id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.502 Rolnummer: A. 187933/IX-5902 Zaak: Arrest 182502 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:58 Fiche Arrest nr 182.502 van 28 april 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.502 van 28 april 2008 in de zaak A. 187.933/IX-
- In zake : Eddy SUYS, die woonplaats kiest bij advocaat P. DILLEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 475 bus 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 8 ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy SUYS op 21 april 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 12 maart 2008 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij Daniël JAMERS wordt aangewezen als verbindingsof- ficier van de Belgische politiediensten te Rome voor een periode van zes jaar vanaf 1 mei 2008; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5902-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DILLEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker werd bij beslissing van 13 juni 2000 aangesteld tot verbindingsofficier van de politiediensten te Rome. Hij heeft die functie opgenomen in opvolging van D. JAMERS. De aanstellingsbeslissing van verzoeker is bij arrest nr. 157.285 van 3 april 2006 door de Raad van State vernietigd. Verzoeker blijkt evenwel door het bestuur in dienst gehouden te zijn tot 30 april
- 1.
- In de mobiliteitscyclus 2006/02 wordt de vacature van verbin- dingsofficier te Rome vacant verklaard. Er worden tien kandidaturen ingediend, waaronder deze van verzoeker en van D. JAMERS. De selectiecommissie hoort op 8 december 2006 de kandidaten. In haar proces-verbaal van 27 december 2006 rangschikt zij verzoeker op de eerste plaats en D. JAMERS op de tweede plaats. 1.
- Op 29 maart 2007 verlenen het college van Procureurs-generaal en de Federale Procureur hun advies over de aanstelling. Zij verwijzen, wat hun waardeoordeel over verzoeker betreft, naar het advies dat zij over hem gegeven hebben met het oog op zijn aanstelling in 2000, inzonderheid naar de “aspecten van de persoonlijkheid” die in dat advies werden belicht en vullen dat aan met de stelling dat verzoeker tijdens zijn functioneren in Italië geen bijzondere indruk op de magistratuur gemaakt heeft maar er eerder onopvallend aanwezig was. Zij verduidelijken dat verzoeker “nauwelijks enig initiatief genomen heeft” en dat de IX-5902-2/11 gerechtelijke overheden nauwelijks een beroep op hem gedaan hebben “bij gebrek aan enige meerwaarde”. Zij verlenen over verzoeker een ongunstig advies. Op 6 juli 2007 volgt, blijkbaar na aanvraag van de commissaris- generaal van de federale politie, een nieuw advies waarin het college van Procureurs-generaal en de Federale Procureur nu een advies verlenen over D. JAMERS. Hij wordt gezien als een “aanvaardbare keuze om als verbindingsofficier aan te wijzen”. Er wordt verwezen naar het feit dat hij de functie te Rome reeds uitoefende van 1994 tot 2000 en dat hij, in moeilijke omstandigheden, “het waargemaakt” heeft, tot tevredenheid van de nationale magistraten. Hij is gedreven en inventief, kent de regels van de internationale politiesamenwerking goed en heeft blijk gegeven van organisatorisch talent als hoofd van de dienst TV binnen de directie DJO van de federale politie. Het advies over D. JAMERS luidt “gunstig”. 1.
- Op 17 juli 2007 stuurt de commissaris-generaal van de federale politie een voorstel tot aanstelling van D. JAMERS aan de minister van Justitie en aan de minister van Buitenlandse Zaken. Zij verlenen hun akkoord op 11 respectie- velijk 20 februari
- 1.
