← België

Arrest 182584 - Monumenten en Landschappen - 29/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.584 Rolnummer: A. 91692/X-9538 Zaak: Arrest 182584 - Monumenten en Landschappen - 29/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.584 van 29 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.584 van 29 april 2008 in de zaak A. 91.692/X-9538. In zake : 1. Marcel HAEMELS, 2. Angèle DE BACKER, 3. José SEYMUS-PORTAEL, 4. Christiane WALRAVENS-SEYMUS, 5. Erik MORIS (overleden), rechtsgeding hervat door: a. Frits MORIS, b. Helene MORIS, 6. Maria VAN CRAEN, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel HAEMELS, Angèle DE BACKER, José SEYMUS-PORTAEL, Christiane WALRAVENS-SEYMUS, Erik MORIS en Maria VAN CRAEN op 10 mei 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 februari 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij het Pommelsven wegens zijn historische en natuurwetenschappelijke waarde definitief als landschap wordt beschermd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; X-9538-1/13 Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gezien het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Keerbergen waaruit blijkt dat Erik MORIS op 20 december 2004 te Keerbergen is overleden; Gezien het op 9 mei 2005 aan de Raad van State gerichte verzoekschrift waarbij Frits MORIS en Helene MORIS verklaren het geding te hervatten; Gelet op de beschikking van 19 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoekers, en van advocaat I. VERHELLE, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Het is niet betwist dat de verzoekers eigenaar zijn van volgende percelen in Keerbergen: de eerste verzoeker van de percelen kadastraal bekend sectie G, nrs. 92/h, 126/n/2 en 126/r/2, de tweede verzoekster van het perceel X-9538-2/13 kadastraal bekend sectie G, nr. 78/z, de derde en vierde verzoeksters van het perceel kadastraal bekend sectie G, nr. 82/a, de oorspronkelijke vijfde verzoeker van de percelen kadastraal bekend sectie G, nrs. 82/d en 126/s/2 en de zesde verzoekster van de percelen kadastraal bekend sectie G, nrs. 82/e en 126/p/2. 1.2. De betrokken percelen zijn gelegen binnen het gebied van het bij koninklijk besluit van 8 september 1964 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 3 “De Boszone” en meer bepaald in een zone voor open bebouwing volgens dit plan. 1.3. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven zijn de betrokken percelen gelegen in parkgebied. 1.4. De betrokken percelen zijn niet gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 18 april 1984 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Pommelsvenne” tot wijziging van voornoemd bijzonder plan van aanleg nr. 3 “De Boszone”. 1.5. In een gemotiveerd verslag met topografische en kadasterkaart stelt een ambtenaar van de dienst monumenten en landschappen voor om het Pommelsven met een oppervlakte van 10 ha 04 a 59 ca te beschermen als landschap om reden van historische en wetenschappelijke waarde. De voormelde percelen van de verzoekers maken deel uit van het als landschap te beschermen Pommelsven. Wat betreft de “juridische gegevens” vermeldt het verslag: “Er is geen tegenstrijdigheid tussen dit beschermingsvoorstel en bestaande plannen, reglementen of voorschriften. Het Pommelsven zoals afgebakend in dit voorstel ligt volledig in ‘parkgebied’ volgens het gewestplan Leuven”. 1.6. Bij besluit van 26 april 1999 beslist de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling om het Pommelsven te Keerbergen wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde als landschap voorlopig te beschermen. Het door eerste, vijfde en zesde verzoekers tegen voormeld besluit ingestelde annulatieberoep wordt bij arrest nr. 86.171 van 22 maart 2000 wegens laattijdigheid verworpen. X-9538-3/13 1.7. Tijdens het openbaar onderzoek worden meerdere bezwaarschriften ingediend, waaronder een bezwaarschrift van de tweede verzoekster, alsook een collectief bezwaarschrift van de eerste, de oorspronkelijke vijfde en de zesde verzoekers en Maria WOLFS: “(...) Inderdaad, uit nazicht van de bundel betrekkelijk in rand vermelde aangelegenheid stellen we vast dat de betrokken percelen gelegen zijn: 1) In de boszone B (woonzone 30a) van het bij K.B. van 04.12.1963 goedgekeurd A.P.A.