← België

Arrest 182586 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.586 Rolnummer: A. 73180/X-7227 Zaak: Arrest 182586 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.586 van 29 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.586 van 29 april 2008 in de zaak A. 73.180/X-7227. In zake : Gerard DE WEIRDT, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN BENEDEN, kantoor houdende te 9050 GENTBRUGGE, P.J. Triesthof 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerard DE WEIRDT op 7 februari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 oktober 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 15 mei 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de verkavelingsvergunning is geweigerd voor een grond gelegen te Gent, Paradijskouterstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 373/d/ex; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-7227-1/17 Gelet op de beschikking van 1 oktober 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN BENEDEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. AERTS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van een perceel grond gelegen te Gent, Paradijskouterstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 373/d/ex. Dit perceel maakt, als lot 1, deel uit van een notariële verdelingsakte van 23 december 1970. 1.2. Op 5 oktober 1995 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een aanvraag in voor het verkavelen van dit perceel in twee loten. Voornoemd perceel is, volgens de oorspronkelijke bestemmings- voorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone, gelegen in woonuitbreidingsgebied. Bij besluit van de Vlaamse regering van 19 september 1995 houdende vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Destelbergen, Evergem, Gent, Oosterzele, Sint-Martens-Latem, Zelzate en Lochristi, wordt de bestemming van verzoekers perceel gewijzigd in agrarisch gebied. 1.3. De gemachtigde ambtenaar brengt op 31 januari 1996 het volgend ongunstig advies uit: X-7227-2/17 “het terrein is volgens het bij besluit van de Vlaamse Regering dd. 19/09/95 gedeeltelijk gewijzigd gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ gelegen in agrarisch gebied, waar het verkavelen met het oog op het bouwen van woningen strijdig is met de planologische voorschriften”. 1.4. Daarop weigert het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 22 februari 1996 de gevraagde vergunning. 1.5. Bij besluit van 15 mei 1996 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verzoekers beroep tegen voormeld weigeringsbesluit niet in. 1.6. Daarop stelt de verzoeker op 27 juni 1996 beroep in tegen voormeld weigeringsbesluit van de bestendige deputatie bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. 1.7. Bij het thans bestreden besluit van 29 oktober 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening wordt verzoekers beroep verworpen. Dit besluit wordt hem op 10 december 1996 ter kennis gebracht. 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunt van de partijen 2.1.1.1. In een eerste middel voert de verzoeker aan dat het aangevochten besluit “geen geldige rechtsgrond” heeft, “2.1.1. Eerste onderdeel : het Gewestplan op grond waarvan de verkavelingsvergunning geweigerd wordt is niet op geldige wijze vastgesteld en kan geen basis zijn voor de aangevochten weigeringsbeslissing. Bij het bestreden besluit wordt aan verzoeker een verkavelingsvergunning geweigerd. Er dient evenwel vastgesteld dat het bestreden besluit toepassing maakt van een onwettige rechtshandeling, zijnde het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 1995 waarbij het gewestplan ‘Gentse en kanaalzone’ gedeeltelijk wordt gewijzigd. Verzoeker wenst dit onderdeel als volgt te ontwikkelen: S zowel de gemachtigde ambtenaar (advies van 31 januari 1996) als de bestendige deputatie (beslissing van 15 mei 1996) hebben hun zienswijze, met name de weigering van de verkavelingsvergunning, gebaseerd op de X-7227-3/17 omstandigheid dat het Gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ (vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 1995) het perceel van verzoeker had ondergebracht in een agrarisch gebied; S er wordt door de gemachtigde ambtenaar, door de bestendige deputatie én door de terzake bevoegde Gemeenschapsminister gesteld dat de (ge)plande verkaveling niet kan ingepast worden in de uitzonderingen voorzien bij art. 46 § 2, zesde lid van de wet van 29 maart 1962 (...) houdend(

  1. e)organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw (hierna genoemd ‘Stedebouwwet’), zoals gewijzigd bij decreet van 13 juli 1994, en bijgevolg niet vergund kan worden; S het besluit houdende vaststelling van het gewestplan is evenwel onwettig in de mate dat het niet onderworpen werd aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, verplicht gesteld bij art. 3 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna aangeduid als ‘R.v.St.-wet’); S dit werd ondertussen vastgesteld bij arrest van 5 november 1996, nr. 62.912 (...) nu het middel dat gehaald werd uit art. 3 § 1 R.v.St.-wet immers ernstig werd bevonden; S aldus kan het Gewestplan geen geldige rechtsgrond zijn voor weigering van de verkavelingsvergunning, en kan ook geen toepassing gemaakt worden van de redenering zoals ontwikkeld door gemachtigde ambtenaar, bestendige deputatie en gemeenschapsminister, te weten dat het te verkavelen perceel ligt in een agrarische zone, bestemming die zich verzet tegen het vergunnen van de geplande verkaveling; S niets verzet zich ertegen dat de Raad van State op grond van het principe vervat in art. 159 van de Grondwet weigert toepassing te maken van het onwettig besluit van 19 september 1995, gezien het toetsingsrecht voorbehouden aan elke rechtsmacht inzonderheid aan de Raad van State; De geschonden bepalingen zijn art. 3 § 1 R.v.St.