id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.591 Rolnummer: A. 53232/X-9262 Zaak: Arrest 182591 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Fiche Arrest nr 182.591 van 29 april 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 182.591 van 29 april 2008 in de zaak A. 53.232/X-9262. In zake : Joseph VERVLIET, die woonplaats kiest bij advocaat H. SCHYVENS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Sint-Jozefstraat 43 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joseph VERVLIET op 9 augustus 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden van 3 mei 1993 houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 september 1992 waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een veranda aan de Jagersdreef te Zoersel, kadastraal bekend sectie C, nr. 212/k; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 8 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; X-9262-1/28 Gelet op de beschikking van 6 september 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 5 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoeker is eigenaar van een woning gelegen te Zoersel, Jagersdreef 7, kadastraal bekend sectie C, nr. 212/k. Voor het gebied waarin de woning is gelegen, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. Volgens het bij het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout, is de eigendom gelegen in natuurgebied. 1.2. Op 5 juli 1991 dient de verzoeker een bouwaanvraag in voor het bouwen van een veranda aan voormelde woning. Het ontvangstbewijs ervan dateert van 9 juli 1991. 1.3. Van 9 september 1991 tot 30 september 1991 werd een openbaar onderzoek gehouden. In het kader daarvan werd één bezwaarschrift ingediend door de eigenaars van de aanpalende woning aan de Jagersdreef 5. 1.4. Op 20 november 1991 brengt de gemachtigde ambtenaar advies uit. Het beschikkend gedeelte ervan luidt als volgt: X-9262-2/28 “ONGUNSTIG. De bouwaanvraag moet worden geweigerd. Het eigendom is gelegen in het natuurgebied - waar slechts die werken en handelingen kunnen toegestaan worden voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijke milieu. In het natuurgebied kunnen geen constructies gebouwd, verbouwd en/of uitgebreid worden die dienstig zijn i.f.v. het wonen, al ware het zelfs maar tijdelijk. Het decreet van 28 juni 1984 is niet van toepassing in de natuurgebieden”. 1.5. Bij besluit van 2 december 1991 van het college van burgemeester en schepenen, weigert de gemeente Zoersel de bouwvergunning. Als reden daarvoor wordt verwezen naar het erin overgenomen beschikkend gedeelte van het voormelde advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.6. Tegen dat weigeringsbesluit stelt de verzoeker op 3 januari 1992 beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Die besluit op 3 september 1992 tot de niet-inwilliging ervan. Daarin wordt onder andere overwogen: “Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, in natuurgebied gelegen is; dat dit gebied voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu bestemd is; dat in dit gebied jagers- en vissershutten opgericht mogen worden op voorwaarde dat er geen - zelfs geen tijdelijk- gebruik als woonverblijf van gemaakt kan worden; (...) Overwegende dat het decreet van 28 juni 1984 houdende aanvulling van artikel 45, § 2, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, bij afwijking van het gewestplan onder meer de uitbreiding van bestaande vergunde gebouwen toestaat indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan; Overwegende dat luidens artikel 1 van het besluit van de vlaamse executieve van 15 maart 1989 houdende bepaling van de gebieden van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen waarbinnen afwijkingen in verband met het verbouwen, het herbouwen of het uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden toegestaan, de afwijkingen van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of van een gewestplan, bedoeld in artikel 45, § 2, vierde tot achtste lid van de wet van 29 maart 1962 niet kunnen worden toegestaan indien de grond gelegen is in een natuurgebied”. 1.7. In het bestreden besluit van 3 mei 1993 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het door de verzoeker tegen het weigeringsbesluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen ingestelde beroep. Dat besluit bevat volgende overwegingen: X-9262-3/28 “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het bouwen van een veranda; dat de bestendige deputatie het beroep heeft verworpen onder meer omdat tijdens het openbaar onderzoek 1 bezwaar werd ingediend, omdat luidens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 15 maart 1989 houdende bepaling van de gebieden van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen waarbinnen afwijkingen in verband met het verbouwen, het herbouwen of het uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden toegestaan, de afwijkingen van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of van een gewestplan, bedoeld in artikel 45, §2, vierde tot achtste lid van de stedebouwwet niet kunnen worden toegestaan indien de grond, zoals in huidige zaak het geval is, gelegen is in een natuurgebied; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen is in een natuurgebied; dat overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden, die de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten, bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu; dat in die gebieden enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; Overwegende dat het plan de oprichting aangeeft van een gesloten veranda, aan te bouwen aan de achterzijde van de woning, zijdelings palend aan de woning Jagersdreef nr. 5 en aan de achterzijde aansluitend op de woning Jagersdreef nr. 3 en verder een bestaande stenen tuinmuur; Overwegende dat een deel van de beroepsargumentatie zich richt tegen de totstandkoming van de gewestplannen en meer specifiek de inkleuring van het natuurgebied terzake; dat het hier echter de taak van de bevoegde overheid is te oordelen over het bouwberoep aan de hand van het bij koninklijk besluit vastgesteld gewestplan en diezelfde overheid zich niet kan uitspreken over de totstandkoming van kwestieus gewestplan; dat eventuele tekortkomingen of misvattingen in de planologische gebiedsvaststelling in die procedure enkel op een daartoe geëigende wijze, namelijk bij de Raad van State, konden of kunnen worden aangevallen; dat bijgevolg het toepasselijk gewestplan tot op heden en integraal zijn verordenende kracht behoudt tegenover zowel de particulier als de overheid; Overwegende dat de beroeper zijn aanvraag steunt op de toepasbaarheid van de opvulregel in een natuurgebied; dat volgens artikel 23, 1/ van voornoemd koninklijk besluit van 28 december 1972 in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitsluiting van de industriegebieden, de ontginnings- gebieden, de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de over- stromingsgebieden, bij uitzondering verkavelingen en bouwwerken kunnen worden toegestaan voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerpgewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand; dat betrokken eigendom zich inderdaad situeert binnen een huizengroep en paalt aan een volledig uitgeruste weg; dat voornoemde bepalingen van het artikel 23, §1 door het decreet van 28 juni 1984 niet werden gewijzigd; dat het evenwel een uitzonderingsmaatregel is en dus geen rechten schept voor de aanvrager, noch dat hierbij sprake kan zijn van zekere automatismen; dat iedere bouwaanvraag dient getoetst aan de gangbare inzichten en vereisten betreffende een goede aanleg der plaats; Overwegende dat de ontworpen veranda de ruimte achter de woning tot de grens van het linksaanliggende en achteraanpalende eigendom dus volledig zou overdekken en zou resulteren in een constructie met een oppervlakte van circa X-9262-4/28 34,8 m2; dat gelet op de complexe eigendomsstructuur met aaneensluiting van drie verschillende woningen, het hier uit ruimtelijk ordenend oogpunt niet verantwoord is dergelijke erf- bebouwingsconfiguratie verder te belasten door het oprichten van een veranda die aansluit op de drie respectieve woningen; dat een verwijzing naar andere bebouwingstoestanden in de omgeving niet relevant is om reden dat het geen vergelijkbare erfbezettingen noch bebouwingsvormen betreft; dat op grond van de vaststelling dat de ontworpen veranda een reeds slechte ruimtelijke ordeningstoestand verder zou verzwaren het beroep van de particulier dient verworpen”; 2.Gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift zes middelen aanvoert tegen het bestreden besluit; 2.2.1.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in een eerste middel aanvoert wat volgt: “Krachtens de artn. 2 & 3 W. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, diende de Minister in de bestreden beslissing uitdrukkelijk opgaaf te doen van de juridische en feitelijke overwegingen die aan zijn beslissing ten grondslag liggen. Bedoelde motivering behoort tevens afdoende te zijn. Dit voorschrift moet aldus begrepen worden dat administratieve rechts- handelingen een klare, preciese en concrete motivering behoeven, naar verhouding met het belang van de zaak - Lagasse, D., “La loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs”, J.T., 1991, 736 s.