id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.455 Rolnummer: A. 74856/IX-1633 Zaak: Arrest 182455 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.455 van 28 april 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.455 van 28 april 2008 in de zaak A. 74.856/IX-
- In zake : Herman DE BOECK, wonende te ERPE-MERE, Gentsestraat 88 tegen : de Vlaamse Milieumaatschappij, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE - LEUVEN Industrieweg 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman DE BOECK op 2 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 mei 1997 van de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij waarbij hem de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 24 februari 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1633-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat H.-K. CARÊME, die loco advocaat P. LUYPAERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker is sinds 1989 in dienst bij de Vlaamse Milieumaatschappij. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is hij bekleed met de graad van technisch beambte en oefent hij de functie uit van medewerker labo. Een functiebeschrijving is op 9 oktober 1996 door de verzoeker goedgekeurd. 1.
- Op 12 maart 1997 ontvangt de verzoeker het evaluatieverslag voor het jaar 1996, waarvan de einduitspraak luidt: “onvoldoende”. Op 25 maart 1997 stelt de verzoeker tegen die evaluatie beroep in bij de Raad van Beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen. In zijn advies van 23 april 1997 stelt de raad van beroep vast dat de evaluatie niet gebeurd is in overeenstemming met het personeelsstatuut van de Vlaamse Milieumaatschappij, onder meer omdat de evaluatie slaat op een periode van vier maanden (van 1 september tot 31 december 1996) in plaats van op een periode van een heel jaar (van 1 januari tot 31 december 1996). Hij adviseert eenparig dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. Op 22 mei 1997 beslist de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij evenwel om aan de verzoeker toch de vermelding “onvoldoende” toe te kennen. IX-1633-2/7 Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 3 juni 1997 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij voert aan dat het verzoekschrift geen ontvankelijke middelen bevat, maar slechts “een aantal holle beweringen waarvan iedere samenhang zoek is”. 2.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker twee grieven aanvoert. Hij voert vooreerst aan dat in het bestreden besluit geen rekening wordt gehouden met de overwegingen van het advies van de raad van beroep. Vervolgens stelt hij dat de motivering van de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist. Aldus blijkt dat de verzoeker de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht aanvoert. De exceptie is niet gegrond. Over de gegrondheid van het beroep 3.
- In een eerste middel voert de verzoeker aan dat in het bestreden besluit geen rekening wordt gehouden met de overwegingen van het advies van de raad van beroep, terwijl dat advies concreet en feitelijk correct een rol in de besluitvorming dient te spelen. In zijn memorie van wederantwoord stelt hij dienaangaande onder meer dat in het advies van de raad van beroep duidelijk gesteld wordt dat de gevolgde procedure in strijd is, zowel met het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende de organisatie van de Vlaamse Milieumaatschappij en de regeling van de rechtspositie van het personeel, als met de beslissing van de Vlaamse regering van 6 juni 1996 betreffende de lijst van de gemeenschappelijke principes die door de Vlaamse openbare instellingen moeten worden gevolgd bij de aanpassing van hun personeelsstatuten. De raad van beroep heeft de schending vastgesteld van de artikelen VIII 9, VIII 10, § 5, en VIII 27, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 en van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering. De raad van beroep was van IX-1633-3/7 oordeel dat deze tekortkomingen zo zwaarwichtig zijn dat hij tot de ongegrondheid van de evaluatie “onvoldoende” besloten heeft. De directieraad heeft echter met het unaniem advies van de raad van beroep geen rekening gehouden, en enkel gesteld dat de tekortkomingen in de besluitvorming “het gevolg zijn van omstandigheden buiten de verantwoordelijkheid van de Vlaamse Milieumaatschappij en dat de Vlaamse Milieumaatschappij tijdig alle acties heeft ondernomen om de statutaire procedures toe te passen”. De verzoeker besluit dat de motivering van de bestreden beslissing van de directieraad niet deugdelijk is. 3.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord en haar laatste memorie dat de evaluatie ten aanzien van de verzoeker, gezien de omstandigheden, correct en met inachtneming van alle principes omtrent een behoorlijke en zorgvuldige evaluatie verlopen is. Zij merkt op dat de evaluatie een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het statuut en dat de evaluatieprocedure die in onderhavig geval werd toegepast, gelet op de implementatiemoeilijkheden met nieuwe bepalingen, wel degelijk een objectieve evaluatie mogelijk maakte. Tevens stelt zij dat het aanvaardbaar is om, teneinde de invoering van een nieuw stelsel niet te bemoeilijken, de personeelsleden een eerste maal na een verkorte periode te evalueren. De kortere evaluatieperiode was in dit geval noodzakelijk ter vrijwaring van de continuïteit van de dienst. In afwachting van een beslissing van de minister was het, aldus de verwerende partij, gelet op het effectief functioneren van de betrokken administratie, belangrijk om de evaluatieprocedure te structureren op basis van de statutaire bepalingen. De nieuwe organisatiestructuur is op 1 september 1996 operationeel geworden. De verwerende partij stelt dat zij zo spoedig als mogelijk alle acties heeft ondernomen die noodzakelijk waren voor de doelmatige implementatie en operationalisering van deze nieuwe organisatiestructuur en van de functioneringsevaluatie. 3.