-Wijziging A 2) In het hiermede volledig overeenstemmend onderdeel, opgenomen in het bij K.B. van 08.09.1964 goedgekeurd B.P.A.III-Boszone - omvattend slechts één zonering en bestemd als boszone B (woonzone 30a) 3) Overeenkomstig de voorzieningen van het K.B. van 07.04.1977 vastgesteld gewestplan Leuven in de schematische of richtingaangevende lokalisering van een parkgebied, volledig omgeven door en aansluitend met een woonparkzone (voorzien in voormeld B.P.A.III-Boszone) 4) Ingevolge de goedkeuring van het B.P.A.-Pommelsvenne bij M.B. dd.18.04.1984 (een later lager plan en posterieur aan het gewestplan Leuven) houdende een wijziging van het bij K.B. van 08.09.1964 goedgekeurd B.P.A.III-Boszone en zijn derhalve alle kavels welke gelegen zijn buiten het B.P.A.-Pommelsvenne, terug opgenomen in het B.P.A.III-Boszone (woonzone - standpunt in beroep bij de Bestendige Deputatie van Vlaams- Brabant bijgetreden en na schorsing door de gemachtigde ambtenaar en de Minister R.O.H.M. heden aanhangig bij de Raad van State). Daarenboven werd door het gemeentebestuur van Keerbergen dit standpunt eveneens ingenomen en werden op grond hiervan twee bouwtoelatingen verleend op de percelen sectie G, nrs. 93M en 126M3, respectievelijk op 05.03.1992 en 16.07.1992 en gelegen in hetzelfde deelgebied als alle andere kavels opgenomen in het M.B. dd.26.04.1999 (...). (...) De vraag dient evenwel gesteld of de grens van het B.P.A. Pommelsvenne, M.B. van 18.04.1984, niet de nieuwe grens is van het parkgebied, schematisch aangeduid op het gewestplan Leuven? Het is precies hieromtrent dat geen eensgezindheid bestaat en op dit ogenblik hangende is bij de Raad van State. In deze optiek is er wel tegenstrijdigheid tussen enerzijds het bij K.B. van 08.09.1964 goedgekeurd B.P.A.III-Boszone, gewijzigd door het bij M.B. van 18.04.1984 goedgekeurd B.P.A.Pommelsvenne (opgesteld overeenkomstig de voorzieningen van het Gewestplan Leuven, maar er van afwijkende); en anderzijds het voorstel tot klassering als landschap, M.B. van 26.04.1999 (...) 7) Het voorgesteld afbakeningsgebied maakt daarenboven geen melding van het bestaan van de Jachthoorndreef - sinds 1936 bestaande wegenis over een breedte van 5.00m gelegen langs de zuidergrens op de percelen nrs. 78X, 78P, 78Z, 78R, 82A, 82D, 82E, 92H, 92F, 92B; langsheen de westergrens op de percelen nrs. 92B en 92K en hebbend een openbaar karakter en toegankelijk voor het verkeer. De bewoners der aanpalende woningen nrs. 17, 19 en 21 zijn trouwens dusdanig ingeschreven in de burgerlijke stand. Al deze kavels, deels bebost, deels bouwland, zijn ontstaan in de jaren 50-60 en omvatten geen heidegebied of een dito specifieke begroeiing; hierop zijn derhalve bezwaarlijk de vooropgezette historische en wetenschappelijke waarde van toepassing. (...)”. X-9538-4/13 1.8. De bestendige deputatie van de provincieraad Vlaams-Brabant brengt bij besluit van 8 juli 1999 een gunstig advies uit: “(...) Overwegende dat het Pommelsven gelegen is binnen het BPA nr. 3 ‘Boszone’ (K.B. dd. 8/9/64); dat dit BPA in herziening gesteld werd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 22 december 1993, momenteel in onderzoek bij de gemeente; Overwegende dat binnen het BPA ‘Boszone’ bij MB dd. 18 april 1984 het BPA nr. 2 ‘Pommelsvenne’ afgebakend werd, dat zich over een gedeelte van het Pommelsven uitstrekt en tot doel had het ven te beschermen; Overwegende dat een deel van het Pommelsven (de randen) kadastraal versnipperd is en niet opgenomen werd in het BPA ‘Pommelsvenne’ dat het resultaat was, dat ten gevolge van de opmaak van dit BPA, een aantal eigenaars van deze gronden inriep dat het BPA ‘Boszone’ volledig zou herzien zijn; dat dit zou betekenen dat deze randpercelen bebouwbaar waren; dat onderzoek ten gronde omtrent een concreet bouwdossier echter een ministeriële uitspraak opleverde dat het BPA ‘Pommelsvenne’ geen herziening van het BPA ‘Boszone’ inhield; dat het bouwberoep afgewezen werd; dat doordat het perceel in een BPA van 1964 gelegen was en, qua bestemming, in strijd was met de latere bestemming als parkgebied op het gewestplan (7 mei 1977), het arrest Steeno van toepassing