-. De verplichting tot formele motivering van bestuurshandelingen dient drie doeleinden : • een behoorlijke informatie van de belanghebbende • het vergemakkelijken van het toezicht, vanwege de rechtbanken en rechtscolleges, op de wettigheid ervan • het bevorderen van een rijper beraad bij de totstandkoming van de bestuurshandeling. De W. 29.07.1991 is in voege sedert 01.01.1992, zodat de bestreden beslissing, getroffen op 03.05.1993, onder zijn toepassing valt. Geen betwisting kan bestaan over de gelding van de wet ten aanzien van de bestreden beslissing. Deze is immers ontegenzeggelijk een bestuurshandeling in de zin van art. 1 W. 29.07.1991: ‘De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden (of voor een ander bestuur)’. Verzoeker zond op 22.03.1993 een memorie aan de administratie van de Minister. In deze memorie worden de middelen, door verzoekers raadsman ter sprake gebracht tijdens de hoorzitting van 18.03.1993, hernomen en nader verduidelijkt. De verplichting tot uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen brengt mee, dat de Minister in zijn beslissing alle door verzoeker opgeworpen middelen diende te beantwoorden. Aan deze verplichting is de Minister tekort gekomen. X-9262-5/28 Hij heeft niet geantwoord op volgende middelen: * het beroep van verzoeker op art. 107 Grondwet, ertoe strekkend de, Minister te doen afzien van toepassing van het besluit waarbij verzoekers huidig eigendom werd ingelijfd bij het natuurgebied, besluit waarvan verzoeker in zijn memorie de onwettigheid heeft opgeworpen (...) * de opwerping van verzoeker, dat het voorgenomen bouwwerk het beweerde karakter van natuurgebied van de omgeving alleszins minder zou schaden dan de door verzoeker sub 8.B. van zijn memorie aangehaalde elementen * het gecombineerd beroep van verzoeker op de opvulregel ex art. 23, V, K.B. 28.12.1972, art. 6 & 6bis Grondwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waar verzoeker betoogde (...) dat het voorgenomen bouwwerk zeer zeker als kaderend binnen de opvulregel diende te worden vergund, nu deze opvulregel bouwwerken toestaat die de ruimtelijke ordening van hun omgeving in manifest veel ernstiger mate bezwaren * het beroep van verzoeker op art. 107 Grondwet, ertoe strekkend de Minister te doen afzien van toepassing van het Besluit van de Vlaamse Executieve d.d. 15.03.1989 dat de regeling van art. 45, § 2 Stedebouwwet 29.03.1962 uitsluit voor de natuurgebieden in het Vlaamse Gewest, besluit waarvan verzoeker in zijn memorie de onwettigheid heeft opgeworpen (...) * het beroep van verzoeker op zijn door art. 8 E.V.R.M. gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven (...). Op al deze middelen heeft de Minister ofwel geen enkel antwoord gegeven, ofwel een antwoord dat niet aan de eisen van de op hem wegende motiveringsverplichting tegemoet komt. Enkel reeds om reden van dit motiveringsgebrek dient de bestreden beslissing vernietigd te worden, zulks op grond van voormelde wet, alsook trouwens op grond van art. 55, § 3 Stedebouwwet 29.03.1962, dat voorschrijft dat beslissingen van de Minister inzake een bouwberoep met redenen moeten worden omkleed. Laatstbedoelde motiveringsverplichting legt aan het bestuur minstens even stringente eisen op, als de algemene verplichting die thans voortvloeit uit de W. 29.07.1991. Zie ook: Mast, A., Dujardin, J., Van Damme, M. & Vande Lanotte, ‘Overzicht van het Belgisch Administratief Recht’, Gent, Story-Scientia, 1992, p. 678: ‘(..) dat met de wet van 29 juli 1991 een vormvoorschrift wordt ingevoerd, dat bovendien substantieel is, aangezien het in het belang van de rechtsonderhorige is voorgeschreven. Daaruit volgt dat het niet of nietvoldoende motiveren zonder meer de illegaliteit van de bestuurshandeling oplevert wegens schending van een substantieel voorschrift.’ In de mate waarin men zou oordelen dat de Minister in het kader van het door art 55 Stedebouwwet georganiseerde bouwberoep, optreedt als een administratief rechtscollege, dient men aan te nemen dat op hem, in dat geval, zo mogelijk nog striktere motiveringsverplichtingen zouden hebben gerust. Administratieve rechtscolleges zijn ofwel onderworpen aan art. 97 Grondwet, ofwel aan eigen administratieve rechtsregels welke een minstens even strikte motiveringsverplichting opleggen. Concreet, onder meer en meer bepaald, kan gedacht worden aan het beginsel van de tegensprekelijkheid van de procedure voor administratieve rechtscolleges, hetwelk een verplichting veronderstelt tot beantwoording van alle opgeworpen middelen. Uit welke gezichtshoek men de kwestie dus ook bekijkt - W. 29.07.1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, art. 55, § 3 Stedebouwwet 29.03.1962, art. 97 Grondwet, administratiefrechtelijke regel van de tegensprekelijkheid van de procedure voor de administratieve X-9262-6/28 rechtscolleges -, de Minister behoorde te antwoorden op alle door verzoeker in memorie voor hem opgeworpen middelen. Nu de Minister deze motiveringsverplichting heeft miskend, is zijn beslissing onwettig, aangetast door miskenning van substantiële vormvereisten”; 2.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het eerste middel antwoordt wat volgt: “Het lijdt geen twijfel dat het aangevochten besluit onder de toepassing valt van de motiveringswet van 29 juli 1991 evenals uiteraard dient te voldoen aan de vereisten van artikel 55, § 3 van de Stedebouwwet van 29 maart 1962. Het besluit voldoet daaraan. Ingevolge voormelde wetgeving dient de minister opgave te doen van de juridische evenals van de feitelijke elementen die zijn besluit schragen. Bovendien moeten die elementen afdoende zijn. Er moet een evenwicht zijn tussen die motivering enerzijds en het belang van de zaak anderzijds. De procedure voor de administratieve colleges in het kader van de administratieve beroepsprocedure in zake stedebouw is niet gehouden door de verplichting te antwoorden op alle opgeworpen middelen. In de Stedebouwwet staat dat de beslissingen met redenen worden omkleed. In de motiveringswet staat dat zij afdoende moeten zijn. Uit beide voorgaande elementen volgt duidelijk dat derhalve de motivering het besluit op een afdoende wijze dient te onderschragen, zodat de belanghebbende duidelijk weet waarom zijn aanvraag niet kon ingewilligd worden. Het ministerieel besluit verwijst wat de juridische grondslag ervan betreft naar de stedebouwwet van 29 maart 1962, naar het besluit van de Vlaamse Executieve van 15 maart 1989 houdende bepaling van de gebieden van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen waarbinnen afwijkingen i.v.m. het verbouwen, het herbouwen, of het uitbreiden van bestaande vergunde gebouwen niet of slechts gedeeltelijk kan worden toegestaan, het gewestplan Turnhout vastgesteld bij K.B. 30 september 1977 en de zonering ervan; het K.B. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, inzonderheid artikelen 13 en 23, l/, evenals het decreet van 28 juni 1984. Het is derhalve duidelijk dat de juridische grondslag waarop het besluit is genomen afdoende is aangehaald en gemotiveerd. Verzoekende partij weet perfect op grond van welke wettelijke bepalingen zijn aanvraag werd afgewezen. Met betrekking tot de feitelijke motivering stelt de minister dat het perceel overeenkomstig het gewestplan Turnhout is gelegen in een natuurgebied en dat overeenkomstig artikel 13 van het K.B. voornoemd van 28 december 1972 de natuurgebieden, de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten, die bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu en dat in die gebieden enkel jagers en vissershutten mogen worden gebouwd, voor zover deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al ware het ook maar tijdelijk. Er wordt vastgesteld dat het plan de oprichting van een gesloten veranda aan te bouwen aan de achterzijde van de woning van verzoeker, zijdelings palend aan de woning Jagersdreef 5 en aan de achterzijde aansluitend op de woning Jagersdreef 3, even als een bestaande stenen tuinmuur. Met betrekking tot de door verzoeker opgeworpen exceptie van artikel 107 van de grondwet, stelt de minister dat de verordenende kracht van het gewestplan Turnhout tot op heden integraal is behouden en het niet aan hem, in het kader van het kwestieuze beroep, toekomt om die verordenende kracht in twijfel te X-9262-7/28 trekken of te onderzoeken. Het bevoegde rechtscollege daartoe is de Raad van State, mits die daartoe tijdig wordt gevat. De minister stelt vast dat de verzoeker zijn aanvraag steunt op de toepasbaarheid van de opvulregel in het natuurgebied en motiveerde dat : ‘bouwwerken kunnen worden toegestaan voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen en voorzover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerpgewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van de openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand; dat betrokken eigendom zich inderdaad situeert binnen een huizengroep en paalt aan een volledig uitgeruste weg; dat voornoemde bepalingen van het art. 23 § 1 door het decreet van 28 juni 1984 niet werden gewijzigd; dat het evenwel een uitzonderingsmaatregel is en dus geen rechten schept voor de aanvrager, noch dat hierbij sprake kan zijn van zekere automatismen; dat iedere bouwaanvraag dient getoetst aan de gangbare inzichten en vereisten betreffende een goede aanleg der plaats; Overwegende dat de ontworpen veranda de ruimte achter de woning met de grens van het links aanliggende en het achteraanpalende eigendom dus volledig zou overdekken en zou resulteren in een constructie met een oppervlakte van ca 34,8m²; dat gelet op de complexe eigendomstructuur met aaneensluiting van drie verschillende woningen, het hier uit ruimtelijk ordenend oogpunt niet verantwoord is dergelijke erf-bebouwingsconfiguratie verder te belasten door het oprichten van een veranda die aansluit op de drie respectieve woningen; dat een verwijzing naar andere bebouwingstoestanden in de omgeving niet relevant is om reden dat het geen vergelijkbare erfbezittingen noch bebouwingsvormen betreft; dat op grond van de vaststelling dat de ontworpen veranda een reeds slechte ruimtelijke ordeningstoestand verder zou verzwaren, het beroep van de partikulier dient verworpen.’ De minister geeft zeer duidelijk niet alleen de juridische maar ook de feitelijke grondslag van de motieven die zijn besluit schragen, nl. de zonering van het gewestplan dat wettig en verordenend is, de goede plaatselijke ordening, de onbestaanbaarheid van enig automatisme m.b.t. de opvulregel, de erf- en bebouwingsconfiguratie van het perceel en zijn aanpalende omgeving in het bijzonder, en de verzwaring van die slechte ordening in geval van een vergunning. Het is duidelijk dat die motieven afdoende zijn. Er kan geen betwisting zijn betreffende de vaststelling dat er, rekening houdend met het voorwerp van de aanvraag, een evenwicht is tussen de motivering en het belang van de zaak. Uit het voorgaande blijkt zeer duidelijk dat bovendien in tegenstelling tot hetgeen door verzoeker wordt voorgehouden, de minister wel heeft geantwoord op de opwerping betreffende artikel 107 van de grondwet gezien hij stelt dat de verordende kracht van het gewestplan behouden is en de Raad van State enkel tijdig kan gevat worden om de verordende kracht daarvan te onderzoeken. Eveneens heeft de minister zeer duidelijk geantwoord op de toepassing van artikel 23, 1/ K.B. van 28 december 1972 en de verwijzing naar art. 6 en 6bis van de grondwet, gezien hij desbetreffend vaststelt dat het niet om vergelijkbare erfbezettingen noch bebouwingsvormen gaat. Voor het overige diende de minister niet te antwoorden op de vraag of het aangevraagde bouwwerk het natuurgebied in min of meerdere mate zou schaden dan de door verzoeker aangehaalde elementen. De minister dient te oordelen over de aanvraag als dusdanig en heeft die beoordeeld als strijdig met de goede orde van de plaats, zodat daardoor impliciet de elementen van dat middel zijn beantwoord. Het eerste middel faalt derhalve volledig”; X-9262-8/28 2.2.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord inzake het eerste middel nog stelt: “Verzoeker verwijst naar zijn betoog in het inleidende verzoekschrift, en handhaaft dit betoog volledig. De argumentatie vanwege het Vlaams Gewest komt aan dit betoog niet tegemoet. Meer in het bijzonder kan de redenering van het Vlaams Gewest, als zou de Minister niet tot taak hebben gehad om alle door verzoeker opgeworpen middelen te beantwoorden, niet worden gevolgd. Anderzijds kan worden vastgesteld dat het Vlaamse Gewest in zijn memorie zelf erkent dat de Minister minstens op volgende punten in gebreke is gebleven om de memorie van verzoeker, ingediend bij de Minister, te beantwoorden: * de opwerping van verzoeker, dat het voorgenomen bouwwerk het beweerde karakter van natuurgebied van de omgeving alleszins minder zou schaden dan de door verzoeker sub 8.B. van zijn memorie aangehaalde elementen * het gecombineerd beroep van verzoeker op de opvulregel ex art. 23, 1/ K.B. 28.12.1972, art. 6 & 6bis Grondwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waar verzoeker betoogde (...) dat het voorgenomen bouwwerk zeer zeker als kaderend binnen de opvulregel diende te worden vergund, nu deze opvulregel bouwwerken toestaat die de ruimtelijke ordening van hun omgeving in manifest veel ernstiger mate bezwaren * het beroep van verzoeker op art. 107 Grondwet, ertoe strekkend de Minister te doen afzien van toepassing van het Besluit van de Vlaamse Executieve d.d. 15.03.1989 dat de regeling van art. 45, § 2 Stedebouwwet 29.03.1962 uitsluit voor de natuurgebieden in het Vlaamse Gewest, besluit waarvan verzoeker in zijn memorie de onwettigheid heeft opgeworpen (zie verzoekers memorie sub 8.D) * het beroep van verzoeker op zijn door art. 8 E.V.R.M. gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven (memorie verzoeker sub E.)”; 2.2.1.4. Overwegende dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend; 2.2.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie met betrekking tot het eerste middel; 2.2.2.1. Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna “uitdrukkelijke motiveringswet”) op het ogenblik van het bestreden besluit bepaalden en nu nog altijd bepalen, dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet op het ogenblik van het bestreden besluit bepaalde en nu nog altijd bepaalt, dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de X-9262-9/28 bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de uitdrukkelijke motiveringswet een wet van suppletoire aard is; dat het op het ogenblik van het bestreden besluit toepasselijke artikel 55, §3, eerste lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (hierna “de stedenbouwwet”) aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak deden over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegde die -zoals de verzoeker terecht stelt- minstens even streng was als deze voorgeschreven door de uitdrukkelijke motiveringswet; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vielen van laatstgenoemde wet; dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting te dezen moet worden geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 55, § 3, eerste lid van de stedenbouwwet; 2.2.2.2. Overwegende dat de bestendige deputatie en de Vlaamse regering, wanneer zij op grond van het op het ogenblik van het bestreden besluit geldende artikel 55, § 3, eerste lid van de stedenbouwwet, in beroep uitspraak deden over een bouw- of verkavelingsvergunning, optraden, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur; dat hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hun opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe waren gehouden alle in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden; dat het volstond dat zij in de beslissing duidelijk aangaven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij was verantwoord, derwijze dat het de aanvrager mogelijk was met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kon uitoefenen, dat hij m.a.w. kon nagaan of de overheid was uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist waren, of zij die correct had beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit was kunnen komen; 2.2.2.3. Overwegende dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt om welke redenen is geweigerd toepassing te maken van de door verzoeker ingeroepen opvulregel, die toentertijd in het artikel 23, 1/ van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (hierna: “het K.B. van 28 december 1972”) was opgenomen; dat het eerste middel dan ook niet gegrond is; X-9262-10/28 2.3.1.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in een tweede middel aanvoert wat volgt: “Tweede middel : de Gemeenschapsminister mocht het K.B. 30.09.1977, waarbij verzoekers huidig eigendom werd ingelijfd bij het natuurgebied, niet toepassen, zulks gelet op zijn onwettigheid (art. 107 Grondwet) Art. 13, punt 4.3.1 van het K.B. 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt het ‘natuurgebied’ als volgt : ‘De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden.’ Het eigendom van verzoeker, hetwelk van oudsher een woonfunctie heeft, en omgeven wordt door andere percelen met woonfunctie, beantwoordt met de beste wil van de wereld niet aan een van deze omschrijvingen. Aldus heeft voor de inlijving van verzoekers eigendom bij het ‘natuurgebied’ in de zin van voornoemd K.B. 28.12.1972, nooit de rechtens vereiste feitelijke grondslag bestaan. Het K.B. 30.09.1977, waarbij verzoekers huidig eigendom bij het ‘natuurgebied’ is ingelijfd, is dus door onwettigheid aangetast. Noch de Bestendige Deputatie, noch de Minister, noch thans de Raad van State, mochten derhalve van het kwestieuze inlijvingsbesluit toepassing maken. Deze exceptie is gesteund op art. 107 Grondwet: ‘De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zover zij met de wetten overeen- stemmen.’ Art. 107 Grondwet bevat een algemeen rechtsbeginsel dat niet alleen van toepassing is op hoven en rechtbanken, maar ook op administratieve overheden - R.v.St., 27.01.1988, Leens, nr. 29.227 -. Ieder met rechtspraak belast orgaan heeft de macht en de plicht na te gaan of de besluiten en verordeningen welke het toepast, met de wet overeenstemmen - Cass., 13.10.1965, Pas., 1966, 1, 204 -. De Minister heeft zich in het bestreden besluit d.d. 03.05.1993 gesteund op een verkeerde uitlegging van art. 107 Grondwet, waar hij heeft voorgehouden dat de onwettigheid van het K.B. 30.09.1977 enkel had kunnen worden bestreden middels een objectief vernietigingsberoep, binnen de 60 dagen na bekendmaking van het besluit in te stellen bij de Raad van State. Tot slot past het een recent cassatie-arrest te citeren ‘Art. 107 Grondwet is toepasselijk op de zelfs niet-reglementaire beslissingen van het bestuur en op de administratieve handelingen, ook al zijn ze van individuele aard. De door art. 107 Grondwet aan de hoven en rechtbanken toegekende bevoegdheid betreft de controle zowel van de interne als van de externe wettigheid van de administratieve akten.’ - Cass., 10. 11. 