← België

Arrest 182456 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.456 Rolnummer: A. 74923/IX-1711 Zaak: Arrest 182456 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.456 van 28 april 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.456 van 28 april 2008 in de zaak A. 74.923/IX-

  1. In zake : Daniël LAERMANS, wonende te Knokke-Heist, Piers de Raveschootlaan 121/0021 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel - Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël LAERMANS op 9 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 mei 1997 van het College van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij hem de evaluatie "onvoldoende" wordt toegekend; Gezien de "toelichtende memorie " van de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 april 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-1711-1/7 Gelet op de beschikking van 5 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van het bestreden besluit is de verzoeker ambtenaar met de graad van directeur-arts (voorheen: inspecteur-generaal) bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Gezondheidszorg, afdeling Verzorgingsvoorzieningen. 1.
  4. Op 27 februari 1997 ontvangt de verzoeker zijn beschrijvend evaluatieverslag over het jaar
  5. In het verslag wordt door de evaluatoren opgemerkt dat de verzoeker uitgenodigd is voor een evaluatiegesprek, maar dat hij duidelijk heeft laten verstaan dat hij niet door zijn afdelingshoofd geëvalueerd wenste te worden. Het verslag besluit met de eindvermelding "onvoldoende". De verzoeker voegt aan het evaluatieverslag een aantal opmerkingen toe. Op 5 maart 1997 stelt de verzoeker tegen de evaluatie beroep in. Op 10 april 1997 verklaart de Raad van Beroep het beroep ontvankelijk, en adviseert hij eenparig dat de evaluatie "onvoldoende" niet gegrond is. IX-1711-2/7 Bij besluit van het College van secretarissen-generaal van 7 mei 1997 wordt aan de verzoeker niettemin definitief de vermelding "onvoldoende" toegekend. Dit is het bestreden besluit. 1.
  6. Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 wordt aan de verzoeker, op zijn verzoek, met ingang van 1 september 1998 een verlof voorafgaand aan de pensionering toegestaan. Over de rechtspleging
  7. De verzoeker heeft op 4 november 1997 een toelichtende memorie ingediend. Nu de verwerende partij een regelmatige memorie van antwoord heeft ingediend is dergelijke toelichtende memorie een niet door het algemeen procedurereglement voorzien stuk. Om die reden wordt zij uit de debatten geweerd. De verzoeker heeft daarna een regelmatige memorie van wederantwoord ingediend. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
  8. De verwerende partij heeft bij brief van 12 november 1998 medegedeeld dat bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 aan de verzoeker met ingang van 1 september 1998 een verlof voorafgaand aan de pensionering wordt toegestaan. Zij meent dat de verzoeker hierdoor elk belang bij de vordering verloren heeft. 3.
  9. De stelling van de verwerende partij kan niet worden bijgevallen. De verzoeker behoudt immers op zijn minst nog een moreel belang bij de vernietiging van de beslissing waarbij hem een ongunstige evaluatie wordt toegekend. Over de gegrondheid van het beroep 4.
  10. De verzoeker roept onder meer een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel VIII 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van IX-1711-3/7 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams personeelsstatuut) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker voert aan dat artikel VIII 10, § 5, van het Vlaams personeelsstatuut voorschrijft dat een evaluatiegesprek wordt gehouden, en dat artikel VIII 10, § 6, bepaalt dat het evaluatieverslag wordt opgesteld na het evaluatiegesprek. Hij verwijst naar het advies van de Raad van Beroep, die heeft opgemerkt dat het afdelingshoofd heeft toegegeven dat geen evaluatiegesprek als zodanig heeft plaatsgevonden, en dat hij zelfs, na een mislukt mondeling contact, geen ernstige pogingen heeft ondernomen om zulk gesprek te houden. Het is nochtans aan de evaluator om alle normale en redelijke inspanningen te leveren opdat het evaluatiegesprek zou kunnen doorgaan en om dan op een zorgvuldige wijze een evaluatie op te stellen, na bespreking van alle gegevens met de betrokkene. Het evaluatieverslag, dat niet getoetst is aan de persoonlijke visie van de verzoeker, steunt te dezen op verkeerde en overtrokken uitgangspunten, wellicht mede ingegeven door de communicatiestoornis bij de mislukte poging tot het houden van het evaluatiegesprek. In zijn memorie van wederantwoord betwist de verzoeker de voorstelling in het evaluatieverslag als zou hij voor een evaluatiegesprek zijn uitgenodigd en als zou hij een dergelijk gesprek geweigerd hebben. 4.
  11. In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat uit het beschrijvend evaluatieverslag blijkt dat de verzoeker voor een evaluatiegesprek werd uitgenodigd, maar dat hij dit gesprek geweigerd heeft. Dat het evaluatiegesprek niet doorging, ligt niet aan de evaluator, maar aan de verzoeker. Overigens heeft de verzoeker zijn opmerkingen op het evaluatieverslag gegeven en een verweerschrift ingediend, en is met die gegevens rekening gehouden bij het nemen van het bestreden besluit. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de verzoeker wel degelijk werd uitgenodigd voor een gesprek, zij het dat niet uitdrukkelijk werd gesteld dat het om een evaluatiegesprek ging. Voorts wijst de verwerende partij erop dat het evaluatiegesprek niet doorging bij gebrek aan medewerking van de verzoeker en wegens diens onvermogen tot communicatie. Zij stelt dat het afdelingshoofd niet ten kwade geduid kan worden dat hij geen uitputtende pogingen heeft ondernomen om een evaluatiegesprek te houden. IX-1711-4/7 4.