-wet (verzuim het verplichte advies te verlenen), artikelen 45 e.v. Stedebouwwet en art. 11.4.1. van het K.B. van 28 december 1972 betreffende inrichting en toepassing van ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (die ten onrechte ingeroepen zijn), en het princiep dat een onwettige verordening niet als wettige basis kan dienen voor besluiten, in toepassing daarvan genomen. 2.1.2. Tweede onderdeel : op grond van het ‘oude’ gewestplan, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, kon de verkavelingsvergunning wel toegestaan worden. Overwegende dat verzoeker dit onderdeel als volgt wenst te ontwikkelen : S uit het dossier van verzoeker blijkt dat zijn perceel krachtens het gewestplan van 1977 ingekleurd was als woonuitbreidingsgebied; S evenwel staat vast dat zowel AROHM als de Stad Gent deze grond beschouwd hebben als bouwgrond. Dit blijkt uit de omstandigheid dat andere percelen van de verdeling van de nalatenschap van de ouders van verzoekers verkaveld en/of bebouwd werden, met aflevering van een vergunning; S in feite waren de percelen van de verdeling - waaronder het perceel waarvoor verzoeker een verkavelingsvergunning wenst te bekomen - dus bouwgrond geworden en heeft het (onwettig vastgestelde) gewestplan van 19 september 1995 niet een woonuitbreidingsgebied, maar een bouwgrond omgezet in agrarisch gebied; S vermits het besluit tot vaststelling van het gewijzigd (g)ewestplan dd. 19 september 1995 onwettig is, en vermits op grond van het gewestplan zoals vastgesteld bij K.B. van 14 september 1995 de vergunning wel verleend kon worden, schendt de aangevochten weigeringsbeslissing niet alleen de wet doordat ze gestoeld is op een onwettig besluit, maar ook art. 10 en 11 van de Grondwet vermits aan X-7227-4/17 verzoeker is geweigerd wat aan zijn familie (o.m. eigen zuster : zie supra onder feitenoverzicht) in vergelijkbare omstandigheden wel is toegestaan; S het feit dat ook in het ontwerp-gewestplan het perceel van verzoeker was ingekleurd als agrarisch gebied, verzet zich niet tegen de verkaveling. De gemachtigde ambtenaar kon wel negatief geadviseerd hebben op grond van artikel 45, § 2, derde lid, maar dit is slecht(
  2. s)een mogelijkheid en geen verplichting, zodat men zich mag blijven baseren op het oude plan. Concluderend kan gesteld worden dat het in casu handelt om een schending van art. 45 e.v. van de Stedebouwwet, van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen en van artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 2.1.3. Derde onderdeel : door te verwijzen naar het onwettig besluit van 19 september 1995 houdende vaststelling van het gewijzigd gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ heeft de Gemeenschapsminister bevoegd voor ruimtelijke ordening zijn beslissing niet op de gepaste wijze gemotiveerd en derhalve gehandeld in strijd met de wet dd. 29.7.1991 op de uitdrukkelijke motivering. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (gemeenzaam bekend als ‘Formele Motiveringswet’) vereist dat een bestuurshandeling in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat de motivering ‘afdoende’ moet zijn. Welnu : S een verwijzing naar een norm die zelf op onwettige wijze is vastgesteld, kan niet beschouwd worden als een correcte, dit is juiste aanduiding van de ‘juridische’ overwegingen; S een dergelijke motivering is zeker niet ‘afdoende’ in de zin van geciteerde formele motiveringswet. Artikel 3 van de Formele Motiveringswet werd onmiskenbaar geschonden”. 2.1.1.2. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij: “Eerste onderdeel : schending van artikel 3, § 1 R.v.St.-Wet, art. 43 e.v. decreet ruimtelijke ordening, art. 11.4.1. K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, het principe dat een onwettige verordening niet als wettige basis kan dienen voor besluiten. 10 In een eerste onderdeel werpt de verzoeker op dat het K.B. van 19 september 1995 houdende gedeeltelijke vaststelling van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, onwettig is omdat het niet onderworpen werd aan het advies van de Raad van State zoals bepaald in artikel 3 § 1 R.v.St.-Wet. De verzoeker steunt zich daarbij op ‘s Raads arrest nr. 62.912 van 5 november 1996. Zodoende zou het bestreden besluit op een onwettige rechtsgrond steunen. 11 Dit onderdeel van het middel van de verzoeker faalt om volgende redenen. De verplichting om ontwerpen van reglementaire besluiten voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voor te leggen, behalve in het met bijzondere redenen omklede geval van hoog- dringendheid, ligt besloten in artikel 3 R.v.St.-Wet. Een besluit tot vaststelling van een gewestplan is een reglementair besluit. De gewestplannen hebben bindende en verordenende kracht (art. 