- Op 12 maart 2008 ondertekent de minister van Binnenlandse Zaken het thans bestreden besluit waarbij D. JAMERS met ingang van 1 mei 2008 tot verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome wordt aangewezen voor een periode van zes jaar. De voorwaarden voor de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is, wat betekent enerzijds dat een arrest tot schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel zich op dat ogenblik reeds definitief voorgedaan zal hebben en anderzijds dat de verzoeker de nodige diligentie betoond heeft om de vordering onverwijld in te dienen. IX-5902-3/11
- Wat de eerstvermelde schorsingsvoorwaarde betreft, voert verzoeker in het eerste onderdeel van het eerste middel aan dat, overeenkomstig artikel VI.II.38 RPPol, de directeur-generaal van het personeel de meest geschikte kandidaat aanstelt in de bij mobiliteit te begeven betrekking, terwijl de ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003 betreffende de Belgische Politievertegenwoordigers van de geïntegreerde politie in het buitenland (hierna: de omzendbrief van 12 maart 2003) een eigen aanwijzingsprocedure bevat, met name de aanwijzing door de minister van Binnenlandse Zaken na gemeenschappelijk advies van het College van Procureurs-generaal en de Federale Procureur en het akkoord van de ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken. Het RPPol, dat een hogere rechtsnorm is dan de ministeriële omzendbrief, laat evenwel geen ruimte voor de aanwijzing van de kandidaat door iemand anders dan de directeur-generaal van het personeel en derhalve is het hier bestreden besluit, omdat het getroffen is door de minister van Binnenlandse Zaken, onwettig.
- De verwerende partij stelt in haar nota dat zij voor sommige aspecten van de aanwijzing van de verbindingsofficieren -de vacantverklaring, de selectieprocedure- beroep doet op de bepalingen van het RPPol inzake de mobiliteit. Evenwel, omdat de duur van het mandaat tot 6 jaar beperkt is, betreft de aanwijzing voor de functie van verbindingsofficier geen “zuivere mobiliteit”, zodat een eigen procedure, zoals vastgesteld in de ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003 “mogelijk en zelfs noodzakelijk is”. In die zin is artikel VI.II.38 niet van toepassing op hun aanwijzing, maar geldt daar de omzendbrief, die voorziet in een aanwijzing door de minister van Binnenlandse Zaken, na akkoord van de ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken. Dergelijke ad-hoc regeling voor de verbindingsofficie- ren is gerechtvaardigd omdat te dien aanzien ook rekening gehouden moet worden met internationale verdragen en andere reglementen dan het RPPol en omdat de verbindingsofficieren contacten onderhouden met zowel de politiediensten als de gerechtelijke overheden en de diplomaten. In ieder geval bepaalt artikel 97 van de wet van 7 december 1998 dat de federale politie onder het gezag staat van de minister van Binnenlandse Zaken die de nodige bevelen, richtlijnen en instructies kan geven en zich zodoende ook in de plaats kan stellen van “de lagere overheid”.
- De verwerende partij betwist niet dat de hier bestreden aanwijzing van een verbindingsofficier van de Belgische politiediensten gebeurd is in het kader van de regeling van de mobiliteit. Zij betwist ook niet dat volgens het RPPol, de directeur-generaal van het personeel en geen ander orgaan bevoegd is om, in het IX-5902-4/11 kader van de mobiliteit, het voorstel van de selectiecommissie te beoordelen en om de titularis van de betrekking aan te wijzen. Zij wijst ook geen specifieke reglementaire bepaling aan die haar zou toelaten voor de onderhavige aanwijzing af te wijken van het RPPol op de wijze bepaald in de omzendbrief van 12 maart
- De door het RPPol aan de directeur–generaal van het personeel reglementair toegewezen bevoegdheid sluit uit dat, als te dezen, de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid om een verbindingsofficier aan te wijzen, tot zich trekt en in de plaats van de directeur-generaal van het personeel een beslissing neemt.
- Artikel 97 van de wet van 7 december 1998 plaatst de federale politie, voor wat betreft het vervullen van haar opdrachten van bestuurlijke politie, onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken en machtigt hem te dien einde de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen te geven, maar het valt niet in te zien hoe deze bepaling een rechtsgrond zou kunnen vormen voor het nemen van beslissingen inzake het administratief statuut van het personeel.
