← België

Arrest 182469 - Tucht (openbaar ambt) - 28/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.469 Rolnummer: A. 87671/IX-5660 Zaak: Arrest 182469 - Tucht (openbaar ambt) - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.469 van 28 april 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.469 van 28 april 2008 in de zaak A. 87.671/IX-

  1. In zake : de NV VAN DAMME, gevestigd te BRUSSEL, Louizalaan 522 tegen : het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB), gevestigd te BRUSSEL, Trierstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV VAN DAMME op 3 november 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de haar op 6 september 1999 ter kennis gebrachte beslissing van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) houdende de weigering haar voor het vierde trimester 1999 invoercertificaten te verlenen op basis van de referentiehoeveelheden toegekend met de beslissing van 10 december 1998; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij op 3 september 2007; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 26 november 2007, van de mededeling bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State; Overwegende dat de verzoekende partij bij brief van 10 december 2007 heeft gevraagd om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 25 februari 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 7 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5660-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN TENDELOO die, loco advocaat P. THIELEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. COEN die, loco advocaat E. VERVAEKE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  3. Het verzoekschrift, ingediend op 3 november 1999 en uitgaande van een vennootschap wier maatschappelijke zetel gevestigd is te 1050 Brussel, Louisalaan, 522, was in het Frans gesteld. Omdat de voorafgaande maatregelen in het Frans werden gevoerd en de XIIIe kamer van de Raad van State bij beschikking van 14 mei 2007 besloten heeft dat, nu verzoekster haar exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied heeft, de procedure in het Nederlands gevoerd moest worden, zijn op bevel van de auditeur-verslaggever de voorafgaande maatregelen ab initio hernomen met de kennisgeving aan de verwerende partij, op 28 juni 2007, van het verzoekschrift en van de beschikking van 14 mei
  4. De verwerende partij heeft op 27 augustus 2007 een memorie van antwoord ingediend.
  5. De memorie van antwoord is met een brief van 31 augustus 2007, die aangetekend en met bericht van ontvangst verzonden is naar de maatschappelijke zetel van verzoekster -Louisalaan 522, te 1050 Brussel, het adres dat zij ook in haar origineel verzoekschrift had opgegeven-, ter kennis van verzoekster gebracht. Uit de in het dossier berustende ondertekende ontvangstmelding blijkt de zending op 3 september 2007 aan de verzoekende partij afgeleverd te zijn. Verzoekster betwist deze ondertekening niet. Zij betwist evenmin dat zij met de brief van 31 augustus 2007 behoorlijk in kennis gesteld is van de gevolgen verbonden aan het niet tijdig indienen van een memorie van wederantwoord. IX-5660-2/4
  6. De raadsman van verzoekster heeft met een brief van 17 september 2007 aan de griffie van de Raad van State medegedeeld dat “het nieuwe adres” van verzoekster was: “Louisalaan 522, te 1050 Brussel”. Dit is het adres dat reeds in het verzoekschrift was vermeld en waarnaar de Raad van State tot dan toe alle briefwisseling had verzonden. De brief van 17 september 2007 verwijst wel naar een “oproep van 12.09.2007” vanuit de Raad van State. Volgens de memorie die verzoekster met het oog op de openbare terechtzitting van 7 april 2008 heeft ingediend zou het gaan om een “telefonisch onderhoud” en zou toen gesteld zijn dat het aangetekend schrijven, dat onbesteld teruggekomen zou zijn, “opnieuw naar het adres dat hij zal mededelen zal worden verstuurd”. Die nieuwe toezending is evenwel nooit gebeurd.
  7. Verzoekster heeft geen memorie van wederantwoord ingediend. In toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement, waarmee een onweerlegbaar vermoeden ingesteld is, moet de Raad van State aan verzoekster tegenwerpen dat uit haar handelwijze de ontstentenis van het vereiste belang blijkt. Hij kan dit enkel niet doen wanneer de voorwaarden vermeld in de voornoemde reglementaire bepalingen in dit geval niet correct zijn nagekomen of wanneer verzoekster aantoont dat zij wegens overmacht belet was tijdig een memorie in te dienen.
  8. In haar memorie beklemtoont verzoekster dat zij de aangetekende brief van 31 augustus 2007 “nooit in bezit gehad heeft” en dat zij, als gevolg van een telefoongesprek waarin melding zou gemaakt zijn van een niet-afgeleverde brief, gewacht heeft op de toezending van het verzoekschrift op haar nieuw adres. Uit het dossier blijkt evenwel geenszins dat de aangetekende zending van 31 augustus 2007, verzonden naar het adres Louisalaan 522, te 1050 Brussel als onbesteld naar de griffie teruggekomen is. Integendeel, als gezegd werd de brief op 3 september 2007 voor ontvangst afgetekend. Uit geen enkel gegeven van het dossier kan ook opgemaakt worden dat enig orgaan van de Raad van State, terzake bevoegd, aan verzoekster medegedeeld zou hebben dat het verzoekschrift haar nogmaals zou worden toegezonden. Haar uiteenzetting is dan ook niet meer dan een bewering waarmee geen rekening gehouden kan worden. IX-5660-3/4
  9. Besluitend kan gesteld worden dat uit het dossier blijkt dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedure- reglement te dezen vervuld zijn en dat verzoekster geen bewijskrachtige gegevens voorlegt waaruit overmacht kan worden afgeleid. Het beroep is krachtens artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet langer ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 april 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5660-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.