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996). X-7227-5/17 Gewestplannen dienen echter niet steeds aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State onderworpen te worden. Wanneer het gewestplan enkel een toepassing maakt van de stedenbouwkundige voorschriften die opgenomen zijn in het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, neemt de Raad van State aan dat aan de adviesvereiste mag worden voorbijgegaan (...). Dit K.B. bevat de zogenaamde algemene stedenbouwkundige voorschriften, die worden ingedeeld in volgende hoofdcategorieën : woongebieden, industriegebieden, dienstverleningsgebieden, landelijke gebieden, recreatiegebieden en gebieden voor ander grondgebruik. Het K.B. bevat ook de categorie ‘eigen gebieden van sommige gewest- plannen’ (art. 17.6.4.). Deze algemene voorschriften hebben geen onmiddellijke rechts- gevolgen : het is pas door de toepassing in een plan, waarbij wordt aangegeven voor welke delen van het grondgebied deze voorschriften gelden, dat de rechtsgevolgen ontstaan. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft over dit K.B. advies uitgebracht (...). De besluiten inzake gewestplanwijzigingen die louter een toepassing maken van de voorschriften die in het K.B. zijn opgenomen, dienen derhalve niet meer aan het advies van de Raad van State te worden voorgelegd. Deze besluiten zijn immers te beschouwen als materiële uitvoeringsbesluiten, die zich beperken tot een materiële toepassing van de voorschriften van het K.B., waarbij het niet tot de bevoegdheid van de afdeling wetgeving behoort om zich over de opportuniteit van deze toepassing uit te spreken. 12 In de gewestplannen kunnen ook aanvullende stedenbouwkundige voorschriften worden opgenomen, die niet in het K.B. van 28 december 1972 zijn beschreven (art. 1, § 2 K.B. van 28 december 1972). Deze en enkel deze voorschriften moeten aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State worden voorgelegd (...). 13 In ‘s Raads arrest (...) waarnaar de verzoeker verwijst ging het precies om zo’n aanvullend stedenbouwkundig voorschrift. De Raad overwoog : ‘... Overwegende dat in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewest- plannen en gewestplannen voorschriften zijn opgenomen welke betrekking hebben op, enerzijds, ‘gebieden voor milieubelastende industrieën’, en, anderzijds, ‘groengebieden’; dat dit koninklijk besluit geen voorschriften bevat voor een ‘industriegebied voor gebieden die worden bestemd tot milieubelastende bedrijven met nabestemming groengebied’; ... Overwegende dat de voorschriften van de plannen van aanleg; krachtens artikel 2, § 1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, verordenende kracht bezitten; dat het besluit van de Vlaamse regering dat bindende kracht verleent aan voorschriften die niet in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn opgenomen, dienvolgens aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State dient te worden onderworpen; dat deze pleegvorm niet werd nageleefd ...’. 14 In casu gaat het geenszins om een aanvullend stedebouwkundig voorschrift, maar om de materiële toepassing van een algemeen X-7227-6/17 stedenbouwkundig voorschrift dat in het K.B. van 28 december 1972 is opgenomen, namelijk ‘agrarisch gebied’, waardoor een ander algemeen stedenbouwkundig voorschrift, ‘woonuitbreidingsgebied’, wordt vervangen. Derhalve diende deze gedeeltelijke vaststelling van het Gewestplan Gentse en Kanaalzone bij besluit van de Vlaamse regering van 19 september 1995, niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State te worden onderworpen. Tweede onderdeel : schending van art. 43 e.v. van het decreet ruimtelijke ordening, het K.B. van 28 december 1972, art. 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet. 15 De verzoeker houdt in dit onderdeel voor dat de verkavelings- vergunning op grond van het ‘oude gewestplan’, vastgesteld bij K. B. van 14 september 1977, wel kon verleend worden. Vermits het eerste onderdeel van dit eerste middel volstrekt ongegrond is, volgt daaruit dat ook het tweede onderdeel ongegrond is. Derde onderdeel : schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. 16 Door de verwijzing in de bestreden akte naar het onwettig besluit van 19 september 1995 van de Vlaamse regering, is de verzoeker van oordeel dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd. De volstrekte ongegrondheid van het eerste onderdeel van het eerste middel, impliceert de ongegrondheid van dit derde onderdeel”. 2.1.1.3. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “1. Eerste Onderdeel: a. De aangehaalde rechtsgrond is niet geldig in de mate dat deze is ‘aangetast’ door een nadien gewijzigd besluit van de Vlaamse Regering, waardoor in wezen het bestreden besluit een onwettige rechtshandeling wordt, die geen rechtsgeldige basis kan zijn voor een weigeringsbeslissing inzake verkavelingsaanvraag. Zowel de adviesverlenende instanties (gemachtigde ambtenaar) als de diverse beslissende instanties (College, Bestendige Deputatie, Gewest-Minister) hebben zich gebaseerd op deze niet rechtsgeldig bevonden rechtshandeling, zijnde het inmiddels gedeeltelijk gewijzigd gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ waarvan het oorspronkelijk besluit van de Vlaamse Regering werd opgeheven door een nieuw besluit dd. 19.9.1995. b. Ingevolge art. 3 § 1 van de Raad van State-wet moet inderdaad - op uitzondering van de expliciete opgesomde gevallen - ‘de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten’ worden voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Verwerende partij ontkent niet dat een Koninklijk Besluit waarbij een Gewestplan wordt vastgesteld, dit is ‘geofficialiseerd’ en via publicatie van kracht wordt, een reglementair besluit is. Toch stelt hij - ten onrechte - zonder dit te motiveren dat gewestplannen ‘niet steeds’ dienen onderworpen aan dit advies van de Raad van State, zich hierbij steunend op een arrest van 1987 (...). Opgemerkt dient te worden dat het terzake in dit geciteerd arrest over een detailwijziging handelde meer bepaald ter uitvoering van een algemeen voorschrift. X-7227-7/17 Sedert lang - meer bepaald sedert een arrest van het Hof van Cassatie dd. 10.3.1955 (Pas. 1955, I, 765) bestaat de vaste rechtspraak dat de rechtsmachten niet voor advies voorgelegde organieke of reglementaire besluiten moeten weigeren toe te passen. Deze regel werd trouwens ook toegepast door uw Raad bij het schorsingsarrest dd. 5.11.1996, waarvan sprake in het inleidend verzoekschrift (...). Conclusie : 1. Het toetsingsrecht in hoofde van de Raad van State blijft derhalve ook inzake, onverkort bestaan zodat niet anders dan kan geconcludeerd worden dat de aangehaalde rechtsgrond niet rechtsgeldig is, nu verwerende partij er niet in slaagt het bewijs te leveren dat een bij art. 3 § 1 R.v.St.