- De verwerende partij betoogt dat de aanwijzing van de verbin- dingsofficieren een bijzondere aangelegenheid is waarop de gemeenrechtelijke regeling van het RPPol niet integraal toegepast kan worden en waarvoor de ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003 geldt. Het RPPol bevat geen bepaling -en de verwerende partij wijst ook geen andere bepaling van dezelfde orde aan- die haar zou toelaten bepaalde aspecten van de mobiliteitsregeling op een specifieke wijze te regelen hetzij voor de categorie van de verbindingsofficieren, hetzij voor aanwijzingen van beperkte duur. Evident kan zulk bijzonder stelsel, tegen de bestaande reglementering in, niet ingevoerd worden met een ministeriële omzendbrief. De verwijzing naar internationale verplichtingen noch de beslissing om over de aanwijzing van de verbindings- officieren van de politie te beslissen in samenspraak met drie ministers, ontslaat de verwerende partij niet van de verplichting om het statuut van het personeel regelmatig volgens de interne Belgische rechtsorde vast te stellen. De bepaling in de ministeriële omzendbrief dat de minister van Binnenlandse Zaken de verbindingsofficieren aanwijst, mist dan ook de noodzakelij- IX-5902-5/11 ke rechtsgrond zodat de minister van Binnenlandse Zaken daarin de bevoegdheid niet kan vinden om, tegen het RPPol in, verzoeker tot verbindingsofficier aan te wijzen.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. Volgens artikel 3 van die wet moet het bestuur met de vakverenigingen onderhande- len over alle ontwerpen en grondregelingen met betrekking tot het administratief statuut van het personeel en volgens artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 3, eerste lid, 1/, van de wet van 24 maart 1999 vormt de regeling inzake de mobiliteit en de regeling van toepassing op het personeel dat met een opdracht wordt belast, dergelijke grondregeling. De door de omzendbrief van 12 maart 2003 ingestelde regeling heeft het voorwerp niet uitgemaakt van onderhandelingen en kan de rechtsgrond niet vormen voor de aanstelling van D. JAMERS.
- De verwerende partij antwoordt dat over de regeling van de mobiliteit, zoals geregeld in het RPPol, onderhandeld is met de vakbonden. Wegens de beperkte duur van de aanstelling, vallen de verbindingsofficieren -een beperkte categorie van het personeel- niet volledig onder de algemene regeling van de mobiliteit. Bovendien moet ook rekening gehouden worden met internationale regelingen en met het feit dat de regeling wegens de wijzigende omstandigheden snel gewijzigd moet worden.
- De uiteenzetting van de verwerende partij overtuigt niet. De ministeriële omzendbrief van 12 maart 2003 bevat een mobiliteitsregeling die afwijkt van het RPPol en moest krachtens artikel 2, 9/, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 aan de onderhandelingen met de vakverenigingen onderworpen worden. De miskenning van deze substantiële vorm vitieert de uitgevaardigde regeling, die dan ook geen wettige grondslag kan vormen voor individuele aanstellingsbeslissingen. De verwerende partij toont ook niet aan en beweert zelfs niet dat de gelaakte regeling als een spoedgeval buiten de onderhandeling kon gehouden worden. In de mate de bestreden aanstelling tot stand gekomen is met inachtneming van bepalingen van de omzendbrief die afwijken van het RPPol, en IX-5902-6/11 waarover geen onderhandeling met de vakbonden gevoerd is, is zij onwettig. Het tweede onderdeel van het middel is ernstig.
- Met betrekking tot het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wijst verzoeker op het bestaan van een moreel en een materieel nadeel. Zijn materieel nadeel bestaat in het verlies van zijn diplomatieke postvergoe- ding, van de vergoeding voor relatiekosten en van de betaling van zijn huurkosten. Hij valt nu terug op zijn wedde en moet voortaan zelf zijn huurkosten dragen, hetgeen het leven van zijn familie ingrijpend wijzigt. Het moreel nadeel bestaat in de aantasting van zijn reputatie binnen de dienst en in Italië en in de hypotheek die gelegd wordt op zijn verdere carrière, aangezien hij vaststelt dat ook niet ingegaan wordt op zijn kandidatuur voor een aanstelling in een functie te Bangkok. Voorts mag verwacht worden dat, gelet op zijn leeftijd (54 jaar) er geen vernietiging zal uitgesproken worden op grond waarvan het nadeel nog materieel hersteld zal kunnen worden. Ook zal, na zijn terugkeer, zijn reïntegratie in een nieuwe functie en in een volledig nieuw kader heel wat tijd en inspanningen vergen, gespecialiseerd als hij nu is in de internationale politie- en gerechtelijke samenwerking. Tenslotte is er ook de psychologische druk door het feit dat al de inspanningen die hij zich getroost heeft om als verbindingsofficier goed te kunnen functioneren (het permanent opvolgen van de Italiaanse wetgeving en de criminaliteitsbestrijding) nu nutteloos geworden zijn en het gegeven dat hij de omgeving waar hij een sociaal leven opgebouwd heeft en waar hij met zijn familie verblijft, moet verlaten. Verzoeker voegt daar nog aan toe dat zijn vervanging door D. JAMERS, die niet zo goed scoorde bij de selectie, de continuïteit op de dienst zal verstoren.
