangevat. De betrokkenen leefden in onmin met één bepaalde familie, wat een interpersoonlijke kwestie is en dus als gemeenrechtelijk van aard beschouwd wordt. De door hen naar voor gebrachte problematiek, die de aanleiding vormde voor hun landsvlucht, kon dan ook niet worden aanzien als een vorm van persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De betrokkenen maakten geenszins aannemelijk dat ze omwille van etnische, religieuze, politieke of andere gelijkaardige motieven, niet elders in Montenegro konden gaan wonen om uit de buurt van die ene familie te zijn. Verder dient gesteld dat er aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de betrokkenen ernstig werd getwijfeld gezien de opeenvolgende verklaringen niet eensluidend waren. Het CGVS meende dat de betrokkenen wel degelijk mochten worden teruggeleid naar de grens van het door hen ontvluchte land. De tweede asielaanvraag van de betrokkenen dd. 23/03/2004 werd op 26/03/2004 afgesloten met een weigering tot in behandeling name (bijlage 13 quater). Het indienen van een regularisatieverzoek kan geen soort "hoger beroep" vormen tegen de afwijzing van de asielaanvraag of tegen een verwijderingsbeslissing, nadat de betrokkenen reeds alle geëigende beroepsmogelijkheden uitgeput hebben. De rapporten, waarvan sprake is, schetsen enkel een beeld van de algemene situatie in het land. De betrokkenen slagen er niet in om het individuele risico inzake hun persoonlijke veiligheid aan te tonen bij een zelfs tijdelijke terugkeer. Nochtans rust de bewijslast bij de betrokkenen zelf. De raadsheer zelf laat weten dat de KFOR de etnische minderheden wel degelijk in bescherming nemen in Kosovo. Een eerder beperkte bewegingsvrijheid is onvoldoende reden om de regularisatie van hun verblijfstoestand te rechtvaardigen. Uit informatie waarover mijn dienst beschikt blijkt trouwens dat Roma wel degelijk kunnen verwijderd worden naar andere delen van ex- Joegoslavië, zijnde Servië, Kroatië, Slovenië, Montenegro, Macedonië en Bosnië-Herzegowina. De raadsheer van de betrokkene stelt dat de betrokkenen niet in het bezit zijn van de nodige documenten om de terugkeer aan te vatten. Het staat hen echter vrij om de hulp in te roepen van de Internationale Organisatie van Migratie OOM) om de nodige documenten te bekomen. Deze organisatie helpt ook bij huisvesting en andere problemen van praktische aard. Wat de eventuele nieuwe elementen in hun huidige, derde, asielaanvraag betreft, dienen de betrokkenen hoe dan ook het verloop van deze procedure af te wachten. De betrokkenen beweren goed geïntegreerd te zijn in België. Het begin van dit integratieproces situeert zich tijdens hun eerste asielprocedure. De duur van deze procedure en het daarmee samenhangende legale verblijf, te weten zo'n twee maanden, was echter niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Indien ze na de definitieve weigering van hun asielaanvraag op 18/09/2003 verder in ons land verbleven, dan was dit op illegale XIV-21.984-3/13 wijze. Uit illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden met het oog op regularisatie. Uit voorliggend dossier blijkt echter dat de betrokkenen reeds op 15/10/2003 Frankrijk inreisden, alwaar ze een asielaanvraag indienden. Op 19/02/2004 werd aan hen de beslissing van de Franse autoriteiten betekend aangaande hun op handen zijnde terugleiding naar België. Hun tweede asielaanvraag dd. 23/03/2004 nam om en bij de drie dagen in beslag, wat evenmin als onredelijk lang kan beschouwd worden. Op 14/09/2004 liet de wijkagent reeds weten dat zij niet meer verbleven op het door hen opgegeven adres. Op 12/10/2004 verklaarde België zich akkoord om de betrokkenen over te nemen uit Duitsland ingevolge de internationale afspraken vastgelegd in de Conventie van Dublin. Uit voorafgaande opsomming van feiten blijkt dat de betrokkenen niet op ononderbroken wijze in België verbleven hebben, zodat er weinig geloof kan gehecht worden aan hun beweerde goede integratie in het Rijk. De betrokkenen stelden dat ze hun integratie zouden staven door "ten gepaste tijd" stukken toe te voegen betreffende het schoollopen van de kinderen en de contacten met de buren. Daaruit kan afgeleid worden dat hun integratie zich klaarblijkelijk beperkt tot deze facetten van het dagelijks leven. Uiteindelijk werd geen enkel stuk ter staving van de integratie toegevoegd aan de aanvraag, zodat deze elementen niet weerhouden kunnen worden. De betrokkenen laten dus na om hun aanvraag te staven en te actualiseren. De ingeroepen motieven volstaan niet om een regularisatie van hun verblijfstoestand te rechtvaardigen. Het verblijf van de betrokkenen is toegestaan tijdens de duur van de asielprocedure. (...)”. 1.