-wet voorgeschreven advies van de afdeling wetgeving van uw Raad in casu niet verplichtend is. 2. Het door verwerende partij gemaakte onderscheid is louter arbitrair, nu onmogelijk in deze zienswijze op ernstige en volgehouden wijze kan worden vastgesteld wanneer een advies al dan niet nog verplichtend is. 3. De uitzondering der hoogdringendheid om te ‘ontsnappen’ aan de verplichting tot adviesaanvraag is kennelijk niet van toepassing. 4. Volgens een vaste rechtspraak is het inwinnen van advies niet alleen aan substantiële voorwaarde maar is het ontbreken hiervan een ambtshalve door de Raad van State te weerhouden middel (...). 5. Een gewestplan-wijziging waarbij het in casu toepasselijk voorziene ‘agrarisch gebied’ wordt vervangen door een ‘woonuitbreidingsgebied’ en dit onafgezien van vele andere substantiële wijzigingen, kan onmogelijk als ‘modaliteit’ worden gedefinieerd en is, hoe dan ook, onderworpen aan het wettelijk voorgeschreven advies van de afdeling wetgeving uwer Raad. 2. Tweede onderdeel Aangezien verwerende partij niet replikeert op dit onderdeel, uitgaande van de hypothese dat wordt gefaald in de bewijslevering van het eerste onderdeel, moge volstaan worden met verwijzing naar de tekst van het verzoekschrift dat terzake genoegzaam is gemotiveerd. 3. Derde onderdeel Dit onderdeel heeft betrekking op de vastgestelde inbreuk en derhalve schending van de uitdrukkelijke Motiveringswet dd. 29.7.1991, meer bepaald van artikel 3 dezer wet. Ook terzake dit onderdeel dringt verwerende partij kennelijk niet aan, hoewel het toch moet duidelijk zijn dat de aangevochten beslissing enerzijds een bestuurshandeling is en anderzijds door een verwijzing naar een onwettig besluit van 19.9.1995 van de Vlaamse Regering, zeker niet als een ‘afdoende’ motivering kan worden beschouwd. Artikel 3 van de Wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurs- handelingen dd. 29 juli 1991 verplicht de overheid immers ertoe ‘één of meer wettelijke gronden’ aan te halen die ‘een voldoende juridische en feitelijke redengeving’ bezorgen aan de getroffen beslissing (Cass. 21.12.93, Arr. Cass. 93, 1102). De formele motiveringsplicht heeft overigens tot doel het verweer te organiseren voor de rechtzoekende en dit op een dergelijke manier dat men er in slaagt zodanig ‘inzicht te geven in de motieven van die beslissing en dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op dat stuk van haar motieven te verweren’. (...) Anders gesteld: de rechtzoekende burger heeft recht op formele motivering ter kennisneming van de redelijkheid der tegen hem genomen X-7227-8/17 weigeringsbeslissing en dit op zodanige duidelijke en afdoende wijze dat hij zijn verweer op degelijke wijze weet te organiseren. Zelfs een duidelijk taalgebruik maakt derhalve deel uit van de correcte motiveringsplicht, waarbij het sleutelbegrip ‘afdoend’ volgens de parlementaire voorbereiding, centraal staat. Toegegeven dient te worden dat, indien het zo is dat zoals in casu de enige motivering waarop de aangevochten beslissing is gesteund een verwijzing is naar een later als onwettig bestempeld besluit dd. 19.9.1995 genomen door de Vlaamse Regering, dit onmogelijk verenigbaar is met het sleutel-begrip ‘afdoend’ noch in enige mate als een gepaste formele motivering mag worden bestempeld van aard om de geweigerde rechtszoekende toe te laten zijn verweer te organiseren, minstens niet op ‘gepaste’ dit is op ‘afdoende’ wijze. Immers niet de lengte van de tekst der aangevochten weigeringsbeslissing is terzake relevant, wel de correctheid van de aangegeven rechtsbasis (...). In casu is a posteriori komen vast te staan dat het opgegeven motief niet correct was. Conclusie: In voorliggende casus voldoet de weigerings-beslissing, op 10.12.1996 betekend aan verzoeker, niet aan de door artikel 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet dd. 29.7.1991 gestelde verplichting, nu de enige aangehaalde motivering kennelijk als rechtsgrond werd verworpen en dus niet als afdoende redengeving kan worden bestempeld”. 2.1.1.4. In de laatste memorie laat de verzoeker nog gelden: “1. Enkel het tweede onderdeel van dit eerste middel werd door de heer Auditeur onderzocht, te weten dat enkel ‘op grond van het oude gewestplan vastgesteld bij K.B. van 14.9.1977 kon de verkavelingsverguning wel toegestaan worden’. Hij beperkt zich in zijn verslag tot de kennelijke vaststelling dat dit inmiddels vervangen gewestplan met vermelding voor wat het betrokken perceel betreft naar ‘woonuitbreidingsgebied’ - op basis waarvan requestrant op 5.10.1995 een aanvraag tot vergunning had ingediend - nooit door hem maar wel door anderen werd aangevochten. Deze vaststelling is evenwel niet relevant in de mate dat requestrant wel degelijk belang bleef behouden inzake zijn aanvraag tot verkavelings- vergunning daterend van 4.10.1995 (op basis van een nadien geschorst besluit) ook in de overgangsfase tussen datum van besluit Vlaamse Regering dd. 19.12.1995 houdende vaststelling van het desbetreffend gewestplan en datum van beide arresten zijnde respectievelijk 5.11.1996 en 3.12.1996. 