← België

Arrest 182481 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.481 Rolnummer: A. 186825/IX-5826 Zaak: Arrest 182481 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.481 van 28 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.481 van 28 april 2008 in de zaak A. 186.825/IX-

  1. In zake : Walter COESSENS, wonende te GERAARDSBERGEN, Molenkouterstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift ingediend op 19 januari 2008 waarmee Walter COESSENS “de wijziging vordert van het resultaat van de certifiëringstest Projectmanagement SA01NL meegedeeld op 21/11/2007”; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur B. THYS, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 5 maart 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 april 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; IX-5826-1/5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak. De gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat: 1.
  2. De verzoeker is adviseur bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. 1.
  3. Op 27 juni 2007 neemt hij deel aan een certifiëringstest “Projectmanagement SA01NL”, georganiseerd door het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid. 1.
  4. Bij brief van 21 november 2007 deelt de directeur-generaal van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid aan de verzoeker mede dat hij voor die test niet is geslaagd, aangezien hij 59,84% van de punten behaalde, terwijl hij om te slagen 60% diende te behalen. Over de ontvankelijkheid. 2.
  5. De verzoeker vordert, blijkens de bewoordingen van het voorliggende verzoekschrift, “de wijziging [...] van het resultaat van de certifiëringstest”. Het behoort echter niet tot de bevoegdheid van de Raad van State om in de plaats van het bestuur tot een dergelijke wijziging te beslissen. 2.
  6. Voorzover de verzoeker met het verzoekschrift de nietigverklaring zou beogen van de beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid om hem niet geslaagd te verklaren voor de certifiëringstest, moet het verzoekschrift, krachtens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer een uiteenzetting bevatten van de middelen. Deze verplichting betreft een substantieel vormvereiste, waarvan de niet-naleving leidt tot de onontvankelijkheid van het verzoekschrift . Onder een “middel”, zoals bedoeld in de voormelde reglementaire bepaling moet worden verstaan: een voldoende IX-5826-2/5 duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoeker formuleert zijn "middelen" in het verzoekschrift als volgt : “Mijn eerste opmerking betreft de methodologie gebruikt bij het bepalen van het resultaat van de competentietest. In de instructies werd vermeld dat er meerdere correcte antwoorden mogelijk waren en dat enkel het beste antwoord goed gerekend wordt. In dit geval is er reeds interpretatie mogelijk van wat het correcte antwoord is en bovendien wordt in sommige gevallen een goed antwoord bestraft met een half negatief punt. Dit lijkt me erg overdreven om de ‘gokfactor’ uit te schakelen en het verlies van 1/4 punt bij een ‘foutief antwoord’ lijkt billijker te zijn. Ik ga er inderdaad van uit dat de bedoeling is de gokfactor uit te schakelen en dat er geen verdere bedoelingen zijn. Verder heb ik volgende specifieke opmerkingen na de raadpleging van mijn testresultaten : • de geschrapte vragen 35 - 50 - 55 en 65 zijn mijns inziens ten onrechte geschrapt. Een fout of onduidelijkheid in het Frans kan geen aanleiding zijn om vragen in het Nederlands te schrappen. Ook het feit dat er meerdere correcte antwoorden zijn is geen reden om de vragen 50 en 65 te schrappen, vooral in het licht van wat in de instructies bij het examen (zie hierboven) werd genoteerd. Kan het resultaat herberekend worden in functie van deze opmerkingen? • het antwoord op de vraag 58 lijkt me in tegenspraak met het antwoord op vraag
  7. Volgens vraag 44 is een taak van de projectmanager ‘het voorkomen van onnodige wijzigingen’ wat noodzakelijkerwijze een evaluatie impliceert over de opportuniteit van de wijziging, terwijl volgens antwoord 58 een ‘evaluatieproces’ geen deel uitmaakt van het beheers- systeem voor wijzigingen. Gelieve dus vragen 44 en 58 te schrappen. Kan het resultaat herberekend worden in functie van deze opmerking?” Doordat het voorliggende verzoekschrift niet vermeldt welke rechtsregel of rechtsbeginsel werd geschonden, noch op welke wijze die schending zich zou hebben voorgedaan, is het dienvolgens klaarblijkelijk niet ontvankelijk en kan de beslechting van het geschil ten gronde afgedaan worden in korte debatten, in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  8. IX-5826-3/5 Het beroep wordt verworpen. IX-5826-4/5 Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 april 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-5826-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.481 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.