- Op 8 februari 2005 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. Deze beslissingen worden op 10 februari ter kennis gebracht van de verzoekende partijen en zijn de tweede en de derde bestreden beslissingen: Ten opzichte van verzoeker: “(...) Overwegende dat betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 18/07/2003 die werd afgesloten met een negatieve beslissing door het CGVS op 22/09/
- Overwegende dat betrokkene een tweede asielaanvraag indiende op 23/03/2004 die werd afgesloten met een beslissing ‘weigering tot inoverwegingname’ door de DVZ op 26/03/
- Overwegende dat betrokkene een derde asielaanvraag indiende op 13/12/
- Overwegende dat betrokkene verklaart dat hij naar Duitsland ging en daar een asielaanvraag indiende. Overwegende dat hij verklaart dat hij op 12/12/2004 werd gerepatrieerd naar België. Overwegende dat betrokkene verklaart dat hij onmogelijk kan terugkeren naar Kosovo, dat hij schrik heeft van de Albanezen. Overwegende dat hij verklaart niet te kunnen terugkeren naar Servië omdat ze ook daar niet zouden worden aanvaard. Overwegende dat betrokkene geen enkel nieuw element aanbrengt met betrekking tot feiten of situatie die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielaanvraag waarin betrokkene die had kunnen aanbrengen. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. (...)”. Ten opzichte van verzoekster: “(...) Overwegende dat betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 18/07/2003 die werd afgesloten met een negatieve beslissing door het CGVS op 22/09/
- Overwegende dat betrokkene een tweede asielaanvraag indiende op 23/03/2004 die werd afgesloten met een beslissing ‘weigering tot inoverwegingname’ door de DVZ op 26/03/
- Overwegende dat betrokkene een derde asielaanvraag indiende op 13/12/
- Overwegende dat betrokkene verklaart dat zij naar Duitsland ging en daar een asielaanvraag indiende. Overwegende dat zij verklaart dat zij op 12/12/2004 werd gerepatrieerd naar België. Overwegende dat zij verklaart dat zij niet naar Kosovo, noch naar Servië kan terugkeren. Overwegende dat betrokkene verklaart dat zij via de media en via mensen die uit Kosovo waren teruggekeerd, vernam dat haar leven of haar vrijheid in gevaar is in Servië-Montenegro. Overwegende dat betrokkene geen enkel nieuw element aanbrengt met betrekking tot feiten of situatie die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielaanvraag waarin betrokkene die had kunnen aanbrengen. XIV-21.984-4/13 De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. (...)”.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt opgeworpen dat het voorwerp van het beroep dubbel of meervoudig is, waardoor er een probleem rijst met betrekking tot de ontvankelijkheid; Overwegende dat een verzoekschrift slechts een dubbel of meervoudig voorwerp kan hebben wanneer de vorderingen, wat hun voorwerp of grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering, hun weerslag zullen hebben op de uitslag van de andere; dat één en ander is ingegeven door het principe dat in het belang van een goede rechtsbedeling, en meer bepaald met het oog op de overzichtelijkheid van het geding, in de regel voor elke vordering een afzonderlijk geding dient te worden ingeleid; dat van deze basisregel slechts kan worden afgeweken wanneer de wezenlijke elementen van verschillende vorderingen zozeer samenhangen dat het in het belang van een goede rechtsbedeling is aangewezen die rechtsvorderingen als één zaak te behandelen; Overwegende dat in casu dient te worden vastgesteld dat de vereiste samenhang tussen de verschillende vorderingen ontbreekt; dat in het kader van de eerste bestreden beslissing de minister van Binnenlandse Zaken een uitspraak doet over een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en dat dit de verblijfsreglementering van vreemdelingen op het grondgebied van het Rijk betreft, terwijl de minister in het kader van de tweede en de derde bestreden beslissing een uitspraak doet over de asielaanvraag van verzoekers en dat dit de asielprocedure betreft; dat beide beslissingen met elkaar geen uitstaans hebben; Overwegende dat nu is vastgesteld dat tussen de respectieve beslissingen onvoldoende samenhang bestaat om in één en hetzelfde verzoekschrift te worden bestreden, in principe dient te worden besloten tot de ontvankelijkheid van het beroep voor zover het gericht is tegen de belangrijkste beslissing; dat echter zowel de eerste beslissing enerzijds als de tweede en de derde beslissing anderzijds een uitspraak doen over het statuut van verzoekers, zodat in casu moeilijk kan worden uitgemaakt welke beslissing voor verzoekers de meest relevante is; dat bijgevolg het verzoekschrift ontvankelijk wordt verklaard voor zover het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing, en dat dient te worden besloten tot de onontvankelijkheid van het beroep wat betreft de tweede en de derde bestreden beslissingen;