werd, dat bepaalt dat bij strijdigheid van een lager plan met een later opgemaakt hoger plan in de hiërarchie, het laatste plan van toepassing is; Overwegende dat de nu voorgestelde herziening van het BPA ‘Boszone’ o.a. tot doel heeft om de parkzone die reeds door het BPA ‘Pommelsvenne’ vastgesteld was, uit te breiden over de aanpalende versnipperde gronden, die dezelfde natuurlijke kwaliteiten bezitten; Overwegende dat op het gewestplan het parkgebied het gehele Pommelsven beslaat tot iets buiten de contouren van het voorgestelde parkgebied in het BPA, op het gewestplan werd namelijk niet met de concrete perceelsgrenzen rekening gehouden; Overwegende dat de herziening van het BPA ‘Boszone’ tot gevolg zal hebben dat de parkzone binnen het BPA nagenoeg zal overeenstemmen met de omschrijving van het te beschermen landschap; (...)”. 1.9. Voormeld collectief bezwaarschrift wordt door de dienst monumenten en landschappen op 13 september 1999 als volgt weerlegd: “(...) 1/ In het arrest Steeno heeft de Raad van State gesteld dat het meest recente plan van aanleg, in dit geval het gewestplan, primeert boven het oudere (BPA nr. III). Het BPA ‘Pommelsvenne’ van 1984 had geen betrekking op de betrokken percelen en heeft de bestemming die gegeven was door het gewestplan ook niet verander(d). De bescherming staat de verwezenlijking van de voorziene ruimtelijke bestemming niet in de weg. De aanduidingen in het gewestplan zijn overigens meer dan een ‘schematische of richtingaangevende lokalisering’. (...) 3/ Het BPA Pommelsvenne was in feite beperkt tot het bijna 5 ha grote (...) perceel 126z, eigendom van de gemeente Keerbergen en liet de andere percelen die in het ‘parkgebied’ gelegen waren buiten schot. Het beschermingsvoorstel X-9538-5/13 richt zich daarentegen tot het landschapsrelict als geheel, ongeacht de eigenaar. De gemeente Keerbergen heeft overigens geen drijvende rol gespeeld in de formulering en afbakening (v)an het huidige beschermingsvoorstel. (...) 5/ Het gedeelte van de Jachthoorndreef ten zuiden van de opgesomde percelen komt niet voor op de officiële kadasterkaarten en evenmin op de (officieuze) stratenatlassen (...). In de motiveringsnota bij het beschermingsvoorstel wordt niet gesteld dat het uitsluitend om heiderelicten zou gaan; de strook ten noorden van het officieuze gedeelte van de Jachthoorndreef wordt overigens uitdrukkelijk vermeld: ‘Op de plaggenbodems aan de noordelijke rand van het gebied komen enkele weidepercelen voor’. (...)”. 1.10. De koninklijke commissie voor monumenten en landschappen brengt op 30 september 1999 een gemotiveerd advies uit aan de minister. 1.11. Bij het bestreden ministerieel besluit van 2 februari 2000 wordt het Pommelsven definitief beschermd als landschap wegens zijn navolgende historische en natuurwetenschappelijke waarde: “(...) De historische waarde (...) het gebied is een authentiek relict van het complex van heiden en dennenbossen die vroeger het grootste gedeelte bedekte van de duinenrij die tussen Mechelen en Aarschot de noordrand van de ‘Vlaamse Vallei’ begrenst. Dit landschapstype werd tijdens de laatste 50 jaar praktisch helemaal verkaveld voor woningbouw. Onbebouwde stuifzandruggen komen in Vlaanderen nog zelden voor. De natuurwetenschappelijke waarde (...) de bijzondere waarde die voortspruit uit het relictkarakter van het gebied geldt het duidelijkst aantoonbaar op vegetatiekundig vlak. In de heidevegetatie komen zeldzame soorten voor die ook specifiek ‘Kempische’ soorten zijn die hier de zuidelijke grens van hun areaal bereiken, met name trekrus en klokjesgentiaan. (...)”. 1.12. Bij aangetekende brieven van 10 maart 2000 wordt dit ministerieel besluit betekend aan de eigenaars, waaronder de verzoekers en de betrokken besturen. 2. De gegrondheid 2.1.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending “van artikel 14, vierde lid e.a.” van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende X-9538-6/13 de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en “uit de afwezigheid van deugdelijke rechtsgrond”. De verzoekers betogen dat het bestreden beschermingsbesluit ten onrechte “is ingegeven op grond van de overweging dat er geen tegenstrijdigheid bestaat met de bestaande planologische instrumenten”, “(