2. Het verslag overtuigt niet in de mate dat enerzijds wordt voorgehouden dat het verder belang ontbreekt in hoofde van verzoeker omdat hij hoe dan ook niet voldeed aan de voorwaarden van het geschorste besluit wat betreft de ‘groepswoningbouw in een woonuitbreidingsgebied’ en anderzijds moet vast- stellen dat deze voorwaarden niet langer een rechtsgrond kunnen zijn gezien het ingetrokken besluit. 3. De nieuwe invulling van de desbetreffende voorwaarden - en meer bepaald de vervanging van de ingekleurde zone in het betrokken perceel dat thans (na aanvraag) werd gewijzigd in agrarisch gebied in plaats van woon- uitbreidingszone is én irrelevant én discriminerend in hoofde van requestrant. Deze laatste moet vaststellen dat hij als deeltijds landbouwer - tegen alle redelijkheid in - wordt veroordeeld om een perceel van amper 12,5 aren groot X-7227-9/17 als landbouwgrond aan te wenden wat een te kleine oppervlakte is voor welke bebouwing ook. Dit laatste is van algemene bekendheid. Anderzijds blijft verzoeker deze optie wat betreft het desbetreffend perceel (niet ten onrechte) als ‘discriminerend’ vinden - en dus strijdig met het gelijkheidsbeginsel en non discriminatiebeginsel vervat in art 10 en 11 G.W. Zijn zuster De Weirdt Gerarda kon immers ‘genieten’ van een vergunning, die zij slechts enkele maanden voordien aanvroeg en in beroep ook bekwam op 1.6.1995. Dit dus onder zelfde ‘juridisch overgangsregiem’ en mits zelfde voorwaarden van ‘groepsbouw’ voor het aanpalend perceel in zelfde straat op basis van dezelfde notariële verdelingsakte (...). Voor zover mocht worden gesteld door verwerende partij dat hierdoor een nieuw middel wordt aangewend, quod non, dient gesteld dat het tweede onderdeel van huidig eerste middel, wel degelijk ook deze inbreuken op grondwettelijke beginselen inhoudt, hoewel niet expressis verbis vermeld in het inleidend verzoekschrift. Verwezen zij naar het standpunt van het Hof van Cassatie in verband met de uitbreiding van de oorspronkelijke vordering (cfr. Cass. 28.4.1994, Arr. Cass.1994 nr.206 alsook Cass.18.2.2000, Arr. Cass.2000, nr.136) waarbij wordt aangesloten bij de visie verwoord door Ch. Van Reepinghen in zijn verslag over de gerechtelijke hervorming (1964 Belg. Staatblad nr.335). Samen met deze eminente auteur, mag worden gesteld dat de regel ‘ubi lex distinguit, nec debemus distinguere’ als geldend beginsel geldt, wat terzake (mutatis mutandis) ook toepassing vindt in het administratief recht. 4. De aanvaarding van het eerste en derde onderdeel van huidig eerste middel is dan ook ‘een doekje voor het bloeden’ nu de auditeur het belang ervan voor verzoeker ten onrechte miskent, hoewel hij ten gronde moet toegeven dat beide onderdelen gegrond zijn in hoofde van requestrant, die evenwel - volgens het verslag - geen ‘belang’ meer zou bezitten dit in te roepen. Bedoeld wordt uiteraard: geen belang bij betwisting van een door andere partijen ingeleide bezwaarprocedure die de overheid tot een nieuw gewestplan dwong. In die betekenis heeft de auditeur zeker gelijk. Niet echter wanneer men aan ‘belang’ de gebruikelijke betekenis verstrekt, zijnde een persoonlijk en gedetermineerd belang in hoofde van verzoeker om een administratieve rechtshandeling (in casu een weigeringsbeslissing) aan te vechten. Met W. Lambrechts (Geschillen van Bestuur, blz.160 e.v.) dient aanvaard dat het ‘belang’ in casu wel degelijk beantwoordt aan de 4 gestelde vereisten, zijnde: persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd karakter. Het beweerd verval van belang terzake het aanvechten (door verzoeker) van een inmiddels rechtgezette administratieve rechtshandeling inzake de wijziging van kwestieus gewestplan, is allerminst relevant in de mate dat deze (juridische) mogelijkheid niet alleen openviel na indiening van de aanvraag tot verkaveling maar ook het gevolg is van een kennelijk foutief optreden van de overheid, waarvoor verzoeker thans zou gesanctionneerd worden. Het zou niet correct zijn ten aanzien van een rechtszoekende - en zelfs de wereld op zijn kop zetten - indien deze (brave burger) mede het slachtoffer wordt van een onrechtmatig handelen van de overheid, wanneer hij na rechtzetting van deze handeling door diezelfde overheid, zou ‘beticht’ worden geen blijvend belang meer te bezitten. Conclusie: niet verzoeker is hier in fout, maar wel de nalatige of falende overheid, wat de heer auditeur ook moge beweren. Het is niet correct het blijvend belang te ontkennen bij een overigens erkend gegrondheid van 2 onderdelen van het aangevoerde middel, wanneer de overheid zelf aan de basis ligt van dit falen”. X-7227-10/17 2.1.1.5. In de laatste memorie stelt de verwerende partij nog: “2. De verwerende partij verwijst voor dit onderdeel naar haar memorie van antwoord van 20 juni 1997. 3. De verwerende partij sluit zich bovendien aan bij het verslag van de heer eerste auditeur-afdelingshoofd van 14 januari 2003 waarin wordt geoordeeld dat de verzoekende partij geen belang meer heeft bij het eerste en derde onderdeel van het eerste middel. 