  12. Artikel VIII 10, §§ 5 en 6, van het Vlaams personeelsstatuut, zoals van toepassing op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, bepaalt wat volgt: "§
  13. Na afloop van elke evaluatieperiode wordt de geëvalueerde uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Tijdens dit evaluatiegesprek geeft de geëvalueerde ook zijn eigen visie weer op zijn functioneren tijdens de evaluatieperiode. (...) §
  14. Na het evaluatiegesprek wordt het definitieve beschrijvende evaluatieverslag opgesteld door de evaluatoren. (...)". Te dezen wordt niet betwist dat de evaluatie aan de verzoeker is toegekend zonder voorafgaand evaluatiegesprek Het beschrijvend evaluatieverslag stelt in dit verband: "Een mondelinge evaluatie door het afdelingshoofd heeft niet kunnen plaatshebben. Woensdag 13 februari om 9 uur 's morgens heb ik dr. Daniël Laermans uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Hierbij gaf dr. Laermans duidelijk te kennen dat hij door een snotneus als mij niet wil geëvalueerd worden : ‘Gij weet niet wat ge hier allemaal al kapot hebt gemaakt. 'k Zal ik u eens evalueren. We zullen eens zien of dat gij hier binnen enkele maanden nog zult zijn.’" In zijn opmerkingen bij het beschrijvend evaluatiegesprek merkt de verzoeker dienaangaande het volgende op: "Ik heb nooit geweigerd om geëvalueerd te worden. Op wo. 13.2.97 werd geen gewag gemaakt van een evaluatiegesprek (getuige Mevr. B.)." In zijn beroepschrift voor de Raad van Beroep stelt de verzoeker bovendien: "- Ik werd door het afdelingshoofd, nl. de 1ste evaluator, nooit gevraagd om over te gaan tot een evaluatiegesprek. - In het evaluatieverslag is er sprake van zulk een vraag op woensdag 13 februari om 9 uur 's morgens. Hierop moet worden aangemerkt dat de 13de februari op een donderdag valt en de woensdag op de 12de februari. Bovendien is het afdelingshoofd nooit aanwezig op de dienst om 9 uur, meestal komt hij toe tussen 10 en 11 uur. Dit toont dus reeds aan dat er geen vraag geweest is naar een door de procedure voorzien evaluatiegesprek." IX-1711-5/7 De Raad van Beroep, die onder meer de eerste evaluator gehoord heeft, overweegt: "dat de verzoeker stelt dat geen evaluatiegesprek plaatshad, evenmin als een opvolgings- of functioneringsgesprek door de eerste en tweede evaluator; dat het afdelingshoofd toegeeft dat er geen evaluatiegesprek als dusdanig heeft plaatsgehad, terwijl uit het dossier geenszins blijkt dat er functionerings- of opvolgingsgesprekken plaatshadden, zoals beweerd door het afdelingshoofd; dat de evaluator toegegeven heeft dat hij mondeling noch schriftelijk ernstige pogingen heeft ondernomen om een evaluatiegesprek te houden na een mislukt mondeling contact, zoals dit blijkt uit het evaluatieverslag." In het bestreden besluit van het College van secretarissen-generaal wordt daarentegen overwogen: “... de eerste evaluator heeft de heer Daniël Laermans uitgenodigd voor een evaluatiegesprek, maar betrokkene heeft op een botte wijze geweigerd om daarop in te gaan; de eerste evaluator heeft vervolgens een beschrijvend evaluatieverslag opgemaakt en voor kennisneming voorgelegd aan de heer Daniël Laermans, die het verslag ondertekende en er een aantal opmerkingen aan toevoegde; Overwegende dat de heer Daniël Laermans in zijn bemerkingen op het evaluatieverslag niet heeft ontkend dat hij uitgenodigd werd tot een evaluatiegesprek, maar dat die ontkenning pas later, in zijn verweerschrift voor de Raad van Beroep, naar voren kwam." Uit het dossier blijkt aldus dat in het evaluatieverslag weliswaar wordt gesteld dat de verzoeker is uitgenodigd voor een evaluatiegesprek en dat hij een dergelijk gesprek geweigerd zou hebben, maar dat de verzoeker, zowel in zijn opmerkingen op het evaluatieverslag als in zijn beroepschrift voor de Raad van Beroep, die voorstelling van de feiten heeft betwist. Voor de Raad van Beroep heeft de eerste evaluator bovendien toegegeven dat er geen uitnodiging is geweest voor een evaluatiegesprek als zodanig. In het licht van deze gegevens kon het College van secretarissen- generaal in redelijkheid niet zonder bijkomend onderzoek voor waar aannemen dat de verzoeker door de eerste evaluator voor een evaluatiegesprek is uitgenodigd en dat de verzoeker geweigerd heeft op een dergelijke uitnodiging in te gaan. Het feit dat de verzoeker het gezag van zijn afdelingshoofd niet aanvaardt of zelfs de statutair bepaalde evaluatielijnen in twijfel trekt, zoals in het bestreden besluit wordt overwogen, doet aan die vaststelling geen afbreuk. IX-1711-6/7 Bij gebreke van een aanvaardbare verantwoording voor het ontbreken van een voorafgaand evaluatiegesprek is de evaluatie niet regelmatig tot stand gekomen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Vernietigd wordt het besluit van 7 mei 1997 van het College van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij aan Daniël LAERMANS de evaluatie "onvoldoende" wordt toegekend. Artikel
  16. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 april 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS P. LEMMENS. IX-1711-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.456 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.