- Artikel VIII 15, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Vlaamse Milieumaatschappij en de regeling van de rechtspositie van het personeel luidt als volgt : “De functioneringsevaluatie gebeurt jaarlijks. Voor elke ambtenaar loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december.” Het advies van de raad van beroep stelt, wat de evaluatieperiode betreft, het volgende : IX-1633-4/7 “Overwegende dat de evaluatie de periode betreft van 1 september 1996 tot 31 december 1996, m.a.w. een periode van 4 maanden; Overwegende dat het huidig personeelsstatuut van de VMM een evaluatieperiode voorziet gaande van 1 januari 1996 tot 31 december 1996; Overwegende dat de Vlaamse regering op 6 juni 1996 besliste een uitstel te verlenen van 6 maanden, met name dat het eerste evaluatiejaar loopt van 1 juli 1996 tot 31 december 1996, behalve voor de VOI's die klaar zijn met de voorbereidingen en overeenkomstig het personeelsstatuut kunnen starten met de evaluatieperiode op 1 januari 1996; Overwegende dat in casu de evaluatie de periode betreft van 1 september tot 31 december 1996, m.a.w. een periode van 4 maanden, zodat de evaluatieperiode niet in overeenstemming is met het huidig personeelsstatuut van de VMM, noch met de voormelde beslissing van 6 juni 1996.” In het bestreden besluit beroept de directieraad zich op een aantal omstandigheden die zich “buiten de verantwoordelijkheid van de Vlaamse Milieumaatschappij” hebben voorgedaan en die tot gevolg hebben gehad dat “de evaluatieprocedure niet kon worden afgehandeld volgens het huidig personeelsstatuut en niet eerder dan 1 september 1996 kon worden gestart”. Deze “omstandigheden” blijken een reeks beslissingen te zijn die de Vlaamse Milieumaatschappij heeft genomen met het oog op het organiseren van de eerste evaluaties, ter uitvoering van het personeelsstatuut dat is vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 12 juni
- Het gaat met name om het ontwikkelen van “een aantal personeelsbeheerinstrumenten”, in het bijzonder “functiebeschrijvingen, opleiding voor functioneringsgesprekken, opleiding tot evaluator, communicatie- acties met betrekking tot de veranderingen”. Aldus worden in het bestreden besluit de volgende maatregelen opgesomd : - de organisatie van de Vlaamse Milieumaatschappij in zes afdelingen, door de minister bekrachtigd op 21 december 1995; - de aanwijzing van de afdelingshoofden met ingang van 1 juli 1996, door de minister bekrachtigd op 13 juni 1996; - de organisatie van de afdelingen, door de directieraad goedgekeurd op 29 juli 1996; - de vaststelling van de lijst van de evaluatoren, door de directieraad goedgekeurd op 29 juli 1996; - de vaststelling van de dienstaanwijzing en de standplaats van de personeelsleden, bij besluit van de administrateur-generaal van 2 oktober 1996; - de opleiding in functioneringsgesprekken die voor leidinggevenden werden georganiseerd en de functioneringsgesprekken die plaatsvonden in 1995, de opleiding in planningsgesprekken die gedurende de maanden augustus en IX-1633-5/7 september 1996 voor de evaluatoren werd georganiseerd, en de informatiesessies die voor alle medewerkers werden georganiseerd. Noch de voormelde omstandigheden, noch de eveneens in het bestreden besluit gedane vaststelling dat de nieuwe organisatiestructuur van de Vlaamse Milieumaatschappij operationeel is geworden op 1 september 1996, kunnen verantwoorden dat de directieraad voorbijgaat aan de door de raad van beroep gedane vaststelling dat aan de verzoeker een evaluatie werd toegekend voor een evaluatieperiode die slechts vier maanden bedraagt, terwijl het personeelsstatuut van de Vlaamse Milieumaatschappij in een evaluatieperiode voorziet gaande van 1 januari tot 31 december. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat niet in concreto is rekening gehouden met het advies van de raad van beroep, met name op het punt van de te korte duur van de evaluatieperiode, is het gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 22 mei 1997 van de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij waarbij aan Herman DE BOECK de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1633-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1633-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.455 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.