4. De door de verzoekende partij in zijn laatste memorie voor het eerst opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel is niet ontvankelijk en bovendien niet relevant. De verzoekende partij heeft geen enkel rechtsmiddel aangewend tegen de vastlegging van de bestemmingsvoorschriften als agrarisch gebied. De verzoekende partij geeft zelf aan dat de vergunning door zijn zus werd bekomen op 1 juni 1995 terwijl het Gewestplan Gentse en Kanaalzone is vastgesteld bij K.B. van 15 september 1995 en in werking is getreden op 8 november 1995. 5. De procedure voor de Raad van State is een bijzondere procedure met eigen kenmerken die moet onderscheiden worden van de gemeenrechtelijke procedure. Dit geldt eveneens voor de mogelijkheid tot uitbreiding van de vordering. De verzoekende partij kan zijn vordering niet uitbreiden om de eigen nalatigheid recht te trekken. Het staat immers vast dat de verzoekende partij geen enkel rechtsmiddel heeft aangewend tegen de vastlegging van de bestemmingsvoorschriften als agrarisch gebied. 6. De overige bedenkingen van de verzoekende partij zijn zoals deze zelf aangeeft ‘wellicht niet relevant’. De verzoekende partij verliest uit het oog dat het door de eigen nalatigheid is dat hij zijn belang heeft verloren. De verzoekende partij verliest bovendien uit het oog dat de auditeur oordeelt dat ‘ook, onder de gelding van het oorspronkelijk gewestplan, de gevraagde vergunning niet [kon] worden verleend’. Het eerste en derde onderdeel van het eerste middel zijn slechts ‘in die mate’ gegrond omdat het enige weigeringsmotief van de bestreden beslissing ‘is gesteund op een, naderhand, ingetrokken besluit’ waardoor dit besluit geen rechtsgrond meer heeft. Aangezien echter bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1998 houdende definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, Destelbergen, De Pinte, Evergem, Gent, Laarne, Lochristi, Lovendegem, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Nevele, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate het perceel van de verzoekende partij opnieuw werd bestemd als agrarisch gebied zou de overheid eveneens verplicht zijn geweest om de aanvraag te weigeren. Het is slechts om die reden dat de verzoekende partij heeft nagelaten de bestemming als agrarisch gebied op zich aan te vechten dat hij geen belang heeft bij de vernietiging van bestreden beslissing. 7. Het annulatieberoep is niet ontvankelijk, minstens ongegrond”. X-7227-11/17 2.1.2. Onderzoek van het middel Het bestreden besluit bevat slechts één weigeringsmotief, met name, na te hebben vastgesteld dat het te verkavelen perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 19 september 1995, is gelegen in agrarisch gebied, en dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, bestemd is voor landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook para-agrarische bedrijven, dat het “huidig ontwerp tot verkavelen van de grond met het oog op het bouwen van woningen strijdt met de bindende planologische bepalingen van voornoemd gewestplan”. Bij arrest nr. 62.912 van 5 november 1996, verbeterd bij arrest nr. 63.410, van 3 december 1996, heeft de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van het besluit van de Vlaamse regering van 19 september 1995 houdende vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Destelbergen, Evergem, Gent, Oosterzele, Sint-Martens-Latem, Zelzate en Lochristi waarbij onder meer verzoekers perceel tot agrarisch gebied werd bestemd. Vervolgens heeft de Vlaamse regering bij besluit van 13 mei 1997 voormeld besluit ingetrokken. Bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1998 houdende definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, Destelbergen, De Pinte, Evergem, Gent, Laarne, Lochristi, Lovendegem, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Nevele, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate, werd verzoekers perceel opnieuw tot ‘agrarisch gebied’ bestemd. Tegen dit besluit werd door de verzoeker geen beroep tot nietigverklaring ingesteld, zodat het definitief is geworden. De verzoeker werpt evenmin een exceptie van illegaliteit ten aanzien van dit besluit op. Krachtens artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, hebben alle voorschriften van de plannen van aanleg bindende en verordenende kracht, en mag er alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. X-7227-12/17 Geen decretale bepaling laat op dit ogenblik toe van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan af te wijken voor het verlenen van een verkavelingsvergunning in agrarisch gebied. In die omstandigheden heeft de verzoeker dan ook geen belang meer bij het middel, vermits in geval van een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit de vergunningverlenende overheid niet anders kan dan de gevraagde vergunning opnieuw te weigeren, gelet op de strijdigheid van de verkavelingsaanvraag met de thans geldende gewestplanvoorschriften. Het eerste middel is niet gegrond. In de memorie van wederantwoord voert de verzoeker nog een nieuw middel aan, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dit middel raakt de openbare orde niet en kon reeds in het verzoekschrift worden aangevoerd. Om deze reden is het dan ook niet ontvankelijk. 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunt van de partijen 2.2.1.1. In een tweede middel voert de verzoeker aan dat de verdelingsakte op zichzelf al gelijk te stellen is met een verkavelingsvergunning en enkel ongedaan kan worden gemaakt door een bijzonder plan van aanleg. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Verzoeker wenst dit middel als volgt te ontwikkelen: S het perceel waarop de aanvraag slaat is begrepen in een verdeling van een nalatenschap; S artikel 56, § 2 spreekt over de ‘verdeling van een goed waarvoor geen verkavelingsvergunning is afgegeven’. Uit dit artikel blijkt dat ook dergelijke verdeling is onderworpen aan publiciteit vermits ook het College van Burgemeester en Schepenen de kans moet krijgen opmerkingen te maken; S indien aan alle voorwaarden is voldaan om deze verdeling rechtsgeldig te voltrekken, moet zij gelijkgesteld worden met een verkavelingsvergunning; S artikel 45 § 2, zesde lid van de Stedebouwwet heeft het enkel over de ‘mogelijkheid’ voor de gemachtigde ambtenaar om af te wijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan bij het afleveren van een gunstig advies over bouw- en verkavelingsaanvragen, maar heeft geen uitstaans met de situatie waarin er reeds voorafgaandelijk een verkavelingsvergunning verkregen was; S hoe een bouwvergunning of een verkavelingsvergunning vervalt is in de wet geregeld; het verval gebeurt niet louter door de omstandigheid dat er een nieuw gewestplan komt; X-7227-13/17 S door de bestendige deputatie, in zijn beslissing van 1 juni 1995 inzake Gerarda De Weirdt, werd dezelfde verdeling gelijkgesteld met een verkavelingsvergunning die definitief verkregen was, gelet op de omstandigheid dat beantwoord werd aan de regel die ‘a contrario’ vervat zit in art. 57 § 4, en krachtens dewelke een verkavelingsvergunning als definitief verkregen kan worden beschouwd wanneer minstens 1/3 van de percelen bebouwd is; S dit was reeds zo op 8 juli 1994, datum van voorlopige vaststelling van het ontwerp-gewestplan; S vermits de ‘verdeling’ gelijkgesteld wordt met een ‘vergunde verkaveling’ en vermits een verkavelingsvergunning enkel kan worden vernietigd door de opmaak - krachtens art. 43 van de Stedebouwwet - van een bijzonder plan van aanleg, is het evident ook zo dat de gronden op planologisch vlak nog steeds als bouwgronden moeten worden beschouwd; S er is geen gegronde reden noch juridisch gefundeerd argument van aard om een verzet tegen de verkaveling van bouwgronden te staven. Er dient besloten dat de verkaveling op die gronden vergund kon worden, zelfs indien het besluit tot vaststelling van het gewestplan dd. 19 september 1996 een wettig karakter had (quod non) zodat het besluit van de Gemeenschapsminister bevoegd voor ruimtelijke ordening art. 43 en 56 § 2 van de Stedebouwwet miskent en ten onrechte toepassing maakt van art. 45 § 2, zesde lid van zelfde wet”. 2.2.1.2. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij: “17 Dit middel lijkt gericht tegen het besluit van de Vlaamse regering van 19 september 1995 en is in zoverre onontvankelijk in deze procedure met als voorwerp de weigering van een verkavelingsaanvraag. 18 De verzoeker kan zich trouwens niet beroepen op artikel 54, § 2 van het Decreet ruimtelijke ordening nu hij verzuimt aan te tonen dat de verdeling van de betrokken percelen (...) voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit artikel. 19. In tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt heeft de Bestendige Deputatie in zijn besluit van 1 juni 1995 (...) geenszins geoordeeld dat de bedoelde verdeling kan gelijkgesteld worden met een verkavelingsvergunning. Deze stelling komt enkel voor in de weergave van de argumentatie van de beroeper in deze zaak. 20 Indien het juist is dat een verkavelingsvergunning krachtens artikel 41 slechts kan herzien of vernietigd worden door de beslissing van de Vlaamse regering tot het opmaken van een bijzonder plan van aanleg, is het niet minder juist dat het bestaan van een verkavelingsvergunning de opmaak of wijziging van een gewestplan niet in de weg staat. Dit blijkt trouwens ook uit (...) artikel 41, 3) lid, 1/ van het Decreet ruimtelijke ordening. De verzoeker toont trouwens niet aan dat de overheid buiten het haar toegekende appreciatierecht zou zijn getreden, door te oordelen dat de betrokken gronden tot agrarisch gebied dienden te worden bestemd (...)”. X-7227-14/17 2.2.1.3. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “- Ten onrechte stelt verwerende partij dat verzoeker in dit middel zich in wezen zou richten tegen het besluit van de Vlaamse Regering dd. 19.9.1995, daar waar dit middel in tegendeel juist viseert dat er een aantal contradicties bestaan in de standpunten ingenomen door het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, alsook in het weigeringsbesluit op zich. S In de beslissing dd. 1.6.1995 inzake Gerarda De Weirdt (...) werd door de Bestendige Deputatie wel degelijk uitgegaan van het feit dat dezelfde verdeling -spruitend uit dezelfde verdelingsakte dd. 23.12.1970 (...) opgesteld door notaris Vanpeteghem met standplaats Merelbeke- diende gelijk gesteld met een definitieve verkregen verkavelingsvergunning en dit gelet op art. 57 § 4 Stedebouwwet a contrario. Verwezen zij naar blz. 2 van deze geciteerde beslissing waarin expliciet naar deze ‘één derde’-regel wordt verwezen. S Nu reeds op 8 juli 1994, datum van de voorlopige vaststelling van het ontwerp-gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ deze toestand aldus bestond en de vergelijkbare beslissing van verzoekers zuster Gerarda De Weirdt dateert van latere datum (nl. 1.6.1995) kan ook inzake voorliggend verzoek niet anders dan worden gestatueerd dat deze verkaveling met een definitief verworven vergunning dient gelijkgesteld; dit alles op gevaar af in een toestand van discriminatie terecht te komen, die strijdig is met het beginsel vooropgesteld bij art. 