1992, R. W., 1992-93, 989 -. De bestreden beslissing d.d. 03.05.1993 is bijgevolg onwettig, nu zij is genomen met miskenning van verzoekers exceptie ex art. 107 Grondwet, gericht tegen het K.B. 30.09.1977 tot inlijving van verzoekers huidige eigendom bij het natuurgebied. Dit onderdeel van het middel gaat enigermate samen met het eerste middel. Het antwoord dat de Minister op de onwettigheidsexceptie ex art. 107 Grondwet heeft gegeven, voldoet rechtens niet, want is gesteund op een verkeerde interpretatie van art. 107 Grondwet. Er dient dus beschouwd dat de Minister het middel, door verzoeker voor hem opgeworpen, en gesteund op de onwettigheid van het K.B. 30.09.1977, niet naar behoren van recht heeft ontmoet. X-9262-11/28 De bestreden beslissing is echter tegelijk aangetast door machtsover- schrijding, nu zij berust op toepassing van een onwettig besluit. Verzoeker handhaaft de door hem opgeworpen exceptie van onwettigheid tegen voormeld K.B. 30.09.1977, exceptie gesteund op de hoger uiteengezette gronden. Het administratief dossier bevat geen enkel gegeven ter rechtvaardiging van de inlijving van de kwestieuze plaatsen bij het natuurgebied. Niets wijst er op dat de plaatsen zouden voldoen aan één of meer van de in art. 13, sub punt 4.3.1. van het K.B. 28.12.1972 limitatief opgesomde beschrijvingen”; 2.3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het tweede middel antwoordt wat volgt: “Verzoekende partij werpt op dat bij het gewestplan Turnhout, bekrachtigd bij het K.B. van 30 september 1977, zijn eigendom ten onrechte werd ingelijfd bij natuurgebied. Hij betoogt dat deze inlijving onwettig is, zodat ingevolge die onwettigheid bij toepassing van artikel 107 van de grondwet die onwettigheid niet kan worden toegepast en het betreffende K.B. op dat punt dan ook niet kan worden toegepast. Het gewestplan Turnhout is op regelmatige wijze tot stand gekomen en bekend gemaakt. De kaarten met de juridische toestand zowel als met de feitelijke toestand en de orthofotoplans werden neergelegd en bekend gemaakt op de wijze zoals voorgeschreven door de wet. De regelmatigheid en/of de wettigheid van de totstandkoming van het gewestplan konden door verzoeker worden aangevochten binnen de termijn van 60 dagen van de bekendmaking van dit gewestplan. Zulks werd door hem niet gedaan. De regelmatigheid van die verordenende kracht kan thans niet meer aangevochten worden. Verzoekende partij bewijst niet, noch minder beweert hij, dat er fouten zijn geslopen in de kaarten met de feitelijke en de juridische toestand van de gebieden, waarop het gewestplan werd opgemaakt, zodat, indien die kaarten wel op correcte wijze zouden zijn opgesteld geweest, de zonering van het gewestplan alsdan op een andere wijze zou tot stand zijn gekomen (...). Het K.B. van 30 september 1977 houdende bekrachtiging van het gewest- plan Turnhout is derhalve op wettige wijze tot stand gekomen. De opgeworpen onwettigheid blijkt niet uit artikel 13.4.3.1. van het K.B. van 28 december 1972. Er wordt geen enkele onregelmatigheid voorgehouden, noch minder aangetoond. Het middel is niet gegrond”; 2.3.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord inzake het tweede middel nog stelt: “Op dit stuk handhaaft verzoeker het betoog van zijn inleidend verzoekschrift. Het Vlaamse Gewest ontmoet de door verzoeker opgeworpen jurisprudentie niet. Meer in het bijzonder kan het Vlaams Gewest niet worden gevolgd in zijn bewering, als zou de onwettigheid van de inlijving van verzoekers huidig eigendom in het natuurgebied, thans niet meer in het kader van (oud) art. 107 Grondwet kunnen worden aangevochten. De exceptie ex art. 107 Grondwet veronderstelt, zoals door verzoeker aangetoond, een volledige toetsing. Het is onjuist dat na het verstrijken van de 60-dagen termijn voor een rechtstreeks objectief beroep bij de Raad van State, de onwettigheid van een besluit niet meer zou kunnen worden aangevochten. X-9262-12/28 Wat de in te roepen middelen aangaat, staat de onwettigheidsexceptie , ex (oud) art. 107 Grondwet volledig gelijk aan het vernietigingsberoep. De justiciabele heeft dus vrijelijk de keuze tussen ofwel het instellen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State, ofwel het bestrijden van de wettigheid van het besluit, voor de rechtsinstantie waar het besluit tegen hem wordt ingeroepen. De controle op de wettigheid van het K.B. 30.09.1977 beperkt zich overigens geenszins tot de controle op de formele regelmatigheid van zijn totstandkoming. In zijn verzoekschrift kon verzoeker dus, zoals hij heeft gedaan, opwerpen dat aan de inlijving van zijn huidig eigendom bij het natuurgebied geen door het recht vereiste feitelijke grondslag heeft beantwoord. Op dit middel heeft de Minister in de aangevochten beslissing niet geantwoord. Ook het Vlaams Gewest gaat aan dit middel zonder meer voorbij. Indien de Raad van State zulks aangewezen oordeelt, dienen de gepaste onderzoeksmaatregelen te worden bevolen om na te gaan of verzoekers huidig eigendom redelijkerwijs kan worden beschouwd als een bos, woud, veen, heide, moeras, duin, rots, aanslibbing, stranden of een ander dergelijk gebied’. In dit verband suggereert verzoeker een deskundigenonderzoek, in de zin van art. 25 W. R.v.St., juncto artn. 20 e.v. Reg. Besl. 23.08.1948. Ook een plaatsbezoek, al dan niet na oproeping van partijen, behoort tot de mogelijkheden - art. 19 Reg. Besl. 23.08.1948”; 2.3.1.4. Overwegende dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend; 2.3.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie met betrekking tot het tweede middel; 2.3.2.1. Overwegende dat artikel 159 (vroeger: artikel 107) van de grondwet bepaalt dat “de hoven en rechtbanken (...) de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe(passen) in zoverre zij met de wetten overeenstemmen”; dat de in dat grondwetsartikel gestelde regel, zoals onder meer uit de duidelijke en ondubbelzinnige formulering ervan blijkt, enkel geldt voor de met rechtspraak belaste organen en niet voor het actief bestuur; dat elk bestuurlijk orgaan dat niet optreedt als rechtsprekend college of als toezichthoudende overheid van het bestuur dat de, in voormeld artikel 159 bedoelde besluiten moet uitvoeren of toepassen, ertoe is gehouden de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen, zolang zij niet opgeheven, ingetrokken of vernietigd zijn, tenzij zij wegens hun flagrante, onbetwistbare onwettigheid als niet bestaande moeten worden beschouwd; X-9262-13/28 2.3.2.2. Overwegende dat, zoals volgt uit hetgeen al in de overweging bij het randnummer 2.2.2.2. is vermeld, de minister die het bestreden besluit heeft genomen, is opgetreden als orgaan van het actief bestuur en niet als een met rechtspraak belast orgaan; Overwegende dat op basis van verzoekers bewering dat “voor de inlijving van (zijn) eigendom bij het ‘natuurgebied’ in de zin van (het) K.B. 28.12.1972” “nooit de rechtens vereiste feitelijke grondslag heeft bestaan” omdat zijn eigendom “van oudsher een woonfunctie heeft en omgeven wordt door andere percelen met woonfunctie”, niet kan worden besloten tot de onwettigheid -laat staan de flagrante of onbetwistbare onwettigheid- van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 goedgekeurde gewestplan Turnhout; dat immers geen bepaling van de stedenbouwwet oplegde dat de in het gewestplan vastgestelde bestemming moest overeenstemmen met de bestaande toestand; dat dit voortvloeit uit het gegeven dat de plannen van aanleg toekomstgericht zijn en derhalve bestemmingen kunnen vaststellen die niet noodzakelijk overeenstemmen met de bestaande toestand; Overwegende dat het voormelde koninklijk besluit van 30 september 1977 op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, niet was opgeheven, ingetrokken of vernietigd; Overwegende dat derhalve de minister die het bestreden besluit heeft genomen ertoe was gehouden het betrokken besluit toe te passen en het niet op basis van artikel 159 van de grondwet buiten toepassing kon laten; 2.3.2.3. Overwegende dat, anders dan verzoeker zich dat voorstelt, de Raad van State, in het raam van een annulatieberoep tegen een (weigering van een) bouwvergunning, niet van ambtswege de wettigheid onderzoekt van het gewestplan op grond waarvan de betrokken bouwaanvraag werd beoordeeld; dat de Raad enkel de toepassing van een onwettig gewestplan weigert als de verzoekende of tussenkomende partij op ontvankelijke wijze en op goede gronden de onwettigheid aanvoert en dit binnen de perken waarin de onwettigheid is inroepen; dat de verzoeker, zoals blijkt uit de tweede overweging onder bovenvermeld randnummer 2.3.2.2. , niet op goede gronden de onwettigheid van het koninklijk besluit van 30 september 1977 aanvoert; dat bijgevolg de Raad van State niet op grond van artikel 159 van de grondwet, het voormelde koninklijk besluit buiten toepassing kan laten; X-9262-14/28 2.3.2.4. Overwegende dat ook het tweede middel niet gegrond is; 2.4.1.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in een derde middel aanvoert wat volgt: “Onder punt 8.B. van zijn memorie betoogde verzoeker voor de Minister ‘Indien het eigendom van verzoeker wel zou worden beschouwd als behorend tot een natuurgebied - quod non -, zal de bouw van de veranda dit beweerd karakter van natuurgebied niet schaden - zie hoger - : het bouwwerk is geheel en al aan het oog onttrokken en alleszins minder dan talrijke andere, in de onmiddellijke buurt kennelijk wel vergunde werken: * in de onmiddellijke nabijheid, ten noordwesten, van verzoekers erf bevindt zich, goed zichtbaar, een recent aangelegd tennisterrein, met daaromheen een afrastering van industriële makelij * rondom bedoeld tennisterrein staan verscheidene verlichtingsmasten * eveneens is een hoge antenne-mast aangebracht * op een aanpalend erf, ten noorden, wordt een koffiehuis uitgebaat * de eigenaars van de woning Jagersdreef 5 hebben in een recent verleden talrijke verbouwingen uitgevoerd aan hun pand, zowel binnenin als buiten; zij brachten aldus in het dak van hun woning meerdere moderne kantelramen aan; de bestaande ramen in de gevels werden vervangen door moderne ramen; de kelder werd uitgediept; in de (voorgevel) werd een opening gemaakt van 60 * 40 cm, alsmede één van 2 m op 1 m; thans zijn de eigenaars van bedoeld erf bezig hun tuin heraan te leggen, alsook zijn ingrijpende verbouwings- en aanbouwingswerken bezig ter hoogte van de garage * aan het naburige kasteel ‘Zoerselhof’ zijn recent zeer ingrijpende wijzigingen en verbouwingen doorgevoerd, met gebruik van moderne, witte raamprofielen, goed zichtbaar voor de omgeving, tot op de openbare weg. Bij de inzage van het dossier, op 18.03.1993, heeft verzoekers raadsman nog vastgesteld dat de stafkaart van het gebied, in het betrokken natuurgebied melding maakt van een camping, met alle storende gevolgen daaraan verbonden.’ Er is sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, alsook van een ongeoorloofde discriminatie, verboden door art. 6 & 6bis Grondwet, in de mate waarin aan verzoeker het voorwerp van zijn vergunning wordt geweigerd, terwijl kennelijk de door verzoeker aangehaalde constructies in de onmiddellijke omgeving, eveneens binnen het beweerde natuurgebied, bij de bevoegde overheden wel goedkeuring krijgen. In zijn bestreden beslissing overweegt de Minister ter zake enkel: ‘dat een verwijzing naar andere bebouwingstoestanden in de omgeving niet relevant is, om reden dat het geen vergelijkbare erfbezettingen noch ,bebouwingsvormen betreft’. Niet enkel voldoen deze overwegingen niet aan de formele motiveringsverplichting - zie eerste middel -, zij zijn tevens constitutief voor onwettigheid en machtsoverschrijding. De Minister geeft niet aan, om welke reden of op grond van welke gegevens in zijn dossier, hij besluit dat tussen de door verzoeker vermelde bebouwings- toestanden en het voorwerp van verzoekers aanvraag geen relevante gelijkenis bestaat. De Minister erkent impliciet de juistheid van de door verzoeker opgeworpen feitelijke gegevens. X-9262-15/28 Het blijkt echter niet dat de Minister ter zake tot een evenwichtige afweging is gekomen. De Minister heeft met name geen rekening gehouden met het klaarblijkelijke gegeven dat de veranda die verzoeker wenst te bouwen, nauwelijks zal worden waargenomen vanop enig ander erf. De door verzoeker ingeroepen bestaande bebouwingstoestanden zijn precies wel, zoals verzoeker ook heeft aangegeven, in de hele omgeving merkbaar en voelbaar - tennis- terreinen, met hoge afrastering van industriële makelij en met verlichtings- masten rondom; hoge antenne-mast; uitbating van een koffiehuis; ingrijpende verbouwingswerken aan het pand Jagersdreef 5; moderniseringswerken aan het nabije Zoerselhof; uitbating in de omgeving van een kampeerterrein -. Door tenslotte te overwegen ‘dat op grond van de vaststelling dat de ontworpen veranda een reeds slechte ruimtelijke ordeningstoestand verder zou verzwaren het beroep van de particulier dient verworpen’, schendt de Minister het gelijkheidsbeginsel, minstens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Minister wentelt aldus de hele door hem ervaren problematiek van de ruimtelijke ordening ter plaatse, af op verzoeker, en zulks zonder toe te komen aan een afweging van de ernst van de hinder, respectievelijk voortgebracht door verzoekers geplande veranda, enerzijds, en door de omliggende bebouwings- elementen, zoals door verzoeker in zijn memorie aangehaald, anderzijds. De Minister onderzoekt zelfs niet of de door verzoeker aangehaalde bebouwingstoestanden in overeenstemming zijn met de geldende reglemen- tering, zoals ze door de Minister tegenover verzoeker wordt ingeroepen. Nu niet blijkt dat voor bedoelde omliggende bebouwingstoestanden een wettige basis heeft bestaan, is niet aangetoond dat de verwerping van verzoekers vergunningsaanvraag in het licht van de algemene beginselen van zorgvuldigheid - redelijkheid, zorgvuldigheid - de meest aangewezen oplossing zou zijn geweest om te verhelpen aan hetgeen de Minister zelf noemt ‘een reeds slechte ruimtelijke ordeningstoestand’. De wetsovertredingen van derden mogen verzoekers belangen en rechten niet schaden. Het behoort aan de bevoegde overheden om te verhinderen dat ter plaatse een slechte ruimtelijke ordeningstoestand ontstaat of blijft bestaan, in strijd met de geldende reglementering. Gelet op verzoekers verweer had de Minister minstens dienen te onder- zoeken of de bedoelde omliggende bebouwingstoestanden met de geldende reglementering in overeenstemming zijn, alvorens de aanvraag van verzoeker, precies op grond van het bestaan van deze omliggende bebouwingstoestanden, af te wijzen. De hier aangeklaagde ongelijkheid en willekeur klemmen des te meer, nu de overheid, in strijd met de wet, aan verzoekers buren, eigenaars en bewoners van het pand Jagersdreef 5, kennelijk toestaat om belangrijke verbouwingswerken te doen, zonder bouwvergunning, en in strijd met de reglementering welke t.a.v. verzoeker wel wordt gehandhaafd. Op 30.04.1992 maakte de gemeentelijke politie te Zoersel, op klacht van verzoekers echtgenote, lastens bedoelde buren, de heer en mevrouw jozef en Kristiana De Koninck-Lambrechts, Jagersdreef 5 te 2980 Zoersel, proces-verbaal op - (...) -, waarin werd vastgesteld dat betrokkenen in strijd waren met art. 44 Stedebouwwet 29.03.1962, om: ‘- op zijn eigendom, een gebouw opgericht te hebben
- a)zonder in het bezit te zijn van een voorafgaand schriftelijke toelating (bouwvergunning), af te leveren door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel - Beschrijving van de aard der feiten Op het pand Jagersdreef 5 te Zoersel wordt een gebouw opgetrokken in snelbouwstenen, tegen een bestaand gebouw. Afmetingen : 8 meter lan(
- g)en 2 meter breed. Het dak is schuin hellend. In het bestaand gebouw werden twee deuropeningen gemaakt.’ X-9262-16/28 Onder ‘Inlichtingen’ noteren de verbalisanten ‘Op de plaats waar men met de bouwwerken bezig was, stond vroeger een houten kot. De nieuwe bergplaats is een 50 cm. breder dan de oude. Het pand Jagersdreef 5 is gelegen in een natuurgebied waar geen verbouwingswerken en/of uitbreidingswerken kunnen worden toegestaan (Decreet 28.06.1984 & art. 45, § 2, negende lid W. 29.03.1962)’. Hoewel bleek dat het College van Burgemeester en Schepenen te Zoersel op 26.11.1990 een bouwvergunning had geweigerd, op eensluidend negatief advies van de gemachtigde ambtenaar van de dienst Stedebouw - zie bijgevoegd afschrift geseponeerd strafdossier -, en er aanvankelijk een schorsing van de werken werd bevolen, lieten de gemeentelijke autoriteiten de werken alsnog hernemen, op grond van de stelling dat de werken louter werken van onderhoud en instandhouding zouden zijn. Deze beslissing strijdt manifest met de concrete dossiergegevens. De verbalisant tekent overigens aan : ‘Volgens onze bescheiden mening betreft het nieuwbouw met uitbreiding van het vroegere gebouw. Het oude gebouw was in hout en werd volledig afgebroken.’ De merkwaardige houding van de verantwoordelijke gemeentelijke autoriteiten blijkt te zijn gesteund op een ‘beslissing’ (?) van de heer Brenders, gemachtigd inspecteur-hoofd van dienst bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur voor Monumenten en Landschappen, Provinciale Dienst Antwerpen. Afgezien nog van het probleem van de bevoegdheid van een ambtenaar van de dienst Monumenten en Landschappen inzake het beginsel of voor zekere werken een bouwvergunning nodig is, blijkt overduidelijk dat voornoemde heer Brenders met twee maten en twee gewichten meet. Op 06.04.1990, toen het eigendom van verzoeker en de omliggende eigendommen waren opgenomen op een voorontwerp van lijst van te beschermen dorpsgezicht - ten tijde van verzoekers aanvraag gold geen bescherming inzake monumenten, landschappen of dorpsgezichten schreef dezelfde heer Brenders aan het College van Burgemeester en Schepenen te Zoersel - (...) -: ‘Wij vernemen dat de heer J. Vervliet, Jagersdreef 7, van plan is een veranda aan zijn woning te bouwen. Niet alleen is hiervoor een bouwvergunning vereist, maar tevens, gezien het ontwerp van lijst van 17.01.1990, een machtiging van ons Bestuur. Zo ver ons bekend werd voor deze werken geen bouwaanvraag ingediend zodat de uitvoering een overtreding betekent op de wetgeving van de stedebouw en op artikel 5, § 4 van het Decreet van 3 maart 1976 inzake monumenten, stads- en dorpsgezichten. Mag ik u verzoeken erop toe te zien dat de geplande werken niet uitgevoerd worden en in voorkomend geval de politie opdracht te geven de werken stil te leggen en proces-verbaal op te maken. U gelieve mij tevens op de hoogte te houden zodat we de nodige vaststellingen kunnen doen en desgevallend aangifte van de overtreding kunnen doen bij de procureur des Konings.’ Op 12.04.1990 ontving verzoeker vanwege de Burgemeester te Zoersel kopie van deze brief - (...) -. Op 24.04.1990 zond de heer Brenders verzoeker nog rechtstreeks een schrijven, met gelijklopende inhoud - (...) -. Verzoeker roept deze gang van zaken in ter ondersteuning van zijn op het gelijkheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gesteund middel. Nu aan verzoeker wordt verboden hetgeen aan de heer en mevrouw jozef & Kristiana De Koninck-Lambreghts wordt toegestaan, is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, alsook van de zorgvuldigheid bij het X-9262-17/28 voorbereiden en nemen van administratieve beslissingen, en van het beginsel van de redelijke afweging van de betrokken belangen. Verzoeker meent te kunnen stellen dat de werken, welke aan zijn voornoemde buren zijn toegestaan, de omgeving in veel belangrijker mate belasten, dan de werken die verzoeker zich voorneemt uit te voeren. Waar verzoekers veranda aan het oog van derden onttrokken is, en enkel vanop verzoekers erf waarneembaar zal zijn, is de heropgebouwde garage van de heer en mevrouw De Koninck-Lambreghts zeer goed waarneembaar, niet enkel vanop verzoekers erf, maar ook vanop de omliggende erven, zoals het erf Jagersdreef 11, het erf Jagersdreef 1, en het Zoerselhof”; 2.4.