- De verwerende partij betwist dat verzoeker een nadeel lijdt. Reputatieverlies wordt goedgemaakt door een vernietiging. Verzoeker brengt het tijdelijk onbezet houden van de functie te Bangkok, die steun vindt in geheel andere overwegingen die reeds waren geuit vooraleer de bestreden beslissing tot stand kwam, ten onrechte in verband met zijn niet-aanstelling in Rome. De moeilijkheden bij de reïntegratie vormen geen nadeel omdat een verbindingsofficier een mandaat van beperkte duur bekleedt en verzoeker dus van meet af aan wist dat er een einde aan zou komen en omdat hem reeds voorgesteld is te spreken over een passende betrekking. Dat verzoeker moet wachten op een annulatiearrest vormt geen nadeel dat volgt uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Het materieel nadeel dat aangevoerd wordt is herstelbaar na een vernietigingsarrest. Bovendien geldt ook te dien aanzien dat het mandaat van verzoeker van beperkte duur was en moet erop IX-5902-7/11 gewezen worden dat verzoeker in het verleden wel vergoedingen gekregen heeft maar dat zijn aanstelling door de Raad van State vernietigd is en hij deze vergoe- dingen op grond van een praktische regeling behouden heeft. De verstoring van de goede werking van de dienst is geen nadeel dat verzoeker persoonlijk treft. De verstoring van de werking van de dienst is geen persoonlijk nadeel en kan geen reden zijn om een beslissing te schorsen.
- De schorsing van het bestreden besluit kan het materieel nadeel niet wegnemen, aangezien het mandaat van verzoeker ten einde loopt en de schorsing niet tot gevolg heeft dat verzoeker opnieuw in de functie komt, zelfs niet dat de bestreden beslissing definitief uit het rechtsverkeer verdwijnt. In ieder geval blijkt het nadeel niet van die aard te zijn -verzoeker behoudt zijn gehele wedde- dat het herstel ervan na een vernietigingsarrest niet meer volledig kan zijn.
- Moreel nadeel wordt in de regel hersteld door een vernietigingsar- rest. Het is slechts anders wanneer bijzondere gegevens daartoe worden aangevoerd.
- Verzoeker ondergaat onmiskenbaar een nadeel: als huidige titularis van de functie en hoewel hij door de selectiecommissie als eerste gerangschikt was, wordt hij niet opnieuw aangewezen voor de voortzetting van de functie, maar voorbijgestoken door de tweede gerangschikte. Weliswaar loopt het mandaat van verzoeker op 30 april 2008 ten einde en heeft hij geen enkel recht op de verlenging van zijn mandaat, maar dat neemt niet weg dat verzoeker wegens de bestreden beslissing en tegen de hoop die de rangschikking van de selectiecommis- sie bij hem kan gewekt hebben in, met zijn gezin onmiddellijk naar België moet terugkeren en zich hier in een nieuwe functie moet inpassen, hetgeen onmiskenbaar een nadeel vormt dat dit verbonden aan een gewone mutatie hier te lande overstijgt. De nadelen die verbonden zijn met die terugkeer worden, in redelijkheid, als ernstig en moeilijk te herstellen beschouwd.
- Wat de hoogdringendheid betreft stelt verzoeker dat de bestreden aanwijzing ingaat op 1 mei 2008 en dat vóór deze datum geen uitspraak geveld zal worden wanneer de gewone schorsingsprocedure gevolgd zou worden.