  1. er)van uit gegaan (
  2. is)dat het enige toepasselijke planvoorschrift het gewestplanvoorschrift ‘parkgebied’ is” en “dat het B.P.A. nr.3 ‘De Boszone’ een plan van aanleg is dat dateert van vóór de inwerkingtreding van het gewestplan”. Het BPA nr. 3 ‘De Boszone’ dateert volgens hen, ten gevolge van de herziening bij het bij ministerieel besluit van 18 april 1984 vastgestelde BPA “Pommelsvenne”, van na het gewestplan. Zij stellen met verwijzing naar het opschrift van het ministerieel besluit van 18 april 1984 dat de herziening niet beperkt was tot een deel van het BPA nr. 3 “De Boszone”, dat de “inperking van de bij het gewestplan vastgestelde groenzone van ‘parkgebied’ naar de kleinere groenzone in het B.P.A. ‘Pommelsvenne’ (...) logischerwijze (inhoudt) dat de bouwbestemming in het overige gedeelte van het parkgebied wordt heringevoerd” en dat de vergunningverlenende overheid “dat in het verleden trouwens steeds zo begrepen (heeft)”. Voorts argumenteren zij dat “zelfs in de hypothese dat enkel de gewestplanbestemming ‘parkgebied’ nog toepasselijk is, er een tegenstrijdigheid bestaat met de bestaande planologische instrumenten” omdat één van de doelstellingen in het bestreden beschermingsbesluit, met name het “verminderen van de betredingsdruk” in strijd is met het gewestplanvoorschrift parkgebied dat “een terrein (
  3. is)dat men door beplanting met bomen en heesters tot een publieke wandelplaats heeft ingericht”. 2.1.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de percelen van de verzoekers en alle andere percelen in het beschermingsbesluit volgens het gewestplan in parkgebied gelegen zijn, dat het bij ministerieel besluit van 18 april 1984 vastgestelde BPA Pommelsvenne slechts betrekking heeft op één perceel van ongeveer 5 hectare van de gemeente, niet afwijkt van het gewestplan en geen wijziging is van het BPA nr. 3 “De Boszone” doch de goedkeuring van een nieuw BPA, dat het voorschrift open bebouwing met zuiver residentieel karakter in het BPA nr. 3 “De Boszone” van rechtswege werd opgeheven door het gewestplan, dat de eerste, vijfde en zesde verzoekers in hun annulatieberoep tegen het voormelde besluit tot voorlopige bescherming zelf hadden vastgesteld dat “er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen het beschermingsbesluit en de bestaande plannen omdat het landschap volledig gelegen is in een parkgebied volgens het Gewestplan (...)”, dat de voorwaarden om in het bijzonder plan van aanleg af te wijken van het X-9538-7/13 gewestplan niet zijn vervuld en dat de verzoekers geen rechten kunnen putten uit bouwvergunningen die in 1992 zouden zijn verleend. 2.1.3. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
  4. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is. 2.1.4. Artikel 9 van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen, thans decreet betreffende de landschapszorg, legt aan de bevoegde overheid wanneer zij besluit tot definitieve bescherming van een landschap, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het bestreden beschermingsbesluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Het middel wordt geacht te zijn afgeleid uit het voormeld artikel 9. 2.1.5. Krachtens artikel 2, § 1, van het voormelde decreet van 22 oktober 1996 hebben alle voorschriften van de plannen van aanleg dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet, hebben de plannen verordenende kracht en blijven zij gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag van plannen alleen worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. De voorschriften van een plan van aanleg waarvan overeenkomstig artikel 14, vierde lid, wordt afgeweken, houden op te gelden. Artikel 14, vierde lid, van het voormelde decreet bepaalt, op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, dat het bijzonder plan van aanleg zich richt naar de aanwijzingen en bepalingen van het gewestplan en ze aanvult. Het kan er desnoods van afwijken. X-9538-8/13 2.1.6. Het koninklijk besluit waarbij een gewestplan wordt vastgesteld heft van rechtswege de ermee strijdige bepalingen op van het vroegere bij koninklijk besluit vastgestelde gemeentelijke bijzonder plan van aanleg. In dit geval wordt niet betwist dat de bestemming van de betrokken percelen volgens het BPA nr. 3 “De Boszone”, vastgesteld bij koninklijk besluit van 8 september 1964, “open bebouwing” is en volgens het bij later koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan, parkgebied en evenmin dat de bestemming in het vroegere bijzonder plan van aanleg strijdig is met die gewestplanbestemming. Er moet derhalve worden aangenomen dat de bestemming van de betrokken percelen volgens het eerdere bijzonder plan van aanleg door die nieuwe bestemming in het gewestplan van rechtswege werd opgeheven. 