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het derde middel antwoordt wat volgt: “Verzoeker haalt een aantal situaties aan van werken die in de omgeving zijn uitgevoerd, - hij laat in het midden al of niet zonder vergunning, - en die meer schadelijk zouden zijn dan de door hem beoogde werken, zodat ingevolge het gelijkheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, de door hem aangevraagde werken eveneens dienen te worden vergund. Vooreerst worden de kadastrale percelen niet aangehaald van de door verzoeker gemelde werken noch de eigenaars ervan. Evenmin wordt aangehaald of de voormelde werken al dan niet regelmatig werden vergund. Het is duidelijk dat verzoeker blijkbaar een aantal onderhouds- en instandhoudingswerken aanhaalt. In alle geval stelt de minister desbetreffend dat een verwijzing naar andere bebouwingstoestanden in de omgeving niet relevant is om reden dat het geen vergelijkbare erfbezettingen noch bebouwingsvormen betreft. Deze vaststelling op zich toont reeds aan dat het gelijkheidsbeginsel alleszins niet werd geschonden. Desbetreffend wordt door verwerende partij verwezen naar de uitvoerige rechtspraak van het Arbitragehof over het gelijkheidsbeginsel (...), evenals van Uw Raad (...). Verzoeker weerlegt trouwens niet in zijn verzoekschrift gericht aan de minister dat het, in tegenstelling tot wat in het aangevochten ministerieel besluit staat, wel gaat om vergelijkbare erfbezettingen en bebouwingsvormen. Door verzoeker wordt hierdoor impliciet de stelling van de minister bijgetreden. Bij het beoordelen van een aanvraag zal het al dan niet esthetisch aspect ervan een criterium zijn bij de beoordeling. De zichtbaarheid van de aanvraag ten overstaan van de openbare weg is daarbij uiteraard geen criterium. Dergelijk criterium is wel de goede plaatselijke aanleg en de goede ruimtelijke ordening. De minister heeft desbetreffend zeer uitdrukkelijk gemotiveerd waarom aan dat criterium niet werd voldaan. Verwerende partij verwijst hierover naar haar uiteenzetting onder het eerste middel. In tegenstelling tot hetgeen door verzoeker wordt voorgehouden wentelt de minister de problematiek van de bebouwingsconfiguratie niet af op het eigendom van verzoeker met uitsluiting van de andere eigendommen die van die configuratie deel uitmaken. Er zijn effectief geen aanvragen van de twee andere eigendommen waaraan voorrang zou zijn gegeven boven deze van verzoeker. Voor het overige heeft de minister bij de beoordeling van de aanvraag slechts rekening gehouden met de woningen Jagersdreef 3, 5 en 7, die samen één aaneensluitend blok vormen en niet met andere bebouwings- elementen in de omgeving. De al dan niet wetsovertreding van andere situaties waarnaar verzoeker verwijst, hebben de beoordeling van de minister uiteraard niet beïnvloed, terwijl, indien de aangehaalde uitgevoerde werken regelmatig zouden vergund zijn, enerzijds de gebeurlijke onwettigheid van die X-9262-18/28 vergunningen in die specifieke situaties niet is aangetoond en anderzijds, indien zij regelmatig doch onwettig tot stand gekomen zijn, ze hoe dan ook geen basis kunnen vormen voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel (...). Tenslotte zijn, de elementen, door verzoeker aangehaald met betrekking tot het eigendom van zijn aanpalende buren, Jagersdreef 5, niet aan de beoordeling van de minister onderworpen. In zoverre bij de betreffende voorgehouden werken onwettig- heden zijn begaan, kunnen die geen basis zijn, zoals hiervoor reeds gesteld, voor het in casu aldan regelmatig toekennen van een vergunning die desondanks, zoals hiervoor reeds aangetoond, onwettig zou zijn. Voor de toepassing van het gelijkbeginsel kan men zich niet beroepen op vroegere foutievelijk met miskenning van de wet afgeleverde vergunningen of in het leven geroepen en verder gedoogde situaties. Overigens is de situatie niet vergelijkbaar gezien in casu het gaat om een vergunning tot oprichting van een bouwwerk, palend aan de de drie woningen, terwijl het in het aangehaalde vergeleken geval om een niet-aanpalend bouwwerk ging. Ook het derde middel is niet gegrond”; 2.4.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord inzake het derde middel verwijst naar zijn inleidend verzoekschrift en naar hetgeen hij betoogt inzake het vierde middel; 2.4.1.4. Overwegende dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend; 2.4.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie met betrekking tot het derde middel; 2.4.2.1. Overwegende dat het gelijkheidsbeginsel slechts kan zijn geschonden indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat; dat het aan de verzoeker die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, behoort dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen; 2.4.2.2. Overwegende dat de bouwaanvraag van de verzoeker het bouwen van een veranda palend aan zijn woning en de woningen gelegen aan de Jagersdreef 3 en 5 tot voorwerp heeft; dat hij voor de door hem aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, verwijst naar bebouwingstoestanden in de omgeving, die in feite niet als gelijkaardig kunnen worden beschouwd; dat het immers, enerzijds, gaat om een recent aangelegd tennisterrein met een “afrastering van industriële makelij” en “verlichtingsmasten”, een “hoge antenne-mast”, een “koffiehuis” en een camping en, anderzijds, om “zeer ingrijpende wijzigingen en verbouwingen (...) met gebruik van moderne, witte raamprofielen” “aan het naburig kasteel Zoerselhof” X-9262-19/28 alsook “talrijke verbouwingen” door “de eigenaars van de woning (van
- de)Jagersdreef 5” en dat “zowel binnenin als buiten” (vervangen en aanbrengen van ramen, uitdiepen van een kelder, maken van een opening in de voorgevel, heraanleggen van een tuin, “verbouwings- en aanbouwingswerken” aan een garage die niet paalt aan de woning); dat, daarenboven, in het bestreden besluit is overwogen dat “een verwijzing naar andere bebouwingstoestanden in de omgeving niet relevant is om reden dat het geen vergelijkbare erfbezettingen noch bebouwingsvormen betreft” en de verzoeker in zijn verzoekschrift de in het bestreden besluit aangevoerde niet-vergelijkbaarheid met de andere bebouwingstoestanden niet weerlegt; 2.4.2.3. Overwegende dat de verzoeker met betrekking tot de door hem aangebrachte werken in de omgeving niet aangeeft om welke kadastrale percelen en om welk bouwwerk het gaat; 2.4.2.4. Overwegende dat uit het voorafgaande blijkt dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij in gelijke omstandigheden op een verschillende wijze werd behandeld dan derden; dat het derde middel bijgevolg ongegrond is; 2.5.1.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in een vierde middel aanvoert wat volgt: “Ter zake riep verzoeker voor de Minister in - memorie, sub 8.C. ‘Art. 23, 1 / K.B. 28.12.1972 : ‘Onverminderd artikel 21 en artikel 6, zijn de navolgende regelen van toepassing in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitsluiting van industriegebieden, de ontginningsgebieden en de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de overstromingsgebieden. 1/. Bij uitzondering kunnen verkavelingen en bouwwerken worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of het ontwerp gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand. De afstand van de zijgevels van de minst van elkaar verwijderde huizen mag niet meer bedragen dan 70 m. Een wachtgevel van een bestaande woning mag met een nieuwe woning worden afgewerkt.’ Het bouwwerk in kwestie : • komt op een koertje, aan drie zijden omsloten door huizen • deze huizengroep, en dus ook het bouwwerk, bevinden zich aan dezelfde, westzijde van de openbare weg Jagersdreef • deze openbare weg is geen aardeweg, want geasfalteerd en dus onmiskenbaar voldoende uitgerust, welke ook de plaatselijke toestand verder weze • de afstand tussen de gevels beloopt manifest veel minder dan 70 m. X-9262-20/28 Het voorwerp van de vergunning beantwoordt dus aan de ‘opvulregel’. Verzoeker doet dus, voor zoveel als nodig, op die regel beroep. De opvulregel geldt overduidelijk in natuurgebieden. Het art. 45, § 2 Stedebouwwet 29.03.1962, en het Besluit Vlaamse Executieve 15.03.1989, laten de gelding van art. 23, 1/ K.B. 28.12.1972 in de natuurgebieden onverkort. Voor de zienswijze van de heer G. Verstreken, bevoegd ambtenaar van het provinciebestuur Antwerpen, zoals hoger aangehaald, bestaat rechtens geen enkele grond. De heer Verstreken leest art. 23, 1/ K.B. 28.12.1972 op een ongewettigde wijze door er een voorwaarde aan toe te voegen, of een beperking in onder te brengen, welke de tekst zelf van het reglement niet voorziet. Zijn zienswijze kan de afwijzing van de bouwaanvraag dus onder geen beding verantwoorden. Er is geen enkele grond aanwezig om te stellen dat de ‘opvulregel’, zoals hoger beschreven en aangehaald, niet zou gelden i.v.m. het bouwen van een veranda in een natuurgebied. De wetsinterpretatie die door het bestreden besluit van de Bestendige Deputatie, minstens impliciet, wordt bijgetreden, is manifest met het gelijk- heidsbeginsel en het gezond verstand en goed beleid, in strijd. Krachtens de ‘opvulregel ‘ ex art. 23, 1/ K.B. 28.12.1972 kunnen vergun- ningen worden verleend om een volledige nieuwbouwwoning te bouwen in natuurgebieden - zie art. 23, l/ tweede lid, laatste zin, zoals vervangen voor het Vlaamse Gewest bij art. 4 K.B. 13.12.1978: ‘Een wachtgevel van een bestaande woning mag met een nieuwe woning worden afgewerkt.’ Het elementaire respect voor de logica, en dus voor het gelijkheidsbeginsel ex art. 6 & 6bis Grondwet, brengt mee dat indien het bouwen van nieuwe woningen in natuurgebieden alsnog tot de mogelijkheden behoort, het vergunnen van bouwwerken zoals de veranda die verzoeker wil bouwen, eveneens toegelaten moet zijn. Het kan niet worden betwist dat het beweerde karakter van natuurgebied van de omgeving door het bouwen van welkdanige nieuwe woningen, die aldus de woondruk doet toenemen, door de aankomst van nieuwe gezinnen, veel meer zal worden geschaad dan de plaatsing van een glazen wand en een afdak tussen drie bestaande, aan het oog van de buitenwereld afgesloten muren. Gelet op de doelstelling van de wetgeving op ruimtelijke ordening is er geen dienstige verantwoording voor denkbaar dat aan de ene kant wel vergunningen zouden kunnen verleend voor het bouwen van (meerdere) nieuwe woningen in een natuurgebied, en dat aan de andere kant verzoeker, in de hoger geschetste omstandigheden, niet het recht zou kunnen genieten om de voorgenomen veranda te bouwen. Voor het onmogelijke geval waarin de Minister zou menen dat de bepalingen van het decreet 15.03.1989 ertoe zouden moeten leiden dat de opvulregel in de natuurgebieden in Vlaanderen geen toepassing meer vindt, d.w.z. dat de opvulregel in deze zaak omwille van voornoemd(