- Over de gegrondheid van de zaak. XIV-21.984-5/13 3.1.
- Overwegende dat verzoekers een eerste middel aanvoeren dat als volgt luidt: “
- Schending van art. 9, al. 3 van de wet van 15.12.80 en van art. 62 van de wet van 15.12.80 en van art. 3 van de wet van 29.07.91 betreffende de uitdrukkeliike motivering van bestuurshandelingen en van de algemene rechtsbeainselen en beqinselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de manifeste appreciatie fout. Volgens artikel 9, 30 van de wet van 15.12.1980 : « In buitengewone omstandigheden kan die machtiging (tot verblijf) door de vreemdeling worden aangevraagd bij de Burgemeester van de plaats waar hij verblijft. » Verzoekers verwijten tegenpartij hun verzoek niet ernstig behandeld te hebben, terwijl al de voorwaarden hiertoe aanwezig waren. In casu berusten de beslissingen van tegenpartij op een kennelijk verkeerde appreciatie, waarvan de controle door de Raad van State toegelaten is (M.A FLAMME, Droft Arninistratif, 1, Brussel, Bruylant, ULB, 1989, nr. 194 bis). In tegenstelling met de motivatie van de betwiste beslissingen dient opgemerkt te worden dat de door verzoekers aangehaalde uitzonderlijke omstandigheden betreffende de terugkeer naar hun land wel tijdelijk aanwezig zijn, en dat de verwijzing naar de motieven van hun asielaanvraag dan ook totaal onverantwoord is om de regularisatieaanvraag te weigeren. Immers, uit een schrijven uitgaande van de DVZ zelf gericht op 21/12/04 aan het Arbeidsauditoraat te Antwerpen werd formeel het volgende erkend (zie stuk.16) : ( ... ) dien ik u inderdaad te bevestigen dat Roma uit Kosovo momenteel niet kunnen worden uitgewezen. De VN - organisatie UNMIK weigert de terugname van deze mensen. De uitwijzing naar Kosovo is momenteel enkel mogelijk voor etnische Albanezen." Verder uit een omstandig omschreven verslag dd 03/12/04 door OCIV betreffende de toestand van de Roma in Kosovo blijken de volgende punten (zie stuk nr. 13) De UNHCR is van mening dat Roma uit Kosovo nog steeds internationale bescherming nodig hebben. Een binnenlands vlucht - of vestigingsalternatief in Servië of Monténégro acht de UNHCR in de meeste gevallen geen goede oplossing. Roma zullen elders in Servië of Monténégro niet legaal kunnen integreren en de kwaliteit van het leven zal niet kunnen voldoen aan de basisnormen voor een menswaardig leven. De toepassing van een binnenlandse vlucht - of vestigingalternatief in Servië of Monténégro leidt hoogstwaarschijnlijk tot verdere ontheemding. De UNHCR is van mening dat gedwongen terugkeer naar Servië of Monténégro op basis van het binnenlandse vlucht - of vestigingsalternatief een schending is van Resolutie 1244 van de VN Veiligheidraad. Deze resolutie refereert aan het veilig en ongehinderd terugkeren van alle vluchtelingen en ontheemden naar hun huizen in Kosovo. De toekomst van de minderheden in Kosovo heeft er nog nooit zo somber uitgezien. ( ... ) Op diverse plaatsen sloten de NAVO - vredestroepen de poorten van hun bases en keken toe terwijl de Servische huizen in brand stonden. Dit verslag waarvan men redelijk kan stellen dat het door tegenpartij goed bekend is, geeft bovendien een samenvatting van verschillende rechtspraken in het voordeel van de thesis van verzoekers, meer bepaald "verzoeker is niet in het bezit van een verblijfdocument en heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet in het bezit kan komen van een geldig paspoort. Voor het reizen naar Kosovo met een Eu document dan wel met behulp van het lom bestaat onvoldoende zekerheid." (blz.9) Zulks is uiteraard eveneens het geval voor verzoekers. Verzoekers verwijzen bovendien naar een recent verslag van Amnesty International dd 29/04/03 waar eveneens sprake is van een tegenaanwijzing voor het terugwijzen van Roma - minderheid in Kosovo. De stelling van tegenpartij zou trouwens strijdig zijn met art. 3 EVRM met name: "Niemand mag worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen ( ... )" Door geen rekening gehouden te hebben met deze hierboven vermelde bijzonder zwaarwichtige andersluidende internationale bronnen, heeft tegenpartij blijk gegeven van onzorgvuldigheid en gemis aan elementaire ernstigheid, en een zwaar appreciatiefout begaan. Aldus heeft het bestuur zijn beslissingen niet met de hem opgelegde substantiële motiveringsplicht naar behoren omkleed.”