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet. S Een definitief verworven verkaveling of een daarmee gelijk gestelde definitieve vergunning zoals in casu, kan onmogelijk worden teniet gedaan door een a posteriori gewijzigd gewestplan of ingevolge een gedeeltelijk vernietigd gewestplan, nu dit de rechtzekerheid aantast in hoofde van degene die beschikte over deze aldus vergunde toelating, zelfs al heeft hij er in de praktijk geen gebruik van gemaakt. S Ten overvloedde mag nog verwezen worden naar de in het verzoekschrift ontwikkelde overige argumentatie, te weten: a. Het niet verplicht zijn tot advies vanwege de gemachtigde ambtenaar bij ‘een verdeling van een goed, waarvoor geen verkavelings- vergunning is afgegeven’ zoals voorzien bij art. 56 § 2 Stedebouwwet, hetgeen ook publiciteitsplicht veronderstelt. b. De afwijkingsmogelijkheid gegrond op art. 46 § 2 Stedebouwwet, die de gemachtigde ambtenaar ‘rechtigt’ om van de voorschriften om een ontwerp-gewestplan af te wijken. S Tot slot dient gewezen op een argument - binnen zelfde derde middel - geput uit artikel 79 van de stedebouwwet zoals gewijzigd bij Decreet der Vlaamse Raad (Parlement) dd. 13.7.1994, te weten: S bij overgangsmaatregel kan voor de vergunningen tot ‘bouwaanvragen’ ingediend vóór 31.3.1995, mits te voldoen aan een aantal voorwaarden inzake stedebouwkundig attest, een afwijking toegestaan in hoofde van de gemachtigde ambtenaar op de voorschriften van het ontwerp-gewestplan. Dit geldt zowel voor het ‘verbouwen’ als voor uitbreiden van een vergunde woning en dit in strijd met de dwingende bepalingen van dit ontwerp-gewestplan. Mutatis mutandis dient vooropgesteld, dat nu de met de verkaveling gestelde verkavelingsakte dateert van vóór deze datum geldig bij overgangsmaatregel, namelijk vóór 31.3.95, een zelfde overgangsmaatregel ook moet gelden voor de verkavelings- vergunningen, nu nergens enige uitzondering werd gemaakt voor X-7227-15/17 art. 56 en 57 van de Stedebouwwet (van toepassing voor de verkavelingsaanvragen), en deze wet in art. 57 expressis verbis voorziet in een totale toepassing van de bepalingen voorgeschreven door een aantal artikelen o.m. deze van art. 45 voor deze materie der verkaveling. Dit geldt dus ook voor art. 45 § 2 zoals gewijzigd door artikel 2 Decreet Vlaamse Raad dd. 28.6.1994, later herhaaldelijk aangevuld. Er dient derhalve subsidiair geconcludeerd tot het toepassen van een zelfde overgangsmaatregel voor zover de ‘fatidieke’ datum van 31.3.1995 is gerespecteerd, wat in casu het geval is”. 2.2.1.4. In de laatste memorie laat de verzoeker nog gelden: “In het auditoraatsverslag wordt het tweede middel van requestrant prioritair onderzocht en ‘volgt’ de heer auditeur de hypothese van verzoeker als zou de verdelingsakte dd. 23.12.1970 gelijk gesteld dienen te worden met een nieuwe verkavelingsvergunning, die - nochtans volgens hem - opnieuw dient te voldoen aan de wettelijke voorwaarden vooropgesteld bij art. 57 par. 2 Stedebouwwet. Dit (laatste) standpunt is op zijn minst betwistbaar, nu requestrant en de instrumenterende notaris op het ogenblik van het verlijden van de verdelingakte, er mochten van uitgaan dat alle noodzakelijke voorwaarden conform de enige juridische grondslag - in casu het bestaande gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ - op dat ogenblik ook waren vervuld. Het is trouwens opvallend dat de heer auditeur in zijn verslag niet reageert op de stelling van het ‘fatidieke karakter’ van de overgangsmaatregel, te weten de bewering die niet wordt tegengesproken dat een verdelingsakte opgesteld vóór 31.3.1995 (overgangsmaatregel - regiem) wel degelijk en mutatis mutandis ook van toepassing is in casu voor verkavelingsvergunningen (zie blz. 7 van verslag). Er wordt overigens niet ontkend dat de verdelingsakte dateert van 23.12.1970, zoals blijkt uit desbetreffend document (...). Conclusie: Er dient derhalve besloten dat de verkaveling op die gronden vergund kon worden, zelfs indien het besluit tot vaststelling van het gewestplan dd. 19 september 1996 een wettig karakter had (quod non) zodat het besluit van de Gemeenschapsminister bevoegd voor ruimtelijke ordening art. 43 en 56 2 van de Stedebouwwet miskent en ten onrechte toepassing maakt van art. 45 2, zesde lid van zelfde wet”. 2.2.2. Onderzoek van het middel De bestreden beslissing bevat slechts één weigeringsmotief, met name dat verzoekers verkavelingsaanvraag “strijdt met de bindende planologische bepalingen”, vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 19 september 1995 houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone. Zonder te moeten ingaan op de vraag of een akte van verdeling kan worden gelijkgesteld met een verkavelingsvergunning, dient te worden vastgesteld dat een vergunning tot het verkavelen van een perceel voortkomende uit een akte van verdeling in twee of meerdere loten slechts kan worden verleend indien X-7227-16/17 zij in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften van de op het ogenblik dat de bevoegde overheid over de aanvraag dient te beslissen geldende plannen van aanleg. De door de verzoeker aangevoerde argumenten doen aan deze vaststelling geen afbreuk. Uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat de bevoegde minister bij een eventuele nietigverklaring niet anders kan dan de gevraagde verkavelingsvergunning opnieuw te weigeren. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-7227-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.