- e)decreet 15.03.1989 geen toepassing kan vinden, roept verzoeker uitdrukkelijk de op de hoger ontwikkelde middelen en argumenten gesteunde exceptie van art. 107 Grondwet in. Er ware, in voorkomend geval, sprake van een discriminatie en een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het kan inmiddels niet voldoende worden herhaald : * dat het een bouwwerk van gering belang betreft, niet waarneembaar vanop enige openbare weg of plaats, en in feite enkel in het oog springend voor wie zich reeds op het eigendom van verzoeker bevindt * dat het eigendom van verzoeker naar waarheid een woonfunctie heeft, zij het dat zekere elementen van een parkachtig gebied aanwezig zouden X-9262-21/28 kunnen zijn, doch dat geenszins sprake kan zijn van een natuurgebied in de zin zoals omschreven in art. 13, sub 4.3.l., van het K.B. 28.12.1972.’ De Minister heeft weliswaar erkend dat de ‘opvulregel’ toepasselijk is op het eigendom van verzoeker, ook in het geval men ervan uitgaat dat dit eigendom behoort tot het ‘natuurgebied’. De Minister weigert echter om te dezen toepassing te maken van de ‘opvulregel’. Verzoeker meent dat de Minister aldus aan de opvulregel, zoals hij ten tijde van de aanvraag van verzoeker bestond, voorwaarden toevoegt, die er niet in voorkomen. Concreet anticipeert de Minister op de door hem beoogde afschaffing van de opvulregel ter zake liet de Minister voorjaar '93 een bericht in de media verspreiden-. Verzoeker is van mening dat de Minister, door in de omstandigheden van het geval toepassing van de opvulregel te weigeren, inbreuk pleegt op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag, zorgvuldigheidsnorm, redelijke afweging van de betrokken belangen-. De Minister schendt ook het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door verzoeker een bouwvergunning op basis van de opvulregel te weigeren, terwijl tot op het ogenblik waarop verzoeker zijn aanvraag indiende, de opvulregel niet enkel bleef bestaan, doch tevens toegepast werd in andere gevallen, en, zoals verzoeker in zijn memorie had betoogd, in gevallen waar de vergunde bouwwerken een veel ernstiger hinder voor de plaatselijke ruimtelijke ordening meebrachten, bij elke verhouding met de hinder, beweerdelijk door de gebeurlijke bouw van verzoekers veranda voor te brengen. Verzoeker handhaaft zijn beschouwingen in rechte, zoals in hoger opgenomen citaat - sub 8.C. - van zijn memorie ontwikkeld”; 2.5.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het vierde middel antwoordt wat volgt: “Blijkens de tweede laatste alinea op pg. 18 van het verzoekschrift is verzoeker zich terdege bewust van het feit dat thans, de opvulregel waarnaar hij verwijst, niet meer van toepassing is (decreet van de Vlaamse Raad van 23.06.1993), zodat bij het bekomen van gebeurlijke vernietiging en bij het opnieuw onderzoeken van de aanvraag volgens de thans van toepassing zijnde wetgeving, de betreffende regel ook niet meer zou kunnen worden toegepast. Voor het overige heeft de minister effectief vastgesteld dat de opvulregel toepasselijk was op het eigendom van verzoeker, zelfs al behoort het tot het natuurgebied. De minister stelt evenwel vast, verwijzend naar de tekst van art. 23, § 1 van het K.B. van 28 december 1972 dat het gaat op (
- om)een uitzonderingsmaatregel (‘kunnen’) die derhalve geen rechten schept noch een automatisme, zodat de toepassing overeenkomstig de wet telkens dient te worden getoetst aan de gangbare inzichten en de vereisten betreffende goede aanleg en goede ruimtelijke ordening. De minister heeft derhalve in geen enkele zin inbreuk gepleegd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur doch een correcte toepassing gemaakt van het wettelijk voorschrift waarvan verzoeker de toepassing van hem vorderde. ook het vierde middel is ongegrond”; 2.5.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord inzake het vierde middel nog stelt: X-9262-22/28 “Verzoeker verwijst ook hier naar zijn inleidend verzoekschrift. Hieraan kan het volgende worden toegevoegd. De Vlaamse Raad heeft de opvulregel voor de toekomst afgeschaft met zijn Decreet 23.06.1993. Tot deze afschaffing is besloten omdat de opvulregel in de praktijk als een automatisme ging functioneren, en alszodanig aangevoeld werd in het rechtsgevoel van overheden en rechtszoekenden. Het is in het licht van alle gegevens, ook van dit laatste gegeven, duidelijk dat de Minister een bepaalde uitlegging van de opvulregel heeft geforceerd, om tot afwijzing van de bouwaanvraag te kunnen komen. Het behoort tot de rechten van de verdediging om te wijzen op de schrijnende ongelijke behandeling die op die wijze wordt begaan. Noch de Minister in de aangevochten beslissing, noch het Vlaamse Gewest, in zijn memorie, hebben geantwoord op het beroep van verzoeker op art. 6 & 6bis Grondwet, waar verzoeker aanvoert dat de opvulregel in de concrete toepassing die hij in het verleden kreeg, bouwwerken mogelijk maakte die op een manifest veel ernstiger wijze een afwijking inhielden van de bestemming van de plaats volgens het gewestplan. De Minister heeft de toepassing van de opvulregel geweigerd, omdat het bouwwerk een ruimte zou opvullen tussen drie huizen. Nochtans strekt de opvulregel ertoe de ruimte ‘op te vullen’, die zich tussen bestaande bouwwerken bevindt. Men ziet dus niet in waarom het feit dat een alsnog open ruimte wordt omgeven door drie bouwwerken, een beletsel zou vormen voor de toepassing van de opvulregel, wanneer de opvulregel wel zou kunnen worden toegepast mochten slechts twee bouwwerken de open ruimte omgeven. De Minister begaat ook in dit opzicht een ongeoorloofde discriminatie bij de toepassing van de opvulregel, zodat er sprake is van de door verzoeker in zijn verzoekschrift, derde en vierde middel aangevochten onwettigheid ex art. 6 & 6bis Grondwet. Verzoeker betwist ook ten stelligste de bewering van het Vlaams Gewest, als zou verzoeker erkennen dat de door hem aangehaalde feitelijke bouwtoestanden in de onmiddellijke omgeving van zijn erf, wezenlijk in aard verschillen van het door hemzelf voorgenomen bouwwerk. Het Vlaams Gewest geeft aan de middelen en argumenten van verzoeker een uitleg die met de bewoordingen ervan in strijd komt. Verzoeker heeft enkel betoogd dat de aangehaalde bouwwerken de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de bestemming volgens gewestplan minstens even erg zouden storen, zoniet - quod certe est - veel ernstiger, dan wel de door verzoeker beoogde veranda, die immers geen bedreiging vormt voor de plaatselijke ruimtelijke ordening en de bestemming van het gebied - voor zover die bestemming op wettige wijze is gevestigd -. Het dient inmiddels te worden benadrukt dat de Minister, noch het Vlaamse Gewest, in concreto verantwoorden waarom de plaatselijke ruimtelijke ordening zou worden geschaad door het voorgenomen bouwwerk, terwijl anderzijds de lineaire toepassing van de opvulregel, tot in het recente verleden, door de Minister en de lagere besturen, kennelijk werd beschouwd als een maatregel zonder nadelig effect op de plaatselijke ruimtelijke ordening. Die afweging is niet ernstig, vermits, zoals verzoeker had betoogd voor de Minister en in zijn inleidend verzoekschrift, de toepassing van de opvulregel in andere situaties leidde tot vergroting van de woondruk etc., doordat eenvoudigweg nieuwe woningen, en dus bijkomende bewoners naar het gebied worden gebracht, terwijl zulke bijkomende druk niet zou ontstaan door het bouwen van de veranda”; X-9262-23/28 2.5.1.4. Overwegende dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend; 2.5.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie met betrekking tot het vierde middel; 2.5.2.1. Overwegende dat de vergunningverlenende overheid als orgaan van het actief bestuur na gebeurlijke vernietiging ertoe gehouden is de regelgeving toe te passen die geldt op het ogenblik dat zij opnieuw over de aanvraag uitspraak doet; 2.5.2.2. Overwegende dat artikel 23, 1/ van het K.B. van 28 december 1972 door het, op 27 januari 1994 in werking getreden artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 tot uitvoering van het decreet van 23 juni 1993 houdende aanvulling met een artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, is opgeheven; 2.5.2.3. Overwegende dat het perceel dat het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout, gelegen is in natuurgebied; 2.5.2.4. Overwegende dat uit het voorafgaande volgt dat, mocht het bestreden besluit worden vernietigd, de verwerende partij, opnieuw uitspraak doende over verzoekers beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie, niet anders zou kunnen dan dit beroep opnieuw te verwerpen en dus de gevraagde vergunning te weigeren; dat de verzoeker derhalve geen belang heeft bij het vierde middel; dat dit middel derhalve niet ontvankelijk is; 2.6.1.