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende repliceert: “2.1 Betreffende de beslissing dd. 08.02.2005 houdende de verwerping van verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet als ongegrond. XIV-21.984-6/13 Desbetreffend beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van: het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, het art. 3 van de Wet dd. 29.07.1991, het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot stellen verzoekers dat er sprake is van een manifeste appreciatiefout. Ter ondersteuning van het middel gericht tegen de beslissing dd. 08.02.2005 houdende de verwerping van verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet als ongegrond, poneren verzoekers dat Ve aangehaalde uitzonderlijke omstandigheden betreffende de terugkeer naar hun land wel tijdelijk aanwezig zijn", waarna zij talrijke beschouwingen naar voor brengen aangaande de vermeende toestand in het land van herkomst. De verwerende partij is de mening toegedaan dat verzoekers middel feitelijke grondslag mist, en verzoekers hun aanvraag, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij kennelijk aanneemt, niet onontvankelijk werd verklaard. Inderdaad werd verzoekers hun aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 verworpen als ontvankelijk doch ongegrond. Het voormelde nu de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken na onderzoek vaststelde dat de ingeroepen motieven niet volstaan om een regularisatie van hun verblijfstoestand te rechtvaardigen, nu o.a.: blijkt dat betrokkenen niet op ononderbroken wijze in België hebben verbleven, er weinig geloof kan worden gehecht aan hun beweerde goede integratie, geen enkel stuk aangaande de vermeende integratie werd toegevoegd. Gelet op het voorgaande besliste de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken, na onderzoek en gelet op de concrete elementen die verzoekers situatie daadwerkelijk kenmerken, geheel terecht om verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf te verwerpen als ongegrond. 4 De gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken handelde daarbl, binnen de hem toebedeelde bevoegdheid en conform de ter zake relevante rechtsregels, het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet en het zorgvuldigheidsbeginsel incluis. Verzoekers beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Geheel ten overvloede laat de verwerende partij nog gelden dat de in casu bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven is voorzien opdat zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht. Immers, de formele motiveringsplicht, vervat in het wetsartikel waarvan verzoekers de schending aanvoeren, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, TB.P. 1996, 698). De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Am R. v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.JF. 1998, 693). Bij lezing van de bestreden beslissing blijkt genoegzaam dat de inhoud daarvan verzoekers het genoemde inzicht verschaft en aldus volstaat om hen toe te laten de bedoelde nuttigheidsafweging te maken. De bestreden beslissing is immers genoegzaam met redenen omkleed, aangezien daarin omstandig zowel haar juridische grondslag als haar feitelijke grondslag zijn vermeld. Deze vermeldingen laten verzoekers toe kennis te hebben van de gronden op basis waarvan hun aanvraag om machtiging tot verblijf ongegrond wordt verklaard en maken dat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Het normdoel dat ten grondslag ligt aan de in het besproken middel als geschonden aangeduide wetsartikelen is dus bereikt en de bestreden beslissing is genoegzaam gemotiveerd. Derhalve is de verwerende partij de mening toegedaan dat het middel niet kan worden aangenomen.”; 3.1.
- Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord het volgende aanvoeren: “De door tegenpartij aangehaalde motieven om de aanvraag om machtiging tot verblijf te verwerpen, met name dat betrokkenen niet op ononderbroken wijze in België hebben verbleven, dat er weinig geloof kan worden gehecht aan hun beweerde goede integratie die uit geen enkel stuk blijkt, beantwoorden geenszins aan de door verzoekers aangehaalde redenen, met name zowel de administratieve als de situationele onmogelijkheid tot terugkeer naar hun land van XIV-21.984-7/13 oorsprong Kosovo, gelet op de nog steeds ongeoorloofde intolerantie ter plaats jegens de Roma minderheid, waartoe verzoekers behoren, zoals trouwens omschreven in de omstandige internationale verslagen die neergelegd zijn geweest samen met het verzoek tot nietigverklaring. In die mate is de motivering van de bestreden beslissing alleszins niet deugdelijk en beantwoordt niet aan de formele motiveringsplicht. Verzoekers betwisten dus met klem dat het voldoende zou zijn dat zij louter kennis kunnen krijgen van de gronden op basis waarvan hun aanvraag om machtiging tot verblijf afgewezen werd, zonder in acht neming met de interne en externe legaliteit van deze beslissing.”; 3.1.
- Overwegende dat verzoekers in het eerste middel aldus de schending aanvoeren van de artikelen 9, derde lid, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, “meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de manifeste appreciatiefout”; 3.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, zoals dit gold ten tijde van de aanvraag en van de bestreden beslissing, als algemene regel voorschrijft dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat op basis van artikel 9, derde lid, zoals dit gold ten tijde van de aanvraag en van de bestreden beslissing, in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de XIV-21.984-8/13 Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; Overwegende dat de bestreden beslissing de aanvraag wel degelijk ontvankelijk, doch ongegrond verklaart; dat verzoekers in het middel de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de aanvraag door elkaar lijken te halen; Overwegende dat de kritiek van verzoekers dat “in tegenstelling met de motivatie van de betwiste beslissingen” de door hen aangehaalde uitzonderlijke omstandigheden wel aanwezig zijn, bijgevolg niet ter zake dienend is, nu de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag ontvankelijk heeft verklaard wat inhoudt dat hij aanvaardt dat er buitengewone omstandigheden zijn die het indienen van de aanvraag in België verantwoorden; dat hetzelfde kan overwogen worden voor de kritiek van verzoekers dat “de verwijzing naar de motieven van hun asielaanvraag (...) totaal onverantwoord is om de regularisatieaanvraag te weigeren”; dat de minister zich in zijn oordeel betreffende de gegrondheid van de aanvraag niet steunt op een verwijzing naar de asielaanvraag van verzoekers; dat de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag ongegrond heeft verklaard, en dus heeft geoordeeld dat de door verzoekers ingeroepen elementen ter integratie niet volstaan om een regularisatie van hun verblijfstoestand te rechtvaardigen; dat de minister hieromtrent in de bestreden beslissing stelt “dat de betrokkenen niet op ononderbroken wijze in België verbleven hebben, zodat er weinig geloof kan gehecht worden aan hun beweerde goede integratie in het Rijk”; dat de minister voorts beklemtoont dat “geen enkel stuk ter staving van de integratie (werd) toegevoegd aan de aanvraag” en dat verzoekers “dus na(laten) om hun aanvraag te staven en te actualiseren”; XIV-21.984-9/13 Overwegende dat verzoekers er in het middel niet in slagen de onjuistheid of de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van dit doorslaggevend motief van de bestreden beslissing; Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord nog aanvoeren dat de hierboven aangehaalde motieven in de bestreden beslissing geenszins beantwoorden aan de door hen in hun aanvraag aangevoerde elementen; dat uit de stukken van het dossier echter blijkt dat verzoekers zich in hun aanvraag omtrent de gegrondheid ervan hebben beperkt tot het volgende “Ter staving van hun goede integratie in België, zal ik ten gepaste tijd schoolattesten van hun kinderen voegen, evenals attesten van buren.”; dat hieruit duidelijk blijkt dat verzoekers zich in hun aanvraag hebben beperkt tot het louter vermelden van hun integratie, zodat de motieven van de bestreden beslissing hierop afdoende antwoorden; Overwegende dat verzoekers een schending van de door hen aangevoerde bepalingen en beginselen geenszins aannemelijk maken; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel aanvoeren dat als volgt luidt: “
- Schending van art.51/8 van de wet van 15/12/80 Betreffende de derde asielaanvraag van verzoekers meent tegenpartij ten onrechte dat zij geen enkel nieuw element aanbrengen met betrekking tot feiten of situatie die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielaanvraag (26/03/04) waarin betrokkenen die hadden kunnen aanbrengen. Integendeel, verzoekers hebben weldegelijk gewag gemaakt van de verslechtering of de verergering van de situatie van de Roma - gemeenschap waartoe zij behoren in Kosovo, zoals trouwens blijkt het uit verslag OCIV dd 03/12/04 en uit de brief van 21/12/04 van de DVZ zelf (zie stukken 13 en 16). In hun laatste asielaanvraag hebben betrokkenen dus weldegelijk nieuwe elementen aangebracht met betrekking tot feiten of een situatie die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van hun vorige asielaanvraag. Er weze terloops opgemerkt dat de DVZ op een bijzonder zorgeloosheid tewerk gegaan is, vermits blijkt uit het verhoorverslag dd 30/12/04 dat de vragen sub nr.21 t.e.m. 31 en nr.36 t.e.m. 40 onbeantwoord bleven en geen enkel melding kregen. Bovendien kan uit de vragen gesteld onder punt 41 niet uitgemaakt worden of verzoekers al dan niet de kans kregen om uit te leggen op welke nieuwe elementen hun derde asielaanvraag steunde. Hun antwoord dat zij schrik hebben van de Albanezen in Kosovo en dat er absoluut geen Roma meer terug in Kosovo kan, waar er geen plaats meer voor hen is, spruit voort uit een verergerde situatie van etnische minderheden in Kosovo waaronder de Roma, zoals overduidelijk blijkt uit het OCIV verslag waarvan sprake supra, verergering van toestand al maar te goed bekend door de DVZ, gelet op diens eigen schrijven van 21/12/04 aan het Arbeidsauditoraat te Antwerpen. Aldus heeft tegenpartij art.51/8 van de wet van 12/15/80 miskend.”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende repliceert: “2.2 Betreffende de beslissing dd. 08.02.2005 houdende de weigering om verzoekers derde asielaanvraag in overweging te nemen. XIV-21.984-10/13 Ter ondersteuning van het middel gericht tegen de beslissing dd. 08.02.2005 houdende de weigering om verzoekers derde asielaanvraag in overweging te nemen, beroepen verzoekers zich op een vermeende schending van het art. 51/8 van de vreemdelingenwet dd 15.12.