- De verwerende partij betwist de hoogdringendheid. Zij wijst op het uitzonderlijk karakter van die procedure, inzonderheid wegens de inperking van de rechten van verdediging van de verwerende partij en betoogt dat verzoeker IX-5902-8/11 daarom het bewijs moet voorleggen dat de gevraagde schorsing slechts een nuttig effect kan hebben wanneer zij onmiddellijk bevolen wordt. Zij betwist ook het diligent optreden van verzoeker, aangezien hij op 14 april 2008 kennis gekregen heeft van het bestreden besluit maar met het indienen van zijn vordering gewacht heeft tot 22 april
- In dat verband stelt zij dat verzoeker ruim voor 14 april 2008 kennis had van de aanwijzing van D. JAMERS, aangezien hij op 14 maart 2008 een e-mail naar het bestuur gezonden heeft met een vraag om informatie over de aanstelling en aangezien “de BPC vanaf 19 maart 2008 te raadplegen was op de website (van de politie) waartoe verzoeker toegang had”. Geplaatst tegenover de beperking van haar recht van verdediging, kan dit gebrek aan diligentie niet geduld worden.
- Een schorsing bij hoogdringendheid kan strikt genomen niet beletten dat verzoeker naar België moet terugkeren, aangezien zijn huidig mandaat einde april afloopt. Hiervoor is evenwel aangenomen dat de terugkeer en de gevolgen daarvan voor verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaken. Dit nadeel zal zich zeer binnenkort realiseren. Gelet op de specifieke gegevens van deze zaak, ook wat de ernst van de middelen betreft, is het niet uitgesloten dat de verwerende partij na een schorsing, in het kader van de vrijwillige heroverweging van de aanstellingsbeslissing en met het oog op het verzekeren van het dienstbelang, toch een initiatief neemt en dat zij aan verzoeker de mogelijkheid biedt om in afwachting van een nieuwe aanstellingsbeslissing zijn opdracht in Italië voort te blijven uitoefenen. Er is daarom reden om de onderhavige vordering volgens de procedure van de hoogdringendheid te behandelen.
- Verzoeker erkent op 14 april 2008 mededeling gekregen te hebben van het bestreden besluit. Berekend vanaf die datum kan niet besloten worden dat verzoeker onredelijk lang gewacht heeft met het indienen van het verzoekschrift.
- Uit de stukken die de verwerende partij overlegt blijkt evenwel enerzijds dat verzoeker reeds op 14 maart 2008 uit de pers vernomen had dat D. JAMERS in de door hem geambieerde functie was aangesteld en anderzijds dat de aanwijzing van D. JAMERS bekendgemaakt werd in het bulletin van het personeel (uitgevoerde mobiliteit BPC-290) van 18 maart 2008 en in het bulletin van het personeel nr 6 van 28 maart
- IX-5902-9/11
- Het vermelden van de aanstelling in een persartikel vormt geen regelmatige kennisgeving van een administratieve beslissing. Er kan geen rekening mee gehouden worden voor de berekening van de beroepstermijn. Verzoeker heeft er het gepaste gevolg aan gegeven door een initiatief te nemen om bij het betrokken bestuur inlichtingen te verkrijgen en die inlichtingen heeft hij slechts op 14 april 2008 gekregen.
- Bij gebrek aan bewijs vanwege de verwerende partij dat het bulletin van het personeel een medium is waarmee op officiële wijze beslissingen over mutaties ter kennis van het personeel wordt gebracht, en aangezien verzoeker stelt dat hij niet wist dat de mutaties in het Bulletin van het Personeel werden bekendgemaakt noch dat dit Bulletin op de website van de verwerende partij kon ingekeken worden, mag de Raad van State deze bekendmaking niet in zijn beoordeling van het diligent handelen van verzoeker betrekken.
- Er zijn geen redenen om aan verzoeker tegen te werpen dat hij niet diligent gehandeld zou hebben.
- De voorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit volgens de procedure van de hoogdrin- gendheid, zijn vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 12 maart 2008 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij Daniël JAMERS wordt aangewezen als verbindingsof- ficier van de Belgische politiediensten te Rome voor een periode van zes jaar vanaf 1 mei
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-5902-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 april 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5902-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.502 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.273 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.