2.1.7. Noch uit het opschrift van het voormelde ministerieel besluit van 18 april 1984, noch uit de gegevens van het dossier blijkt dat het doel van het ministerieel besluit van 18 april 1984 “houdende wijziging van het bijzonder plan van aanleg nr 3, ‘De Boszone’ genaamd, van de gemeente Keerbergen” was het geheel van het bij koninklijk besluit van 8 september 1964 vastgesteld bijzonder plan van aanleg nr. 3 “De Boszone” te herzien en aldus, daargelaten de wettelijke mogelijkheid om dat te doen, voor alle betrokken percelen behalve het perceel 126/z “impliciet” af te wijken van de gewestplanbestemming “parkgebied”. 2.1.8. Uit het voorgaande volgt dat de bestemming van de betrokken percelen in het BPA nr. 3 “De Boszone” van 8 september 1964 na de opheffing ervan door het gewestplan van 7 april 1977, opgeheven is gebleven en de gewestplanbestemming met verordenende kracht, spijts daarmee eventueel strijdende individuele besluiten, is blijven gelden. Het bestreden beschermingsbesluit is bijgevolg gesteund op correct beoordeelde bestemmingsvoorschriften die voor de betrokken percelen op dat ogenblik golden. De verzoekers tonen niet aan hoe de beheerdoelstelling in het bestreden besluit tot het “verminderen van de betredingsdruk” in het beschermde landschap de verwezenlijking van het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan voor de betrokken percelen zou verhinderen. Het eerste middel is ongegrond. 2.2.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 10, § 1, 4/ van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen, thans het decreet betreffende de landschapszorg, en X-9538-9/13 het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekers betogen dat bij het bestreden beschermingsbesluit “een plan is gevoegd waarop de Jachthoorndreef niet is aangeduid, en gebaseerd is op een beschrijving van het landschap waarin enkel het perceel 126z wordt (b)eschreven” en leiden daaruit af dat het bestreden beschermingsbesluit niet is genomen “met kennis van zaken” of “op grond van een duidelijke en correcte beschrijving van het landschap”. Zij argumenteren dat de Jachthoorndreef het perceel 126/z aan de noordzijde begrenst, in het voormelde BPA van 18 april 1984 “grafisch (
  5. is)aangeduid als openbaar voetpad, waarbij langs beide zijden van het pad een strook als openbaar domein is aangeduid”, dat zij “langsheen deze weg over een contractuele erfdienstbaarheid van doorgang (beschikken)”. Zij leiden daaruit af dat het bestreden besluit “er blijkbaar van uit gaat dat deze weg niet bestaat”. Zij betogen voorts dat er zich “(i)n het dossier (...) een reeks foto’s (bevindt), die alle genomen zijn vanaf de Jachthoorndreef in zuidelijke richting, zodat enkel het perceel 126z werd gefotografeerd” zodat “(d)e bestreden beslissing (...) dan ook enkel (
  6. is)uitgegaan van het te beschermen karakter van dit perceel alleen” hetgeen “(ook) blijkt (...) uit de ‘beschrijving en evaluatie’ in de motiveringsnota”. 2.2.2. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat deze bezwaren, die de eerste, vijfde en zesde verzoekers reeds hadden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek, op afdoende wijze werden beantwoord, dat de stelling dat het bestreden beschermingsbesluit uitgaat van het niet bestaan van de Jachthoorndreef feitelijke grondslag mist en dat de bescherming enkel gebaseerd is op het perceel nr. 126/z evenmin klopt en wordt tegengesproken in de motiveringsnota en het bestreden besluit. In de laatste memorie stelt zij dat uit de topografische kaart die in de motiveringsnota is opgenomen en die nadien werd gevoegd bij het besluit