- Ter ondersteuning van het middel brengt de verzoekende partij een aantal beschouwingen naar voor aangaande een vermeende "verergerde situatie van etnische minderheden in Kosovo" Dienaangaande merkt de verwerend partij op dat art. 51/8 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziet dat een tweede asielaanvraag moet steunen "op nieuwe elementen, welke betrekking hebben gp feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen", alsook dat “de Minister of diens gemachtigde kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd [...] en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolg " in de zin van de Vluchtelingenconventie dd. 28.07.1951 (vetschrif ten onderlijning toegevoegd). In casu stelt de bestreden beslissing van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken terecht dat "betrokkene geen enkel nieuw element aanbrengt, met betrekking tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielaanvraag waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen". Terwijl in de respectievelijke beslissingen nadere toelichting wordt gegeven m.b.t. de door verzoeker en verzoekster aangebrachte elementen. Verwerende partij is dan ook van oordeel dat de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken bij het nemen van de in casu bestreden beslissingen dd. 08.02.2005, geheel handelde binnen de hem krachtens art. 51/8 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen verleende bevoegdheid, en conform de ter zake relevante rechtsregels Verzoekers hun summiere en ongestaafde kritiek kan aan het voorgaande geen afbreuk doen, terneer nu deze feitelijke grondslag mist. Zo wezen verzoekers ter ondersteuning van hun derde asielaanvraag geenszins naar een vermeende "verergerde situatie van etnische minderheden in Kosovo" (zie stukken 12 en 35 van het administratief dossier). De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers middel, gericht tegen de beslissingen dd. 08.02.2005 houdende de weigering om verzoekers derde asielaanvraag in overweging te nemen, niet kan worden aangenomen.”; 3.2.
- Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord het volgende aanvoeren: “Wat nu betreft de beslissing dd 08/02/05 houdende weigering om verzoekers derde asielaanvraag in overweging te nemen, blijkt nergens uit de stukken van het administratief bundel dat verzoekers dezelfde verklaring hebben afgelegd tijdens hun tweede en hun derde asielaanvraag. Immers, het gehoorrapport dd 26/03/04 (tweede asielaanvraag) luidt als volgt : "Betrokkene vroeg voor de tweede maal asiel aan omwille van de problemen die hij in zijn vorige asielrelaas naar voorbracht, Hij keerde niet terug naar Kosovo en bracht geen nieuwe elementen aan". De vragen onder nummers 42 t/m 46 werden gewoonweg niet beantwoord en in blanco gelaten, terwijl deze vragen toch bijzonder belangrijk waren voor de beoordeling van de nieuwe elementen voor het indienen van een tweede asleiaanvraag. Uit de nota's opgesteld tijdens het gehoorverslag op de DVZ op 30/12/04 tijdens de derde asielaanvraag werd het volgende genoteerd "Ik heb schrik van de Albanezen in Kosovo. De Albanezen willen absoluut geen Roma meer terug in Kosovo. Er is helemaal geen plaats meer voor Roma in Kosovo. Ik heb ook helemaal niets meer in KosovoKosovo is zelfs mijn land niet meer. Ik kan ook niet naar Servië gaan want daar worden wij ook niet aanvaard. De reden is omdat de Serviërs denken dat wij Albanezen zijn, gezien onze Albanese naam. Uit de vergelijking tussen beide verklaringen blijkt kennelijk dat de laatste verklaring elementen uitdrukken die niet teug te vinden zijn in de vorige verklaring tijdens de tweede asielaanvraag. Bovendien hebben verzoekers nieuwe elementen naar voren gebracht, al was het maar door het neerleggen van een nieuw ociv verslag dd 03/12/04, dus opgesteld na de vorige asielaanvraag dd 23/03/04 (zie stuk 13). Tegenpartij kan dus bezwaarlijk blijven stellen dat verzoekers geen nieuwe gegevens aangebracht hebben... XIV-21.984-11/13 Inderdaad, het hierboven vermelde ociv verslag, dat deel uitmaakt van de door verzoekers aangebrachte nieuwe elementen, werd zelfs niet in overweging genomen noch onderzocht, zonder de minste reden hiertoe. Verzoekers volharden in al hun middelen.”; 3.2.
- Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 3.2.
- Overwegende dat onder punt
- van huidig arrest werd besloten tot de onontvankelijkheid van het beroep wat betreft de tweede en de derde bestreden beslissingen; dat het tweede middel enkel is gericht tegen deze beslissingen, zodat dient te worden besloten dat het tweede middel zelf eveneens onontvankelijk is;
- Overwegende dat verzoekers geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd wat de eerste bestreden beslissing betreft en dat het beroep onontvankelijk is wat de tweede en de derde bestreden beslissingen betreft; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-21.984-12/13 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april tweeduizend en acht, door : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. M.-R. BRACKE. XIV-21.984-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.