← België

Arrest 182465 - Arbeids- en beroepskaarten - 28/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.465 Rolnummer: A. 158075/IX-4728 Zaak: Arrest 182465 - Arbeids- en beroepskaarten - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.465 van 28 april 2008 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.465 van 28 april 2008 in de zaak A. 158.075/IX-

  1. In zake : Abraham Nbilizi CHABO, die woonplaats kiest bij advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te Aalst, Leopoldlaan 32A/1-2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Abraham Nbilizi CHABO op 29 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 september 2004 van de Vlaamse minister van Werk houdende weigering van verzoekers vraag tot het bekomen van een arbeidskaart C; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van weder- antwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 2 oktober 2007; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 30 november 2007, van de mededeling bedoeld in artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; IX-4728-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: Naar luid van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. In het auditoraatsverslag is te dezen de verwerping van het beroep voorgesteld. De verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier heeft de verzoeker medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. IX-4728-2/3 Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 april 2008, door : de HH. A. VANDENRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4728-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.