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in een vijfde middel aanvoert wat volgt: “Onder punt 8.D. van de memorie die hij bij de Minister heeft ingediend, heeft verzoeker betoogd : ‘Voor zoveel als nodig, gelet op de toepasselijkheid van art. 23, 1/ K.B. 28.12.1972, merkt verzoeker op dat de uitsluiting, door art. 1 Besluit Vlaamse Executieve 15.03.1989, van de ‘afwijkingsmogelijkheden’ ex art. 45, § 2 Stedebouwwet 29.03.1962, in natuurgebieden, neerkomt op een onverant- woorde ongelijkheid tussen de burgers. X-9262-24/28 Ook in die zin ware er sprake van een onaanvaardbare, want onwettige schending van het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in art. 6 & 6bis Grondwet. Er is geen redelijke verantwoording voorhanden, op grond waarvan in natuurgebieden deze afwijkingsmogelijkheden niet zouden dienen te gelden, wanneer zij, krachtens art. 2 van hetzelfde Besluit van 15.03.1989, wel onder zekere voorwaarden kunnen gelden in bosgebieden, parkgebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang.’ Op dit middel heeft de Minister niet geantwoord - schending van de motiveringsverplichting, ingeroepen in het eerste middel van huidig verzoekschrift -. Verzoeker handhaaft het middel thans voor de Raad van State. Hij verduidelijkt bovendien dat in geen geval een redelijke verhouding aanwezig kan worden geacht tussen het gebeurlijk door het aangeklaagde onderscheid gediende doel, en de gevolgen van het aangewende onderscheid. In samenhang wijst verzoeker op : * het feit dat zijn eigendom niet is gelegen in een gebied dat zou kunnen worden beschouwd als één van de gebieden, in art. 13, sub 4.3.1. van het K.B. 28.12.1972 bedoeld als ‘natuurgebied’ * het feit dat de geplande werken de plaatselijke ruimtelijke ordening niet zullen hinderen, minstens in veel minder belangrijke mate zullen hinderen, dan de reeds aanwezige bebouwingstoestanden waarvan hierboven sprake. Huidig middel wordt dus door verzoeker ingeroepen in samenhang met de overige middelen, meer in het bijzonder met het in het derde middel gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheids- en het redelijkheids- beginsel”; 2.6.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het vijfde middel antwoordt wat volgt: “Verzoeker baseert zijn motivering voor de ingeroepen onwettigheid op het feit dat afwijkingsmogelijkheden overeenkomstig artikel 45, § 2 van de stedebouwwet in natuurgebieden niet toepasbaar zijn waar zij in bosgebieden, parkgebieden en agrarische gebieden, ecologisch van groot belang krachtens art. 2 van hetzelfde besluit van 15 maart 1989, wel van toepassing zouden zijn onder zekere voorwaarden. Het is duidelijk dat er geen discriminatie kan worden voorgehouden op grond van art.6 of 6bis van de grondwet op grond van voornoemde motivatie omwille van het feit dat de situatie in natuurgebieden enerzijds, en in de overige gebieden anderzijds uiteraard niet dezelfde is, en het om verschillende gebieden gaat. Zulks toont reeds aan dat er geen schending kan zijn van het gelijkheidsbeginsel neergelegd in voormeld artikel van de grondwet. Verwerende partij verwijst naar de rechtspraak hierover van het Arbitragehof, het Hof van Cassatie en van Uw Raad, zoals aangehaald op p. 10 onderaan en 11 bovenaan onder het derde middel van deze memorie, met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel zoals tot uitdrukking gebracht in voormeld artikel van de grondwet. Verwerende partij verwijst voor het overige naar haar uiteenzetting betreffende de vorige (reeks) middelen die zij voor zoveel als nodig hier als herhaald aanziet. Ook het vijfde middel is niet gegrond”; X-9262-25/28 2.6.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord verwijst naar zijn argumentatie in het inleidend verzoekschrift; dat hij daarbij stelt dat de overwegingen van het Vlaamse Gewest niets afdoen aan zijn daarin met betrekking tot het vijfde middel opgenomen betoog; 2.6.1.4. Overwegende dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend; 2.6.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie met betrekking tot het vijfde middel; 2.6.2. Overwegende dat het middel om de redenen uiteengezet bij de bespreking van het vorige middel onontvankelijk is; 2.7.1.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in een zesde middel aanvoert wat volgt: “Onder punt 8.E. van zijn memorie wierp verzoeker voor de Minister op : ‘Art. 8 Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en van de fundamentele vrijheden : ‘Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling’. Door de bouw van de veranda wil verzoeker zichzelf en zijn gezin - hij heeft twee opgroeiende dochters - beschermen tegen inkijk op het koertje, vanuit een raam in de niet-gemene scheidsmuur gevormd door de zuid- of achtergevel van pand jagersdreef 5. Het recht van eenieder om te voorkomen dat de nabuur vanuit onregelmatige ‘lichten’ en ‘uitzichten’ - art. 675 e.v. B.W. -, effectief inkijk heeft in zijn huis of tuin, behoort tot het recht om zijn privéleven beschermd te weten. In dit verband zal het dak van het bouwwerk worden uitgevoerd in dubbelwandige opalen kunststof, ondoorzichtig voor gebeurlijke nieuwsgierige blikken. Zoals reeds tijdens de hoorzitting toegelicht, zal het bouwwerk, zoals ook blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde plans, worden gebouwd net onder het venster in de zuidzijde van de woning Jagersdreef 5. De bewoners van dit pand zullen, wat het gebruik van dit venster betreft, geen nadeel ondervinden waarover zij zouden gewettigd zijn te klagen. Gelet op de privacy van verzoeker en zijn gezin, behoren de buren geen inkijk te kunnen genieten in verzoekers tuin of woning. Zoals tijdens de hoorzitting is besproken, wordt de privacy en het rustig genot van verzoeker van het gedeelte van zijn eigendom, gelegen vóór zijn woning, naar de straatzijde toe, ernstig en op onoverkomelijke wijze belemmerd door het intensieve en permanente gebruik dat vanop het naastliggende erf wordt gemaakt van een wegenis, lopend aan de zuidgrens van verzoekers eigendom, lopend van de openbare weg, d.i. de Jagersdreef, tot bij de woning van verzoeker.’ De Minister heeft dit middel niet beantwoord, hetgeen een motiveringsgebrek oplevert - eerste middel -. X-9262-26/28 Verzoeker handhaaft het middel voor de Raad van State en roept, om de redenen toegelicht in het hiergeciteerde middel, opgeworpen voor de Minister, de schending in van art. 8 E.V.R.M. en de overige, voor de Minister in dit middel ingeroepen rechtsregelen”; 2.7.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het zesde middel antwoordt wat volgt: “Verzoekende partij roept de schending in van zijn privé- en gezinsleven : vanop het aanpalende eigendom Jagersdreef 5 is er, via een raam dat zich bevindt in de achtergevel van die woning, rechtstreeks zicht op de plaats waar verzoeker de veranda wil bouwen. De woningen zijn blijkbaar op de wijze zoals zij zich daar bevinden geconcipieerd van lang voorafgaandelijk aan de wetgeving op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw overeenkomstig de stedebouwwet van ’62. Men mag er zelfs van uitgaan dat zij op die wijze zijn geconcipieerd van voorafgaandelijk aan de Code Napoléon van 1804, gezien daarin is voorzien dat in een scheimuur normalerwijze geen uitzichten kunnen en mogen worden genomen B.W. art. 675-680), ofwel dat het gaat om erfdienstbaarheden door de eigenaar zelf in het leven geroepen (B.W. art. 686 e.v.). Verzoeker is eigenaar van de betreffende woning door aankoop en/of verkrijging op ander wijze. Hij was derhalve op dat ogenblik op de hoogte van het bestaan van het uitzicht vanuit de woning Jagersdreef 5 in zijn tuin. Het kan uiteraard niet dat op grond van de overweging die verzoeker maakt, de wetgeving op de Ruimtelijke ordening en de Stedebouw zou worden buitenspel gezet. Zulks zou, bij wijze van vergelijking, aanleiding geven om in alle steden hoge scheidingsmuren op te trekken, teneinde in- of uitzicht in of op het eigendom van de buren te voorkomen. Verzoekende partij kan in redelijkheid het aangevoerde middel niet volhouden. Het ingeroepen verdrag heeft met de andere wetgeving en de voorliggende besluiten geen verband en de aangehaalde wetgeving noch de minister schendt het verdrag door de wet op de stedebouw op correcte wijze toe te passen. Ook het zesde middel mist elke grond”; 2.7.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord inzake het zesde middel nog stelt: “Noch de aangevochten beslissing, noch de memorie van het Vlaamse Gewest, hebben de middelen en argumenten van verzoeker ter zake ontmoet. De civielrechtelijke beweringen van het Vlaams Gewest doen niet ter zake, en worden nergens door ondersteund. Het is verzoeker een raadsel hoe het Vlaams Gewest tot de overtuiging komt dat de woning van verzoeker reeds van voor de Code Napoleon dateert. In een burgerlijke betwisting tussen verzoeker, en de eigenaars van de woning Jagersdreef 5 te Zoersel, - dezen worden in die procedure verdedigd door dezelfde raadsman die thans in huidige procedure het Vlaams Gewest verdedigt-, is precies aan het licht gekomen dat de woning van verzoekers slechts van medio tot eind negentiende eeuw dateert. Overigens, zelfs indien de raamopening in de muur van de woning Jagersdreef 5 op regelmatige wijze zou zijn aangebracht - quod non - , zou het recht van verzoeker om door een bouwwerk het uitzicht vanuit dat raamwerk, op zijn eigendom, weg te nemen, overeind zijn gebleven. Inderdaad: X-9262-27/28 ‘Het recht om in een niet gemene scheidingsmuur lichten aan te brengen, tast het recht van de nabuur niet aan om op zijn eigen grond een muur op te trekken en alzo de lichten te stoppen.’ - Cass., 03.04.1939, Pas., 1939, I, 187; Arr. Verbr., 1939, 129 - ”; 2.7.1.4. Overwegende dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend; 2.7.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie met betrekking tot het zesde middel; 2.7.2. Overwegende dat niet valt in te zien in welk opzicht inbreuk kan worden gepleegd op het privé-leven, familie- en gezinsleven door de weigering van de kwestieuze bouwvergunning; dat derhalve ook het zesde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9262-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div