tot voorlopige en tot definitieve bescherming, blijkt dat het bestuur “kennis heeft en had van het bestaan van alle paden”, dat uit het antwoord van het bestuur op het bezwaar met betrekking tot het niet vermelden van het bestaan van de Jachthoorndreef in het afbakeningsgebied niet kan worden afgeleid “als zou het bestuur geen kennis hebben van de paden binnen het beschermde gebied” en dat “ook niet kan ingezien worden hoe het bestaan van de paden afbreuk zou doen aan de landschappelijke waarden van het Pommelsven”. Voorts wijst zij erop dat de verzoekers kennis hebben van de motiveringsnota waaruit zij citeren in hun verzoekschrift en stelt zij dat “(b)ij het beoordelen van de formele motiveringsverplichting (...) in casu niet enkel rekening (moet) worden gehouden met de motivering in het beschermingsbesluit, doch tevens met de motiveringsnota X-9538-10/13 (...)”, dat het “noodzakelijk doch voldoende (
  7. is)dat in het bestreden besluit wordt aangegeven welke beschermingswaarde het landschap heeft” en dat in dit geval het bestreden besluit “uitdrukkelijk (wordt) gemotiveerd vanuit het uitzonderlijk karakter van de intrinsieke waarde van het landschap”, dat “de ‘summiere’ omschrijving van de waarden van het landschap in het bestreden besluit (...) pertinent (
  8. is)en (...) de bescherming (verantwoordt)”. 2.2.3. Om de hiervoor aangehaalde reden is de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet toepasselijk op het bestreden beschermingsbesluit. 2.2.4. Artikel 10, § 1, 4/, van het voormelde decreet van 16 april 1996 bepaalde op het ogenblik dat het bestreden beschermingsbesluit werd genomen, dat dit besluit als bijlage een plan moet bevatten dat de grenzen van het landschap en het relevant actueel gebruik van het geheel van de gronden aangeeft. 2.2.5. Uit de gegevens van het dossier kan niet worden afgeleid dat het bestreden beschermingsbesluit werd genomen zonder kennis van het bestaan van de Jachthoorndreef in het beschermde landschap. Immers uit de topografische kaart die - zoals de kadasterkaart - werd opgenomen in de motiveringsnota en die werd gevoegd zowel bij het besluit tot voorlopige bescherming als bij het bestreden besluit, is de Jachthoorndreef vermeld. Het feit dat dit is geschied zonder vermelding van de naam van die dreef doet daar niets van af vermits tijdens het openbaar onderzoek het bestaan ervan door enkele verzoekers onder de aandacht werd gebracht en geleid heeft tot de weerlegging van het specifieke bezwaar dat het gedeelte van de Jachthoorndreef ten zuiden van de door bezwaarindieners opgesomde percelen niet op de officiële kadasterkaarten en evenmin op de officieuze stratenatlassen voorkomt. De verzoekers betwisten die weerlegging overigens niet. Dit onderdeel van het middel mist derhalve feitelijke grondslag. 2.2.6. Uit de gegevens van het dossier kan evenmin worden afgeleid dat het bestreden besluit werd genomen louter op grond van een landschapsbeschrijving van het perceel 126/z dat eigendom is van de gemeente Keerbergen. Ook dit onderdeel van het middel mist feitelijke grondslag. Immers uit de motiveringsnota waaruit de verzoekers in het verzoekschrift citeren, blijkt dat de - inhoudelijk door de verzoekers niet betwiste - beschrijving van het beschermde landschap niet werd X-9538-11/13 beperkt tot het perceel 126/z dat het zuidwestelijk gedeelte van het Pommelsven vormt: “Het zuidwestelijke gedeelte van het Pommelsven wordt gevormd door een natte, venig-zandige depressie met een sterk wisselende waterstand en een hoofdzakelijk open, heideachtige vegetatie. De hoger gelegen gedeelten bestaan uit droge, beboste zandgronden. De noordrand bestaat uit plaggenbodems”. 2.2.7. Het bestreden besluit geeft uitdrukkelijk de redenen op die van historische en natuurwetenschappelijke aard zijn, om het Pommelsven als een landschap van algemeen belang te beschermen. De ingeroepen bepalingen, noch het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de eerste, tweede, derde, vierde en zesde verzoekende partijen en van de nalatenschap van de vijfde verzoekende partij, elk voor een zesde. X-9538-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-9538-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.